id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.128 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040707.8 Arrest- Rolnummer: 128-2004;2961 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-21 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-04 00:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 5 van de wet van 1 mei 1913 op het krediet der kleinhandelaars en ambachtslieden en op de interesten wegens vertraagde betaling, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het kanton Mechelen. Tekst van de beslissing Rolnummer 2961 Arrest nr. 128/2004 van 7 juli 2004 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het kanton Mechelen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 24 maart 2004 in zake G. Goossens tegen L. Leemans en M. De Winter, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 29 maart 2004, heeft de vrederechter van het kanton Mechelen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek [betreffende] de verjaring voor de levering door kooplieden wegens de koopwaar die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn, in combinatie met artikel 1-5 van de wet van 1 mei 1913 al dan niet de artikelen 10 en 11 grondwet, doordat zij een dergelijke handelaar die in het begin van het jaar levert bevoordeelt qua aanvangsdatum en duur van de verjaringstermijn ten opzichte van een dergelijke handelaar die op het einde van het jaar levert en die benadeeld kan zijn in verband met de aanvangsdatum en de duur van de verjaring ? Is met andere woorden deze verschillende behandeling redelijk, objectief en proportioneel verantwoord ? » Op 21 april 2004 hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en P. Martens, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil heeft betrekking op de niet-betaling van twee facturen van 9 en 19 november 2001 voor de levering van gasolie door G. Goossens aan L. Leemans en M. De Winter. Op 6 juli 2002 stuurde G. Goossens een gewone herinnering, op 10 juli 2002 een aangetekende. Op 24 oktober heeft hij L. Leemans en M. De Winter gedagvaard. Laatstgenoemden beroepen zich op de verjaring. Alvorens uitspraak te doen, stelt de vrederechter van het kanton Mechelen de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Er werd geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een memorie met verantwoording in te dienen. 3 -B- B.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.