← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.104

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.104 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040616.2 Arrest- Rolnummer: 1042004;2714 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-08-12 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-07-04 00:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof onder voorbehoud van de interpretatie aangegeven in B.7.1, B.7.2 en B.8.3, verwerpt het beroep. Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 107 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals vervangen bij artikel 83 van de programmawet (I) van 24 december 2002, en van artikel 84 van dezelfde programmawet, ingesteld door de Vlaamse Regering. Tekst van de beslissing Rolnummer 2714 Arrest nr. 104/2004 van 16 juni 2004 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 107 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals vervangen bij artikel 83 van de programmawet (I) van 24 december 2002, en van artikel 84 van dezelfde programmawet, ingesteld door de Vlaamse Regering. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. François, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 juni 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 juni 2003, heeft de Vlaamse Regering, Martelaarsplein 19, 1000 Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 107 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, zoals vervangen bij artikel 83 van de programmawet (I) van 24 december 2002, en van artikel 84 van dezelfde programmawet (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002). De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de Vlaamse Regering heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 24 maart 2004 : - zijn verschenen : . Mr. P. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. J. Vanden Eynde, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Standpunt van de Vlaamse Regering A.

  1. Het enige middel is afgeleid uit de schending van artikel 128, § 1, van de Grondwet en van artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat de federale wetgever, door te voorzien in de organisatie en de financiering van diensten - in de organieke betekenis - voor opvang van kinderen buiten de normale schooluren en van zieke kinderen en voor flexibele en urgentieopvang van kinderen, een aangelegenheid heeft geregeld die moet worden beschouwd als een vorm van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen en die exclusief is toegewezen aan de gemeenschappen. De Ministerraad geeft in zijn memorie overigens toe dat hij kinderopvang(diensten) subsidieert, wat, zelfs wanneer het gaat om diensten voor opvang van kinderen die recht geven op kinderbijslag - bijna elk kind -, een maatregel is die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort. A.
  2. De Vlaamse Regering betwist in ieder geval dat het te dezen zou gaan om een socialezekerheidsmaatregel waarvoor de federale wetgever wel bevoegd zou zijn, namelijk kinderopvang voor kinderen waarvoor kinderbijslag wordt genoten, die bovendien wordt gefinancierd met socialezekerheidsmiddelen. De Raad van State heeft in verschillende recente adviezen erop gewezen dat het niet 3 gaat om individuele tegemoetkomingen aan rechthebbenden op kinderbijslag, maar om de organisatie en de financiering, door subsidiëring of ondersteuning, van collectieve voorzieningen voor kinderopvang zelf. Dat de Raad van State in die adviezen de maatregel vanuit bevoegdheidsrechtelijk oogpunt strenger heeft beoordeeld dan voordien, is juist maar niet ter zake dienend omdat ook zijn opvatting over de precieze draagwijdte ervan kan evolueren. Ten aanzien van de vaststelling dat de Raad van State laat uitschijnen dat de bestreden maatregel zou kunnen worden genomen op grond van de federale bevoegdheid inzake sociale zekerheid, indien niet zou zijn voorzien in (de subsidiëring van) collectieve voorzieningen, maar in individualiseerbare prestaties, merkt de Vlaamse Regering op dat zou kunnen worden verdedigd dat dergelijke prestaties inzake de aan de gemeenschappen en de gewesten toegekende bevoegdheden evenzeer tot de betrokken deelstaatbevoegdheid behoren. Op grond hiervan zou de federale overheid ipso facto onbevoegd zijn en zou zij niet op die deelstaatbevoegdheid kunnen terugkomen onder het mom van de (federale) sociale zekerheid, a fortiori aangezien die aangelegenheid, als voorbehouden federale bevoegdheid, een uitzondering maakt op de uitdrukkelijk toegewezen deelstaatbevoegdheden en strikt moet worden geïnterpreteerd. A.
  3. De in de memorie van toelichting opgeworpen argumentatie kan volgens de Vlaamse Regering niet worden gevolgd. Dat het slechts gaat om een voorlopige regeling, in afwachting van een definitieve regeling na besprekingen in het Overlegcomité, rechtvaardigt nog niet dat de federale wetgever zich in afwachting een gemeenschapsbevoegdheid toe-eigent. Dat de betrokken maatregelen eigenlijk kinderbijslag in natura zouden uitmaken, waarvan de uiteindelijke geadresseerden de facto de genieters van kinderbijslagen zijn, zou ertoe leiden dat de aangelegenheid van de « hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen » een parallelle bevoegdheid van de federale overheid en de gemeenschappen zou zijn, quod non. Het feit dat de federale maatregel niet identiek is met maar complementair aan de bestaande gemeenschapsmaatregelen, doet geen afbreuk aan de federale onbevoegdheid ter zake, zelfs niet wanneer zou worden aangenomen dat het gemeenschapsbeleid leemten zou vertonen. Het is uitsluitend de materieel en territoriaal bevoegde gemeenschapsoverheid die over een dergelijke beleidskwestie vermag te oordelen. Standpunt van de Ministerraad A.
  4. De Ministerraad laat gelden dat de bestreden maatregel een aangelegenheid van sociale zekerheid regelt. De federale wetgever laat zich immers geenszins in met de organisatie van de kinderopvang of met de financiële structuur ervan, doch verleent via het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten slechts subsidies en richt ter zake bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers een controlesysteem in, met inbegrip van de mogelijkheid tot intrekking of herziening. Aldus bevordert de maatregel de diensten voor opvang van op kinderbijslag rechtgevende kinderen van werknemers, door een gedeelte van de financiële last ervan op zich te nemen en de bijdrage van de ouders te verminderen. A.
  5. De Ministerraad wijst erop dat de Raad van State in het verleden de subsidies van het voormelde Fonds aan de diensten voor kinderopvang steeds heeft gekwalificeerd als een vorm van kinderbijslag in natura, waarbij telkens moest worden nagegaan welke de uiteindelijke bestemming van de tegemoetkoming door het Fonds was. Dat klassieke standpunt werd onder meer bevestigd ter gelegenheid van de invoering van de verplichte werkgeversbijdrage waarvan de opbrengst voor voormelde projecten wordt aangewend. De federale wetgever is bevoegd waar het gaat om hulp aan op kinderbijslag rechthebbende werknemersgezinnen, doordat het een voordeel in natura betreft dat gelijk te stellen is met de andere gezinsuitkeringen waarin de wetgeving op kinderbijslag voorziet. De bedoelde hulp kan uitsluitend gaan naar rechthebbenden van kinderbijslag en moet worden gekwalificeerd als een met een gezinsuitkering gelijkgesteld voordeel in natura. De Raad van State oordeelde later dat elke maatregel waardoor andere personen dan de voormelde gerechtigden worden begunstigd, een overschrijding van de federale bevoegdheid uitmaakt. In een advies van 2 maart 2000 verscherpte de Raad van State zijn standpunt door bezwaar te uiten tegen een tegemoetkoming van het Fonds in de vorm van financiering van de diensten van kinderopvang zelf : de maatregel zou slechts kunnen worden beschouwd als een socialezekerheidsprestatie in zoverre een individualiseerbare prestatie aan een welbepaalde begunstigde zou worden geleverd. 4 A.
  6. De Ministerraad argumenteert hiertegen dat alle prestaties die waren bedongen en van kracht waren vóór 1980 - jaar van toewijzing van de gemeenschapsbevoegdheid inzake gezinsbeleid - als socialezekerheidsprestaties moeten worden beschouwd. Dat is ook het geval met de tegemoetkomingen van het Fonds aan diensten voor kinderopvang. De gemeenschap kan zich thans niet een bevoegdheid toe-eigenen die sinds de oorsprong ervan werd beschouwd als een onderdeel van de sociale zekerheid, die thans nog behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de federale wetgever. Het door de Raad van State gehanteerde criterium van de « individualiseerbare prestaties aan concrete rechthebbenden » om te bepalen dat de maatregel de sociale zekerheid betreft, staat bovendien haaks op de eigen vaststelling van de Raad van State met betrekking tot de grondwettigheid van de door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerde zorgverzekering, die een individualiseerbare prestatie voor een concrete fysieke persoon betreft. De Ministerraad merkt overigens op dat de Raad van State de graad van individualisatie zelf niet heeft bepaald. Het is duidelijk dat het Fonds de subsidies aan de diensten alleen verleent rekening houdend met de aanwezigheid van welbepaalde kinderen, van een welbepaalde leeftijd, gedurende een welbepaalde periode en op een welbepaalde dag in de opvangstructuur, zodat wel degelijk sprake is van individualiseerbare prestaties. Bovendien zou die recente adviespraktijk eveneens ertoe leiden dat geen enkele betaling van een verschuldigde uitkering aan iemand anders dan de gerechtigde zelf, nog kan worden beschouwd als een socialezekerheidsmaatregel, waardoor de gehele structuur van de prestaties in het kader van de sociale zekerheid, zoals bijvoorbeeld de tegemoetkoming in verblijfkosten van rustoorden voor bejaarden en het derdebetalerssysteem, maar ook verschillende regelingen in het kader van de kinder- en gezinsbijslagen (bijvoorbeeld voor geplaatste kinderen), op de helling zou worden gezet. A.
  7. De Ministerraad besluit dat de federale wetgever, met de bestreden maatregel, het bevoegdheidsdomein van de gemeenschappen niet heeft betreden. Hij verwijst in het bijzonder naar het arrest nr. 33/2001, waarin het Hof oordeelde dat, ingevolge de onderscheiden bevoegdheidstoewijzingen, door de gemeenschappen met betrekking tot de aangelegenheden waarvoor ze bevoegd zijn, maatregelen kunnen worden genomen waardoor personen kunnen worden geholpen die eveneens in aanmerking komen voor het systeem van de sociale zekerheid, wat leidde tot het besluit dat « die twee bevoegdheidstoewijzingen […] op dusdanige wijze [moeten] worden geïnterpreteerd dat ze verenigbaar zijn ». Op grond daarvan moet worden aanvaard dat ook door de federale overheid maatregelen kunnen worden genomen ten gunste van personen die maatregelen genieten die zijn genomen door de gemeenschappen, zoals te dezen. Zoals het Hof vereist, wordt met de bestreden maatregel niet ingegrepen in de gemeenschapsbevoegheid tot reglementering van de bevoegde diensten voor kinderopvang, zodat hij perfect verenigbaar is met de gemeenschapsbevoegdheid inzake bijstand aan gezinnen en kinderen. Zo kan bijvoorbeeld worden verwezen naar bepalingen tot toewijzing van subsidies die afhankelijk wordt gesteld van de beschikking, door de begunstigde dienst, over een gunstig advies van de bevoegde gemeenschapsinstelling. Evenmin doet de subsidiëring door het Fonds afbreuk aan andere financieringsmechanismen die door de gemeenschappen zijn vastgesteld. Er anders over oordelen zou bijvoorbeeld ertoe kunnen leiden dat zelfs de sector van de kinderbijslag een gemeenschapsbevoegdheid wordt, aangezien ook de gezins- en kinderbijslagen een vorm van « hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen » zijn. De Ministerraad merkt op dat de Vlaamse Regering de aan de federale wetgever voorbehouden bevoegdheid inzake sociale zekerheid eigenlijk wil uithollen, wat indruist tegen de duidelijke wil van de bijzondere wetgever. Het zou op grond van het voormelde arrest nr. 33/2001 dan ook uitgesloten zijn dat de federale wetgever vanuit zijn bevoegdheid inzake sociale zekerheid, geen enkele prestatie meer zou mogen instellen in aangelegenheden waarvoor de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn, zoals, te dezen, het gezinsbeleid. -B- B.
  8. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de artikelen 83 en 84 van de programmawet (I) van 24 december 2002, die luiden : 5 « Art.
  9. Artikel 107 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 22 februari 1998 en gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling : ' Art.
  10. §
  11. Bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers wordt een Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten ingesteld, dat kan tegemoetkomen in de opvangkosten voor elk kind dat volgens de huidige wetgeving recht geeft op kinderbijslag. Dat geldt voor de volgende diensten : 1° de diensten die instaan voor de opvang van kinderen van 2,5 tot 12 jaar buiten de normale schooluren; 2° de diensten die instaan voor de opvang van zieke kinderen van 0 tot 12 jaar; 3° de diensten die, buiten hun normale openingsuren, instaan voor de flexibele opvang van kinderen van 0 tot 12 jaar; 4° de diensten die instaan voor de urgentie-opvang van kinderen van 0 tot 3 jaar. Het Fonds wordt beheerd door het Beheerscomité van de Rijksdienst. §
  12. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst : 1° de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de financiering door het Fonds mag gebeuren; 2° de voordelen waarop aanspraak kan gemaakt worden ten laste van het Fonds, en de toekenningsvoorwaarden van die voordelen. §
  13. Het Beheerscomité van de Rijksdienst bepaalt in een bijzonder reglement alle andere toepassingsmodaliteiten in verband met de werking van het Fonds. Dat reglement treedt in werking na goedkeuring door de minister die bevoegd is voor Sociale Zaken. Deze goedkeuring wordt verleend binnen 3 maanden bij gebreke waarvan ze geacht wordt verleend te zijn. §
  14. Het Fonds wordt gefinancierd met alle geldmiddelen die het krijgt toegewezen door of krachtens een wet. Indien de globale uitgaven voor de rechtgevende kinderen opgevangen in de in § 1 bedoelde diensten de globale geldmiddelen van het Fonds overschrijden, worden de tegemoetkomingen van dat Fonds proportioneel verminderd volgens de nadere regels die in het bijzonder reglement zijn vastgelegd. §
  15. De werkingskosten van het Fonds worden op dat Fonds aangerekend. §
  16. Het Beheerscomité van de Rijksdienst geeft ieder jaar vóór 31 maart rekenschap over het beheer van het Fonds aan de minister die bevoegd is voor Sociale Zaken. ' Art.
  17. Artikel 83 treedt in werking op een door de Koning bepaalde datum bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning legt de overgangsbepalingen vast bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. » 6 B.
  18. Op grond van het bestreden artikel 83 van de programmawet (I) van 24 december 2002 kan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten (hierna : het Fonds) tegemoet komen in de opvangkosten voor kinderen die krachtens de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders recht geven op kinderbijslag. Volgens de memorie van toelichting bij het bestreden artikel 83 wordt die tegemoetkoming, die wordt gefinancierd uit een werkgeversbijdrage die gelijkstaat met een socialezekerheidsbijdrage, uitsluitend verstrekt op basis van de aanwezigheid van de voormelde rechtgevende kinderen in opvangvoorzieningen waarvan de functie complementair is aan die van de gewone kinderdagverblijven die door de gemeenschappen worden gesubsidieerd. Nog volgens dezelfde parlementaire voorbereiding wordt zij uitgekeerd als forfaitair bedrag, bij koninklijk besluit in te stellen per dag voor hun aanwezigheid in die opvangvoorzieningen. Het mechanisme voor de toekenning van de tegemoetkoming aan opvangvoorzieningen ten voordele van de uiteindelijke geadresseerden, de kinderen die rechtgevend zijn op kinderbijslag, wordt geschikt geacht omdat de door het Fonds uitgekeerde subsidies het uiteindelijk mogelijk zullen maken de bijdrage van de betrokken gezinnen aan de financiering van de opvang van hun kinderen te verlichten (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001 en DOC 50-2125/001, pp. 70-72). B.3.
  19. Het enige middel is afgeleid uit de schending van artikel 128, § 1, van de Grondwet en van artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat de federale wetgever, door te voorzien in de organisatie en de financiering van de in artikel 107, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, van de voormelde samengeordende wetten bedoelde diensten voor kinderopvang, een aangelegenheid heeft geregeld die moet worden beschouwd als een vorm van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen en die exclusief is toegewezen aan de gemeenschappen. B.3.
  20. De Ministerraad voert aan dat de bestreden maatregel een aangelegenheid regelt die onder de sociale zekerheid valt, een materie die tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoort krachtens artikel 6, § 1, VI, laatste lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus
  21. 7 B.4.
  22. Artikel 128, § 1, van de Grondwet bepaalt : « De Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet, de persoonsgebonden aangelegenheden, alsook, voor deze aangelegenheden, de samenwerking tussen de gemeenschappen en de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen. Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt deze persoonsgebonden aangelegenheden vast, alsook de vormen van samenwerking en de nadere regelen voor het sluiten van verdragen. » B.4.
  23. Naar luid van artikel 5, § 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn de persoonsgebonden aangelegenheden, wat de bijstand aan personen betreft : « Het gezinsbeleid met inbegrip van alle vormen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen; ». B.4.
  24. Uit die bepalingen kan worden afgeleid dat de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen de hele materie betreffende de bijstand aan personen als persoonsgebonden aangelegenheden wilden toevertrouwen en dat die onder meer de hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen omvat. Op die grond zijn de gemeenschappen onder meer bevoegd voor de materiële, sociale, psychologische, morele en opvoedende bijstand en hulpverlening aan de kinderen, met inbegrip van het kinderopvangbeleid, waarbij die bijstand en hulpverlening hetzij rechtstreeks, hetzij via verenigingen en instellingen verstrekt worden, alsook voor de morele en sociale hulp aan het gezin, meer bepaald door de erkenning en de toekenning van toelagen aan de diensten voor gezinshulp, aan de opleidingscentra voor gezinshulp en aan de tehuizen voor moeders (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/1, p. 7). B.4.
  25. Artikel 6, § 1, VI, laatste lid, 12°, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « […] Bovendien is alleen de federale overheid bevoegd voor : […] 8 12° het arbeidsrecht en de sociale zekerheid. » B.4.
  26. Volgens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 worden de gezinsbijslagen beschouwd als een van de takken van de sociale zekerheid (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/2, p. 125). B.
  27. Het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, dat bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers is ingesteld, wordt beheerd door het beheerscomité van die Rijksdienst (huidig artikel 107, § 1, laatste lid) en wordt thans gefinancierd door middel van een bijdrage van 0,05 pct. ten laste van de werkgevers, bijdrage die gelijkstaat met een socialezekerheidsbijdrage (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001 en DOC 50-2125/001, pp. 70-71). Het Fonds is overigens het resultaat van sociaal overleg dat onder meer tot doel had de flexibiliteit van de arbeidsmarkt te verhogen. In dat opzicht behoort het Fonds tot de bij artikel 6, § 1, VI, laatste lid, 12°, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de federale overheid voorbehouden aangelegenheid. De federale wetgever was derhalve bevoegd om de eerste zin (in de Nederlandse versie) van het eerste lid van paragraaf 1, paragraaf 2, paragraaf 3, paragraaf 5 en paragraaf 6 van het bestreden artikel 107 aan te nemen. B.
  28. Het Hof moet echter nog onderzoeken of de aan het Fonds toevertrouwde opdracht, zoals zij in de wet is omschreven, tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. B.7.
  29. Paragraaf 4 van artikel 107 is verenigbaar met de bevoegdheidverdelende regels op voorwaarde dat de woorden « door of krachtens een wet », die in de eerste zin worden gebruikt, zo worden opgevat dat zij het mogelijk maken het Fonds te stijven met inkomsten uit socialezekerheidsbijdragen en ermee gelijkgestelde inkomsten. B.7.
  30. De regeling vervat in de tweede zin van paragraaf 4 is verenigbaar met het begrip « kinderbijslag » dat de tegemoetkoming kenmerkt, op voorwaarde dat, zoals in de Franse tekst van die bepaling ondubbelzinnig wordt aangegeven, de eventuele vermindering van de 9 tegemoetkomingen betrekking heeft op de « te verrichten » uitgaven voor de rechtgevende kinderen, en niet op een terugvordering van reeds toegekende tegemoetkomingen. B.8.
  31. De tweede zin (in de Nederlandse versie) van artikel 107, § 1, eerste lid, is voor meerdere interpretaties vatbaar. B.8.
  32. Indien het begrip « diensten » dat in die bepaling wordt aangewend, zou worden opgevat in die zin dat het Fonds wordt gemachtigd rechtstreeks aan « diensten » subsidies te verstrekken, zou die bepaling niet verenigbaar zijn met de bevoegdheidverdelende bepalingen, nu het op grond van artikel 5, § 1, II, 1°, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 uitsluitend aan de gemeenschappen toekomt het beleid met betrekking tot voorzieningen inzake kinderopvang te voeren, met inbegrip van de subsidiëring en de tarifering ervan. B.8.
  33. Indien datzelfde begrip « diensten » wordt opgevat in die zin dat aanvullende kinderbijslag wordt uitbetaald ten behoeve van de rechthebbenden op kinderbijslag voor werknemers, als tegemoetkoming in de opvangkosten voor kinderen die volgens de huidige wetgeving recht geven op kinderbijslag en die onder de wettelijk vastgelegde omstandigheden worden toevertrouwd aan kinderopvangvoorzieningen waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn, moet de tegemoetkoming worden beschouwd als een socialezekerheidsprestatie die tot de federale bevoegdheid behoort. B.
  34. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de wetgever beoogd heeft de grenzen van de hem toegewezen bevoegdheden in acht te nemen, moet de bestreden wet worden uitgelegd op de wijze die in B.7.1, B.7.2 en B.8.3 is aangegeven en die haar bestaanbaar maakt met de bevoegdheidverdelende bepalingen. B.
  35. Onder voorbehoud van die interpretatie, is het enige middel niet gegrond. 10 Om die redenen, het Hof onder voorbehoud van de interpretatie aangegeven in B.7.1, B.7.2 en B.8.3, verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 16 juni
  36. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.104 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.