← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.094

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.094 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040526.1 Arrest- Rolnummer: 942004;2742 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-08-06 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-07-03 23:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 20 en 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 december 2002 tot wijziging van het decreet van 14 juli 1997 houdende het statuut van de " Radio-Télévision belge de la Communauté française (RTBF) ", ingesteld door de Algemene Centrale der Openbare Diensten. Tekst van de beslissing Rolnummer 2742 Arrest nr. 94/2004 van 26 mei 2004 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 20 en 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 december 2002 tot wijziging van het decreet van 14 juli 1997 houdende het statuut van de « Radio-Télévision belge de la Communauté française (RTBF) », ingesteld door de Algemene Centrale der Openbare Diensten. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. François, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 juni 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni 2003, heeft de Algemene Centrale der Openbare Diensten, met zetel te 1000 Brussel, Fontainasplein 9-11, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 20 en 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 december 2002 tot wijziging van het decreet van 14 juli 1997 houdende het statuut van de « Radio-Télévision belge de la Communauté française (RTBF) » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2002, tweede uitgave). Memories zijn ingediend door : - de Franse Gemeenschapsregering; - het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (afgekort V.S.O.A.), waarvan de zetel is gevestigd te 1050 Brussel, Lang-Levenstraat 27-29. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. De Franse Gemeenschapsregering en het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt hebben memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 25 maart 2004 : - zijn verschenen : . Mr. M. Detry, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. H. Penninckx loco Mr. V. De Wolf, advocaten bij de balie te Brussel, voor het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt; . Mr. A. Joachimowicz loco Mr. A. Berenboom, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers L. François en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de hoedanigheid en het belang om in rechte te treden van de verzoekende partij A.1.1. De Algemene Centrale der Openbare Diensten (A.C.O.D.) doet gelden dat de aangevochten bepalingen de wijze van aanwijzing van de vertegenwoordigers van het personeel binnen het paritair comité grondig wijzigen in zoverre zij de traditionele wijze van aanwijzing van de vertegenwoordigers van de werknemers (naar keuze van de vakorganisaties, waarbij het aantal afgevaardigden proportioneel wordt vastgesteld met het aantal aangeslotenen waarvan elke representatieve vakorganisatie doet blijken) vervangen door de verkiezing van die vertegenwoordigers op basis van lijsten van kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve vakorganisaties. Zij heeft een belang bij de vernietiging van een bepaling die aan een vakorganisatie die geen enkel representatief karakter heeft een buitensporig voorrecht verleent dat voor de verzoekende partij een onverantwoorde discriminatie vormt. A.1.2. De A.C.O.D. voegt bij haar verzoekschrift een kopie van de notulen van de vergadering van 18 juni 2003 van het uitvoerend gemeenschapsbureau van de subsector « R.T.B.F. » van de A.C.O.D., tijdens welke is beslist de vernietiging van de aangevochten bepalingen te vorderen, alsmede de heer André Poitoux, gemeenschapssecretaris van de A.C.O.D.-R.T.B.F., aan te wijzen om de A.C.O.D. te vertegenwoordigen. A.2.1. Het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (V.S.O.A.) is een feitelijke vereniging en beroept zich op de rechtspraak van het Hof die de beroepen en tussenkomsten van beroepsverenigingen toestaat. Het stelt een representatieve vakorganisatie te zijn die, volgens artikel 3 van haar statuten, tot doel heeft de materiële, sociale en morele toestand van haar leden te verbeteren, de belangen en de rechten van die leden te verdedigen in het kader van hun beroep, bij te dragen tot de verbetering van hun arbeids- en pensioneringsvoorwaarden, bij te dragen tot de beroepsvorming en de bevordering van het personeel in overheidsdienst en samen te werken met de administratie aan de efficiëntie van de openbare diensten, met het oog op een stimulerende en waardevolle sociale identiteit van het personeel van die diensten. Het legt notulen van het directiecomité over waarbij mandaat wordt verleend aan de heer Ayrianoff om tussen te komen bij het Arbitragehof en een beslissing om in rechte te treden die is afgegeven door zijn nationale voorzitter. A.2.2. Het V.S.O.A. acht zijn belang bij de tussenkomst evident, vermits de aangevochten wet die vakorganisatie het recht toekent om zitting te nemen in de sectorcomités. Dat recht is absoluut noodzakelijk voor zijn activiteiten en de bescherming van zijn leden. Via de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België (A.C.L.V.B.) is het aangesloten bij een organisatie die vertegenwoordigd is in de Nationale Arbeidsraad. Het verdedigt tevens alle categorieën van personeelsleden van het bedrijf. Wanneer de Regering het minimumpercentage van aangeslotenen zal hebben bepaald om het representatieve karakter vast te stellen van de ene of andere vakorganisatie en wanneer een telling zal zijn uitgevoerd door de commissie bedoeld in artikel 9 van het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 5 april 1984, zal het V.S.O.A. al dan niet deel kunnen uitmaken van het paritair comité. Vooralsnog doet het tevens blijken van een belang, in zoverre het moet zijn vertegenwoordigd binnen het tijdelijk paritair comité aangezien het ontegenzeglijk voldoet aan de beide voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 30 van het aangevochten decreet. A.2.3. In zijn memorie van wederantwoord vraagt het V.S.O.A. zich af of een verzoekschrift dat is neergelegd door het uitvoerend gemeenschapsbureau van de subsector « R.T.B.F. » van de verzoekende partij ontvankelijk is, terwijl dat beroep de hele verzoekende partij kan verbinden. Het V.S.O.A. doet opmerken dat de statuten van de verzoekende partij niet in het dossier zijn neergelegd. Bovendien is het van mening dat de aangevochten bepalingen de verzoekende partij geen enkel nadeel berokkenen dat zij op wettige wijze zou kunnen aanvoeren, en dat zij in werkelijkheid de vakbondsvrijheid wil beperken en een verkregen recht wil behouden; in dat verband brengt het in herinnering dat volgens het arrest nr. 148/2003 de vakbondsvrijheid, voor de vakorganisaties, niet het onaantastbare recht met zich meebrengt op het behoud van representativiteitscriteria die voor hen gunstig zouden zijn. A.2.4. In haar memorie van wederantwoord betwist de Franse Gemeenschapsregering ook het belang om in rechte te treden van de A.C.O.D. Zij is, wat betreft artikel 20, van mening dat enkel het regeringsbesluit 4 waarbij de representativiteitsdrempel zal worden vastgesteld de situatie van de verzoekende partij zou kunnen raken en dat, wat betreft artikel 29, die bepaling enkel ertoe strekt een betere representativiteit van het personeel te waarborgen, wat de verzoekende partij geen enkele schade berokkent : zij zou tevergeefs tegenwerpen dat de beslissingsbevoegdheid van de andere leden verwaterd zou zijn want de vakbond vertegenwoordigt niet zijn persoonlijke belangen binnen het paritair comité maar het collectief belang van de werknemers. Ten aanzien van de feiten A.3.1. De A.C.O.D. zet uiteen dat het decreet van 14 juli 1997 houdende het statuut van de R.T.B.F. voorzag in de aanwezigheid in het paritair comité van acht afgevaardigden die werden voorgedragen door de representatieve vakorganisaties in de zin van dat decreet, namelijk diegene die met name aangesloten waren bij een vakorganisatie die vertegenwoordigd is in de Nationale Arbeidsraad en een aantal bijdragende aangeslotenen telde dat minstens 10 pct. van de personeelsleden uitmaakt. Zulks was het geval voor de verzoekende partij (lid van het Algemeen Belgisch Vakverbond - A.B.V.V.) en de Centrale voor Transport en Communicatie – (C.T.C., lid van het Algemeen Christelijk Vakverbond - A.C.V.), maar niet voor het V.S.O.A. (lid van de A.C.L.V.B.). Aangezien laatstgenoemde zich niet heeft onderworpen aan de controle van het aantal van zijn leden, is de verzoekende partij van mening dat die vakorganisatie slechts weinig aangeslotenen telt binnen de R.T.B.F. A.3.2. Artikel 20 van het aangevochten decreet voert voor de acht vertegenwoordigers van het personeel een door verkiezing verkregen wijze van aanwijzing in die uniek is voor het hele openbaar ambt, in zoverre het die organisaties als representatief beschouwt die met name aangesloten zijn bij een vakorganisatie die vertegenwoordigd is in de Nationale Arbeidsraad en een aantal aangeslotenen telt dat ten minste een behoorlijk percentage - vastgesteld door de Regering - van de personeelsleden vertegenwoordigt. A.3.3. In afwachting van de inwerkingtreding van de regeling bedoeld in artikel 20, bepaalt artikel 30, bij wijze van overgang, dat het paritair comité negen afgevaardigden zal omvatten, waaronder ten minste één per representatieve vakorganisatie, en dat, teneinde als dusdanig te worden beschouwd, een organisatie evenwel aangesloten zal moeten zijn bij een vakorganisatie die in de Nationale Arbeidsraad (N.A.R.) vertegenwoordigd is maar die aan geen enkele vereiste in verband met het aantal aangeslotenen zal moeten beantwoorden. De verzoekende partij is van mening dat die maatregel aan het V.S.O.A., dat geenszins het personeel vertegenwoordigt, het recht verleent om zitting te nemen in het paritair comité tot aan de volgende verkiezingen. Zij betoogt eveneens dat de aan de Regering verleende bevoegdheid in de organieke regeling (artikel 20) het haar mogelijk maakt te garanderen dat diezelfde organisatie, zoals de A.C.O.D. en de C.T.C., kandidaten kan voordragen voor de verkiezing door de werknemers. Wat betreft de bevoegdheden van het paritair comité vormt zulks, ten aanzien van de andere vakorganisaties, een discriminatie. A.3.4. De Franse Gemeenschapsregering wijst erop dat, volgens de parlementaire voorbereiding, het decreet ertoe strekt de nadere regels van de vertegenwoordiging van het personeel binnen het paritair comité te wijzigen, gelet op de taken waarvoor het comité instaat. Ten aanzien van het onderwerp van het beroep A.3.5. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het beroep tot vernietiging geen betrekking heeft op het geheel van de artikelen 20 en 30 van het decreet van 19 december 2002 maar uitsluitend op punt

  1. c)van artikel 19, § 2, 3°, gewijzigd bij artikel 20, en op de punten 1°, c), 3° en 5° van artikel 30, en dat de verzoekende partij dus geen reden heeft om de gehele vernietiging te vorderen van de aangevochten bepalingen. A.3.6. De A.C.O.D. stelt dat wanneer zij artikel 29 van het decreet beoogt, zij de bepaling bedoelt die het nummer 29 draagt in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2002. Zij is van oordeel dat het onderwerp van het beroep niet moet worden beperkt tot de door de Ministerraad aangegeven bepalingen, zelfs indien, prima facie, de aangevoerde middelen daartoe schijnen te leiden : die bepalingen maken immers deel uit van een geheel waarvan de ratio legis erin bestaat de representativiteit te waarborgen van een vakorganisatie die niet heeft getracht aan te tonen dat zij ook maar enig personeelslid van de R.T.B.F. telde. 5 Ten aanzien van het eerste middel A.4.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 27 ervan alsmede met het Verdrag nr. 151 betreffende de bescherming van het vakverenigingsrecht en procedures voor het vaststellen van arbeidsvoorwaarden in de openbare dienst, aangenomen te Genève op 27 juni 1978 door de Internationale Arbeidsconferentie en goedgekeurd bij de wet van 4 april 1991 (in het bijzonder artikel 5 ervan). De A.C.O.D. doet gelden dat de aangevochten bepalingen aan een vakorganisatie een representativiteit toekennen die ze kennelijk niet heeft en zulks ten nadele van de vakorganisaties die werkelijk representatief zijn en waartoe de verzoekende partij behoort. Die bepalingen regelen aldus op identieke wijze verschillende situaties. Zij betoogt dat de artikelen 20 en 30 tot doel hebben ten minste één zetel binnen het comité te garanderen aan het V.S.O.A., dat slechts weinig aangeslotenen telt bij de R.T.B.F. Een dergelijk voorrecht is buitensporig, in vergelijking met de verplichtingen van de daadwerkelijk representatieve vakorganisaties, vooral ten aanzien van de bevoegdheden van het paritair comité, aangezien die betrekking hebben op de onderhandeling, het overleg, de informatie en de raadpleging van de personeelsleden in aangelegenheden die te maken hebben met de positie van het personeel. A.4.2. De omstandigheid dat het Hof (arrest nr. 79/2003) een analoge regeling van representativiteit heeft aanvaard in het strategisch comité van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (N.M.B.S.) is niet relevant want dat comité heeft adviesbevoegdheden in de aangelegenheden die deel uitmaken van de functionele activiteit van het overheidsbedrijf en die te maken hebben met de belangen van de gebruikers, terwijl het in het geding zijnde paritair comité bevoegdheden heeft die beperkt zijn tot de problemen in verband met het personeel. Op dezelfde wijze is de omstandigheid dat het Hof heeft aangenomen (arrest nr. 70/2003) dat het V.S.O.A. wordt beschouwd als zijnde representatief in alle overleg- en onderhandelingsorganen van het hele openbaar ambt evenmin relevant, vermits het motief dat in dat arrest wordt afgeleid uit de latere onderhandeling over de uitvoeringsbepalingen van de maatregelen waarover is onderhandeld in een algemeen comité, niet de aanwezigheid kan verantwoorden van een organisatie die niet representatief is in het paritair comité van de R.T.B.F., aangezien dat - enig - comité zijn bevoegdheden op ondubbelzinnige en geïntegreerde wijze uitoefent. A.4.3. De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat artikel 20 noch tot doel noch tot gevolg heeft een voorrecht te verlenen aan een vakorganisatie of haar een representativiteit toe te kennen die zij niet zou hebben binnen de R.T.B.F., aangezien in dat artikel niet het percentage van aangeslotenen wordt vastgesteld dat een vakorganisatie, onder de personeelsleden van de R.T.B.F., moet tellen om representatief te zijn. Dat percentage kan enkel worden vastgesteld in een regeringsbesluit en het enkele feit dat de Regering ertoe wordt gemachtigd dat percentage vast te stellen maakt het niet mogelijk te betogen dat de decreetgever een vakorganisatie heeft willen bevoorrechten of haar een representativiteit heeft willen toekennen die ze binnen de R.T.B.F. niet zou hebben. De Regering verwijst in dat verband naar de arresten nrs. 33/97 en 70/2003 en voegt, in haar memorie van wederantwoord eraan toe dat de grieven en de doelstelling van de vakorganisatie in deze zaak en in die welke aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 79/2003 volkomen identiek zijn; de lering van dat arrest kan dus hier worden toegepast. Ten aanzien van artikel 30 is zij van mening dat het evenmin tot doel of tot gevolg heeft een analoog voorrecht toe te kennen aan een vakorganisatie : alle vakorganisaties die actief zijn binnen de R.T.B.F. zijn vertegenwoordigd in het paritair comité, ongeacht hun ledental; de aangevochten bepaling roept geen enkele discriminatie in het leven onder de vakorganisaties die actief zijn binnen de R.T.B.F. Er wordt verwezen naar het arrest nr. 70/2003. Het V.S.O.A. doet hetzelfde in zijn memorie van wederantwoord en voegt daaraan toe dat het voor de Raad van State de wettigheid zou betwisten van een regeringsbesluit dat ertoe zou strekken die organisatie de toegang te verbieden tot het paritair comité. Een duidelijk voorbeeld van een dergelijk machtsmisbruik zou met name worden afgeleid uit een verhoging of een handhaving van het voordien vereiste percentage van feitelijke representativiteit. A.4.4. De Regering stelt dat de met het decreet nagestreefde doelstelling (een betere representativiteit garanderen van het personeel) in de lijn ligt van de toepassing van de artikelen 10, 11 en 131 van de Grondwet alsmede van de wet van 16 juli 1973 « waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen 6 gewaarborgd wordt » bij het beheer van de culturele instellingen die worden opgericht door de openbare overheden of onder de bevoegdheid daarvan vallen, bepalingen die de openbare overheden de verplichting opleggen om een evenwicht te garanderen onder alle filosofische en ideologische strekkingen, met inbegrip van de vertegenwoordiging van de minderheden. De Regering is in dat verband van mening dat de door het Hof aangenomen oplossing in het arrest nr. 79/2003 (N.M.B.S.) hier kan worden toegepast : artikel 30 leidt niet ertoe dat een aanzienlijk deel van de werknemers van de R.T.B.F. die feitelijk zijn aangesloten bij een vakorganisatie binnen de R.T.B.F., via hun vertegenwoordigers niet zouden zijn vertegenwoordigd in het paritair comité. Twee van de drie vakorganisaties die het grootste aantal aangeslotenen tellen zullen daarentegen vertegenwoordigd zijn. Het feit dat geen rekening wordt gehouden met het respectieve percentage van de aangeslotenen houdt geen schending in van het gelijkheidsbeginsel vermits hierdoor een betere vertegenwoordiging van alle werknemers wordt gegarandeerd. In haar memorie van wederantwoord voegt de Regering daaraan toe dat artikel 5 van het Verdrag nr. 151 van de Internationale Arbeidsorganisatie geen rechtstreekse werking heeft en ten aanzien van de verzoekende partij niet een recht doet ontstaan waarvan zij houder zou kunnen zijn. Die partij toont overigens niet aan hoe die bepaling zou zijn geschonden door de aangevochten bepalingen, die hoe dan ook niet tot gevolg hebben dat ze de onafhankelijkheid van de vakorganisaties bedreigen. A.4.5. De A.C.O.D. antwoordt dat de Franse Gemeenschapsregering artikel 20 op kunstmatige wijze loskoppelt van artikel 30 en nalaat rekening te houden met de historische context die aantoont dat het V.S.O.A. niet getracht heeft zijn representativiteit te bewijzen. Wat betreft artikel 20 onderstreept de A.C.O.D. dat de wetgever niet aangeeft op welk moment het bewijs moet worden geleverd van dat aantal aangeslotenen noch welke beginselen of beperkingen de Regering in acht zou moeten nemen om dat aantal vast te stellen, wat aantoont dat de drempel zo kan worden vastgesteld dat het V.S.O.A. kandidaten kan voordragen voor de sociale verkiezingen. Artikel 30 maakt het het V.S.O.A. mogelijk om onmiddellijk deel te nemen aan de werkzaamheden van het paritair comité terwijl het niet een toereikende representativiteit geniet. De door de Ministerraad gemaakte verwijzing naar de wet van 16 juli 1973 is niet relevant, vermits het paritair comité een eenvoudig orgaan van onderhandeling is en niet een beheersorgaan. A.4.6. De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat de historische context te dezen niet relevant is, vermits het Hof geen vergelijking maakt van de opeenvolgende staten waarin de aan zijn toetsing onderworpen norm zich bevond. Zij acht het verantwoord artikel 20 en artikel 30 afzonderlijk te onderzoeken vermits die beide bepalingen achtereenvolgens toepasbaar zijn. Op dezelfde wijze acht zij de naar de wet van 16 juli 1973 gemaakte verwijzing verantwoord : zij verwijst naar de ruime bevoegdheden van het paritair comité en is van mening dat dit comité wel degelijk een beheersorgaan vormt. Ten aanzien van het tweede middel A.5.1. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 27 ervan alsmede met het Verdrag nr. 151 betreffende de bescherming van het vakverenigingsrecht en procedures voor het vaststellen van arbeidsvoorwaarden in de openbare dienst, aangenomen te Genève op 27 juni 1978 door de Internationale Arbeidsconferentie en goedgekeurd bij de wet van 4 april 1991 (in het bijzonder artikel 5 ervan). De verzoekende partij bekritiseert de overgangsregeling bedoeld in artikel 30 van het aangevochten decreet en doet daarbij, zoals in het eerste middel, gelden dat het V.S.O.A., dat geen enkele werkelijke representativiteit heeft binnen het bedrijf, wordt behandeld zoals de vakorganisaties die daadwerkelijk representatief zijn, in zoverre het deel kan nemen aan de debatten van het paritair comité (waarvan het aantal leden dat de vakorganisaties vertegenwoordigt, bij wijze van overgang, van acht op negen is gebracht) zonder blijk te moeten geven van enige aangeslotene. De verzoekende partij maakt, zoals in het eerste middel (A.4.1), een vergelijking van de verplichtingen die aan de werkelijk representatieve vakorganisaties worden opgelegd en verwijst naar de bevoegdheden van het paritair comité. Bovendien herhaalt zij de overwegingen die in het eerste middel (A.4.2) werden geformuleerd in verband met de arresten nrs. 70/2003 en 79/2003. 7 A.5.2. De Franse Gemeenschapsregering verwijst naar het eerste middel. De verzoekende partij wil echter dat het specifieke middel dat zij aanvoert wat betreft artikel 30 als dusdanig wordt behandeld. Ten aanzien van het derde middel A.6.1. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 27 ervan alsmede met het Verdrag nr. 151 betreffende de bescherming van het vakverenigingsrecht en procedures voor het vaststellen van arbeidsvoorwaarden in de openbare dienst, aangenomen te Genève op 27 juni 1978 door de Internationale Arbeidsconferentie en goedgekeurd bij de wet van 4 april 1991 (in het bijzonder artikel 5 ervan). De verzoekende partij is van mening dat artikel 20 van het decreet de Regering ertoe machtigt het minimumpercentage van personeelsleden vast te stellen waarmee rekening is gehouden om een definitie te geven van een representatieve vakorganisatie en, gelet op de andere criteria van de representativiteit, enkel tot doel heeft de Regering ertoe te machtigen een vakorganisatie die niet veel aangeslotenen zou tellen binnen het bedrijf toe te staan kandidatenlijsten neer te leggen en, in voorkomend geval, oververtegenwoordigd te zijn in vergelijking met haar werkelijke representativiteit binnen het personeel van het bedrijf. De verzoekende partij brengt in herinnering dat het V.S.O.A. niet kan doen blijken van een groot aantal aangeslotenen onder de personeelsleden van het bedrijf. Aangezien in artikel 20 geen criteria worden bepaald waarbij de wijze van vaststelling van de representativiteitsdrempel wordt afgebakend, machtigt dat artikel de Regering ertoe maatregelen te nemen die ertoe strekken de aanwezigheid van vakorganisaties (en van één organisatie in het bijzonder) te bevorderen die geen enkele daadwerkelijke representativiteit hebben binnen het personeel van het bedrijf, bijvoorbeeld door de vaststelling van een zeer lage minimumdrempel. Gelet op wat voorafgaat, wijst alles erop dat zij zulks zal doen. De tegenpartij zou zich tevergeefs verweren door te betogen dat het niet redelijk is om definitief vast te stellen vanaf welk minimumpercentage van aangeslotenen men als zijnde representatief wordt beschouwd; het Hof heeft in zijn arrest nr. 71/92 gezegd dat de selectie van de gesprekspartners met als bedoeling een permanent en doeltreffend sociaal overleg te verzekeren ten einde de sociale vrede te bewaren, niet onwettig is op zich. A.6.2. De Franse Gemeenschapsregering stelt dat artikel 20 ermee volstaat de representativiteitsvoorwaarden vast te stellen en zij verwijst naar het eerste middel. A.6.3. De verzoekende partij antwoordt dat het gebrek aan preciseringen in verband met het aantal aangeslotenen discriminerend is op zich. A.7.1. In zijn memorie geeft het V.S.O.A. geen argumentering ten gronde. Het verzoekt het Hof het verzoekschrift onontvankelijk te verklaren en in elk geval niet gegrond. A.7.2. In haar memorie van wederantwoord verwijst het V.S.O.A. naar de argumentering van de Franse Gemeenschapsregering en naar de arresten nrs. 71/92, 139/2000, 116/2001 en 79/2003. Het is van mening dat de aangevochten bepalingen onder de vakverenigingen geen enkel verschil in het leven roepen en stelt zich vragen bij de relevantie van het argument dat erin bestaat een ongelijkheid af te leiden uit de aanneming van een representativiteitspercentage waarbij geen rekening wordt gehouden met de feitelijke representativiteit van de verzoekende partij. Aangezien de wetgever zijn gesprekspartners kan kiezen is het niet onwettig dat hij wil dat een groter aantal ambtenaren vertegenwoordigd is, en de vaststelling van een lager percentage beantwoordt aan die doelstelling. Vermits het gaat om een orgaan voor onderhandeling zullen de zetels bij wege van verkiezingen worden toegekend aan de kandidaten die hebben aangetoond dat ze de meeste mensen achter hen kunnen scharen, ongeacht de vakbond die hen heeft voorgedragen. Het V.S.O.A. is van mening dat de overgangsmaatregel waarbij de zetels op rechtvaardige wijze worden verdeeld logisch is en dat, indien de verzoekende partij die betreurenswaardig acht, zij over beroepen bij de rechterlijke macht beschikt om de Regering ertoe aan te zetten zo snel mogelijk de vereiste uitvoeringsmaatregelen te nemen. A.7.3. De A.C.O.D., die vaststelt dat geen enkel argument ten gronde wordt uiteengezet, geeft geen antwoord op de memorie van het V.S.O.A. 8 -B- Ten aanzien van de aangevochten bepalingen B.1.1. De Franse tekst van het aangevochten decreet, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 december 2002 (tweede uitgave), bevat een materiële fout (verbeterd in de Nederlandse vertaling) in zoverre de aanduiding « artikel 29 » niet de tekst voorafgaat van de bepaling die volgt op artikel 28. Daaruit volgt dat de bepaling die zelf daarop volgt (en die de tweede aangevochten bepaling
  2. is)verkeerdelijk voorafgaat door de vermelding « artikel 29 » en, zoals in de Nederlandse versie, zou moeten worden voorafgegaan door de vermelding « artikel 30 ». Wat de procedurestukken betreft, lijdt het echter geen twijfel dat de partijen de bepaling beogen die oneigenlijk « artikel 29 » wordt genoemd; teneinde elk risico van verwarring te vermijden, zal in dit arrest, in de Franse versie, de uitdrukking « artikel ‘ 29 ’ (dertigste artikel) » worden gebruikt wanneer artikel 30 wordt bedoeld. B.1.2. Vóór de bij het aangevochten decreet ingevoerde wijzigingen, bepaalde artikel 19 van het decreet van 14 juli 1997 houdende het statuut van de « Radio-Télévision belge de la Communauté française (RTBF) » : « Er wordt in het bedrijf een paritaire commissie ingesteld. § 1. Deze is bevoegd voor : 1° het overleg en de algemene informatie van het personeel; 2° de onderhandelingen over het statuut van het personeel, de arbeidsregeling en het syndicaal statuut, onverminderd de bepalingen bedoeld in 7° en van hiernavolgend artikel 28; 3° de aangelegenheden die betrekking hebben op de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsook deze die betrekking hebben op de salubriteit van het werk en arbeidsoorden; 4° het onderzoeken van de economische en financiële informatie met betrekking tot het bedrijf en zijn dochtermaatschappijen en inzonderheid het onderzoeken van het jaarlijks verslag zoals bepaald in artikel 23; 5° het overleg dat voorafgaat aan het sluiten van het beheerscontract en zijn wijzigingen; 6° de aanneming van de regels bedoeld bij artikel 7, § 6; 9 7° het organiseren van de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het bedrijfspersoneel; 8° het overleg dat voorafgaat aan het instellen van een huishoudelijk reglement met betrekking tot het verwerken van informatie en de beroepscode voor de personeelsleden; 9° de aanstelling van de sociaal bemiddelaar. § 2. Ze bestaat uit : 1° de voorzitter van de raad van bestuur; 2° de administrateur-generaal en zeven personen aangewezen door de raad van bestuur op de voordracht van de administrateur-generaal onder degenen die een directie-ambt uitoefenen in het bedrijf, na raadpleging van de directeurs-generaal en de verantwoordelijken van de regionale centra; 3° acht afgevaardigden die het bedrijfspersoneel vertegenwoordigen, voorgedragen door de representatieve vakorganisaties van het bedrijfspersoneel. Deze zullen ervoor zorgen dat de ingediende lijsten van vertegenwoordigers het evenwichtig vertegenwoordigen van het personeel uit de regionale productiecentra mogelijk maken. De delegaties van werkgevers en vakbonden kunnen, elk afzonderlijk, zich laten bijstaan door een deskundige. Wordt beschouwd als representatief van het bedrijfspersoneel, elke vakorganisatie die, cumulatief : 1° aangesloten is bij een vakorganisatie vertegenwoordigd bij de Nationale Arbeidsraad; 2° de belangen van alle categorieën van het bedrijfspersoneel behartigt; 3° een aantal bijdragende aangeslotenen telt dat minstens 10 % van de personeelsleden van het bedrijf uitmaakt. Het toezicht op de representativiteit van de vakorganisaties wordt uitgeoefend door de commissie bedoeld bij artikel 9 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 5 april 1984 tot regeling van de sociale betrekkingen in de instellingen van openbaar nut die onder de Franse Gemeenschap ressorteren. 4° Er wordt een plaatsvervanger benoemd voor elk lid van de paritaire commissie. § 3. De paritaire commissie wordt door de voorzitter van de raad van bestuur voorgezeten; de voorzitter beschikt over een raadgevende stem. De commissie wordt bijeengeroepen door haar voorzitter, ofwel op diens initiatief, ofwel telkens als dit wordt gevraagd door de administrateur-generaal of door minstens de helft van de afgevaardigden die het bedrijfspersoneel vertegenwoordigen. Ze kan subcommissies met precieze bevoegdheden instellen. 10 § 4. De paritaire commissie mag enkel beraadslagen en beslissen als minstens de helft van de leden van iedere afvaardiging van werkgevers en vakbonden aanwezig is. Indien dit quorum niet bereikt is, wordt een nieuwe vergadering bijeengeroepen binnen veertien dagen. De commissie mag dan geldig beraadslagen en beslissen indien de helft van haar leden aanwezig is. Onverminderd § 6, brengt ze, bij gewone meerderheid van stemmen, adviezen uit die ze aan de raad van bestuur overzendt. § 5. Binnen de drie maanden die volgen op de inwerkingtreding van dit decreet, stelt de paritaire commissie met eenparigheid van stemmen een sociaal bemiddelaar en diens plaatsvervanger aan wiens opdracht bestaat in het zoeken naar convergentiepunten om de onderhandelingen voort te kunnen zetten in geval van blijvende onenigheid over de punten van de onderhandeling, het overleg of het advies van de paritaire commissie overeenkomstig § 1, 1° tot 3° en 7°. Indien, bij het verstrijken van de in vorig lid voorgeschreven termijn, nog geen eenparigheid is bereikt, stelt de paritaire commissie de sociaal bemiddelaar en diens plaatsvervanger bij gewone meerderheid van stemmen vast. De bemiddelaar en zijn plaatsvervanger zullen geen verband van directe ondergeschiktheid vertonen met het bedrijf, de Regering of de vakorganisaties. Ze zullen aangewezen worden bij voorrang onder de sociale bemiddelaars die onder het federaal ministerie voor Tewerkstelling en Arbeid, bevoegd inzake collectieve overeenkomsten, ressorteren. De paritaire commissie zal, bij gewone meerderheid, de tussenkomst van de sociaal bemiddelaar vragen waarvan de opdracht een eind zal nemen uiterlijk twee maanden na de beslissing van de paritaire commissie de zaak bij hem aanhangig te maken. Na zijn opdracht te hebben vervuld, stelt hij een verslag op dat hij naar de paritaire commissie overzendt. De commissarissen van de Regering brengen daar onmiddellijk de Regering op de hoogte van. Voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 19, § 1, 2° en 7°, wordt de zaak bij de sociaal bemiddelaar van ambtswege aanhangig gemaakt, indien de ad hoc bijzondere meerderheden bedoeld in § 6, die vereist zijn bij de paritaire commissie, niet bereikt werden, bij het verstrijken van een termijn van drie maanden, twee keer vernieuwbaar op aanvraag van minstens één van de partijen, die loopt vanaf de vergadering van de paritaire commissie waarbij het voorstel ingediend werd. § 6. Voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 19, § 1, 2°, brengt de paritaire commissie haar adviezen uit bij een twee derde-meerderheid van stemmen. Deze adviezen zijn bindend voor de raad van bestuur. Indien deze meerderheid niet bereikt werd, en na het verstrijken van een termijn van twee maanden die loopt vanaf de dag waarop de zaak bij de sociaal bemiddelaar aanhangig werd gemaakt overeenkomstig § 5, en bij gebrek aan bemiddeling, heeft de raad van bestuur de mogelijkheid om het voorstel aan te nemen zonder het advies van de paritaire commissie. Voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 19, § 1, 7°, brengt de paritaire commissie haar adviezen uit bij eenparigheid van stemmen. Deze adviezen zijn bindend voor de raad van bestuur. 11 § 7. De Regering is ertoe gemachtigd een samenwerkingsakkoord te sluiten met andere Gemeenschappen en Gewesten, met betrekking, wanneer deze laatste minstens een autonoom overheidsbedrijf zullen hebben opgericht, tot het instellen van een gemeenschappelijke paritaire commissie ‘ overheidsbedrijf ’. Deze laatste zal bevoegd zijn voor het onderzoek, als gevolg van een beroep, van de voorstellen ingediend bij de paritaire commissie binnen het bedrijf krachtens § 1 hierboven. Het samenwerkingsakkoord bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werking van de paritaire commissie ‘ overheidsbedrijf ’. De bepalingen van de hierboven vermelde §§ 5 en 6, met betrekking tot de sociaal bemiddelaar, zijn van rechtswege niet meer toepasselijk de dag waarop het samenwerkingsakkoord in werking treedt. » B.1.3. De artikelen 20 en 30 van het decreet van 19 december 2002 tot wijziging van het voormelde decreet van 14 juli 1997, waartegen het beroep wordt ingesteld, hebben betrekking op de aanwijzing van de vertegenwoordigers van de vakorganisaties die zitting nemen in het paritair comité van de R.T.B.F. Zij bepalen : « Art. 20. Artikel 19, § 2, 3°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling : ‘ 3° acht afgevaardigden gekozen door alle werkende personeelsleden van het bedrijf. De afgevaardigde kandidaten worden voorgedragen door de representatieve organisaties van het personeel. Als representatieve organisatie van het personeel wordt beschouwd, de vakorganisatie die :
  3. a)aangesloten is bij een interprofessionele representatieve werknemersorganisatie die op nationaal vlak opgericht is en die in de nationale arbeidsraad vertegenwoordigd is;
  4. b)de belangen van alle categorieën van het bedrijfspersoneel behartigt;
  5. c)een aantal aangeslotenen telt die ten minste een behoorlijk percentage van de personeelsleden van het bedrijf vertegenwoordigen. Dat minimumpercentage wordt door de Regering vastgesteld. De controle van de representativiteit van de vakorganisaties wordt uitgeoefend door de commissie bedoeld in artikel 9 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 5 april 1984 tot regeling van de sociale betrekkingen in de instellingen van openbaar nut die onder de Franse Gemeenschap ressorteren. Onverminderd de toepassing van de sociale wetgeving, kunnen de kandidatuur voor de verkiezing van afgevaardigden van het personeel en het mandaat van afgevaardigde niet tot gevolg hebben dat deze die zich kandidaat stelt of die het mandaat uitoefent nadelen zou 12 ondergaan of speciale voordelen zou genieten. De raad van bestuur stelt de nadere regels voor die bepaling vast op de voordracht van de paritaire commissie. ’ » « Art. 30. In afwijking van artikel 19, § 2, van het decreet van 14 juli 1997 houdende het statuut van de ‘ Radio-Télévision belge de la Communauté française (RTBF), gewijzigd bij dit decreet, en tot de eerste verkiezingen bedoeld in artikel 17 van dit decreet : 1° de paritaire commissie is samengesteld uit :
  6. a)de voorzitter van de raad van bestuur;
  7. b)de administrateur-generaal en acht personen aangesteld door de raad van bestuur op de voordracht van de administrateur-generaal onder de personen die directieambten binnen het bedrijf uitoefenen, na raadpleging van de directeurs-generaal;
  8. c)negen afgevaardigden die het personeel van het bedrijf vertegenwoordigen; 2° de negen afgevaardigden bedoeld onder 1°,
  9. c)worden voorgedragen door de representatieve vakorganisaties; 3° elk van de representatieve vakorganisaties heeft ten minste één vertegenwoordiger; 4° wanneer elke representatieve vakorganisatie meer dan één vertegenwoordiger heeft, zorgt zij voor een evenwichtige vertegenwoordiging van het personeel dat uit de regionale productiecentra afkomstig is; 5° als representatieve organisatie van het personeel van het bedrijf wordt beschouwd, de vakorganisatie die :
  10. a)aangesloten is bij een vakorganisatie die in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd is;
  11. b)die de belangen behartigt van alle categorieën van het personeel van het bedrijf; 6° de werkgeversorganisaties en de vakorganisaties kunnen zich door een deskundige laten begeleiden. » Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.1.4. In zijn memorie van wederantwoord brengt het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (V.S.O.A.) de ontvankelijkheid van het verzoekschrift in het geding door te doen gelden dat het verzoekschrift is neergelegd door het uitvoerend gemeenschapsbureau van de subsector « R.T.B.F. » van de verzoekende partij (terwijl het verzoekschrift laatstgenoemde in 13 haar geheel verbindt) en de statuten van de verzoekende partij niet in het dossier zijn neergelegd. B.1.5.1. Luidens artikel 20, e, van de statuten van de A.C.O.D., staat het aan het federaal uitvoerend bureau « de personen aan te wijzen die de A.C.O.D. moeten vertegenwoordigen als eisende, verwerende of tussenkomende partij in de gerechtelijke procedures ». Tijdens zijn vergadering van 13 juni 1994 (punt 1.1 van het verslag) heeft dat orgaan beslist dat de persoon die ertoe wordt gebracht de A.C.O.D. of een van haar sectoren die in rechte treedt te vertegenwoordigen voorafgaandelijk moest worden gemandateerd door het « Uitvoerend Bureau van de Centrale of van de Sector, naargelang het geval ». De verzoekende partij heeft bij haar beroep een uittreksel gevoegd van het verslag van de vergadering van het uitvoerend gemeenschapsbureau van de subsector « R.T.B.F. » van 18 juni 2003, waaruit blijkt dat A. Poitoux, gemeenschapssecretaris, is gemandateerd om de A.C.O.D. in die zaak te vertegenwoordigen. B.1.5.2. Aangezien de in het geding zijnde bepalingen betrekking hebben op de R.T.B.F. en zij, door het onderwerp ervan, onder het bijzondere bevoegdheidsdomein van de subsector « R.T.B.F. » vallen, is het, rekening houdend met de beslissingen in verband met de oprichting van sectoren of subsectoren, niet strijdig met de statuten van de A.C.O.D. dat A. Poitoux door het uitvoerend bureau van de subsector « R.T.B.F. » gemandateerd is om de A.C.O.D. te vertegenwoordigen. B.1.6. De Franse Gemeenschapsregering en het V.S.O.A. zijn, in hun memorie van wederantwoord, van mening dat het belang van de verzoekende partij niet verantwoord is, aangezien de aangevochten bepalingen haar geen nadeel berokkenen. B.1.7.1. De A.C.O.D. doet in haar hoedanigheid van representatieve vakorganisatie overigens van het vereiste belang blijken om de vernietiging te vorderen van een decreet dat de voorwaarden wijzigt waaronder de vakorganisaties als representatief worden beschouwd, ook al houdt die wijziging voor haar geen enkel ander nadeel in dan dat ze leidt tot de erkenning van de representativiteit van rivaliserende organisaties. 14 B.1.7.2. De door de tussenkomende partijen opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen. Ten gronde B.2. De middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 27 ervan alsmede met het Verdrag nr. 151 betreffende de bescherming van het vakverenigingsrecht en procedures voor het vaststellen van arbeidsvoorwaarden in de openbare dienst, aangenomen te Genève op 27 juni 1978 door de Internationale Arbeidsconferentie en goedgekeurd bij de wet van 4 april 1991 (in het bijzonder artikel 5 ervan). Ten aanzien van het eerste en het tweede middel B.3. De verzoekende partij is van mening dat de artikelen 20 en 30 van het aangevochten decreet vakorganisaties die zich in fundamenteel verschillende situaties bevinden op identieke wijze behandelen : de enen, zoals de A.C.O.D., verzoekende partij, zouden hun werkelijke representativiteit hebben aangetoond door deel te nemen aan de telling van hun bijdragende aangeslotenen bedoeld in artikel 19 van het decreet van 14 juli 1997 in de oorspronkelijke formulering ervan (dat, met name, vereiste dat een vakorganisatie, om als representatief te kunnen worden beschouwd, een aantal bijdragen betalende aangeslotenen telt dat minstens tien procent van de personeelsleden uitmaakt), terwijl het V.S.O.A., dat nooit aan die telling heeft deelgenomen, nooit zou hebben aangetoond dat het aan die precieze vereiste beantwoordde. Die vakorganisaties zouden zich evenwel beide kunnen beroepen op de regeling van de representativiteit waarin de in het geding zijnde bepalingen voorzien : in de organieke regeling voorziet artikel 20, bedoeld in het eerste middel, in een telling en een representativiteitsdrempel maar verleent het aan de Regering een dermate ruime machtiging om die drempel vast te stellen dat het niet uitgesloten is dat organisaties die uiterst weinig aangeslotenen tellen, aanspraak kunnen maken op het statuut van een representatieve vakorganisatie; in de overgangsregeling, tot aan de verkiezing, door de personeelsleden, van de kandidaten die door de representatieve vakorganisaties worden voorgedragen, brengt artikel 30, bedoeld in de beide middelen, het aantal vakbondsafgevaardigden in het paritair 15 comité van acht op negen door te bepalen dat de vakorganisaties die zijn aangesloten bij een organisatie die is vertegenwoordigd in de Nationale Arbeidsraad (N.A.R.) daar minstens één vertegenwoordiger zullen tellen, zonder te voorzien in een vereiste in verband met hun aantal aangeslotenen. B.4. Volgens de parlementaire voorbereiding streeft het aangevochten decreet, inzake sociale betrekkingen, een tweevoudige doelstelling na. Enerzijds, wil het de inwerkingstelling garanderen van de sociale verkiezingen bedoeld in het decreet van 14 juli 1997 : « Wat het paritair comité betreft, moeten, in het licht van de taken waarvoor het instaat, de nadere regels voor de vertegenwoordiging van het personeel in het comité worden gewijzigd. [Het decreet] van 14 juli 1997 houdende het statuut van de R.T.B.F. brengt, hoewel het voorziet in het houden van sociale verkiezingen, geen enkele verplichting met zich mee om die te organiseren. Sinds de aanneming van die bepaling in 1997 zijn er nooit sociale verkiezingen geweest bij de R.T.B.F. In die context is het basissysteem bedoeld in artikel 19, § 2, 3°, van toepassing. Bijgevolg wordt de representativiteit van de personeelsleden verzekerd door een mechanisme van vertegenwoordiging van de afgevaardigden door de vakorganisaties. Teneinde een betere representativiteit van het personeel in het paritair comité te waarborgen, heeft dit decreet tot doel sociale verkiezingen verplicht te maken. » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2002-2003, nr. 344/1, p. 2) Anderzijds, wil het de bevoegdheden van het paritair comité uitbreiden tot de onderhandeling en het overleg dat betrekking heeft op de maatregelen die het personeel aanbelangen en die niet onder de bevoegdheid van de raad van bestuur van de R.T.B.F. vallen maar onder die van de toezichthoudende politieke overheid : « [Artikel 19 van het decreet van 14 juli 1997, in de oorspronkelijke versie ervan,] stelt een paritair comité in dat is samengesteld uit, enerzijds, een werkgeversafvaardiging en, anderzijds, een vakbondsafvaardiging. Dat comité is met name bevoegd voor de onderhandelingen over het personeelsstatuut. Die instantie heeft evenwel enkel legitimiteit en bevoegdheid wanneer de raad van bestuur alleen bevoegd is om beslissingen te nemen. Met andere woorden, wanneer een enkel door de raad van bestuur genomen beslissing geen rechtsgevolg heeft wanneer geen wetten, decreten of besluiten zijn goedgekeurd, wordt in geen enkel forum voor officiële dialoog voorzien opdat de betrokken partijen een advies kunnen uitbrengen ten aanzien van de bevoegde overheden. 16 De vroegere onderhandelings- en overlegcomités die waren opgericht bij het besluit van 5 april 1984 (gewijzigd op 15 maart 1985) tot regeling van de sociale betrekkingen in de instellingen van openbaar nut die onder de Franse Gemeenschap ressorteren, zijn immers binnen de R.T.B.F. afgeschaft bij de goedkeuring, in 1997, van het nieuwe decreet houdende het statuut van de R.T.B.F., omdat waarschijnlijk gemeend werd dat de R.T.B.F. als autonoom overheidsbedrijf niet langer dat discussieforum nodig had. Aldus treden de bepalingen van het decreet van 1997 in verband met de betrekkingen met de vakbonden in de plaats van het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 5 april 1984. Er dient evenwel te worden vastgesteld dat, in het licht van de praktijk, dient te worden voorzien in een orgaan waar vakbondsafgevaardigden, directie en Regering, vertegenwoordigd door haar Minister van Audiovisuele Media, elkaar kunnen ontmoeten vooraleer wettelijke of verordenende akten worden genomen die de aanwezige partijen aanbelangen. » (ibid., p. 3) Hiertoe wijzigt artikel 21 van het aangevochten decreet artikel 19, § 2, van het decreet van 14 juli 1997 teneinde, in de daarin beoogde gevallen, te voorzien in de aanwezigheid, in het paritair comité, van de Minister die bevoegd is voor de audiovisuele media. B.5. Algemeen dient te worden opgemerkt dat in het licht van die tweede doelstelling het niet irrelevant is dat vakorganisaties deel uitmaken van een interprofessionele organisatie die nationaal is georganiseerd, dit wil zeggen die tevens de belangen van alle personeelscategorieën behartigt. Hun aanwezigheid is immers van dien aard dat zij, bij de aanneming van beslissingen die onder de bevoegdheid vallen van de toezichthoudende politieke overheden, die zelf vertegenwoordigd zijn, met name in de algemene onderhandelingscomités die zijn opgericht bij de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, waarborgen dat niet alleen rekening wordt gehouden met de belangen van het personeel van de R.T.B.F. maar ook met die van de werknemers in het algemeen en, met name, van de ambtenaren van alle openbare diensten. B.6. In de organieke regeling (artikel 20 van het aangevochten decreet, tot wijziging van artikel 19 van het decreet van 14 juli 1997), kunnen de representativiteitsvoorwaarden niet worden beoordeeld zonder rekening te houden met de volledig nieuwe functie die de bij het aangevochten decreet ingevoerde wijziging aan het begrip representativiteit zelf verleent. In het vroegere systeem werden de leden van het paritair comité die het personeel van het bedrijf 17 vertegenwoordigen strikt genomen aangewezen door organisaties; in het nieuwe systeem worden zij verkozen door alle effectieve personeelsleden van het bedrijf, op voordracht van de organisaties. Het is denkbaar dat de wetgever het recht om kandidaten voor te dragen voor een verkiezing, aan bepaalde voorwaarden onderwerpt; maar zodra het democratische beginsel is aangenomen van de verkiezing van de vertegenwoordigers door de vertegenwoordigden, kunnen dergelijke voorwaarden moeilijk worden bekritiseerd als zijnde te ruim. Daarentegen vervult de filter van de representativiteit een essentiële functie wanneer het erom gaat de organisaties aan te wijzen die, in de plaats van het personeel, ertoe gemachtigd zijn om zelf de vertegenwoordigers ervan aan te wijzen. Aangezien de representativiteit de voorwaarde is van een bevoegdheid die in een stelsel van rechtstreekse aanwijzing een veel meer doorslaggevend en meer direct karakter heeft dan in een stelsel van verkiezing, is het niet onredelijk dat ze in dit laatste geval volgens minder veeleisende criteria wordt opgevat dan in het eerste. B.7.1. Ten aanzien van artikel 30 wordt de ontstentenis van representativiteitsdrempel in de overgangsregeling in de parlementaire voorbereiding voorgesteld als het resultaat van de bekommernis van de wetgever om elke representatieve vakorganisatie de mogelijkheid te bieden haar handelingsbekwaamheid aan te tonen in afwachting van de sociale verkiezingen : « Teneinde elke vakorganisatie de kans te laten te voldoen aan de representativiteitsvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor deelname aan de verkiezingen van de afgevaardigden die het personeel van het bedrijf vertegenwoordigen, is erin voorzien bij wijze van overgang in het paritair comité minstens één vertegenwoordiger van elke vakorganisatie op te nemen, zodat zij de mogelijkheid hebben om hun handelingsbekwaamheid te bewijzen ten aanzien van het personeel. Daarom strekt de bepaling van artikel 29 ertoe, tot aan de organisatie van de eerste sociale verkiezingen, de samenstelling van het paritair comité uit te breiden met één afgevaardigde per representatieve vakorganisatie die nog niet is vertegenwoordigd op de datum van inwerkingtreding van dit decreet. » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2002-2003, nr. 344/1, p. 8) Diezelfde ontstentenis van drempel wordt door de verzoekende partij zo voorgesteld dat ze in werkelijkheid de bekommernis vertolkt om een bepaalde organisatie te bevoordelen. Hoe dan ook, de genomen maatregel is adequaat ten aanzien van de duidelijke doelstelling, die niet onredelijk is. Ofschoon de voorwaarden waarvan de aanwezigheid van 18 de afgevaardigden van een organisatie in een paritair comité afhankelijk worden gemaakt, steeds kunnen worden bekritiseerd als zijnde te ruim of te strikt, dient daarenboven in herinnering te worden gebracht dat vanuit het oogpunt van vakbondsvrijheid en het recht op collectieve onderhandeling, die ter zake fundamenteel zijn, de uitsluiting in beginsel moeilijker kan worden verantwoord dan de toelating. Van primordiaal belang is het feit dat geen enkel substantieel deel van het personeel van de R.T.B.F. vertegenwoordiging wordt ontzegd. B.7.2. Het is waar dat het aantal aangeslotenen een relevante aanwijzing (maar niet de enige want de sociale verkiezingen zijn dat evenzeer) vormt van het vertrouwen van het vertegenwoordigde personeel in de organisaties die het personeel vertegenwoordigen en dat bijgevolg, het afstappen, gedurende de overgangsregeling, van de regel van 10 pct. een verzwakking van de eisen betekent. Die beleidswijziging kan echter geen schending vormen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien het nieuwe beleid niet op zichzelf een discriminerende behandeling instelt. Te dezen zou de aangevoerde discriminatie erin bestaan organisaties waarvan sommige daadwerkelijk representatief zijn en een andere niet op dezelfde wijze te behandelen. De verzoekende partij kan van mening zijn dat voor laatstgenoemde de aanwijzingen inzake daadwerkelijke representativiteit zwak zijn. Daarmee toont die partij echter nog niet een niet-representativiteit aan die dermate duidelijk is dat, ondanks de in B.5 uiteengezette overweging, die rivaliserende organisatie niet redelijkerwijze het recht kan worden toegekend om al was het maar één enkele van de negen vertegenwoordigers van het personeel aan te wijzen die het paritair comité gedurende de overgangsfase zal tellen. B.8. De middelen kunnen niet worden aangenomen. Ten aanzien van het derde middel B.9. De verzoekende partij verwijt artikel 20 van het aangevochten decreet in het bijzonder dat het de Regering ertoe machtigt de in de organieke regeling bedoelde representativiteitsdrempel vast te stellen en het haar aldus mogelijk maakt een bepaalde 19 vakorganisatie die slechts een beperkt aantal aangeslotenen bij de R.T.B.F. zou tellen te bevoordelen. B.10. Om de in B.6 uiteengezette redenen vervult de zogenaamde representativiteitsvoorwaarde niet dezelfde functie in de organieke regeling als wanneer het erom ging de organisaties welke aan die voorwaarde voldoen ertoe te machtigen zelf, rechtstreeks, de leden aan te wijzen voor de vertegenwoordiging van het personeel. Bovendien kan uit het feit dat de decreetgever zich ervan heeft onthouden in het decreet zelf de representativiteitsvoorwaarden te preciseren die de Regering zou moeten toepassen, niet worden afgeleid dat hij de Regering impliciet zou hebben toegestaan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te schenden. Hoe ruim de bij artikel 2 aan de Regering verleende machtiging ook zij, ze maakt het haar geenszins mogelijk af te wijken van het beginsel volgens hetwelk een norm, wanneer die een verschil in behandeling in het leven roept tussen bepaalde categorieën van personen, moet steunen op een objectieve en redelijke verantwoording die wordt beoordeeld ten aanzien van het doel en de gevolgen van de beschouwde norm. Het staat aan de administratieve rechter de beslissing te vernietigen waarbij de Regering een representativiteitsdrempel zou hebben vastgesteld door zich te baseren op een onwettige of discriminerende opvatting van het begrip representativiteit. Daaruit volgt dat de door de verzoekende partij, terecht of ten onrechte, toegeschreven bedoelingen, wanneer zij stelt dat de aangevochten maatregel ertoe strekt een bepaalde organisatie te bevoordelen, niet kunnen volstaan om het discriminerende karakter van de aan de Regering verleende machtiging aan te tonen. B.11. Doordat de wetgever zich ervan onthoudt het in het geding zijnde criterium van representativiteit vast te stellen, heeft hij een maatregel genomen die niet onbestaanbaar is met de in het middel aangevoerde bepalingen. B.12. Het middel kan niet worden aangenomen. B.13. In de middelen worden uit de daarin aangevoerde internationaalrechtelijke bepalingen geen andere argumenten afgeleid dan diegene die hiervoor zijn onderzocht. 20 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 26 mei 2004. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.094 Gerelateerde publicatie(
  12. s)geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.