← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.122

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.122 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040707.3 Arrest- Rolnummer: 122-2004;2686 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-20 Raadplegingen: 216 - laatst gezien 2026-07-04 00:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het kanton Hoei II - Hannuit. Tekst van de beslissing Rolnummer 2686 Arrest nr. 122/2004 van 7 juli 2004 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het kanton Hoei II - Hannuit. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 21 januari 2003 in zake M.-R. Damsin tegen J.-L. Maquigny, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 april 2003, heeft de vrederechter van het kanton Hoei II - Hannuit de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek, betreffende de vordering, door een van de ouders, ten aanzien van de andere ouder, van diens bijdrage in de kosten die voortvloeien uit artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het niet alleen van kracht was op het ogenblik dat het vonnis van 29 april 1983 door de heer Vrederechter van deze Rechtbank werd gewezen, maar ook zoals het thans van kracht is, de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet, in zoverre het niet erin voorzag - en nog altijd niet erin voorziet - dat de onderhoudsbijdrage waartoe de ouder aan wie het hoederecht niet werd toegekend, zou zijn veroordeeld, jaarlijks en van rechtswege geïndexeerd wordt volgens de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, terwijl in de gevallen waar de rechtbank van eerste aanleg aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen een uitkering toekent, artikel 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het van kracht was op het ogenblik dat de heer Vrederechter van deze Rechtbank zijn beslissing heeft uitgesproken (29 april 1983), en dat sindsdien niet werd gewijzigd, voorschrijft dat dit van rechtswege gebeurt ? » Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - M.-R. Damsin, wonende te 5000 Namen, boulevard du Nord 43; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 16 juni 2004 : - zijn verschenen : . Mr. N. Gendrin, advocaat bij de balie te Namen, voor M.-R. Damsin; . Mr. J.-M. Dethy, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Peeters, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M.-R. Damsin, uit de echt gescheiden van J.-L. Maquigny, van wie zij twee kinderen heeft, heeft langs gerechtelijke weg, ten laste van de tweede genoemde, een onderhoudsbijdrage ten gunste van de kinderen verkregen, waarbij evenwel niet is voorzien in de indexering van die bijdrage. Aangezien J.-L. Maquigny is toegelaten tot de procedure van de collectieve schuldenregeling, vordert M.-R. Damsin, in de door haar neergelegde aangifte van schuldvordering, de indexering van de onderhoudsbijdragen, indexering die de schuldenaar ervan evenwel betwist. Na te hebben gewezen op het verschil in behandeling dat ter zake zou bestaan, naargelang het gaat om onderhoudsbijdragen of onderhoudsuitkeringen, stelt de verwijzende rechter de hiervoor geformuleerde vraag. III. In rechte -A- Memorie van M.-R. Damsin A.

  1. Na te hebben herinnerd aan de prejudiciële vraag, de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten en de in het geding zijnde bepalingen becommentarieert die partij, met verwijzing naar de rechtsleer, het onderwerp van artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek en onderstreept daarbij dat de indexering van de onderhoudsbijdragen, indien die niet is aangevraagd, niet motu proprio door de rechter kan worden toegekend. Hieruit zou een indirect verschil in behandeling ontstaan onder de ouders die over het hoederecht beschikken, naargelang zij al dan niet eraan denken de indexering van de onderhoudsbijdragen aan de rechter te vragen, verschil in behandeling dat in de memorie discriminerend wordt geacht. M.-R. Damsin wijst vervolgens erop dat artikel 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek voorziet in de indexering van rechtswege van de onderhoudsuitkeringen en die derhalve, zoals het Hof van Cassatie dat heeft bevestigd, onttrekt aan het beschikkingsbeginsel; de ratio legis van die maatregel bestaat erin te voorkomen dat die uitkeringen, als gevolg van de stijging van de prijzen, hun nut verliezen, terwijl zij tot doel hebben de begunstigde echtgenoot levensomstandigheden te waarborgen die gelijkwaardig zijn als die welke hij tijdens het samenleven genoot. Aangezien de bijdragen, evenals de onderhoudsuitkeringen, ertoe strekken aan de begunstigden ervan « een materiële steun te bieden die aan het indexcijfer van de consumptieprijzen moet worden aangepast, waarbij die steun anders in de toekomst volkomen ondoelmatig en nutteloos zou worden », kan niet redelijk worden verantwoord dat de eerstgenoemde van rechtswege worden geïndexeerd en de laatstgenoemde niet. Memorie van de Ministerraad A.2.
  2. In hoofdorde is de Ministerraad van mening dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, aangezien de rechter niet op duidelijke en nauwkeurige wijze aangeeft welke categorieën van personen met elkaar zouden moeten worden vergeleken, waarbij hij zich immers ertoe beperkt twee bepalingen van het Burgerlijk Wetboek tegenover elkaar te plaatsen. A.2.
  3. In ondergeschikte orde is diezelfde partij van mening dat de schuldeisers van een onderhoudsbijdrage toegekend op grond van de artikelen 203bis van het Burgerlijk Wetboek geen categorie zouden vormen die vergelijkbaar is met die van de schuldeisers van een onderhoudsuitkering toegekend op grond van artikel 301 van hetzelfde Wetboek. Volgens de memorie zou de onderhoudsverplichting immers « volkomen » verschillend zijn. Enerzijds, zouden de oorzaken ervan verschillend zijn, aldus de Ministerraad. De onderhoudsverplichting onder echtgenoten vloeit voort uit de verplichting om hulp en bijstand te verlenen die de wet aan beide echtgenoten oplegt, verplichting waarvan de gevolgen na het huwelijk blijven bestaan. De onderhoudsbijdrage waarin artikel 203 4 voorziet, houdt in dat de ouders aan hun kinderen levensonderhoud, opvoeding en een passende opleiding verschuldigd zijn. Anderzijds, zou ook de aard van die uitkeringen verschillend zijn. De onderhoudsuitkering is van vergoedende aard : zij strekt ertoe de schade veroorzaakt door het verbreken van de huwelijksband te herstellen. De bijdrage in de kosten voor het onderhoud van de kinderen zou daarentegen slechts een toepassing van de in artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde verplichting zijn. A.2.
  4. In « uiterst » ondergeschikte orde acht de Ministerraad het in het geding zijnde verschil in behandeling verantwoord. Enerzijds, berust het op een objectief criterium. Anderzijds, is het niet onevenredig, aangezien de schuldeiser de rechter altijd kan vragen te voorzien in de indexering van de onderhoudsbijdrage, waarbij artikel 203bis bijgevolg alleen de oplettendheid van de schuldeiser vereist. Memorie van antwoord van M.-R. Damsin A.3.
  5. Die partij betwist in de eerste plaats dat de verwijzende rechter de met elkaar te vergelijken categorieën niet heeft geïdentificeerd. Zowel uit het beschikkend gedeelte als uit de motieven (p. 2) van het vonnis blijkt op onbetwistbare wijze dat de situatie van de ouder aan wie het hoederecht van een kind is toegewezen, wordt vergeleken met die van de echtgenoot aan wie na een echtscheiding een onderhoudsuitkering is toegekend. A.3.
  6. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, zouden beide categorieën overigens volkomen vergelijkbaar zijn. Ten eerste door het belang dat de indexering voor beiden inhoudt, indexering die het mogelijk maakt de gecombineerde gevolgen van de prijsstijging en van het tijdsverloop voor hun schuldvorderingen te voorkomen. Vervolgens door het feit dat in beide gevallen met de economische situatie van de betrokken partijen rekening wordt gehouden. A.3.
  7. Ten slotte, wat de stelling van de Ministerraad in uiterst ondergeschikte orde betreft, antwoordt M.-R. Damsin dat het criterium van onderscheid, zelfs in de veronderstelling dat het objectief is, echter niet redelijk is. Terwijl de bijdrage op grond van artikel 203bis - in tegenstelling tot de uitkering onder echtgenoten - van openbare orde is - er kan bijgevolg geen afstand van worden gedaan - en niet afhangt van een rechtsvordering, is zij niet van rechtswege geïndexeerd, terwijl de uitkering na een echtscheiding dat wel is. Het feit dat de indexering kan worden aangevraagd, volstaat niet om het in het geding zijnde verschil in behandeling evenredig te maken, waarbij de magistraat in de indexering moet kunnen voorzien, ook al is die niet aangevraagd. Memorie van antwoord van de Ministerraad A.
  8. In die memorie is de Ministerraad van mening dat het door de andere partij aangevoerde (A.1, eerste alinea, in fine) indirecte verschil in behandeling onder ouders die over het hoederecht beschikken, naargelang zij al dan niet eraan denken de indexering van de bijdrage te vorderen, niet voortvloeit uit de wet, maar uit de houding zelf van de schuldeisers of hun raadslieden; het zou derhalve niet relevant zijn ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. -B- De in het geding zijnde bepaling B.
  9. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt : 5 « Onverminderd de rechten van het kind kan elk van de ouders van de andere ouder diens bijdrage vorderen in de kosten die voortvloeien uit artikel 203, §
  10. » Artikel 203, § 1, van hetzelfde Wetboek, bepaalt : « De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind. » Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag betreft B.2.
  11. In hoofdorde werpt de Ministerraad een exceptie van onontvankelijkheid op die is afgeleid uit het feit dat de verwijzende rechter niet voldoende precies zou aangeven welke categorieën van personen te dezen moeten worden vergeleken. B.2.
  12. De aan het Hof toevertrouwde toetsing van wetskrachtige normen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereist dat een welbepaalde categorie van personen ten aanzien van wie een mogelijke discriminatie wordt aangevoerd, het voorwerp uitmaakt van een pertinente vergelijking met een andere categorie. Uit zowel de prejudiciële vraag als de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt duidelijk dat de verwijzende rechter de situatie van de ouders die een bijdrage verkrijgen in de kosten bedoeld in artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek en die van de echtgenoten die na een echtscheiding een onderhoudsuitkering genieten op grond van artikel 301 van hetzelfde Wetboek, met elkaar vergelijkt. B.2.
  13. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.
  14. Het verschil in behandeling dat het Hof ter beoordeling wordt voorgelegd, is het verschil dat wordt gemaakt, op het gebied van indexering van de bedragen die hun door de 6 rechter worden toegekend, tussen de verkrijger van een bijdrage in de kosten van onderhoud en opvoeding van een kind en diegene die na een echtscheiding een onderhoudsuitkering geniet. In tegenstelling tot de eerste categorie, geniet de tweede immers, krachtens artikel 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, van rechtswege het voordeel van automatische indexering van de uitkering die de rechter haar toekent. B.4.
  15. Volgens de stelling die de Ministerraad subsidiair aanvoert, zouden de twee door de verwijzende rechter vergeleken categorieën echter niet vergelijkbaar zijn omdat de vergeleken bijdrage en uitkering verschillen, zowel wat de juridische grond ervan betreft als de aard ervan. B.4.
  16. Artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek werd ingevoegd bij artikel 33 van de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming (Belgisch Staatsblad, 27 mei 1987). In de parlementaire voorbereiding werd die bepaling als volgt verantwoord : « Wanneer de ouders gehuwd zijn, kan elk van hen die bijdrage van de andere vorderen op grond van artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek; het onderhoud en de opvoeding van de kinderen zijn lasten van het huwelijk. Bij echtscheiding vindt de schuldvordering van de gewezen echtgenoot aan wie de kinderen worden toevertrouwd, haar grondslag in artikel 303 van het Burgerlijk Wetboek. Er bestaat daarentegen geen regeling voor de toestand van ouders die nooit gehuwd geweest zijn. Zij kunnen natuurlijk wél handelen in naam van het kind, maar welk recht bezit het kind bijvoorbeeld tegenover zijn vader voor zijn behoeften in het verleden, indien zijn moeder daarin heeft voorzien : is zijn schuldvordering niet teniet gegaan door de betaling ontvangen van zijn moeder (cf. Cass., 7 februari 1963, Pas., 1963, I, 647) ? De moeder moet dus in zijn naam een vordering kunnen instellen. » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904/2, p. 34) B.4.
  17. Artikel 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek betreft de aanpassing van rechtswege aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, van een door de rechtbank krachtens paragraaf 1 van dat artikel toegekende uitkering aan de echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen, lastens de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot. 7 B.4.
  18. De twee categorieën die de verwijzende rechter met elkaar vergelijkt, zijn evenwel niet vergelijkbaar, vermits het stelsel van de bijdrage waarin artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek voorziet verschillend is van dat van de uitkering waarin artikel 301, § 1, van het Burgerlijk Wetboek voorziet. De bijdrage bedoeld in artikel 203bis is vermeld in boek I, titel V, hoofdstuk V, van het Burgerlijk Wetboek, dat de verplichtingen die uit het huwelijk of de afstamming ontstaan regelt, terwijl de uitkering bedoeld in artikel 301, § 1, is ingeschreven in boek I, titel VI, hoofdstuk IV, van het Burgerlijk Wetboek, dat de gevolgen van de echtscheiding beschrijft. B.
  19. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 juli
  20. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.122 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.