← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.123

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.123 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040707.1 Arrest- Rolnummer: 1232004;2750 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-08-06 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-07-03 23:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt artikel 121 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 115 tot 134 van de programmawet (I) van 24 december 2002, ingesteld door het " Verbond M.R.B. - Verbond van Mutualiteiten, Ziekteverzekering, Alle risico's in België " en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummer 2750 Arrest nr. 123/2004 van 7 juli 2004 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 115 tot 134 van de programmawet (I) van 24 december 2002, ingesteld door het « Verbond M.R.B. - Verbond van Mutualiteiten, Ziekteverzekering, Alle risico’s in België » en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter R. Henneuse, waarnemend voorzitter, en voorzitter A. Arts, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van rechter R. Henneuse, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 juli 2003, hebben het « Verbond M.R.B. - Verbond van Mutualiteiten, Ziekteverzekering, Alle risico’s in België », met maatschappelijke zetel te 1210 Brussel, Sint-Lazaruslaan 2, de v.z.w. Association des Supérieurs Majeurs de Belgique, met maatschappelijke zetel te 1030 Brussel, Vooruitgangstraat 333, en M.-J. Henricot, M. de Waerseghers, H. Florent en A. Habaru, wonende te 5020 Namen, place du Couvent 3, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 115 tot 134 van de programmawet (I) van 24 december 2002 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002). Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad; - de v.z.w. Vereniging der Hogere Oversten van België (V.H.O.B.), waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1030 Brussel, Vooruitgangstraat 333, C. Jammaers, M. Simons, M.R. Steurs, wonende te 3001 Heverlee, Naamsesteenweg 355, en F. Belderbos, L. Mertens en A. Van Avondt, wonende te 3040 Huldenberg, Stroobantsstraat 79. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad en de v.z.w. Vereniging der Hogere Oversten van België (V.H.O.B.) hebben ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 31 maart 2004 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 5 mei 2004 :

  1. a)na de vierde, vijfde en zesde verzoekende partij te hebben verzocht aan te geven of zij een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genieten,
  2. b)na de partijen te hebben verzocht aan te geven welke weerslag de toepassing van artikel 23 van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden concreet kan hebben op het bedrag van die tegemoetkoming, in een aanvullende memorie in te dienen tegen uiterlijk 27 april 2004, waarvan zij binnen dezelfde termijn een afschrift aan de andere partijen doen toekomen. De Ministerraad en de verzoekende partijen hebben aanvullende memories ingediend. Op de openbare terechtzitting van 5 mei 2004 : - zijn verschenen : . Me L. Cambier en Me D. Renders, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. F. Peels loco Mr. E. Claes, advocaten bij de balie te Brussel, voor de v.z.w. Vereniging der Hogere Oversten van België (V.H.O.B.) en anderen; 3 . Mr. K. Ronse, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. L. Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Wat het belang van de verzoekende partijen betreft A.1.1. De eerste verzoekende partij, het « Verbond M.R.B. - Verbond van Mutualiteiten, Ziekteverzekering, Alle risico’s in België », is een verbond van ziekenfondsen voor religieuzen en missionarissen in België. Artikel 2 van haar statuten bepaalt dat zij haar leden de nodige hulp, voorlichting, begeleiding en bijstand moet verlenen. De meeste van haar leden zouden door de bestreden bepalingen worden geraakt aangezien zij religieuzen of missionarissen zijn die binnen een gemeenschap samenwonen. A.1.2. De Ministerraad betwist het belang van de eerste verzoekende partij om in rechte te treden. Dat belang zou niet voldoende zijn aangetoond en zou zich beperken tot de individuele belangen van haar leden. A.1.3. De eerste verzoekende partij antwoordt dat zij in haar hoedanigheid van verbond van ziekenfondsen een collectief belang heeft bij de vernietiging van wetsbepalingen die de vergoedingsregeling van een groep van haar leden wijzigen. Door de weigering of het verlies van de tegemoetkoming waartoe die bepalingen kunnen leiden, zou de persoon met een handicap aanzienlijke bestaansmiddelen verliezen, waardoor de toegang die hij heeft tot de gezondheidszorg dreigt weg te vallen en waardoor hij verplicht wordt op een mensonwaardige wijze te leven, hetgeen een ziekenfonds zou moeten tegengaan. A.2.1. De tweede verzoekende partij, de « Association des Supérieurs Majeurs de Belgique » (A.S.M.B.), voert op grond van artikel 2 van haar statuten aan dat zij belang heeft bij het beroep omdat de bestreden bepalingen de belangen schenden van de leden van de religieuze gemeenschappen waarvan zij de ontwikkeling en de goede werking moet waarborgen. A.2.2. Volgens de Ministerraad zou het oorzakelijk verband tussen de aangevochten bepalingen en de nadelen waarvan de tweede verzoekende partij gewag maakt, niet voldoende precies zijn, noch voldoende rechtstreeks om het vereiste belang te gronden. A.2.3. De tweede verzoekende partij antwoordt dat een van haar doelstellingen erin bestaat haar leden materiële bijstand te verlenen om de religieuze instellingen en apostolische leefgemeenschappen waartoe haar leden behoren, te ontwikkelen, te bevorderen en in stand te houden. Door de bestreden bepalingen zouden echter de financiële middelen die de vereniging hun expliciet wil waarborgen, verminderen. A.3.1. De andere verzoekende partijen zijn religieuzen die lid zijn van de religieuze gemeenschap van de « Sœurs de la Providence ». Met uitzondering van de derde verzoekster, die geen tegemoetkoming voor gehandicapten trekt, wonen zij samen in het klooster van hun congregatie en vinden dat zij benadeeld worden door 4 de in het geding zijnde bepalingen omdat de tegemoetkoming voor gehandicapten die zij krijgen of op korte termijn zouden moeten krijgen, dreigt te vervallen, hetzij onmiddellijk, hetzij in geval van herziening van hun handicap. A.3.2. De Ministerraad doet gelden dat de derde verzoekende partij geen belang heeft bij de vernietiging omdat zij lid is van een religieuze gemeenschap van zusters die een uitkering trekken, terwijl zij er zelf geen ontvangt. De vierde, vijfde en zesde verzoekster zouden evenmin belang hebben bij de vernietiging van de in het geding zijnde bepalingen omdat zij ouder zijn dan 65 jaar. De aangevochten bepalingen hebben echter betrekking op inkomensvervangende tegemoetkomingen of integratietegemoetkomingen die worden toegekend aan personen met een handicap die, op het ogenblik van de indiening van hun aanvraag, minstens 21 jaar zijn en jonger dan 65 jaar. A.3.3. Er wordt geantwoord dat het belang van de derde verzoekster zou voortvloeien uit het feit dat de in het geding zijnde bepalingen voor de religieuze gemeenschappen de mogelijkheden tot het verkrijgen van de betrokken tegemoetkomingen doen afnemen. Wat de andere verzoeksters betreft, in het geval dat zij uitsluitend aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, zijn de artikelen 121 en 134 van de bestreden wet van toepassing op alle tegemoetkomingen voor gehandicapten, ongeacht of het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Wat het belang van de tussenkomende partijen betreft A.4.1. De eerste tussenkomende partij, de v.z.w. Vereniging der Hogere Oversten van België (V.H.O.B.), is een vereniging van mannelijke religieuzen die deel uitmaken van gemeenschappen die in Vlaanderen of Brussel gevestigd zijn. De bestreden bepalingen zouden rechtstreeks afbreuk doen aan de belangen van de leden van de religieuze gemeenschappen waarvan de vereniging de ontwikkeling en het welzijn verdedigt. A.4.2. De tweede, de derde en de vierde tussenkomende partij zijn lid van een religieuze gemeenschap uit Heverlee en genieten ieder een tegemoetkoming voor gehandicapten; zij zijn van mening dat zij benadeeld zijn door de bepalingen die zij aanvechten omdat zij hierdoor die tegemoetkoming dreigen te verliezen, hetzij onmiddellijk, hetzij naar aanleiding van een herzieningsprocedure. A.4.3. De vijfde, de zesde en de zevende tussenkomende partij zijn lid van een religieuze gemeenschap uit Huldenberg en genieten eveneens een tegemoetkoming voor gehandicapten. Ten gronde A.5.1. Zowel de verzoekende partijen als de tussenkomende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 121 van de bestreden wet, doordat deze breekt met de traditionele opvatting over het huishouden door hiermee elke vorm van samenwoning gelijk te stellen, wat onevenredig zou zijn in het licht van de doelstellingen van de wetgever. De kritiek op de voormelde bepaling is gericht op het uitgangspunt ervan, namelijk dat de religieuze gemeenschappen en lekengemeenschappen geen « gewone economische huishoudens » zijn. Daardoor zou het onmogelijk zijn een tegemoetkoming voor gehandicapten te verkrijgen, omdat de inkomsten van het « huishouden » het bedrag van de tegemoetkoming overschrijden wanneer de gemeenschap uit meer dan twee personen bestaat. De verzoekende en tussenkomende partijen merken op dat, indien de inkomsten van het huishouden vergeleken zouden worden met de tegemoetkoming voor gehandicapten door de financiële inkomsten te delen door het aantal personen die dezelfde hoofdverblijfplaats delen, met inbegrip van de betrokkene - wat overigens is opgenomen in de wetgeving tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden -, de aangeklaagde verschillen in behandeling niet zouden bestaan. 5 De in het geding zijnde bepaling wordt eveneens verweten dat zij de artikelen 19 en 26 van de Grondwet schendt doordat de religieuze gemeenschappen en lekengemeenschappen de facto gedwongen worden zich niet te verenigen en/of niet te leven volgens de regels van hun ideologie. A.5.2. De Ministerraad merkt op dat, ook al wordt de vernietiging van de artikelen 115 tot 134 van de wet gevorderd, de middelen uitsluitend betrekking hebben op de artikelen 121 en 134, zodat het Hof zijn onderzoek tot die twee bepalingen zou moeten beperken. De Ministerraad herinnert vervolgens aan de tweevoudige doelstelling die door de wetgever werd nagestreefd met de goedkeuring van de bestreden bepalingen : enerzijds, een einde maken aan bepaalde discriminaties ten opzichte van bepaalde vormen van samenwonen, meer bepaald het samenwonen van personen van hetzelfde geslacht en, anderzijds, rekening houden met de reële financiële draagkracht van de persoon met een handicap. Hij wijst eveneens nadrukkelijk op het feit dat bij de in het geding zijnde bepaling een systeem van weerlegbaar vermoeden wordt ingevoerd. De aangeklaagde verschillende behandeling zal dus het gevolg zijn van de interpretatie die zal worden gegeven aan de concrete situatie van de persoon met een handicap, en niet van de in het geding zijnde bepaling op zich. Subsidiair voert de Ministerraad aan dat het doorgevoerde stelsel geen enkel verschil in behandeling met zich meebrengt tussen de verschillende types van huishoudens aangezien dat systeem de huishoudens de mogelijkheid geeft tot aftrek en vrijstellingen wat de inkomsten betreft, rekening houdend met het feit dat die inkomsten uitsluitend belastbare inkomsten zijn. Het middel zou feitelijke grondslag missen omdat het bekritiseerde stelsel geen enkel verschil in behandeling tussen de gewone huishoudens en de andere huishoudens met zich zou meebrengen. Voor het overige is de Ministerraad van mening dat het doorgevoerde stelsel, indien het toch zou leiden tot verschillen in behandeling, niet als onevenredig zou kunnen worden beschouwd. Wat er ook gebeurt, de persoon met een handicap kan immers steeds het voordeel genieten van andere bijstandsregelingen, zoals het bestaansminimum of het gewaarborgd inkomen voor bejaarden. Hij voegt er nog aan toe dat het leven binnen een gemeenschap een keuze is die geen voorrang mag hebben op het belang van de gemeenschap of de ontwikkelingen binnen de maatschappij. A.5.3. Volgens de verzoekende partijen komen de betrokken personen, door het feit dat de wetgever hun de mogelijkheid biedt aan te tonen dat zijn geen « echt » huishouden vormen in de zin van de bestreden wet — zodat de inkomsten niet globaal worden opgeteld — in de grootst mogelijke rechtsonzekerheid terecht. Het zou dus aangewezen zijn dat de wetgever uitdrukkelijk optreedt om de religieuze gemeenschappen en lekengemeenschappen uit het toepassingsgebied van de wet uit te sluiten. Het feit dat de situatie via uitvoeringsbesluiten op beperkte wijze wordt gecorrigeerd, zou niets afdoen aan die vaststelling. Bovendien zou het argument dat de persoon met een handicap steeds nog gebruik kan maken van andere solidariteitsmechanismen des te meer de ongrondwettigheid van de bestreden bepalingen aantonen aangezien op grond van die bepalingen de tegemoetkoming voor gehandicapten niet zou worden toegekend aan al diegenen die werkelijk behoeftig zijn. A.6.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 121 van de bestreden wet doordat deze tot gevolg heeft dat hetzij de tegemoetkoming voor gehandicapten kan worden gecumuleerd met de inkomsten van het huishouden indien deze minder bedragen dan die tegemoetkoming, hetzij de tegemoetkoming niet kan worden verkregen indien het bedrag van de inkomsten van het huishouden hoger is dan de tegemoetkoming. De kritiek op dezelfde bepaling is eveneens gericht op het feit dat zij de toekenning van een integratietegemoetkoming laat afhangen van het inkomensniveau van het huishouden, terwijl die tegemoetkoming beantwoordt aan vaste kosten, ongeacht het huishouden waarvan de gehandicapte persoon deel uitmaakt. 6 A.6.2. De Ministerraad merkt in de eerste plaats op dat de gewijzigde bepaling op zich geen enkel onderscheid creëert omdat zij algemeen van toepassing is. De drempel die bij die bepaling is vastgesteld, zou bovendien in geen enkel opzicht onredelijk zijn. Hij verwijst naar de bepalingen die zijn ingevoerd bij het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming om het bedrag te bepalen van het inkomen van het huishouden waarnaar het in het geding zijnde artikel 121 verwijst. A.6.3. In hun memorie van antwoord geven de verzoekende partijen aan dat het niet erom gaat een wetswijziging te bekritiseren, maar twee categorieën van personen met elkaar te vergelijken, namelijk diegenen die de in het geding zijnde tegemoetkoming met hun inkomsten kunnen cumuleren en de personen die dat niet kunnen doen, zonder dat een evenredigheidsregel op hen wordt toegepast. Wat het koninklijk besluit betreft waarnaar de Ministerraad verwijst, wordt aangevoerd dat dit geenszins van dien aard is dat a posteriori een evenredigheidsregel wordt ingevoerd, maar alleen dat de drempel waarboven of waaronder het inkomen van het huishouden uiteindelijk zal liggen, wordt verlaagd. A.7.1. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet doordat artikel 134 van de bestreden wet niet voorziet in overgangsbepalingen voor de personen met een handicap die onder de vroegere wetgeving een tegemoetkoming genoten. Artikel 23 van de Grondwet zou echter in een standstill-verplichting voorzien op grond waarvan het recht op tegemoetkomingen voor personen die tot dan toe dat recht hebben genoten, niet mag worden afgeschaft. A.7.2. De Ministerraad doet gelden dat dit middel onontvankelijk is in zoverre de verzoekende partijen niet zouden preciseren met welke categorie van personen zij willen worden vergeleken en in welk opzicht zij discriminerend zouden worden behandeld. Subsidiair voert de Ministerraad aan dat het middel feitelijke grondslag mist omdat de persoon met een handicap die zou zijn uitgesloten van de bijstandsregeling van tegemoetkomingen voor personen met een handicap, in ieder geval zijn rechten zou kunnen doen gelden binnen andere bestaande regelingen. A.7.3. In hun memorie van antwoord onderstrepen de verzoekende partijen dat artikel 23 van de Grondwet is aangenomen om de sociale verworvenheden te bestendigen en bijgevolg elke vorm van significante achteruitgang in de bescherming van de bestaande vormen van sociale bijstand, onder andere het recht op tegemoetkomingen voor personen met een handicap, verbiedt. De in het geding zijnde bepalingen zouden echter afbreuk doen aan dat recht. A.8. De tussenkomende partijen voeren een derde middel aan, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat artikel 121, § 3, van de in het geding zijnde wet een heel ruime opvatting impliceert van het begrip « huishouden » waartoe de religieuze gemeenschappen worden gerekend, terwijl de samenwoning van hun leden verschillend is wegens de specifieke finaliteit die rechtstreeks voortvloeit uit de filosofische, religieuze of filantropische doelstellingen van die congregaties of gemeenschappen. De in het geding zijnde bepaling zou hierdoor eveneens afbreuk doen aan artikel 19 van de Grondwet. A.9. Een vierde middel dat de tussenkomende partijen aanvoeren is in dezelfde zin geformuleerd als het derde middel van de verzoekende partijen. A.10. In zijn memorie van wederantwoord stelt de Ministerraad het Hof in kennis van een wetsontwerp dat tot doel zou hebben het begrip « huishouden » te wijzigen zodat het beroep van de verzoekende partijen geen voorwerp meer zou hebben, in zoverre zij op basis van de nieuwe wet niet meer onder dat begrip zouden kunnen vallen. 7 -B- Wat het belang van de verzoekende partijen betreft B.1.1. De eerste verzoekende partij, het « Verbond M.R.B. – Verbond van Mutualiteiten, Ziekteverzekering, Alle risico’s in België », is een verbond van ziekenfondsen voor Belgische religieuzen en missionarissen. De tweede verzoekende partij, de « Association des Supérieurs Majeurs de Belgique », is een vereniging zonder winstoogmerk van mannelijke religieuzen die leven in een religieuze gemeenschap in Wallonië of Brussel. B.1.2. Volgens de Ministerraad zouden de bestreden bepalingen geen rechtstreekse weerslag hebben op de situatie van de leden van de eerste verzoekende partij. Bovendien zou het collectieve belang waarop zij zich beroept, beperkt zijn tot de individuele belangen van haar leden. De Ministerraad voert eveneens aan dat het belang van de tweede verzoekende partij niet voldoende duidelijk zou zijn, noch voldoende rechtstreeks om het vereiste belang te vormen. B.1.3. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk zich op een collectief belang beroept, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat het collectief belang niet tot de individuele belangen van de leden is beperkt; dat het maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat het maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.1.4.1. Volgens artikel 2 van zijn statuten heeft het « Verbond M.R.B. - Verbond van Mutualiteiten, Ziekteverzekering, Alle risico’s in België » onder meer tot taak in te staan voor de terugbetaling van de geneeskundige verstrekkingen aan zijn leden of de personen te hunnen laste, en de nodige hulp, voorlichting, begeleiding en bijstand te verlenen bij het vervullen van zijn opdracht. 8 De bestreden bepalingen, die tot doel hebben verschillende bepalingen te wijzigen van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, zijn niet vreemd aan het maatschappelijk doel dat de verzoekende vereniging nastreeft. Door het begrip « huishouden » zo te wijzigen dat de religieuze gemeenschappen waarvan haar leden deel uitmaken onder dat begrip kunnen vallen, heeft de in het geding zijnde wet een rechtstreekse en ongunstige weerslag op de situatie van die laatsten, die dreigen te worden uitgesloten van het voordeel van de tegemoetkoming voor personen met een handicap die zij krachtens de vroegere wet ontvingen. B.1.4.2. De exceptie wordt verworpen. B.1.4.3. Wat de « Association des Supérieurs Majeurs de Belgique » betreft, kan men in artikel 2 van haar statuten lezen dat haar doel bestaat in de studie en het zoeken naar oplossingen met betrekking tot de ontwikkeling en de goede werking van elk van de religieuze instellingen en van de apostolische leefgemeenschappen in het bijzonder, alsook het verlenen van algemene materiële of morele bijstand aan haar leden, met het oog op de oprichting, de ontwikkeling, de bevordering en de instandhouding van hun instellingen en werken, zowel in België als in het buitenland. Bepalingen die betrekking hebben op de financiële situatie van bepaalde leden van de vereniging wegens hun handicap, houden onvoldoende rechtstreeks verband met materiële bijstand – zelfs in de vorm van financiële inkomsten – die bestemd is om religieuze instellingen of apostolische leefgemeenschappen op te richten, te ontwikkelen, te bevorderen of in stand te houden. De tegemoetkomingen aan personen met een handicap die, zoals de verzoekende partijen overigens eraan herinneren, de persoon met een handicap in staat stellen in zijn behoeften aan onder meer medische zorg, die een gevolg zijn van zijn handicap, te voorzien, mogen geenszins worden verward met de middelen die de instellingen en gemeenschappen waarvan personen met een handicap deel uitmaken, nodig hebben voor hun werking en ontwikkeling. B.1.4.4. Het beroep dat is ingesteld door de tweede verzoekende partij is onontvankelijk. 9 B.1.5. De Ministerraad betwist het belang van de derde verzoekster, M.-J. Henricot, om in rechte te treden omdat zij niet gehandicapt is en bijgevolg geen aanspraak maakt op een in de in het geding zijnde wet bedoelde tegemoetkoming. B.1.6.1. Aangezien zij niet gehandicapt is, wordt de derde verzoekster niet rechtstreeks geraakt door de in het geding zijnde bepalingen. B.1.6.2. Het beroep dat is ingesteld door de derde verzoekster is onontvankelijk. B.1.7.1. De Ministerraad betwist eveneens het belang van de vijfde en zesde verzoekende partij om in rechte te treden omdat zij ouder zijn dan 65 jaar en niet langer aanspraak kunnen maken op een inkomensvervangende tegemoetkoming, noch op een integratietegemoetkoming. Wat de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden betreft, bepaalt artikel 23 van het koninklijk besluit van 5 maart 1990, dat betrekking heeft op die tegemoetkoming, dat, indien in een huishouden verscheidene personen recht hebben op een tegemoetkoming, voor ieder van de gerechtigden rekening wordt gehouden met de totaliteit van het inkomen van het huishouden, gedeeld door het aantal personen van wie het inkomen in aanmerking genomen werd voor de berekening van de tegemoetkoming. B.1.7.2. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, kunnen bejaarden die ouder zijn dan 65 jaar een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming blijven trekken. Artikel 2, §§ 1 en 2, van de wet van 27 februari 1987 bepaalt weliswaar dat de persoon met een handicap zijn aanvraag voor een tegemoetkoming moet indienen vóór de leeftijd van 65 jaar, maar artikel 5 van dezelfde wet geeft aan dat het recht op een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming blijft bestaan na de leeftijd van 65 jaar voor zover het zonder onderbreking betaalbaar blijft. B.1.7.3. De exceptie wordt verworpen. 10 Wat de draagwijdte van het beroep betreft B.2. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 115 tot 134 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Uit het ingediende verzoekschrift en uit de uiteenzetting van de middelen blijkt echter dat alleen de artikelen 121 en 134 van die wet in het geding zijn. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen. Ten gronde B.3.1. Bij artikel 121 van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 « betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap » door de volgende bepaling vervangen : « § 1. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de personen met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad wat moet worden verstaan onder ‘ inkomen ’ en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de leden van zijn huishouden, of naargelang de bron van het inkomen. § 2. De persoon met een handicap en de leden van zijn huishouden moeten hun rechten laten gelden op de uitkeringen en vergoedingen waarop ze aanspraak kunnen maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen of op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, of die hun grond vinden in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid, of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid. 11 § 3. Onder ‘ huishouden ’ moet worden verstaan elke samenwoning van personen die een economische entiteit vormen gewoon door het feit dat deze personen de dagelijkse kosten voor hun levensonderhoud hoofdzakelijk gemeenschappelijk dragen. Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer meerdere personen hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd. § 4. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen waarop de aanvrager aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen of op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, of die hun grond vinden in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid, of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten. » B.3.2. Artikel 134 van dezelfde programmawet bepaalde oorspronkelijk : « Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2003, met uitzondering van artikel 128 dat in werking treedt op 1 januari 2003. » Het werd echter vervangen bij artikel 275 van de programmawet van 22 december 2003, dat luidt als volgt : « De artikelen 115, 118, 122, 123, 125, 126, 127, 130, 131, 132 en 133 treden in werking op 1 juli 2003. Het artikel 128 treedt in werking op 1 januari 2003. De artikelen 116, 117, 119, 120, 121, 124 en 129 treden in werking op 1 juli 2004. » B.4. Aangezien geen enkel beroep is ingesteld tegen artikel 275 van de programmawet van 22 december 2003 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2003), is het derde middel zonder voorwerp. 12 B.5. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 121, § 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002 doordat het het begrip « huishouden » definieert als « elke samenwoning van personen die een economische entiteit vormen gewoon door het feit dat deze personen de dagelijkse kosten voor hun levensonderhoud hoofdzakelijk gemeenschappelijk dragen ». De bestreden bepaling zou verder gaan dan de doelstellingen die de wetgever heeft nagestreefd en zou aanleiding geven tot discriminatie door een identieke behandeling van, enerzijds, de gewone huishoudens en, anderzijds, de huishoudens die dat niet zijn, zoals de religieuze gemeenschappen of lekengemeenschappen. B.6.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de aangevochten bepaling blijkt dat de wetgever, door de definitie van het begrip « huishouden » te wijzigen, de criteria en modaliteiten voor toekenning van de tegemoetkomingen aan personen met een handicap nauwer wilde doen aansluiten bij de huidige samenlevingsvormen, door niet alleen rekening te houden met het eigen inkomen van de persoon met een handicap, maar ook met dat van de personen met wie hij een huishouden vormt (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001, pp. 86 tot 88 en 92). Zich ervan bewust dat de administratie onmogelijk elke afzonderlijke feitelijke levenssituatie kon uitpluizen, heeft de wetgever geopteerd voor een systeem van vermoeden van het bestaan van een huishouden wanneer twee of meer personen op hetzelfde adres gedomicilieerd zijn, waarbij echter aan de betrokkene de mogelijkheid wordt gelaten om met alle mogelijke middelen aan te tonen dat de feitelijke toestand afwijkt van de juridische, zoals die blijkt uit het rijksregister (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001, p. 92). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat, ter gelegenheid van een voorstel van amendement, de Minister van Sociale Zaken in de Commissie voor de sociale aangelegenheden heeft verklaard « […] het ten gronde eens te zijn met de indiener van de amendementen. Hij wijst er evenwel op dat de personen die voorheen reeds van het gewaarborgd minimuminkomen konden genieten hun verworven rechten niet verliezen. Dit neemt niet weg dat een oplossing moet worden gevonden voor de kloosterlingen, maar de bespreking van de programmawet lijkt hiervoor niet het juiste ogenblik » (Parl. St., Senaat, 2002-2003, nr. 2-1390/3, p. 63). 13 B.6.2. Door te bepalen dat elke samenwoning van personen die een economische entiteit vormen door het feit dat zij de dagelijkse kosten voor hun levensonderhoud hoofdzakelijk gemeenschappelijk dragen een « huishouden » is, zonder het aantal personen noch de aard van hun samenwoning in aanmerking te nemen, is de wetgever verder gegaan dan het doel dat hij nastreeft. Aangezien hij de definitie van het begrip « huishouden » nauwer wilde doen aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen om andere samenlevingsvormen dan het huwelijk - die een weerslag kunnen hebben op het inkomen van het huishouden - in aanmerking te nemen, kan louter op grond van het criterium van het gemeenschappelijk dragen van dagelijkse kosten onvoldoende onderscheid worden gemaakt tussen die nieuwe samenlevingsvormen en andere vormen van het gemeenschappelijk dragen van de dagelijkse kosten die reeds vóór de goedkeuring van de bestreden wet bestonden en die van het begrip « huishouden » waren uitgesloten. Daaruit volgt dat, in zoverre het tot gevolg heeft dat de religieuze of lekengemeenschappen onder het begrip « huishouden » vallen, het criterium dat de wetgever te dezen heeft aangewend, niet pertinent is in het licht van het doel dat hij wilde nastreven. B.6.3. Het feit dat het vermoeden van het bestaan van een huishouden met alle wettelijke middelen kan worden weerlegd, waarbij de administratie een ruime beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend, doet niets af aan die vaststelling. De ontstentenis van precieze criteria op grond waarvan de samenwoning van personen in de zin die de wetgever daaraan heeft willen geven, kan worden onderscheiden van andere samenlevingsvormen die hij duidelijk niet tot het begrip « huishouden » wilde rekenen, brengt immers voor de personen die het wettelijk vermoeden zouden willen weerleggen een onzekerheid teweeg die onverenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel. B.7. Het middel is gegrond. B.8. Aangezien het tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kan leiden, dient het niet te worden onderzocht. 14 Om die redenen, het Hof vernietigt artikel 121 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 juli 2004. De griffier, De wnd. voorzitter, L. Potoms R. Henneuse PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.123 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.