id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.118 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040630.7 Arrest- Rolnummer: 118-2004;2788 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-07-03 23:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi. Tekst van de beslissing Rolnummer 2788 Arrest nr. 118/2004 van 30 juni 2004 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 16 september 2003 in zake N. Van Havermaet tegen F. Mathurin, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 22 september 2003, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 203ter, doordat het bepaalt dat de bevoegdheden van de rechter worden geregeld volgens de artikelen 1253bis [lees : 1253ter] tot 1253quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, en met name artikel 1253quater, dat zelf niet verwijst naar het bepaalde in artikel 792, tweede lid, van dat Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen diegene die hoger beroep instelt tegen een vonnis gewezen krachtens een vordering gegrond op de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek, en die aldus onderworpen is aan het bepaalde in de artikelen 1051 en 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en diegene die hoger beroep instelt tegen een vonnis gewezen krachtens een vordering gegrond op de artikelen 203, 203bis en 203ter van het Burgerlijk Wetboek ? » De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 25 maart 2004 : - is verschenen : Mr. G. Uyttendaele loco Mr. D. Gérard et Me M. Mareschal, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de verwijzende rechter wordt het hoger beroep aanhangig gemaakt tegen een beslissing waarbij een vrederechter het bedrag heeft vastgesteld van het onderhoudsgeld dat F. Mathurin verschuldigd is ten gunste van zijn zoon Romain, een hoger beroep dat wordt ingesteld door de moeder van laatstgenoemde. Aangezien het hoger beroep is ingesteld buiten de maand volgend op de kennisgeving van de betwiste beslissing aan de appellante, maar daarentegen binnen de maand die zou zijn gevolgd op de betekening van diezelfde beslissing, stelt de verwijzende rechter vast dat het aanvangspunt dat in beginsel in overweging moet worden genomen, krachtens artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, de datum van de kennisgeving is. Aangezien de appellante echter, in ondergeschikte orde, heeft gevorderd dat aan het Hof een prejudiciële vraag wordt gesteld, stelt de rechter de hiervoor vermelde vraag. 3 III. In rechte -A- Standpunt van de Ministerraad A.
- Nadat de Ministerraad het onderwerp van artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek, de daarin vervatte verwijzing naar artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek en het afwijkende karakter van de in die laatstgenoemde bepaling bedoelde termijn voor hoger beroep in vergelijking met artikel 1051 van hetzelfde Wetboek heeft uiteengezet, brengt hij twee arresten van het Hof in herinnering, namelijk nr. 96/2001 en nr. 141/2002; uit die rechtspraak wordt afgeleid dat het Hof achtereenvolgens de grondwettigheid heeft aangenomen, en vervolgens bevestigd, van het feit dat de aanvang van de termijn niet op de betekening maar op de gerechtsbrief wordt gebaseerd. Ter verantwoording worden met name de zorg om de gerechtskosten te drukken en de zorg om de behandeling van die rechtspleging te bespoedigen aangevoerd. A.
- De Ministerraad is van mening dat te dezen die rechtspraak moet worden toegepast en, ter staving van die stelling, doet hij de volgende opeenvolgende vaststellingen. In de eerste plaats heeft de wetgever in een specifieke procedure voorzien voor de verzoekschriften in verband met artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek waarbij hij aldus, uitdrukkelijk zijn bezorgdheid uit om in die aangelegenheid af te wijken van het gemeen recht. Vervolgens vertoont het bij artikel 203ter ingevoerde recht een daadwerkelijk specifiek karakter. Enerzijds, heeft het niet betrekking op de verplichting zelf - zoals zulks het geval is voor andere aanverwante bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek -, maar op een betalingswijze die de rechter de schuldenaar die in gebreke blijft kan opleggen. Anderzijds, is de loondelegatie een beperkend en vernederend mechanisme, dat soms het optreden van derden impliceert, die correct moeten worden geïnformeerd over de gerechtelijke beslissing. Bovendien worden in de memorie de verschillende voordelen van de kennisgeving als procedure van bekendmaking in herinnering gebracht, voordelen die het Hof in zijn voormelde arresten heeft erkend : vermindering van de gerechtskosten, bespoediging van de behandeling van de procedure en, in het belang van de rechtszekerheid, een vast aanvangspunt voor de termijn van hoger beroep. De termijn van één maand wordt overigens niet verminderd, aangezien enkel het aanvangspunt ervan wordt gewijzigd. Nadat de Ministerraad de ratio legis van artikel 203ter heeft uiteengezet alsmede de oncomfortabele situatie van de partijen die per definitie in het geding zijn - degene die recht heeft op het onbetaalde onderhoudsgeld en degene die het onderhoudsgeld verschuldigd is en vervolgd wordt - stelt hij dat die situatie « de noodzaak verantwoordt om op dat type van vordering een rechtspleging toe te passen waardoor eerstgenoemde op vrij korte termijn en via een goedkope rechtspleging zijn onderhoudsgeld kan krijgen en laatstgenoemde een rechtspleging kan genieten die rekening houdt met de netelige situatie waarin hij zich bevindt ». Volgens de Ministerraad pleit de rechtszekerheid bovendien voor het feit dat in deze aangelegenheid de termijn voor hoger beroep niet zou afhangen van een van de procespartijen. Ten slotte wordt opgemerkt dat de oorspronkelijke eiseres heeft gekozen voor de rechtspleging gebaseerd op artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek, waarbij zij zich bijgevolg mogelijkerwijze bewust was van de nadere regels die de wetgever aan de genoemde rechtspleging had gekoppeld. -B- B.1.
- Niettegenstaande de vermelding in de prejudiciële vraag van de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1051 en 792 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt uit het geheel van de verwijzingsbeslissing dat het Hof enkel wordt ondervraagd 4 over de grondwettigheid van artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het met name verwijst naar artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek. B.1.
- Artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek - waarvan enkel de laatste zin van het eerste lid in het geding is - bepaalt : « Indien de schuldenaar een van de verplichtingen opgelegd bij de artikelen 203, 203bis, 205, 207, 303 of 336 van dit Wetboek of de krachtens artikel 1288, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek aangegane verbintenis niet nakomt, kan de schuldeiser, onverminderd het recht van derden, zich doen machtigen om, met uitsluiting van voornoemde schuldenaar, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door het vonnis gesteld, de inkomsten van deze laatste of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen. De rechtspleging en de bevoegdheden van de rechter worden geregeld volgens de artikelen 1253bis tot 1253quinquies van het Gerechtelijk Wetboek. Het vonnis kan worden tegengeworpen aan alle tegenwoordige of toekomstige derden- schuldenaars, na kennisgeving door de griffier op verzoek van de eiser. Wanneer het vonnis ophoudt gevolg te hebben, geeft de griffier daarvan bericht aan de derden-schuldenaars. De griffier vermeldt in zijn kennisgeving wat de derde-schuldenaar moet betalen of ophouden te betalen. » Artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, waarnaar met name het voormelde artikel 203ter verwijst, bepaalt : « Wanneer de vorderingen gegrond zijn op de artikelen 214, 215, 216, 221, 223, 1420, 1421, 1426, 1442, 1463 en 1469 van het Burgerlijk Wetboek : a) doet de rechter de partijen oproepen in raadkamer en poogt ze te verzoenen; b) wordt de beschikking gewezen binnen 15 dagen na de indiening van het verzoek; de griffier geeft ervan kennis aan beide echtgenoten; c) kan, indien de beschikking bij verstek is gewezen, de partij die niet verschenen is, binnen een maand na de kennisgeving verzet doen bij verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank; d) is de beschikking vatbaar voor hoger beroep ongeacht het bedrag van de eis : hoger beroep wordt ingesteld binnen een maand na de kennisgeving; e) kan elk der echtgenoten te allen tijde in dezelfde vorm wijziging of intrekking vorderen van de beschikking of het arrest. » 5 B.
- Het door de verwijzende rechter aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling is dat tussen de rechtzoekenden die beroep aantekenen tegen een beslissing van de vrederechter, naargelang die steunt op de artikelen 203 en 203bis dan wel op artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek. In het eerste geval moet het vonnis krachtens artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bij deurwaardersexploot worden betekend en gaat de termijn voor hoger beroep in vanaf die betekening. In het tweede geval moet krachtens artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1253quater, d), van het Gerechtelijk Wetboek de beschikking ter kennis worden gebracht bij gerechtsbrief en gaat de termijn om hoger beroep aan te tekenen in vanaf de dag van die kennisgeving. B.3.
- Artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek staat de schuldeiser van de uitvoering van een verplichting, gegrond op een van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of het Gerechtelijk Wetboek waarnaar het genoemde artikel verwijst, toe zich door de rechter te doen machtigen om, onder de voorwaarden en binnen de grenzen gesteld in hetzelfde artikel, de inkomsten van de schuldenaar of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen. Tijdens de parlementaire voorbereiding is opgemerkt dat die bepaling werd ingegeven « door de wens om de gedwongen tenuitvoerlegging van de alimentatieregeling te bespoedigen, doeltreffender en minder duur te maken » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, 904, nr. 2, p. 36). B.3.
- Artikel 203ter, eerste lid, laatste zin, met betrekking tot de rechtspleging en de bevoegdheden van de rechter in het kader van de loondelegatie waarin het voorziet, verklaart de artikelen 1253ter tot 1253quinquies van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing en, met name, artikel 1253quater. Littera b) van dat artikel bepaalt dat van de beschikking aan beide echtgenoten kennis wordt gegeven door de griffier; littera d) van hetzelfde artikel voorziet in een termijn voor hoger beroep van één maand na die kennisgeving. Dat artikel 203ter vermeldt tevens de kennisgeving aan de derden-schuldenaars. 6 Doordat artikel 203ter de kennisgeving bij gerechtsbrief in aanmerking neemt als wijze van meedelen, wijkt het aldus af van de algemene regel van het gerechtelijk privaatrecht volgens welke de vonnissen worden betekend en die met name van toepassing is op het meedelen van de vonnissen die zijn gewezen op vorderingen die zijn gegrond op de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek. B.4.
- Het staat aan de wetgever te bepalen op welke wijze het meedelen van akten van rechtspleging wordt geregeld. De keuze voor de gerechtsbrief in deze aangelegenheid is verantwoord onder meer door de zorg om de kosten van de rechtspleging te drukken en de uitvoering van de beslissing te bespoedigen. B.4.
- De sommendelegatie die in artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek wordt geregeld, onderscheidt zich op objectieve wijze van de maatregelen die op de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek steunen. De sommendelegatie betreft immers niet de erkenning van een op een familiale band berustende verplichting maar wel een manier om een dergelijke verplichting die de rechter oplegt aan een schuldenaar die in gebreke blijft, rechtstreeks te doen uitvoeren door derden- schuldenaars. De situatie van de schuldeiser van de niet nagekomen onderhoudsverplichting vereist dat de niet-betaling van de alimentatievergoeding zonder verwijl wordt verholpen. B.4.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat het in redelijkheid verantwoord is dat de wetgever, voor de betwistingen met betrekking tot artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek, heeft gekozen voor de kennisgevingsprocedure om de ter zake genomen beschikkingen mee te delen. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div