id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.130 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040714.4 Arrest- Rolnummer: 1302004;2749 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-09-07 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-07-04 00:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 tot wijziging van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, ingesteld door de v.z.w. Net Sky en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummer 2749 Arrest nr. 130/2004 van 14 juli 2004 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 tot wijziging van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, ingesteld door de v.z.w. Net Sky en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 juni 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juli 2003, hebben de v.z.w. Net Sky, met maatschappelijke zetel te 4450 Juprelle, rue Joseph Martin 12, A. Bourgeois, wonende te 4470 Saint-Georges-sur-Meuse, rue du Centre 34, en J. Starck, wonende te 4450 Lantin, rue Haut Cornillon 1, beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 tot wijziging van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, derde uitgave). De Waalse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 31 maart 2004 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 5 mei 2004 na de Waalse Regering te hebben verzocht ter terechtzitting te antwoorden op de volgende vraag : « Rekening houdend met het feit dat de Waalse Regering, in haar memorie van wederantwoord, van oordeel is dat de Europese richtlijn 2002/49/EG niet toepasbaar is op de Waalse luchthavens terwijl die richtlijn zowel in de parlementaire voorbereiding als in de memorie van de Waalse Regering wordt aangevoerd als grondslag voor het bestreden decreet : welke draagwijdte verleent de Regering tenslotte aan die richtlijn ten opzichte van het in het geding zijnde decreet ? » Op de openbare terechtzitting van 5 mei 2004 : - zijn verschenen : . Mr. L. Cambier en Mr. R. Born, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. A. Tossens, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. F. Guérenne, advocaat bij de balie te Nijvel, loco Mr. F. Haumont, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A– A.
- Een enig middel is afgeleid uit de schending, door het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 « tot wijziging van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder », van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet. De verzoekende partijen verwijten het aangevochten decreet dat het een aanzienlijke teruggang betekent ten opzichte van de vroegere reglementering. Voortaan kan de Regering immers haar afbakening van de zones niet meer bijstellen op basis van andere criteria dan dat van de geluidshinder. Zij moet zich houden aan de abstracte en theoretische afbakening op basis van de enkele Ldn geluidsindicator. Een dergelijke afbakening leidt, volgens de verzoekende partijen, tot het isoleren of afzonderen van woningen en, bijgevolg, tot het in gevaar brengen van de veiligheid van de omwonenden die in die gebouwen wonen. Die teruggang, zo menen de verzoekende partijen, is des te minder aanvaardbaar daar hij geenszins wordt verantwoord door de beide motieven die door de Waalse gewestwetgever zijn aangevoerd bij de totstandkoming van het bestreden decreet. Ten slotte bevestigen de omstandigheden waarin de decreetswijziging is gebeurd dat de decreetgever die teruggang heeft gewild. A.
- De Waalse Regering betoogt dat de mogelijkheid tot aanpassing van de afbakening van de zones van het plan met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder was opgevat om een aantal aan de rand van de zone gelegen gebouwen om te bouwen op basis van stedenbouwkundige criteria waarbij met name rekening zou worden gehouden met technische vereisten zoals de afwatering of de stedenbouwkundige begeleiding. Zij weerlegt dus de stelling van de verzoekende partijen volgens welke de grondslag van die mogelijkheid gelegen was in de wil om de geïsoleerde omwonenden de kans te bieden te ontsnappen aan het klimaat van onzekerheid dat voortvloeit uit dat isolement. De Waalse Regering weerlegt eveneens de idee dat de wijziging die bij het bestreden decreet is aangebracht in de voormelde wet van 18 juli 1973 een aanzienlijke teruggang zou betekenen ten opzichte van de vroegere situatie. Het standstill-effect kan niet worden geïnterpreteerd als een vorm van status quo waarbij de wetgever wordt verboden de door hem uitgevaardigde regels te wijzigen. Te dezen is de Waalse Regering van oordeel dat de omwonenden geen recht hadden op de weging zoals die bestond in de vroegere regeling. De Waalse Regering preciseert vervolgens dat de met de vroegere wetgeving beoogde doelstelling om de afbakening van de zones aan te passen, namelijk een coherentie te verzekeren op het vlak van stedenbouw, leefmilieu en functionaliteit, niet mag worden verward met het begrip recht op een gezond leefmilieu, zoals gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet. Zij voegt daaraan toe dat de met het bestreden decreet beoogde doelstelling om de Waalse reglementering af te stemmen op de Europese richtlijn 2002/49/EG eveneens verantwoordde dat enkel nog rekening wordt gehouden met het criterium van de geluidshinder Lden om de zones af te bakenen. De Waalse Regering is ten slotte van oordeel dat geen enkel argument kan worden afgeleid uit de omstandigheden waarin de betwiste wijziging is aangebracht. Het bestreden decreet heeft geen enkele retroactieve werking, zodat het geen afbreuk doet aan de procedure die hangende is voor de Raad van State en die de Raad van State ertoe heeft gebracht de besluiten van 18 april 2002 te schorsen. De Raad van State heeft zich niet uitgesproken over de wettigheid van de bij artikel 1bis aan de Waalse Regering verleende bevoegdheid en het feit dat slechts twee dagen volstonden om het bestreden decreet aan de nemen, is volgens haar evenzeer onbelangrijk. A.
- Nadat de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord in herinnering hebben gebracht waarin, volgens hen, het in artikel 23 van de Grondwet verankerde standstill-effect bestaat, betogen zij dat het vierde lid van paragraaf 2 van artikel 1bis van de voormelde wet van 18 juli 1973 – opgeheven bij het bestreden decreet – bijdroeg tot de bescherming van een gezonde leefomgeving. Vervolgens bekritiseren zij de stelling van de Waalse Regering en menen zij dat de omwonenden recht erop hadden dat hun vordering tot aanpassing van de zones werd gehoord en dat zij in geval van weigering het recht hadden op het instellen van een beroep voor de Raad van State of enig ander bevoegd rechtscollege. Ten slotte kan de wil om de Waalse reglementering te laten samenvallen met de Europese reglementering niets veranderen aan de conclusie volgens welke het bestreden decreet een aanzienlijke teruggang betekent. De verwijzing naar het begrip « zone » geeft immers duidelijk aan dat de richtlijn de bestrijding van de 4 geluidshinder opvat in een stedenbouwkundig perspectief en niet in tegenstelling met een dergelijk perspectief. De richtlijn maakt het overigens, in een negende overweging, mogelijk te verwijzen naar aanvullende geluidsbelastingsindicatoren ter aanvulling van de Lden. De verzoekende partijen vorderen overigens dat de Waalse Regering de beslissing overlegt waarbij zij aan de Commissie de tekst van het bestreden decreet, met toepassing van artikel 14, lid 2, van de richtlijn, zou hebben medegedeeld. Meer in ondergeschikte orde suggereren de verzoekende partijen dat het Hof, mocht het twijfels hebben in verband met de exacte draagwijdte van de richtlijn, aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de vraag zou stellen of de richtlijn 2002/49/EG van 25 juni 2002 zich ertegen verzet dat rekening wordt gehouden met andere criteria dan de geluidshinder om de geluidszones af te bakenen. A.
- In haar memorie van wederantwoord hecht de Waalse Regering eraan in herinnering te brengen dat het niet aan het Hof staat te oordelen of de door een decreetgever genomen maatregel opportuun of wenselijk is. Zij brengt tevens het arrest van het Hof in herinnering waarin het voor recht heeft gezegd dat het Lden geluidscriterium niet kennelijk onredelijk was. Vervolgens weerlegt ze nogmaals dat de bij het bestreden decreet afgeschafte maatregel tot grondslag zou hebben gehad daden van vandalisme te doen mislukken. Wat betreft de vordering van de verzoekende partijen tot overlegging van de beslissing waarbij de Waalse Regering de Commissie de tekst van het bestreden decreet zou hebben medegedeeld, verantwoordt de Waalse Regering haar weigering door het feit, in de eerste plaats, dat, teneinde zich te gedragen naar de richtlijn, de noodzakelijke wettelijke en verordenende bepalingen pas tegen 18 juli 2004 in werking dienen te worden gesteld. Vervolgens wordt in de negende overweging van de richtlijn gepreciseerd dat ze enkel van toepassing is op de grote luchthavens, wat niet het geval is voor de Waalse luchthavens. Ten slotte heeft de Waalse Regering een voorontwerp van decreet aangenomen dat strekt tot de wijziging van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 en dat is gebaseerd op het onderscheid tussen een ontwikkelingsplan op lange termijn voor de uitbating van de luchthavens en een plan met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder. Wat betreft de vordering om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, is de Waalse Regering van oordeel dat die niet relevant is, omdat de bedoelde richtlijn niet van toepassing is op de gewestelijke luchthavens. A.
- Op de terechtzitting heeft de Waalse Regering gewag gemaakt van het decreet van het Waalse Gewest van 29 april 2004 dat artikel 1bis van de voormelde wet van 18 juli 1973 wijzigt door in die wet een paragraaf 4, eerste lid, 5°, in te voegen die de Regering ertoe in staat stelt een plan met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder vast te stellen waardoor « projecten voor de stedenbouwkundige ontwikkeling en de verbetering van de leefomgeving » kunnen worden verwezenlijkt. -B– Ten aanzien van de draagwijdte van de bestreden bepaling B.
- Het decreet van 19 december 2002 tot wijziging van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder bepaalt : « Enig artikel. Artikel 1bis, § 2, vierde lid, van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder wordt opgeheven. » B.
- Artikel 1bis, § 2, vierde lid, van de voormelde wet van 18 juli 1973, zoals het was gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 25 oktober 2001, bepaalde : 5 « De aldus berekende omtrek van de aan geluidshinder blootgestelde zones kan door de Regering worden aangepast op grond van de vestigingseigenschappen van de constructies, van hun uitrusting en bestemming. » B.
- In de parlementaire voorbereiding van het decreet zijn twee motieven aangevoerd om de afschaffing van het voormelde vierde lid van artikel 1bis, § 2, van de wet van 18 juli 1973 te verantwoorden. In de eerste plaats was de decreetgever van mening dat die bepaling niet in voldoende mate rechtstreeks inspeelde op de finaliteit van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973, die erin bestond de geluidshinder te bestrijden die werd veroorzaakt door de vliegtuigen die de Waalse luchthavens aandoen (Parl. St., Waals Parlement, 2002-2003, nr. 441/1, p. 2). Bovendien wilde de decreetgever met de afschaffing van het betwiste lid de Waalse wetgeving in overeenstemming brengen met de Europese richtlijn 2002/49/EG van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van het omgevingslawaai, die voorziet in het vaststellen van een gemeenschappelijke geluidsbelastingsindicator en een gemeenschappelijke methodologie voor geluidsmeting in de nabijheid van de luchthavens (ibid.). Ten gronde B.
- De verzoekende partijen voeren een enig middel aan, dat is afgeleid uit de schending, door het bestreden decreet, van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet. Met de afschaffing, in het bestreden decreet, van artikel 1bis, § 2, vierde lid, van de voormelde wet van 18 juli 1973, waarbij de Regering in staat werd gesteld, op grond van de vestigingseigenschappen van de constructies, alsmede van hun uitrusting en bestemming, de categorieën te wegen van de aan geluidshinder blootgestelde zones die overeenstemmen met de geluidsdrempels die zijn vastgesteld op basis van de waarde van de geluidsbelastingsindicator Ldn, zou het aangevochten decreet ten aanzien van de vroegere reglementering een aanzienlijke teruggang teweegbrengen en zou het aldus het standstill-effect schenden dat voortvloeit uit de voormelde grondwetsbepaling. De afschaffing van de mogelijkheid om de afbakening van de zones aan te passen zou in toenemende mate een klimaat van onzekerheid teweegbrengen voor de 6 omwonenden onder wie de twee verzoekende partijen, die naast leegstaande naburige woningen zouden moeten blijven wonen. B.
- Zonder zich uit te spreken over de vraag of artikel 23 van de Grondwet te dezen een standstill-verplichting impliceert die eraan in de weg zou staan dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde regelgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen die verband houden met het algemeen belang, voorhanden zijn, stelt het Hof vast dat de opheffing van de correctiemaatregel, hoewel ze van die aard is dat ze de situatie van bepaalde omwonenden van de luchthaven Luik-Bierset nadelig kan beïnvloeden, niet kan worden gekwalificeerd als een maatregel die het door de voorheen bestaande wetgeving geboden beschermingsniveau in aanzienlijke mate vermindert. Ten slotte, en onverminderd de wijziging aangebracht in het bestreden artikel van de wet van 18 juli 1973 door het decreet van 29 april 2004 (Belgisch Staatsblad van 4 juni 2004), verhindert de afschaffing van de mogelijkheid tot aanpassing waarin de opgeheven wetgeving destijds voorzag, geenszins de verzoekende partijen, die niet zouden zijn opgenomen in de omtrek van een zone van het plan met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder, dat plan te betwisten. B.
- Op de vraag van de verzoekende partijen om aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag te stellen omtrent de precieze draagwijdte van de richtlijn 2002/49/EG van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai, dient niet te worden ingegaan omdat het antwoord op die vraag niet dienstig is voor de oplossing van dit geschil. B.
- Het middel kan niet worden aangenomen. 7 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.130 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div