← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.131

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.131 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040714.5 Arrest- Rolnummer: 1312004;2755 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-09-07 Raadplegingen: 184 - laatst gezien 2026-07-04 00:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 2, ,§ 1, eerste lid, van de wet van 17 januari 2003 " betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector ", ingesteld door J.-Y. Verwilst. Tekst van de beslissing Rolnummer 2755 Arrest nr. 131/2004 van 14 juli 2004 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 17 januari 2003 « betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector », ingesteld door J.-Y. Verwilst. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters M. Bossuyt, E. De Groot, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 juli 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 juli 2003, heeft J.-Y. Verwilst, wonende te 1410 Waterloo, avenue des Frênes 12, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 17 januari 2003 « betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 januari 2003, derde uitgave). Memories zijn ingediend door : - de n.v. van publiek recht Belgacom, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 27; - het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (B.I.P.T.), waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1210 Brussel, Sterrenkundelaan 14; - de Ministerraad. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de n.v. van publiek recht Belgacom, het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (B.I.P.T.) en de Ministerraad hebben ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 9 juni 2004 : - zijn verschenen : . de verzoekende partij, in eigen persoon; . Mr. J.-F. De Bock, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. N. Cahen, advocaat bij de balie te Brussel, voor de n.v. van publiek recht Belgacom; . Mr. G. Glas, advocaat bij de balie te Brussel, voor het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (B.I.P.T.); - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Standpunt van de verzoeker A.1.

  1. De verzoeker vordert de gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 17 januari 2003 « betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector ». Hij vordert de gehele vernietiging indien het Hof ervan zou uitgaan dat die bepaling ondeelbaar is. In het tegengestelde geval beperkt zijn vordering zich tot de vernietiging van die bepaling geïnterpreteerd in die zin dat de bevoegdheid die is toegekend aan het Hof van Beroep te Brussel, uitspraak doende als in kort geding, zou gelden voor het geheel van de geschillen van het B.I.P.T., en niet alleen voor de geschillen die betrekking hebben op de post- en telecommunicatieoperatoren. A.1.
  2. De verzoeker verantwoordt zijn belang om in rechte te treden door zijn hoedanigheid van stagedoend ambtenaar van het B.I.P.T. Hij is het voorwerp geweest van ontslagbesluiten die hetzij nietig zijn verklaard door de Raad van State, hetzij ingetrokken bij ministerieel besluit; het B.I.P.T. heeft echter steeds geweigerd hem in zijn functie te herstellen. De verzoeker is van mening dat hij door de bestreden bepaling wordt benadeeld omdat hij zich niet langer zal kunnen beroepen op het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State. Om zijn belang te staven, beroept hij zich op het arrest van het Hof nr. 172/2002 van 27 november
  3. Indien het Hof zou oordelen dat hij niet langer de hoedanigheid van stagedoend ambtenaar heeft, zou hij in zijn hoedanigheid van partij in een geschil met het B.I.P.T. belang hebben om in rechte te treden. A.1.
  4. De verzoeker voert aan dat de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat zij aanleiding geeft tot vier vormen van discriminatie. Zij geeft aanleiding tot discriminatie op het gebied van rechtszekerheid aangezien zij de Raad van State elke bevoegdheid ontneemt op het gebied van statutair of stagedoend personeel. Het Hof van Beroep, uitspraak doende als in kort geding, zal de geschillen waarschijnlijk niet op dezelfde wijze behandelen als de Raad van State. De betrokken ambtenaren weten niet meer precies welke rechtsbeginselen op hen van toepassing zijn. De bestreden bepaling doet discriminatie ontstaan wat de rechten van de verdediging betreft omdat het Hof van Beroep, uitspraak doende als in kort geding, die rechten niet op dezelfde wijze als de Raad van State kan waarborgen bij gebrek aan een voldoende lange termijn en een aangepaste infrastructuur. Het Hof van Beroep beschikt niet over diensten die gespecialiseerd zijn in administratieve zaken. Het is echter van belang te wijzen op het fundamentele verschil tussen de geschillen die betrekking hebben op de post- en telecommunicatieoperatoren en de geschillen met betrekking tot het personeel. De bestreden wet geeft aanleiding tot discriminatie wat het voordeel van het gezag van gewijsde betreft omdat zij tot gevolg heeft dat de verzoeker zich niet langer kan beroepen op het arrest van de Raad van State. De aangevochten bepaling leidt tot discriminatie wat de toepassing betreft van het beginsel van de scheiding der machten aangezien de wetgever inbreuk maakt op de prerogatieven van de Raad van State in een hangend conflict. Het B.I.P.T. is veroordeeld door de Raad van State en loopt het risico opnieuw te worden veroordeeld; om dat te vermijden verandert de wetgever van rechter. A.1.
  5. Al die vormen van discriminatie kunnen niet worden verantwoord, bij ontstentenis van wettige redenen. In de parlementaire voorbereiding wordt weliswaar een toereikend antwoord gegeven op de vraag waarom het B.I.P.T. onafhankelijk is geworden ten opzichte van de Minister van Telecommunicatie, maar er wordt geen enkele geldige reden aangevoerd voor het feit dat bij die wet de Raad van State de bevoegdheden met betrekking tot het personeel worden ontnomen, om ze toe te wijzen aan een rechtscollege dat in geen enkel opzicht voorbereid is om een dergelijke opdracht te volbrengen. Met de bevoegdheidsoverdracht werd niet een betere behandeling van de beroepen beoogd; bovendien genieten de betrokken personen hierdoor niet langer het voordeel van de rechtsbeginselen die voortvloeien uit de rechtspraak van de Raad van State, wat neerkomt op een ontkenning van de rechtsstaat. Met de bevoegdheidsoverdracht wordt getracht de Raad van State bepaalde bevoegdheden te ontnemen om ze aan een andere instantie, die bekend staat als toegeeflijker tegenover de stellingen van het B.I.P.T., toe te kennen. 4 Standpunt van het B.I.P.T. A.2.
  6. Het B.I.P.T. beroept zich op zijn belang om tussen te komen in de rechtspleging; dat belang vloeit voort uit de tekst van de bestreden bepaling waarin de rechtbank wordt vastgesteld die bevoegd is om uitspraak te doen over de beroepen die tegen de besluiten van het Instituut worden ingesteld. A.2.
  7. Het B.I.P.T. voert in hoofdorde aan dat het beroep tot vernietiging geen voorwerp heeft omdat de bestreden bepaling alleen betrekking heeft op de besluiten van het Instituut tegenover derden naar aanleiding van het toezicht op de correcte toepassing van de regelgeving binnen de gebieden die tot zijn bevoegdheid behoren, en omdat zij geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Raad van State voor de geschillen die betrekking hebben op de besluiten van het Instituut in verband met zijn personeel. Een verklaring van de Minister in de loop van de parlementaire procedure wordt ter ondersteuning van die stelling aangevoerd. A.2.
  8. Subsidiair is het B.I.P.T. van mening dat het beroep niet gegrond is. Het bezwaar met betrekking tot de rechtsonzekerheid kan niet worden aangenomen. Het Hof is niet bevoegd om uitsluitend om die reden een norm te vernietigen. De verzoeker toont overigens niet aan dat de bestreden bepaling zou leiden tot rechtsonzekerheid. Het bezwaar met betrekking tot de schending van de rechten van de verdediging kan evenmin in aanmerking worden genomen. De verzoeker toont niet aan dat de regels waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet, niet dezelfde waarborgen zouden kunnen bieden als de regels die gelden voor de Raad van State. Een procedure voor het Hof van Beroep biedt evenwel andere waarborgen. Het bezwaar dat voortvloeit uit het verlies van het gezag van gewijsde van de arresten van de Raad van State faalt eveneens in rechte omdat algemeen wordt aangenomen dat de vernietigingsarresten erga omnes gelden, en met terugwerkende kracht van toepassing zijn. Die regel geldt zowel voor de administratie als voor de gewone hoven en rechtbanken. Het bezwaar dat is afgeleid uit de schending van het beginsel van de scheiding der machten mist feitelijke grondslag en faalt in rechte. Er is voor de Raad van State geen enkele procedure hangende tussen het Instituut en de verzoeker. Aan die laatste kan overigens onmogelijk een recht op onveranderlijkheid van de wet worden toegestaan. Wat het ontbreken van wettige redenen betreft, merkt de partij op dat de verzoeker zijn beweringen niet staaft. A.2.
  9. In meer ondergeschikte orde vraagt het B.I.P.T. aan het Hof, indien het de middelen van de verzoeker als gegrond zou beschouwen, de vernietiging van de bestreden bepaling te beperken in zoverre deze de bevoegdheid van het Hof van Beroep te Brussel impliceert om kennis te nemen van de beroepen tegen de besluiten van het Instituut die betrekking hebben op zijn personeel. De verzoeker voert overigens geen enkel bezwaar aan tegen de bevoegdheid van het Hof van Beroep om kennis te nemen van de andere beroepen. In nog meer ondergeschikte orde verzoekt de partij het Hof, indien het zou besluiten tot de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de aangevochten bepaling, de gevolgen van die bepaling te handhaven gedurende de periode vanaf de inwerkingtreding van de wet tot de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het door het Hof gewezen vernietigingsarrest. Standpunt van de n.v. van publiek recht Belgacom A.
  10. De vennootschap Belgacom verantwoordt haar belang om in rechte te treden op grond van de beroepen die zij met toepassing van de nieuwe wet heeft ingesteld tegen besluiten van het B.I.P.T. Een eventuele vernietiging van de aangevochten bepaling zou die vennootschap kunnen benadelen wat de afloop van die beroepen betreft. Het Hof van Beroep zou zijn bevoegdheid verliezen en het is niet zeker dat de Raad van State opnieuw ervan kennis zou kunnen nemen; de vennootschap Belgacom dreigt dus elk daadwerkelijk rechtsmiddel te verliezen. Indien het Hof zou beslissen de bestreden bepaling te vernietigen, vraagt de vennootschap Belgacom het Hof de vernietiging van de bepaling te beperken, dit wil zeggen voor zover ze betrekking heeft op de besluiten van het B.I.P.T. in verband met zijn personeel. Zij vraagt in dat geval eveneens dat het Hof zou aangeven welke gevolgen van die bepaling als definitief of voorlopig gehandhaafd moeten worden beschouwd. 5 Standpunt van de Ministerraad A.4.
  11. De Ministerraad is in de eerste plaats van mening dat het beroep onontvankelijk is wegens ontstentenis van belang. De verzoeker moet immers concreet aangeven welke negatieve gevolgen de bestreden wet zou kunnen hebben voor zijn situatie. Te dezen wijzigt die wet echter niet het statuut of de rechtspositie van de verzoeker, en heeft zij geen enkele weerslag op zijn rechten en verplichtingen. De verzoeker gaat immers uit van een onjuiste interpretatie van de aangevochten bepaling. Uit de ratio legis, de overwegingen die hebben geleid tot de goedkeuring van de wet, maar eveneens uit de uitdrukkelijke verklaringen van de bevoegde minister volgt dat de rechterlijke bevoegdheid die is toegekend aan het Hof van Beroep betrekking heeft op de geschillen over besluiten van het B.I.P.T. inzake post en telecommunicatie, en niet op de geschillen aangaande besluiten in verband met het personeel van het B.I.P.T. De Ministerraad merkt nog op dat in elk geval niets erop wijst dat door de bestreden bepaling de arresten van de Raad van State hun gezag van gewijsde zouden verliezen. De vernietigingsarresten hebben gezag van gewijsde ex tunc en erga omnes, en gelden voor iedereen - ook voor de gewone rechtscolleges -, met terugwerkende kracht. De Ministerraad wijst ten slotte erop dat de verzoeker geen geldig legitiem belang heeft bij de vernietiging enkel om reden dat hij de huidige of toekomstige geschillen met het B.I.P.T. niet langer voor de Raad van State zou kunnen brengen, een rechtscollege dat in het verleden een voor hem gunstige uitspraak heeft gedaan. A.4.
  12. De Ministerraad is overigens van mening dat het beroep onontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan voorwerp omdat de verzoeker uitgaat van een onjuiste interpretatie die haaks staat op de uitdrukkelijke wil van de wetgever. In zoverre die interpretatie het uitgangspunt vormt van het beroep in zijn geheel, dient te worden besloten dat dit beroep geen voorwerp heeft. A.4.
  13. Subsidiair is de Ministerraad van oordeel dat het middel moet worden verworpen. De verzoeker voert ten onrechte een vorm van discriminatie aan op het gebied van rechtszekerheid. De gewone rechtscolleges waarborgen een daadwerkelijk beroep in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, op dezelfde wijze als de Raad van State. Het feit dat een contentieux aan het Hof van Beroep te Brussel wordt toevertrouwd, betekent niet dat de op de geschillen toepasselijke rechtsbeginselen zijn gewijzigd. Een wetswijziging doet overigens op zich geen rechtsonzekerheid ontstaan. Ten slotte kan een verschil in behandeling op grond van een organiek criterium, te dezen het feit tot een instelling te behoren die onderscheiden is van de andere openbare diensten, een verschil in behandeling verantwoorden met betrekking tot de rechtscolleges waarvoor de personeelsleden de beslissingen van hun inrichtende macht kunnen aanvechten. De arresten van het Arbitragehof nrs. 66/99 van 17 juni 1999, 34/2000 van 29 maart 2000 en 8/2001 van 31 januari 2001, die betrekking hebben op onderwijs, worden ter ondersteuning van die stelling aangevoerd. De verzoeker beroept zich ten onrechte op een vorm van discriminatie met betrekking tot de rechten van de verdediging omdat die rechten voldoende worden gewaarborgd door de gerechtelijke overheid en omdat de procedure voor het Hof van Beroep te Brussel in geen geval als minder gunstig zou kunnen worden beschouwd als die voor de Raad van State. Ook al doet het Hof van Beroep uitspraak als in kort geding, toch wordt niet afgeweken van het voor de procedure geldende beginsel van tegenspraak. De partijen kunnen dus beslissen de termijnen te laten verlengen. Het ontbreken van een auditoraat leidt niet noodzakelijk tot een minder gunstige situatie, en is te wijten aan het verschil tussen de twee rechtscolleges, en meer bepaald aan het inquisitoriaal karakter van de procedure voor de Raad van State. De Ministerraad herinnert ten slotte eraan dat op het vlak van onteigening het Hof reeds heeft vastgesteld dat de jurisdictionele bescherming die wordt geboden door, enerzijds, het vredegerecht en, anderzijds, de Raad van State, vergelijkbaar is. Wat er ook van zij, de verzoeker toont niet aan dat de toepassing van een andere procedure een onevenredige beperking van zijn rechten met zich zou brengen. De discriminatie in verband met het voordeel van het gezag van gewijsde is evenmin aangetoond omdat de vernietigingsarresten van de Raad van State een absoluut gezag van gewijsde hebben. De discriminatie met betrekking tot de toepassing van het beginsel van de scheiding der machten moet eveneens worden verworpen. Het is onjuist te beweren dat de wetgever met de aangevochten bepaling heeft willen ingrijpen in een hangend geschil. Die bepaling is een antwoord op een aantal punten van kritiek die zowel op nationaal als op Europees niveau werd geuit met betrekking tot de doeltreffendheid van de beroepen tegen de besluiten van het B.I.P.T. op het gebied van post en telecommunicatie. De verzoeker heeft overigens niet het recht om het geschil dat op hem betrekking heeft, aan dit of 6 dat rechtscollege te laten toevertrouwen. Het komt niet zelden voor dat de wetgever optreedt om een specifiek beroep tegen bepaalde administratieve beslissingen in te voeren. A.4.
  14. Uiterst subsidiair verzoekt de Ministerraad het Hof het beroep te verwerpen, onder voorbehoud van een interpretatie van de bestreden bepaling die verenigbaar met de Grondwet zou worden geoordeeld. Antwoord van de verzoeker A.5.
  15. De verzoeker kan in geen geval de Ministerraad volgen omdat er volgens hem totaal geen coherentie is tussen de formulering van de bestreden bepaling en de betekenis die eraan wordt gegeven. Op basis van de duidelijke tekst van de bepaling en de parlementaire voorbereiding meent de verzoeker dat men niet ervan kan uitgaan dat de Raad van State bevoegd zou blijven voor de geschillen tussen het B.I.P.T. en zijn personeel. Zulk een conclusie kan evenmin worden getrokken uit het advies van de Raad van State, die geen bezwaar heeft gemaakt; wegens de dringendheid en de lijvigheid van de te onderzoeken documenten heeft de Raad van State zich niet over de kwestie kunnen uitspreken. Verder dient het niet ter zake zich te baseren op een verklaring van de Minister voor de Senaat omdat het absoluut noodzakelijk is dat een wet wordt goedgekeurd door de twee kamers en omdat, wanneer de tekst van de wet duidelijk is, de inhoud van de parlementaire voorbereiding niet doorslaggevend mag zijn. De verzoeker is van mening dat hij zijn belang om in rechte te treden voldoende heeft verantwoord door zijn hoedanigheid van ambtenaar van het B.I.P.T. in conflict met zijn administratie, en door de schending van de beginselen van rechtszekerheid en van de rechten van de verdediging. A.5.
  16. Wat de discriminatie op het vlak van rechtszekerheid betreft, antwoordt de verzoeker de Ministerraad dat het Hof van Beroep zijn beslissingen weliswaar zal nemen op grond van de fundamentele rechtsbeginselen zoals artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, maar dat het niet, zoals de Raad van State, over een voldoende termijn zal beschikken om de zaken grondig te onderzoeken, en dat de verzoeker overigens niet de rechtspraak van de Raad van State zal kunnen doen gelden maar misschien uitsluitend die van het Hof van Beroep, die over het algemeen niet toepasselijk is op de geschillen tussen een administratie en haar personeel. Op die manier verliest hij het voordeel van essentiële beginselen waarnaar wordt verwezen in de literatuur over de geschillen van bestuur, wat een reële en ernstige rechtsonzekerheid doet ontstaan. De verzoeker weet zelfs niet welke regel het Hof van Beroep in plaats van die beginselen zal toepassen. De verzoeker antwoordt de Ministerraad eveneens dat hij zich niet ertoe beperkt een verandering van wetgeving te betwisten, maar dat hij verantwoordt waarom die verandering zijn rechtspositie ernstig schaadt. De verzoeker antwoordt overigens dat de vergelijking met het onderwijzend personeel van het officiële net en van het vrije net niet pertinent is. De instellingen voor vrij onderwijs hebben niet de hoedanigheid van administratieve overheid, terwijl de statutaire of stagedoende ambtenaren van het B.I.P.T. van administratieve overheden afhangen. Men kan zich overigens niet voorstellen dat het B.I.P.T. dezelfde autonomie zou hebben als een inrichtende macht uit het vrije net, gezien de officiële en gereglementeerde aard van zijn opdrachten. Wat de inachtneming van de rechten van de verdediging betreft, oordeelt de verzoeker dat, alvorens een verandering van bevoegdheid verantwoord te achten in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dient te worden onderzocht of geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten van verdediging van de rechtzoekende. De rechtspraak van het Hof is verfijnder en genuanceerder dan de Ministerraad beweert. Er worden verschillende arresten van het Hof ter ondersteuning van die stelling aangevoerd. In zijn arrest nr. 32/2002 van 6 februari 2002 is het Hof meer bepaald ervan uitgegaan dat de rechtzoekende het recht moet hebben over voldoende tijd en faciliteiten te beschikken welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en argumentatie. Aangezien een particulier minder gewapend is voor zijn verdediging dan een administratie zoals het B.I.P.T. - dat overigens reeds is begonnen een dossier aan te leggen voordat de ambtenaar op de hoogte was van de uitgesproken sanctie -, is het in de grond onrechtvaardig en discriminerend hem te laten afhangen van een rechtscollege dat oorspronkelijk bedoeld was voor grote vennootschappen. Er is duidelijk sprake van ongelijkheid tussen de partijen wanneer een procedure zoals in kort geding, die niet een mogelijkheid is maar een verplichting, wordt aangewend. De mogelijkheid een langere termijn te verkrijgen hangt af van het toeval, wat niet strookt met de vereiste van de rechten van de verdediging. Verder geniet de verzoeker niet langer het voordeel van de aanwezigheid van het auditoraat bij de Raad van State omdat het auditoraat bij het Hof van Beroep uitsluitend bevoegd is op het gebied van strafzaken, en het Hof van Beroep niet de mogelijkheid heeft om de stukken van het administratief dossier te eisen of over het betrokken geschil een gedetailleerd en omstandig verslag te krijgen dat het Hof van Beroep in staat stelt de betrokken belangen weer in evenwicht te brengen. 7 De verzoeker analyseert vervolgens het arrest van het Hof inzake onteigening, en komt tot het besluit dat de in het geding zijnde bepaling in deze zaak buitensporig en onrechtvaardig is omdat zij in geen enkele herzieningsprocedure voorziet voor buitensporige en onrechtvaardige maatregelen die zouden worden genomen door het Hof van Beroep, uitspraak doende als in kort geding, wegens de te korte termijnen en de onmogelijkheid voor de ambtenaar om zijn rechten op correcte wijze te doen gelden. Wat het voordeel van het gezag van gewijsde betreft, is de verzoeker van mening dat de Ministerraad de problematiek vereenvoudigt. Het mogelijke probleem voor de verzoeker heeft te maken met het feit dat het Hof van Beroep het beginsel van intrekking van administratieve handelingen waarschijnlijk niet zal toepassen, wat het B.I.P.T. in staat stelt het besluit van intrekking vastgesteld door de Raad van State in te trekken om vervolgens een nieuwe maatregel te nemen die voor de verzoeker ongunstig is. Volgens de verzoeker zijn de voorbeelden die de Ministerraad heeft gegeven van geschillen die aan andere rechtscolleges dan de Raad van State zijn toevertrouwd, overigens niet noodzakelijk pertinent, omdat die bepalingen niet ter toetsing aan het Hof zijn voorgelegd. De verzoeker besluit dat, ook al is er overeenstemming over de interpretatie van de bepaling, het haalbaarder is de bestreden bepaling te vernietigen in de tegengestelde interpretatie, maar dat, indien het Hof aan de bepaling een grondwetsconforme interpretatie in dezelfde zin wenst te geven, hij daartegen geen enkel bezwaar zou hebben. A.5.
  17. Om de redenen die reeds werden vermeld in antwoord op de argumentatie van de Ministerraad, antwoordt de verzoeker het B.I.P.T. dat het beroep niet onontvankelijk kan worden verklaard wegens gebrek aan voorwerp omdat de interpretatie die het B.I.P.T. aan de bestreden bepaling geeft, in strijd is met de duidelijke tekst van de wet. A.5.
  18. De verzoeker is eveneens van mening dat de tussenkomst van het B.I.P.T. niet ontvankelijk is wegens ontstentenis van belang. Het B.I.P.T. heeft geen enkele geldige reden om de eisen van de verzoeker te betwisten omdat deze in geen enkel opzicht tegen diens verzuchtingen ingaan. De vordering van de verzoeker strekt ertoe de aangevochten bepaling te interpreteren in dezelfde zin als het B.I.P.T. A.5.
  19. Subsidiair betwist de verzoeker het feit dat de procedure voor het Hof van Beroep voordeliger zou zijn voor de partijen. De procedure voor de Raad van State maakt het voor de partijen mogelijk te antwoorden op de argumenten van de auditeur, en het zijn de rechters van de Raad van State die de beslissing nemen. Een cassatieprocedure is niet aangewezen voor dat soort geschillen, die hoofdzakelijk betrekking hebben op feitelijke kwesties. Zij leidt bovendien tot verwijzing naar een ander hof van beroep, waar de verzoeker met hetzelfde probleem zal worden geconfronteerd. De bewering dat de besluiten zouden kunnen worden vernietigd, is niet juist. Wat de schending van het beginsel van gezag van gewijsde betreft, blijft de verzoeker bij zijn standpunt en meent hij dat men moeilijk kan weten op het Hof van Beroep het gezag van gewijsde volledig in acht zal nemen, omdat het doorgevoerde mechanisme volledig nieuw is. De rechterlijke macht heeft zich met andere woorden nooit uitgesproken over de reële draagwijdte van het beginsel van gezag van gewijsde dat verbonden is aan een arrest van de Raad van State waarbij een besluit met betrekking tot een ambtenaar van het B.I.P.T. nietig is verklaard. Met betrekking tot het beginsel van de scheiding der machten vreest de verzoeker dat, indien de bevoegdheid van het Hof van Beroep voor de geschillen tussen het B.I.P.T. en zijn personeel wordt aangenomen, tegenover hem nefaste maatregelen zullen worden genomen, wat elke vordering tot schadevergoeding tegen het B.I.P.T. onmogelijk zou maken. Wederantwoord van het B.I.P.T. A.
  20. Wat betreft het belang om tussen te komen, repliceert het B.I.P.T. dat de argumentatie van de verzoeker niet van die aard is dat het bestaan van zijn klaarblijkelijk belang om tussen te komen in twijfel kan worden getrokken. Met betrekking tot de grond van het probleem betwist het B.I.P.T. de conclusies die de verzoeker trekt uit het onderzoek van de parlementaire voorbereiding, en is het van mening dat die argumentatie de interpretatie die aan de tekst van de wet dient te worden gegeven, niet op de helling zet. Het beroep heeft bijgevolg geen voorwerp. 8 Subsidiair voert het B.I.P.T. aan dat de rechten van de verdediging niet geschonden zijn en dat integendeel een procedure voor het Hof van Beroep meer jurisdictionele waarborgen biedt dan een procedure voor de Raad van State. Wederantwoord van de Ministerraad A.
  21. De Ministerraad repliceert dat de verzoeker niet verantwoordt waarom de oplossing van een verwerping van het beroep onder voorbehoud van een interpretatie zou moeten worden uitgesloten, terwijl zij steunt op vaststaande rechtspraak van het Hof en de verzoeker genoegdoening verschaft. De Ministerraad betwist de interpretatie die de verzoeker heeft gegeven aan de bestreden wet, alsook de argumenten die ter ondersteuning van die interpretatie worden aangevoerd. De wetgever heeft een specifieke categorie van geschillen in de telecommunicatiesector willen hervormen om redenen van efficiëntie en snelheid die inherent zijn aan die sector. Die noodzaak doet zich niet voelen op het vlak van personeelsgeschillen. De bovenvermelde verklaring van de Minister is een duidelijke bevestiging van dat standpunt en wordt niet ongeldig omdat zij alleen in de Senaat werd afgelegd. Een tegengestelde interpretatie vindt geen grondslag in de parlementaire voorbereiding. De Ministerraad blijft dan ook erbij dat het beroep onontvankelijk is wegens ontstentenis van belang. Volgens de Ministerraad wordt de rechtszekerheid niet geschonden en vergist de verzoeker zich wanneer hij aanvoert dat de Raad van State en het Hof van Beroep te Brussel niet dezelfde rechtsbeginselen toepassen. Ook al zijn bepaalde beginselen in de rechtspraak van de Raad van State meer uitgewerkt, toch mag niet ervan worden uitgegaan dat zij voor het Hof van Beroep te Brussel niet zouden kunnen worden toegepast, a fortiori in het kader van een objectief contentieux. De aangevoerde argumenten zijn meestal theoretisch en irrelevant. Subsidiair betwist de Ministerraad dat de rechten van de verdediging geschonden zouden zijn, en weerlegt hij de argumenten van de verzoeker. De vergelijkingen die deze maakt met meer bepaald de arresten inzake onteigening beschouwt hij eveneens als niet-pertinent, en hij onderstreept het feit dat de rechten van de verdediging worden gewaarborgd door het Gerechtelijk Wetboek, waarvan de waarborgen van toepassing zijn op de procedure voor het Hof van Beroep te Brussel. Hij legt eveneens de nadruk op het feit dat de beslissingen van het Hof van Beroep het voorwerp kunnen vormen van een voorziening in cassatie, wat niet het geval is voor de arresten van de Raad van State. -B– B.
  22. Artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 17 januari 2003 « betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector » bepaalt : « Tegen de besluiten van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie kan beroep met volle rechtsmacht worden ingesteld bij het hof van beroep te Brussel, rechtsprekend zoals in kortgeding. » B.
  23. De verzoeker vordert de gehele of gedeeltelijke vernietiging van die bepaling geïnterpreteerd in die zin dat de bevoegdheid die is toegekend aan het Hof van Beroep te Brussel, uitspraak doende als in kort geding, zou gelden voor het geheel van de geschillen van 9 het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (afgekort : B.I.P.T.), en niet alleen voor de geschillen die betrekking hebben op de post- en telecommunicatieoperatoren. Wat de ontvankelijkheid betreft B.3.
  24. De Ministerraad en het B.I.P.T. zijn van mening dat de verzoeker uitgaat van een onjuiste interpretatie van de wet. Zij werpen de onontvankelijkheid van het beroep op wegens, respectievelijk, het gebrek aan belang en het ontbreken van een voorwerp. B.3.
  25. De excepties van niet-ontvankelijkheid houden verband met de interpretatie die de partijen aan de bestreden bepaling geven, en dienen bij het onderzoek van de grond van de zaak te worden gevoegd. Ten gronde B.
  26. De bestreden wet is verbonden met de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. De bestreden bepaling beoogt de bevoegdheid voor de beroepen tegen de besluiten van het B.I.P.T. aan de Raad van State te onttrekken, en ze aan het Hof van Beroep te Brussel toe te vertrouwen. De parlementaire voorbereiding vermeldt hieromtrent : « Artikel 29, § 1, bepaalt dat er voor het Hof van Beroep te Brussel beroep kan worden aangetekend tegen de beslissingen van het Instituut. De algemene bevoegdheid van de Raad van State om te beslissen over vorderingen tot nietigverklaring van de administratieve beslissingen, vervalt dus door de wil van de wetgever om die toe te vertrouwen aan het Hof van Beroep te Brussel. Aangezien de vordering voor die laatste volledige rechtsmacht heeft, kan het dus een uitspraak doen over de zaak zelf en de beslissing van het Instituut tenietdoen. Omwille van de efficiëntie en de vlugheid die verbonden zijn met de telecommunicatiesector, spreekt het daarenboven recht zoals in kort geding. » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1937/001, p. 24) 10 B.
  27. Het enig middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoeker vindt dat hij gediscrimineerd wordt omdat de bevoegdheid voor de geschillen tussen het B.I.P.T. en diens personeel bij de aangevochten bepaling aan het Hof van Beroep te Brussel zou worden toevertrouwd en aan de Raad van State zou worden ontnomen. Zoals de Ministerraad en het B.I.P.T. opmerken, kan uit de parlementaire voorbereiding worden opgemaakt dat de wetgever de jurisdictionele bevoegdheid betreffende beroepen tegen de besluiten van het B.I.P.T. op het gebied van telecommunicatie heeft willen regelen. Hij heeft de jurisdictionele bevoegdheidsregels met betrekking tot de geschillen tussen het B.I.P.T. en diens personeel niet gewijzigd. Zulks wordt uitdrukkelijk bevestigd door de bevoegde Minister : « Ik wilde alleen verduidelijken dat het hof van beroep voortaan exclusief bevoegd is voor de beroepen tegen beslissingen van het BIPT Voor beslissingen inzake het personeel is uiteraard de Raad van State bevoegd. » (Hand., Senaat, 2002-2003, vergadering van 20 december 2002, 2-254, p. 7) De bestreden bepaling geeft dus geen aanleiding tot een verschil in behandeling tussen de ambtenaren van het B.I.P.T. en de andere ambtenaren. B.
  28. Het middel kan niet worden aangenomen. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 juli
  29. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.