id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.095 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040526.5 Arrest- Rolnummer: 952004;2826 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-03 23:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat zij de jeugdrechtbank bevoegd voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest verbieden een maatregel uit te spreken op grond van de artikelen 36, 4°, en 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, in zoverre zij reeds een maatregel zou hebben uitgesproken op grond van artikel 36, 2°, van die wet, maatregel die van toepassing is op het ogenblik dat zij uitspraak doet, schenden de artikelen 36, 2° en 4°, en 37 van dezelfde wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat zij het de jeugdrechtbank bevoegd voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest mogelijk maken een maatregel uit te spreken op grond van de artikelen 36, 4°, en 37 van dezelfde wet, terwijl zij reeds een maatregel zou hebben uitgesproken op grond van artikel 36, 2°, van die wet, maatregel die van toepassing is op het ogenblik dat zij uitspraak doet, schenden die bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 36, 2° en 4°, en 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, gesteld door de Jeugdrechtbank te Brussel. Tekst van de beslissing Rolnummer 2826 Arrest nr. 95/2004 van 26 mei 2004 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 36, 2° en 4°, en 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, gesteld door de Jeugdrechtbank te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, en voorzitter A. Arts, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 31 oktober 2003 in zake het openbaar ministerie en M.-C. Chamart tegen V. Arnault en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 7 november 2003, heeft de Jeugdrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 36, 2° en 4°, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, in samenhang gelezen met artikel 37 van diezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat het de jeugdrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Hoofdstad verbiedt een maatregel op grond van de artikelen 36, 4°, en 37 van de wet van 8 april 1965 uit te spreken, wanneer zij reeds op grond van artikel 36, 2°, van dezelfde wet een maatregel zou hebben uitgesproken die van kracht is op het ogenblik dat de rechtbank uitspraak doet, terwijl dat verbod alleen geldt indien een maatregel reeds werd uitgesproken ten aanzien van een minderjarige die gevaar loopt, wat niet het geval is wanneer de saisine van de jeugdrechtbank niet gebeurde op grond van artikel 36, 2°, van de voormelde wet of wanneer die rechtbank het ongegrond zou hebben geacht om op die saisine in te gaan, en terwijl, in het licht van de beschermende doelstelling van de wet van 8 april 1965, het hiervoor beschreven verbod van gecumuleerde maatregelen ten aanzien van vergelijkbare categorieën van minderjarigen in geen enkel opzicht kan worden verantwoord ? » Memories zijn ingediend door : - de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel; - de Franse Gemeenschapsregering; - de Ministerraad. De Franse Gemeenschapsregering en de Ministerraad hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 4 mei 2004 : - zijn verschenen : . F. Van Leeuw, substituut van de procureur des Konings; . Mr. L. Cambier, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; . Mr. M. Mareschal, tevens loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de Jeugdrechtbank te Brussel zijn gelijktijdig twee vorderingen met betrekking tot dezelfde minderjarige ingesteld. Enerzijds, wordt bij haar een zaak aanhangig gemaakt op grond van de artikelen 36, 2°, en 60 van de wet van 8 april 1965 teneinde de bij een vorig vonnis ten aanzien van een minderjarige genomen maatregelen en opgelegde verplichtingen, waaronder een maatregel tot plaatsing van het meisje buiten haar familiaal milieu, te horen bevestigen en, anderzijds, wordt dat meisje gedagvaard om te verschijnen op grond van artikel 36, 4°, van de wet van 8 april 1965 wegens als misdrijf omschreven feiten die het openbaar ministerie haar verwijt. De Rechtbank stelt vast dat de toepassingsvoorwaarden van het voormelde artikel 36, 2°, op grond waarvan de plaatsingsmaatregel is genomen, nog altijd gelden en dat de maatregel, na debatten, mogelijk zou moeten worden verlengd. Zij stelt overigens vast dat de als misdrijf omschreven feiten waarvoor de minderjarige is gedagvaard, indien zij worden aangetoond, een gerechtelijke reactie behoeven en dat zij, na debatten, ertoe zou kunnen worden gebracht een maatregel van opvoedkundige aard uit te spreken. Die dubbele vaststelling brengt de Rechtbank ertoe meteen stil te staan bij de problematiek van haar saisine en van de uitspraak van gecumuleerde maatregelen, op grond van de artikelen 36, 2°, en 60 van de wet van 8 april 1965 en terzelfder tijd op grond van artikel 36, 4°, van dezelfde wet. Zij is van mening dat de interpretatie die aan die wet dient te worden gegeven, inhoudt dat een jongere die gevaar loopt in de zin van artikel 36, 2°, en door de rechter is geplaatst, onmogelijk een andere, op de artikelen 36, 4°, en 37 gegronde maatregel kan worden opgelegd dan de wijziging van die plaatsing wanneer op strafbare feiten dient te worden gereageerd. Op verzoek van het openbaar ministerie stelt de Rechtbank de voormelde vraag aan het Hof. III. In rechte -A- A.1. De procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel herinnert eraan dat, aangezien de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie op dat gebied nog niet wetgevend is opgetreden, de Brusselse minderjarigen het voorwerp kunnen uitmaken van een saisine van de jeugdrechter, zowel op grond van artikel 36, 2°, dat betrekking heeft op de minderjarigen die gevaar lopen, als op grond van artikel 36, 4°, dat de strafbare feiten betreft, en dat, voor beide bepalingen, de Brusselse rechter een van de in artikel 37 bepaalde maatregelen kan bevelen. Hij verklaart aan dat sommige stromingen in de rechtspraak en de rechtsleer artikel 37 in die zin hebben geïnterpreteerd dat het de rechter enkel toestaat slechts één van de in dat artikel opgesomde maatregelen te nemen, wat tot gevolg heeft dat de jongere die door de rechter is geplaatst omdat hij gevaar loopt (artikel 36, 2°), geen enkele andere maatregel kan worden opgelegd dan de wijziging van die plaatsing wanneer op strafbare feiten dient te worden gereageerd. Hij besluit hieruit dat, als gevolg van die interpretatie, een jonge Brusselaar wiens familiale situatie de gerechtelijke plaatsing vereist, niet over dezelfde mogelijkheden beschikt als een andere jongere om op bepaalde strafbare feiten te kunnen reageren door een in artikel 37, 2°, bepaalde prestatie van opvoedkundige of filantropische aard in verhouding tot zijn leeftijd en zijn middelen te leveren. Hij voegt eraan toe dat die interpretatie de Brusselse jeugdrechter ertoe zou kunnen verplichten een maatregel te nemen die in strijd zou zijn met het hogere belang van het kind, wat een schending van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind zou inhouden. 4 A.2.1. De Ministerraad herinnert eraan dat het door de wet van 8 april 1965 nagestreefde doel erin bestaat het ongepaste en delinquente gedrag van de jeugd te benaderen vanuit een beschermende en niet strafrechtelijke optiek. Hieruit volgt dat, in theorie, geen enkel verband bestaat tussen de maatregelen die de rechter ten aanzien van een delinquente jongere kan nemen en de ernst van de gepleegde feiten, dat de rechter, onder de in de wet voorgestelde maatregelen, die maatregel kiest die hij het meest geschikt acht om aan de behoeften van de jongere tegemoet te komen en dat de wet de duur van de maatregelen geenszins vaststelt. De Ministerraad voegt eraan toe dat één van de kenmerken van de wet is dat zij het mogelijk maakt de oplossingen voor de problemen van de minderjarigen die gevaar lopen en de delinquente minderjarigen op algemene wijze te beogen. A.2.2. De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat beide in de vraag bedoelde categorieën van personen, namelijk, enerzijds, de minderjarigen in een problematische opvoedingssituatie aan wie een gerechtelijke overheid een dwingende maatregel van hulpverlening heeft opgelegd, en, anderzijds, de minderjarigen die ofwel niet in een problematische opvoedingssituatie verkeren, ofwel een vrijwillige plaatsingsmaatregel genieten, niet vergelijkbaar zijn en dat de vraag derhalve zonder voorwerp is. A.2.3. In antwoord op de argumenten van de andere partijen voert de Ministerraad nog aan dat de categorieën van personen die zij vergelijken, namelijk de Brusselse minderjarigen, enerzijds, en de andere in België verblijvende minderjarigen, anderzijds, niet vergelijkbaar zijn, omdat zij op het gebied van de hulpverlening aan de jeugd onder afzonderlijke deelentiteiten ressorteren. A.2.4. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het verwijzende rechtscollege uitgaat van een interpretatie van de artikelen 36 en 37 van de wet van 8 april 1965 die onjuist is en strijdig met de filosofie van bescherming van de wet. Hij onderstreept dat het verbod op het cumuleren van maatregelen op geen enkele rechtsgrond berust. Hij verklaart dat de interpretatie die het cumuleren verbiedt, berust op het uitgangspunt volgens hetwelk het milieu waarin de jongere, mits een toezichtsmaatregel, wordt gehouden, zijn familiaal milieu is, en preciseert dat die interpretatie niet verenigbaar is met de wil van de wetgever, met name wanneer ten aanzien van de jongere, omdat hij gevaar loopt, een plaatsingsmaatregel op lange termijn is genomen op grond van artikel 36, 2°, want in dat geval moet worden beschouwd dat de instelling waarin de jongere lang geleden werd geplaatst zijn leefmilieu is. A.3.1. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat, gelet op het doel dat erin bestaat de wederaanpassing van de minderjarige die een misdrijf heeft gepleegd, te bevorderen, de verschillen tussen de categorieën van minderjarigen volgens hun oorspronkelijke milieu, niet relevant zijn en dat hun situaties vergelijkbaar zijn. A.3.2. De Franse Gemeenschapsregering wijst erop dat het woord « milieu » in artikel 37, § 2, 2°, van de wet van 8 april 1965 verwijst naar twee mogelijke interpretaties, naargelang daaronder uitsluitend het familiale milieu wordt begrepen of, meer in het algemeen, de plaats waar de minderjarige gewoonlijk leeft. Zij preciseert dat de eerste interpretatie verbiedt dat een plaatsingsmaatregel wordt gecumuleerd met het opleggen van de voorwaarden vermeld in artikel 37, § 2, 2°, van de wet, terwijl de tweede interpretatie die cumulatie aanvaardt. A.3.3. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de tweede interpretatie het mogelijk maakt de in het geding zijnde bepalingen te doen ontsnappen aan de vaststelling van ongrondwettigheid, door de door de verwijzende rechter aangeklaagde discriminaties te vermijden, terwijl de eerste niet te verantwoorden verschillen in behandeling teweegbrengt onder de jongeren die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. -B- B.1. Het Hof wordt ondervraagd over verschillen in behandeling die veroorzaakt zouden zijn door de artikelen 36, 2° en 4°, en 37, §§ 1 en 2, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, die bepalen : 5 « Artikel 36. De jeugdrechtbank neemt kennis : […] 2° van de vorderingen van het openbaar ministerie betreffende minderjarigen wier gezondheid, veiligheid of zedelijkheid gevaar loopt hetzij wegens het milieu waarin zij leven hetzij wegens hun bezigheden, of wanneer de omstandigheden waarin zij worden opgevoed, gevaar opleveren door het gedrag van degenen die hen onder hun bewaring hebben; […] 4° van de vorderingen van het openbaar ministerie ten aanzien van de personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit, gepleegd vóór de volle leeftijd van achttien jaar. Artikel 37. § 1. De jeugdrechtbank kan de voor haar gebrachte personen maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding opleggen. § 2. Zij kan naar gelang van de omstandigheden : 1° hen berispen en hen, met uitzondering van de personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, laten bij degenen onder wier bewaring zij staan, dan wel hen aan de betrokkenen teruggeven, en dezen er, in voorkomend geval, toe aanmanen in het vervolg beter toezicht op hen te houden; 2° hen onder het toezicht plaatsen van de bevoegde sociale dienst, die moet waken over de naleving van de door de rechtbank gestelde voorwaarden. De rechtbank kan het behoud van de in § 1 bedoelde personen in hun milieu met name afhankelijk maken van een of meer van de volgende voorwaarden :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.