← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.120

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.120 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040630.5 Arrest- Rolnummer: 1202004;2806 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-07-04 00:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Tekst van de beslissing Rolnummer 2806 Arrest nr. 120/2004 van 30 juni 2004 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 30 september 2003 in zake K. Heyde en V. Heyde tegen J. Heyde, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 22 oktober 2003, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 420bis van datzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij aan de burgerlijke partij de verplichting oplegt om binnen de termijn bedoeld in voornoemd artikel 420bis over te gaan tot betekening van de voorziening in cassatie aan de partij tegen wie deze is gericht en neerlegging van de stukken waaruit deze betekening blijkt, en dit op straffe van niet-ontvankelijkheid van de voorziening, terwijl geen gelijkaardige verplichting bestaat voor de in verdenking gestelde of de beklaagde die een voorziening in cassatie instelt tegen de burgerlijke partij ? » K. Heyde, wonende te 9900 Eeklo, Moerstraat 6A, en V. Heyde, wonende te 9930 Zomergem, A. Sifferstraat 45, enerzijds, en de Ministerraad, anderzijds, hebben een memorie ingediend en K. Heyde en V. Heyde hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 2 juni 2004 : - zijn verschenen : . Mr. J. Meese, advocaat bij de balie te Gent, voor K. Heyde en V. Heyde; . Mr. P. Louage loco Mr. B. Bronders, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 28 november 2002 heeft het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, de feiten verjaard verklaard waarvoor K. en V. Heyde een klacht met burgerlijke partijstelling hadden ingediend tegen J. Heyde. De burgerlijke partijen stelden daarop een voorziening in cassatie in. De advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep wegens niet-betekening ervan aan de partij tegen wie het gericht is, zoals voorgeschreven door artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. 3 Alvorens over de ontvankelijkheid van de voorziening uitspraak te doen, stelt het Hof van Cassatie, op verzoek van K. en V. Heyde, de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. K. en V. Heyde merken op dat een inverdenkinggestelde of een beklaagde die een voorziening in cassatie instelt niet moet overgaan tot betekening van die voorziening aan het openbaar ministerie of aan de burgerlijke partij, terwijl de laatstgenoemden hun voorziening wel moeten betekenen aan de beklaagde of de inverdenkinggestelde. Op het verzuim van dat vormvereiste, dat door het Hof van Cassatie ambtshalve wordt vastgesteld, staat bovendien een zware sanctie : bij gebrek aan bewijs van betekening is de voorziening niet ontvankelijk. De nietigheid kan niet worden gedekt en het bewijs van betekening moet binnen de termijn bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafvordering worden neergelegd. Uit enkele voorbeelden uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie leiden K. en V. Heyde af dat de problemen inzake betekening de rechtszekerheid niet ten goede komen. Zij zijn van oordeel dat de verplichting tot betekening en de gestrengheid waarmee het verzuim ervan wordt aangepakt niet kunnen worden verantwoord. De bepaling bleef ongewijzigd sedert de Napoleontische tijd. In die tijd kon de kennisgeving binnen de termijn van drie dagen enkel worden gedaan door de partij die de voorziening instelde omdat het dossier zelf op dat ogenblik nog niet ter griffie van het Hof van Cassatie lag. Rekening houdend met de gebrekkige communicatiemiddelen van die tijd was een kennisgeving binnen drie dagen enkel mogelijk door toedoen van een gerechtsdeurwaarder. Het is evenwel vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie dat de termijn van drie dagen niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Het is voldoende dat de akte van betekening wordt neergelegd binnen de termijn bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafvordering, zijnde twee maanden sedert de dag dat de zaak op de algemene rol van het Hof van Cassatie is ingeschreven en ten minste acht dagen vóór de terechtzitting zo die eerder is vastgesteld. K. en V. Heyde leiden daaruit af dat de doelstelling van de wetgever volledig achterhaald is en dat de kennisgeving ook op een andere wijze kan geschieden, bijvoorbeeld bij gerechtsbrief. Indien de betekening noodzakelijk zou zijn ter vrijwaring van het recht van verdediging, zou zij dat overigens ook zijn voor de burgerlijke partij tegen wie de voorziening is gericht. A.
  2. De Ministerraad schetst allereerst de evolutie van de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake de draagwijdte van de in het geding zijnde bepaling. Hij besluit daaruit dat thans slechts een zeer kleine categorie van eisers in cassatie hun voorziening niet moet laten betekenen aan de partij tegen wie ze is gericht. Het criterium van het Hof van Cassatie om te oordelen welke beklaagden, verdachten of beschuldigden hun cassatieberoep moeten laten betekenen, lijkt te zijn gelegen in het antwoord op de vraag of ze de veroordeling van een tegenpartij willen uitlokken, dan wel louter optreden in de positie van verwerende partij. Door de verplichting in te voeren om de akte van voorziening in cassatie te laten betekenen aan de partijen tegen wie ze is gericht, zo vervolgt de Ministerraad, wilde de wetgever waarborgen dat die partijen op de hoogte worden gebracht van de voorziening teneinde hun de gelegenheid te geven zich met kennis van zaken te verdedigen. In de tijd van de totstandkoming van de in het geding zijnde bepaling werd het recht van verdediging geassocieerd met het recht van verdediging van de beklaagde. Een verplichting tot betekening voor de beklaagde, de beschuldigde of de inverdenkinggestelde werd nergens wettelijk geregeld. Het verschil in behandeling ligt volgens de Ministerraad bijgevolg in het ontbreken van een bepaling in het Wetboek van Strafvordering die de betekening oplegt aan andere eisers in cassatie dan de burgerlijke partij en het openbaar ministerie. De Ministerraad verwijst ten slotte naar het arrest nr. 116/98 van het Hof. Hij leidt daaruit af dat de in het geding zijnde bepaling redelijkerwijze niet kan worden geacht de rechten van de burgerlijke partij op onevenredige wijze te beperken. De burgerlijke partij en de beklaagde of inverdenkinggestelde dienen, als verschillende bij een strafzaak betrokken partijen, in het kader van de modaliteiten met betrekking tot de kennisgeving van hun cassatieberoep aan degene tegen wie het is gericht, mede gelet op de onderscheiden 4 belangen die zij behartigen, immers niet op dezelfde voet te worden behandeld aangezien de burgerlijke partij, in tegenstelling tot de beklaagde, met haar vordering een veroordeling van de beklaagde nastreeft. A.
  3. K. en V. Heyde voeren in hun memorie van antwoord aan dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van toepassing is zodra subjectieve rechten in het geding zijn en dat die bepaling dus ook betrekking heeft op de burgerlijke vordering die uit een misdrijf voortvloeit. Zij zien trouwens niet in waarom de opheffing van de verplichting om over te gaan tot betekening zou moeten leiden tot een onherstelbare aantasting van het recht van verdediging van een beklaagde of inverdenkinggestelde. Nog veel minder zien zij in waarom het gebrek aan betekening of een nietige betekening zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de voorziening, terwijl de voorziening van de beklaagde of inverdenkinggestelde nooit om die reden niet-ontvankelijk kan zijn. Bovendien werd in de zaak die aanleiding gaf tot de prejudiciële vraag een voorziening in cassatie ingesteld tegen een beslissing tot buitenvervolgingstelling. In dat geval oefent de burgerlijke partij de strafvordering uit. Het arrest nr. 116/98, zo preciseren K. en V. Heyde, had betrekking op de verplichting een beroep te doen op een advocaat bij het Hof van Cassatie. In dat geval was de voorziening in cassatie die door de burgerlijke partij werd ingesteld, beperkt tot de burgerlijke vordering, terwijl de voorziening van de beklaagde ook betrekking had op de strafvordering. De overwegingen van het voormelde arrest kennen derhalve geen toepassing wanneer een burgerlijke partij een voorziening in cassatie instelt tegen een beslissing tot buitenvervolgingstelling, aangezien zij op dat ogenblik de strafvordering uitoefent. De draagwijdte en de gevolgen van de voorziening zijn in dat geval niet verschillend. Ten slotte wijzen K. en V. Heyde erop dat de verplichting om een beroep te doen op een advocaat bij het Hof van Cassatie, zoals die destijds bestond, een specifiek doel diende, namelijk het verhinderen van roekeloze cassatievoorzieningen, terwijl de verplichting tot betekening niet meer is dan een achterhaald overblijfsel uit vroegere tijden. -B- B.
  4. Cassatieberoep in strafzaken wordt luidens artikel 417 van het Wetboek van Strafvordering gedaan door een verklaring, waarvan akte wordt opgemaakt, op de griffie van het gerecht dat de bestreden uitspraak deed. Die verklaring, die moet worden gedaan binnen vijftien vrije dagen na de uitspraak (artikel 373 van het Wetboek van Strafvordering), moet nauwkeurig aangeven tegen welke beslissing men zich voorziet. De verklaring wordt ingeschreven in een register, dat openbaar is. Eenieder heeft het recht zich uittreksels daaruit te doen afgeven. B.
  5. Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt : « Wanneer het beroep in cassatie tegen een arrest of een vonnis in laatste aanleg gewezen in criminele, correctionele of politiezaken, ingesteld wordt, hetzij door de burgerlijke partij, indien er een is, hetzij door het openbaar ministerie, wordt dit beroep niet alleen ingeschreven zoals bepaald in het vorige artikel, maar tevens binnen een termijn van drie dagen betekend aan de partij tegen wie het gericht is. » 5 B.
  6. Cassatiemiddelen kunnen worden aangevoerd door het indienen van een verzoekschrift op de griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, binnen vijftien dagen volgend op de voormelde verklaring (artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering). Wie de gelegenheid laat voorbijgaan om een verzoekschrift neer te leggen op de griffie van de rechtbank die, of het hof dat, de bestreden beslissing heeft gewezen, krijgt een tweede kans om zijn middelen ter kennis te brengen, namelijk door een memorie in te dienen op de griffie van het Hof van Cassatie, uiterlijk twee maanden sedert de dag waarop de zaak op de algemene rol van het Hof is ingeschreven (artikel 420bis, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering) en, mocht die termijn nog lopen, ten minste acht dagen vóór de terechtzitting (artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering). B.
  7. Het Hof dient te onderzoeken of artikel 418 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het cassatieberoep van een burgerlijke partij onontvankelijk kan worden verklaard wegens niet-naleving van het in artikel 418 vervatte vormvoorschrift, terwijl de beklaagde of inverdenkinggestelde die een cassatieberoep instelt niet aan een soortgelijke ontvankelijkheidsvoorwaarde is onderworpen. B.
  8. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waardoor een partij in de mogelijkheid wordt gesteld om, wegens schending van de wet of wegens verzuim van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de vernietiging te vragen van een beslissing gewezen in laatste aanleg. Het recht op een eerlijk proces, meer bepaald het beginsel van gelijkheid van wapens, houdt in dat de wetgever, wanneer hij in de mogelijkheid van aanwending van buitengewone rechtsmiddelen voorziet, bij de nadere uitwerking ervan het gelijkheidsbeginsel moet respecteren. Het gelijkheidsbeginsel impliceert evenwel niet dat de wetgever bij het bepalen van de modaliteiten de verschillende bij een strafzaak betrokken partijen, mede gelet op de onderscheiden belangen die zij behartigen, op dezelfde voet moet behandelen. Er is enkel vereist dat die modaliteiten niet leiden tot een discriminerende beperking van de bij de wet aan de partijen toegekende mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen. 6 B.
  9. De regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen zijn gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. De rechtscolleges dienen evenwel erover te waken dat die regels niet op een buitensporig formalistische wijze worden toegepast (cf. Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 20 april 2004, Bulena t/ Tsjechische Republiek, §§ 28, 30 en 35). B.
  10. Het vormvoorschrift van de betekening, vervat in artikel 418 van het Wetboek van Strafvordering, is voor het Hof van Cassatie een ontvankelijkheidsvoorwaarde, die ambtshalve wordt onderzocht en waarvan het bewijs van naleving binnen de termijn bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafvordering moet worden neergelegd. De betekening strekt ertoe het cassatieberoep ter kennis te brengen van de partij tegen wie het is gericht, teneinde die partij toe te staan haar verdediging voor te bereiden. Weliswaar zou die kennisgeving ook op andere wijzen kunnen geschieden, maar wanneer de wetgever in de betekening van het cassatieberoep voorziet, vermag hij niet, zonder objectieve en redelijke verantwoording, bepaalde partijen de waarborg van dat vormvoorschrift te ontzeggen. Het beginsel van de wapengelijkheid houdt immers de verplichting in om aan elke partij de mogelijkheid te bieden om haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet kennelijk benadelen ten aanzien van de tegenpartij. B.
  11. Ongetwijfeld zijn de mogelijke gevolgen van een cassatieberoep dat tegen een verdachte of inverdenkinggestelde is gericht van een andere aard dan die van een cassatieberoep dat tegen een burgerlijke partij is gericht en behartigen de verschillende partijen verschillende belangen, maar zulks staat niet eraan in de weg dat de rechten van de verdediging voor alle partijen op dezelfde wijze behoren te gelden. Het verschil in behandeling inzake kennisgeving aan de burgerlijke partij, enerzijds, en de verdachte en inverdenkinggestelde, anderzijds, is derhalve niet pertinent ten aanzien van de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel. B.
  12. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 juni
  13. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.120 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.