← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.137

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.137 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040722.1 Arrest- Rolnummer: 1372004;2802 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-08-12 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-07-03 23:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 7bis, tweede en vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen (ingevoegd bij de programmawet van 24 december 2002), zoals vervangen bij artikel 42 van de programmawet van 8 april 2003, ingesteld door P. De Leenheer en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummer 2802 Arrest nr. 137/2004 van 22 juli 2004 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 7bis, tweede en vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen (ingevoegd bij de programmawet van 24 december 2002), zoals vervangen bij artikel 42 van de programmawet van 8 april 2003, ingesteld door P. De Leenheer en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters M. Bossuyt, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 oktober 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 oktober 2003, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 7bis, tweede en vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen (ingevoegd bij de programmawet van 24 december 2002), zoals vervangen bij artikel 42 van de programmawet van 8 april 2003 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 april 2003), door P. De Leenheer, wonende te 9160 Lokeren, Bakkerstraat 79, S. Dewulf, wonende te 9820 Merelbeke, Gontrode Heirweg 40, C. Jourquin, wonende te 9230 Wetteren, Lange Wegel 113, A. Moens, wonende te 9041 Gent, Eeckhoutdriesstraat 9, M. Plovie, wonende te 9230 Wetteren, Prinses Josephine Charlottelaan 21, I. Van Coppenolle, wonende te 9800 Deinze, Bredestraat 128, F. Wouters, wonende te 9230 Wetteren, Slommerdonk 15, P. Degrieck, wonende te 9840 Zevergem, Pont Noord 4, en L. Vercruysse, wonende te 8820 Torhout, Oostendestraat

  1. De Ministerraad heeft een memorie ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 9 juni 2004 : - zijn verschenen : . Mr. B. Coopman, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. O. Vanhulst, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1.
  2. De verzoekende partijen, die allen verklaren meewerkende echtgenoten te zijn van een zelfstandig bedrijfsleider, in de zin van artikel 32 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna het W.I.B. 1992), oordelen dat zij door de bestreden wetsbepaling rechtstreeks en ongunstig worden geraakt, aangezien zij, in tegenstelling tot andere meewerkende echtgenoten, het sociaal statuut van zelfstandigen niet kunnen genieten, enkel en alleen omdat - en voor zolang - zij gehuwd zijn met een bedrijfsleider. 3 A.1.
  3. De Ministerraad betwist het belang van de zevende verzoekende partij, aangezien die partij de voordelen van het sociaal statuut van zelfstandigen geniet. Het feit dat de echtgenoot van die verzoekende partij zou overwegen een vennootschap op te richten, heeft geen enkele invloed op de rechten die zij thans geniet. A.1.
  4. In haar memorie van antwoord wijst de zevende verzoekende partij erop dat haar echtgenoot effectief een vennootschap heeft opgericht, zoals hij voornemens was te doen, zodat zij het voordeel van het sociaal statuut van de meewerkende echtgenoot verliest en het beroep bijgevolg wat haar betreft als ontvankelijk moet worden beschouwd. A.1.
  5. Het belang van de overige verzoekende partijen wordt door de Ministerraad niet betwist. Ten aanzien van het enige middel A.2.
  6. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen is de bestreden bepaling discriminerend, doordat de echtgenoten en de wettelijk samenwonende partners van zelfstandige bedrijfsleiders, zoals bedoeld in artikel 32 van het W.I.B. 1992, uitgesloten worden van het voor de meewerkende echtgenoten geldende sociaal statuut, zoals geregeld door artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. A.2.
  7. De verzoekende partijen betwisten aan de hand van de hierna volgende argumenten de in de parlementaire voorbereiding voor het gecreëerde onderscheid vervatte verantwoording, inhoudende dat het noodzakelijk was te verhinderen, om redenen van coherentie tussen de fiscale en sociale wetgeving, dat de bedoelde personen op sociaal vlak onderworpen zouden zijn aan het specifieke statuut van de meewerkende echtgenoot, terwijl de fiscale wetgeving niet toestaat dat aan de bedoelde personen een meewerkinkomen wordt toegekend. 1) Aan de meewerkende echtgenoot van een bedrijfsleider kan, krachtens de fiscale wetgeving, inderdaad geen meewerkinkomen worden toegekend, maar de toepassing van de techniek van het huwelijksquotiënt, waarbij een deel van de inkomsten van de ene echtgenoot als een inkomen van de andere echtgenoot wordt beschouwd, brengt een globale belastingvermindering met zich mee en heeft nagenoeg hetzelfde effect. Het normale maximumpercentage van het meewerkinkomen is niet toevallig gelijk aan het percentage van de bovengrens van het huwelijksquotiënt. De door de wetgever nagestreefde gelijkschakeling van het fiscaal en sociaal statuut wordt bijgevolg niet bereikt. 2) Aangezien het toekennen van eigen socialezekerheidsrechten aan de meewerkende echtgenoten in het kader van het gelijkekansenbeleid past, valt niet in te zien waarom de meewerkende echtgenoot van een zelfstandige die zijn beroep in vennootschapsvorm uitoefent, geen sociale bescherming zou behoeven of geen gelijke kansen zou moeten krijgen, louter vanwege een vermeende gelijkschakeling met een fiscale regeling. 3) De in de parlementaire voorbereiding vervatte verantwoording lijkt ervan uit te gaan dat een vennootschapsvorm louter wordt gekozen om fiscale redenen. De verzoekende partijen achten dat uitgangspunt onjuist. Bovendien oordelen ze dat het niet bewezen is dat, fiscaalrechtelijk gezien, steeds voordeel wordt gehaald uit de oprichting van een vennootschap. 4) De verzoekende partijen betwisten het standpunt van de bevoegde Minister, die tijdens de parlementaire voorbereiding verklaarde dat het nagenoeg onmogelijk is een inkomen te bepalen voor de meewerkende echtgenoten van bedrijfsleiders, aangezien de betrokken inkomsten worden belast met vennootschapsbelastingen. Ze wijzen erop dat de bezoldiging van een bedrijfsleider wordt belast met personenbelastingen en dat de socialezekerheidsbijdragen worden berekend op basis van die inkomsten van de bedrijfsleider. Er valt bijgevolg niet in te zien waarom het technisch onmogelijk zou zijn een deel van dat inkomen af te zonderen om te dienen als berekeningsbasis voor de sociale bijdragen van de meewerkende echtgenoot. 5) Met verwijzing naar een antwoord op een parlementaire vraag oordelen de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling haaks staat op de oorspronkelijke filosofie van de fiscale regeling met betrekking tot de meewerkende echtgenoten. Het loutere feit dat in het verleden werd beslist - veeleer om technische redenen - het statuut van de werkende vennoot en de bestuurder onder te brengen in één statuut van bedrijfsleider, wat als 4 gevolg had dat artikel 86 van het W.I.B. 1992 niet meer kon worden toegepast op de werkende vennoot in de kleine familiale onderneming, kan geen verantwoording vormen om de familiale ondernemer en zijn gezin het voordeel van de sociale bescherming van de meewerkende echtgenoten te misgunnen. 6) De bestreden bepaling brengt met zich mee dat de sociale bescherming van de meewerkende echtgenoten afhangt van een beslissing van de hoofdzelfstandige met betrekking tot de wijze waarop hij zijn beroepsactiviteit wenst te organiseren (in vennootschapsvorm of niet), wat strijdig is met de emancipatiegedachte die aan het gelijkekansenbeleid ten grondslag ligt. 7) De activiteit van de meewerkende echtgenoot stemt overeen met de definitie van het begrip « helper », zoals vervat in artikel 6 van koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Het uitsluiten van een categorie van meewerkende echtgenoten houdt, in het licht van de basissystematiek van het koninklijk besluit, een ongelijke behandeling in van de bedoelde meewerkende echtgenoten, in vergelijking met de andere meewerkende echtgenoten, die onder de definitie vallen, maar niet ervan worden uitgesloten. A.2.
  8. De verzoekende partijen oordelen dat de discriminatie die ze aanklagen nog duidelijker is wanneer rekening wordt gehouden met bepaalde deontologische regels, die tot gevolg hebben dat echtgenoten niet kunnen participeren in een vennootschap. Volgens bepaalde deontologische codes is het immers verboden vennoot en/of bestuurder te zijn in een vennootschap zonder te beschikken over de betreffende beroepstitel. De meewerkende echtgenoten worden bijgevolg gedwongen om ofwel een arbeidsovereenkomst te sluiten met de vennootschap, ofwel een eigen ondernemingsnummer aan te vragen, zichzelf als B.T.W.-plichtige te laten registreren, een B.T.W.-nummer aan te vragen, enz. De bestreden bepaling ontneemt bijgevolg de bedoelde categorie van meewerkende echtgenoten, zonder redelijke verantwoording, de eenvoud van het statuut van meewerkende echtgenoot. A.2.
  9. De verzoekende partijen oordelen ten slotte dat alternatieve stelsels, waarin de meewerkende echtgenoten van bedrijfsleiders zouden kunnen stappen, evenzeer leiden tot een discriminatoire behandeling. Wanneer de meewerkende echtgenoten zelf als bedrijfsleiders zouden opereren of prestaties als zelfstandige zouden factureren, kan weliswaar een eigen sociale bescherming worden opgebouwd, maar daaraan zijn belangrijke nadelen verbonden, zoals het feit dat B.T.W. moet worden aangerekend aan de vennootschap van de echtgenoot, het feit dat de techniek van het huwelijksquotiënt of het meewerkinkomen als fiscaal voordeel teloorgaat, het feit dat dit leidt tot een gedeeltelijke dubbele betaling van sociale bijdragen gedurende de eerste drie jaren waarin voor dat statuut wordt gekozen, het feit dat het niet is uitgesloten dat het betalen van sociale bijdragen door beide echtgenoten zou leiden tot een lager pensioen, enz. A.3.
  10. De Ministerraad oordeelt dat het door de wetgever gehanteerde criterium van onderscheid objectief is, dat het onderscheid pertinent is om het vooropgestelde doel te bereiken en dat de bestreden maatregel evenredig is met het beoogde doel. A.3.
  11. De Ministerraad wijst erop dat de wetgever met de bestreden bepaling beoogd heeft de sociale wetgeving af te stemmen op de fiscale wetgeving. Aangezien de meewerkende echtgenoten van bedrijfsleiders volgens de fiscale wetgeving geen meewerkinkomen kunnen ontvangen, is het onmogelijk om de bijdragen te berekenen en bijgevolg noodzakelijk te verhinderen dat die personen op sociaal vlak wel zouden zijn onderworpen aan het specifieke statuut voor meewerkende echtgenoten. A.3.
  12. Het door de wetgever gehanteerde onderscheidingscriterium stoelt, volgens de Ministerraad, op de aard van de structuur die een zelfstandige voor de uitoefening van zijn beroep kiest. In de meest eenvoudige vorm kan de zelfstandige zijn activiteit uit eigen naam uitoefenen, waarbij hij met zijn persoonlijk vermogen instaat voor de nakoming van al zijn verbintenissen (professionele en private), en waarbij de opbrengst van zijn activiteit zijn persoonlijk vermogen doet aangroeien en ook in dat vermogen fiscaal zal worden behandeld. De zelfstandige heeft evenwel ook de mogelijkheid zijn activiteit via een vennootschap uit te oefenen, in welk geval hij dan orgaan, aandeelhouder, medecontractant of bedrijfsleider van de rechtspersoon is. De opbrengst van de activiteit van de vennootschap zal echter niet in het persoonlijke vermogen van de achterliggende natuurlijke personen terechtkomen, maar in het vennootschapsvermogen en aldaar fiscaal worden behandeld. De vergoeding die door de vennootschap aan de achterliggende natuurlijke personen wordt toegekend, is niet te assimileren met de opbrengst van de activiteit van de rechtspersoon. De inkomsten die aan de bedrijfsleider worden uitbetaald zullen bezoldigingen van mandatarissen of inkomsten van 5 werkende vennoten zijn, maar geen winsten, noch baten in de zin van de artikelen 24 en 27 van het W.I.B.
  13. Daardoor kan de bedrijfsleider geen meewerkinkomen aan zijn echtgenoot toekennen, zodat evenmin bijdragen kunnen worden berekend. De wetgever heeft dan ook terecht kunnen oordelen dat het geboden was de echtgenoten van de bedrijfsleiders uit het toepassingsgebied van het koninklijk besluit nr. 38 uit te sluiten, vermits het in de praktijk, zonder miskenning van de rechtspersoonlijkheid van de rechtspersoon, onmogelijk is aan die personen de opbrengsten van de activiteiten van de rechtspersoon aan te rekenen, zodat het a fortiori onmogelijk was voor die echtgenoten de bijdragen te berekenen die hen ertoe in staat zouden stellen eigen rechten op uitkeringen voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering te genieten. A.3.
  14. De Ministerraad oordeelt eveneens dat, indien de inspanning voor het oprichten van een rechtspersoon wordt geleverd, wat een contractuele actie veronderstelt, niet kan worden beweerd dat er geen ruimte bestaat voor een andere contractuele actie, namelijk het vastleggen van een bescherming voor de meewerkende echtgenoot. A.3.
  15. De Ministerraad betoogt ook dat bij rechtspersonen geen ruimte voor medewerking bestaat, nu het mandaat een intuitu personae-karakter vertoont, zodat in beginsel de echtgenoten van de bedrijfsleiders, de bedrijfsleiders niet kunnen bijstaan - op straffe voor de bedrijfsleider het hem door de rechtspersoon toevertrouwde mandaat te schenden - en zulks in tegenstelling tot de zelfstandige die zijn handel, nijverheid of beroep uit eigen naam uitvoert en uiteraard zelf beslist op wie hij een beroep doet. A.3.
  16. De Ministerraad oordeelt ten slotte dat de in de bestreden bepaling vervatte maatregel voldoet aan het evenredigheidscriterium en dat het aan het Hof niet toekomt om na te gaan of het nagestreefde doel niet met andere maatregelen kan worden bereikt. A.4.
  17. In hun memorie van antwoord oordelen de verzoekende partijen in eerste instantie dat de Ministerraad niet repliceert op verschillende in hun verzoekschrift ontwikkelde argumenten. Ze herhalen die argumenten en beklemtonen dat, als rekening wordt gehouden met de ratio legis van het sociaal statuut, fiscale differentiaties niet als maatstaf voor de sociale bescherming van de meewerkende echtgenoten kunnen worden genomen. A.4.
  18. De verzoekende partijen betogen eveneens, met verwijzing naar rechtspraak van het Hof, dat eenieder het recht heeft zijn activiteit in een vennootschap onder te brengen en daarvoor niet mag worden gestraft. Dat geldt a fortiori voor de echtgenoten. Daarom betwisten ze de stellingen van de Ministerraad die erop neerkomen dat wie een vennootschap opricht, daarvan de gevolgen moet dragen. Bovendien gaan de verzoekende partijen niet akkoord met de stelling van de Ministerraad dat een vennootschapsstructuur steeds een zekere activiteitsomvang vereist en dat in dergelijke grotere structuren de bescherming van de echtgenoot van de bedrijfsleider minder nodig is, omdat de zelfstandige bedrijfsleider het nodige zal doen om de sociale bescherming te garanderen. Die laatste stelling gaat, volgens de verzoekende partijen, in tegen de bedoeling van de wetgever, die een sociaal statuut voor de meewerkende echtgenoten heeft willen creëren om de echtgenoten niet langer afhankelijk te maken van hun partner. De argumentatie gaat eveneens in tegen de emancipatiegedachte en het gelijkekansenbeleid. A.4.
  19. Ten slotte oordelen de verzoekende partijen dat het argument van de Ministerraad, afgeleid uit het intuitu personae-karakter van het mandaat van bestuurder, « volslagen nieuw is en pour les besoins de la cause lijkt uitgevonden ». Dat argument wijst bovendien op een te schrale kijk op de taken van de bedrijfsleider. De Ministerraad scheert alle bedrijfsleiders over dezelfde kam, wat niet te verenigen is met de in artikel 32 van het W.I.B. 1992 opgenomen onderverdeling, waarin heel wat bedrijfsleiders voorkomen die helemaal geen bestuurdersmandaat hebben. De verwijzing in de bestreden bepaling naar de echtgenoten van bedrijfsleiders vormt overigens een weerlegging van het argument van de Ministerraad; die verwijzing houdt volgens de verzoekende partijen in dat medewerking mogelijk is. 6 -B- Ten aanzien van het belang B.1.
  20. De Ministerraad oordeelt dat de zevende verzoekende partij niet doet blijken van het vereiste belang, vermits die partij de voordelen van het sociaal statuut van de meewerkende echtgenoot geniet, en bijgevolg niet rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt door het bestreden artikel. De omstandigheid dat haar echtgenoot zou overwegen een vennootschap op te richten, wat tot gevolg zou hebben dat de verzoekende partij de voordelen van het sociaal statuut van de meewerkende echtgenoot zou verliezen, heeft volgens de Ministerraad geen enkele invloed op de rechten die zij thans geniet. B.1.
  21. In haar memorie van antwoord wijst de zevende verzoekende partij erop dat haar echtgenoot ondertussen een vennootschap heeft opgericht en legt daarvoor de nodige bewijsstukken neer. Daaruit volgt dat de rechtssituatie van de zevende verzoekende partij rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt door het bestreden artikel. B.1.
  22. De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van het bestreden artikel en de omvang van het beroep B.2.
  23. Het beroep beoogt de vernietiging van artikel 42 van de programmawet van 8 april 2003, in zoverre dat artikel, enerzijds, een nieuw tweede lid toevoegt aan paragraaf 1 van artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen (hierna : koninklijk besluit nr. 38) en, anderzijds, een wijziging aanbrengt in het derde lid - dat ingevolge het bestreden artikel het vierde lid is geworden - van diezelfde paragraaf. Paragraaf 1 van artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38, zoals vervangen door het bestreden artikel, luidt als volgt : « §
  24. De echtgenoot of echtgenote van een zelfstandige bedoeld in artikel 2, die, in de loop van een bepaald jaar, geen beroepsactiviteit uitoefent die voor hem eigen rechten opent 7 op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering, die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut der zelfstandigen, noch een uitkering geniet in het raam van de sociale zekerheid die voor hem dergelijke eigen rechten opent, wordt vermoed, voor datzelfde jaar, met uitzondering van de kwartalen tijdens dewelke de geholpen zelfstandige geen activiteit uitoefent die de onderwerping aan dit besluit met zich meebrengt, meewerkende echtgenoot te zijn en bijgevolg onderworpen te zijn aan dit besluit als helper in de zin van artikel
  25. Het voorgaand lid is niet van toepassing op de echtgenoot of de echtgenote van een zelfstandig bedrijfsleider zoals bedoeld in artikel 32 WIB
  26. Personen bedoeld in het eerste lid, die niet voldoen aan de omschrijving van artikel 6, dienen een verklaring op erewoord, waarvan de toepassingsmodaliteiten door de Koning worden bepaald, af te leggen om dit vermoeden te weerleggen. Bij niet-naleving van deze verplichting is er verval van recht op uitkeringen, onverminderd de mogelijkheid voor de Koning om een administratieve boete van maximaal 500 euro op te leggen. Het toepassingsgebied van dit artikel wordt verruimd tot de ongehuwde helper van een zelfstandige die met die zelfstandige, die geen bedrijfsleider is zoals bedoeld in het tweede lid, verbonden is door een verklaring van wettelijke samenwoning. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing ten aanzien van de betrokken personen. » B.2.
  27. Uit het door de verzoekende partijen aangevoerde middel blijkt dat het beroep gericht is tegen het tweede lid van paragraaf 1 van artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 en tegen de in het vierde lid van die paragraaf opgenomen woorden « die geen bedrijfsleider is zoals bedoeld in het tweede lid ». Ten aanzien van de in de bestreden bepalingen vervatte maatregel B.3.
  28. De bestreden bepalingen dienen te worden begrepen als correcties op het bij de programmawet (I) van 24 december 2002 ingevoerde sociaal en fiscaal statuut van de meewerkende echtgenoten, reden waarom die bepalingen, luidens artikel 44 van de programmawet van 8 april 2003, uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2003, datum waarop het bij de programmawet (I) van 24 december 2002 ingevoerde sociaal en fiscaal statuut van de meewerkende echtgenoten in werking is getreden. Uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de programmawet (I) van 24 december 2002 blijkt dat de wetgever, niettegenstaande de tekst van de wet anders kon worden geïnterpreteerd, van meet af aan de bedoeling had de echtgenoten van personen die fiscaalrechtelijk als bedrijfsleiders moeten worden beschouwd uit te sluiten van het nieuwe 8 sociaal en fiscaal statuut van de meewerkende echtgenoten (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001, p. 22). Luidens de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de bestreden bepalingen heeft de wetgever de oorspronkelijke bedoeling uitdrukkelijk in de tekst van artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 willen opnemen (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2343/001, p. 16). B.3.
  29. Ofschoon het beroep tot vernietiging zich beperkt tot artikel 42 van de programmawet van 8 april 2003, dient eveneens rekening te worden gehouden met de artikelen 96 en 99 van de programmawet van 22 december
  30. Door die artikelen worden de bepalingen met betrekking tot het sociaal statuut van de meewerkende echtgenoten opnieuw, met ingang van 1 januari 2003, gecorrigeerd. Naar luid van de memorie van toelichting heeft de wetgever de « letter van de wet » opnieuw willen aanpassen aan de oorspronkelijke bedoeling en enkele lacunes willen opvullen die in een vroegere fase over het hoofd werden gezien (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0473/001, pp. 46 en 47). Teneinde elke mogelijke onduidelijkheid weg te nemen, werd artikel 7, 1°, van het koninklijk besluit nr. 38 overgenomen « in die zin dat ondubbelzinnig wordt bepaald dat men als meewerkende echtgenoot, met ingang van 1 januari 2003, hetzij onder toepassing valt van artikel 7bis hetzij niet verzekeringsplichtig is in het sociaal statuut der zelfstandigen » (ibid., p. 47). Ten gronde B.
  31. Volgens de verzoekende partijen schenden de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de echtgenoten en de wettelijk samenwonende partners van zelfstandige bedrijfsleiders, zoals bedoeld in artikel 32 van het W.I.B. 1992, zonder objectieve en redelijke verantwoording worden uitgesloten van het voor de meewerkende echtgenoten van toepassing zijnde sociaal statuut, zoals geregeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr.
  32. B.5.
  33. Luidens het eerste lid van paragraaf 1 van artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 wordt de echtgenoot of de echtgenote van een zelfstandige vermoed meewerkende 9 echtgenoot te zijn en bijgevolg als helper te zijn onderworpen aan het besluit, wanneer die echtgenoot of echtgenote geen beroepsactiviteit uitoefent die eigen rechten opent op bepaalde uitkeringen, noch een uitkering geniet in het raam van de sociale zekerheid die dergelijke rechten opent. Het laatste lid van die paragraaf bepaalt dat dit vermoeden, onder de door de Koning te bepalen nadere voorwaarden, ook geldt voor de ongehuwde helper van een zelfstandige die met die zelfstandige verbonden is door een verklaring van wettelijke samenwoning. B.5.
  34. Rekening houdend met de artikelen 96 en 99 van de programmawet van 22 december 2003, zoals beschreven in B.3.2, brengen de bestreden bepalingen met zich mee dat de echtgenoten en de wettelijk samenwonende partners van zelfstandige bedrijfsleiders, zoals bedoeld in artikel 32 van het W.I.B. 1992, worden uitgesloten van het in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 geregelde sociaal statuut van de meewerkende echtgenoten. Bijgevolg verkeren die echtgenoten en partners, in tegenstelling tot andere echtgenoten en partners van zelfstandigen, in de onmogelijkheid om, in de hoedanigheid van meewerkende echtgenoot, toe te treden tot het sociaal statuut van de zelfstandigen. B.6.
  35. De in de bestreden bepalingen bedoelde echtgenoten en partners worden onderscheiden van andere echtgenoten en partners van zelfstandigen, doordat zij echtgenoot of partner zijn van een zelfstandige bedrijfsleider, zoals bedoeld in artikel 32 van het W.I.B.
  36. Onder de in dat artikel bedoelde zelfstandige bedrijfsleiders dienen te worden begrepen de natuurlijke personen die hetzij een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefenen, hetzij in de vennootschap een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard uitoefenen buiten een arbeidsovereenkomst. Daaruit volgt dat natuurlijke personen slechts als bedrijfsleiders kunnen worden aangezien, in zoverre ze hun opdracht, functie of werkzaamheid uitoefenen in het kader van een rechtspersoon. 10 B.6.
  37. De bestreden bepalingen creëren aldus een onderscheid gebaseerd op de aard van de zelfstandige beroepswerkzaamheid van de echtgenoot of van de partner. Terwijl de echtgenoten en de partners van beoefenaars van vrije beroepen, handelaars, nijveraars en landbouwers die hun beroepswerkzaamheden niet uitoefenen in het kader van een rechtspersoon, vermoed worden meewerkende echtgenoot te zijn en bijgevolg onderworpen te zijn aan het sociaal statuut van de zelfstandigen, is het niet mogelijk als meewerkende echtgenoot te worden beschouwd wanneer de echtgenoot of de partner zijn opdracht, functie of werkzaamheid als zelfstandige, uitoefent in het kader van een rechtspersoon. Het onderscheid berust bijgevolg op een objectief criterium. B.7.
  38. Tijdens de parlementaire voorbereiding werden de aangevochten bepalingen verantwoord als volgt : « […] na het eerste lid wordt een nieuw lid ingevoegd waarbij uitdrukkelijk de echtgenoten van zelfstandige bedrijfsleiders worden uitgesloten van het toepassingsgebied van het nieuwe statuut van de meewerkende echtgenoten. Deze bepaling ligt in het verlengde van de terzake geldende fiscale wetgeving die het voor deze personen onmogelijk maakt een meewerkinkomen toe te kennen aan hun echtgenoot. Om redenen van coherentie tussen de fiscale en de sociale wetgeving was het noodzakelijk te verhinderen dat deze personen op sociaal vlak wel zouden onderworpen zijn aan het specifieke statuut voor meewerkende echtgenoten. » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2343/001, pp. 16 en 17) B.7.
  39. Uit de parlementaire voorbereiding, zoals geciteerd in B.7.1, blijkt dat de wetgever het sociaal statuut van de meewerkende echtgenoten heeft willen afstemmen op hun fiscaal statuut, en meer in het bijzonder op de in artikel 33 van het W.I.B. 1992 vervatte regel, naar luid waarvan alle toekenningen van een deel van de winst en de baten aan de meewerkende echtgenoot die tijdens het belastbaar tijdperk geen beroepsactiviteit uitoefent die voor hem rechten opent op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering geniet binnen het raam van de sociale zekerheid die voor hem dergelijke rechten opent, fiscaalrechtelijk als « bezoldigingen van meewerkende echtgenoten » worden beschouwd. De in artikel 33 van het W.I.B. 1992 vervatte regel is door de programmawet (I) van 24 december 2002, onder de volgende verantwoording, in het Wetboek van de inkomstenbelastingen ingevoegd : 11 « Het is inderdaad zo dat het herdefiniëren van de toekenning aan de medewerkende echtgenoot op sociaal vlak als zijnde een volledig eigen inkomen van de medewerkende echtgenoot dat als grondslag kan dienen voor de berekening van sociale bijdragen en dus sociale rechten opent, enkel werkbaar is indien dit ook op fiscaal vlak zo is. Momenteel is de toekenning van een deel van de winst of de baten immers geen volwaardig beroepsinkomen. Het zorgt enkel voor een herverdeling van de hogere inkomsten van de ene echtgenoot over de beide echtgenoten. » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2124/001, p. 27) B.7.
  40. De wetgever vermocht van oordeel te zijn dat het inkomen van de meewerkende echtgenoot enkel als basis kan dienen voor de berekening van sociale bijdragen, die leiden tot socialezekerheidsrechten, wanneer dat inkomen ook fiscaal als een volwaardig beroepsinkomen wordt gekwalificeerd. Daaruit volgt eveneens dat de wetgever van oordeel vermocht te zijn dat wanneer fiscaalrechtelijk niet kan worden gesproken van een volwaardig beroepsinkomen, er evenmin sprake kan zijn van een beroepsinkomen dat als basis kan dienen voor de berekening van sociale bijdragen. B.8.
  41. Door te verwijzen naar de in het fiscaal recht geldende regeling moet de wetgever worden geacht, bij het aannemen van de bestreden bepalingen, eenzelfde doelstelling te hebben nagestreefd als bij het aannemen van de fiscale regeling waarnaar wordt verwezen. B.8.
  42. De fiscale regel die het de bedrijfsleiders onmogelijk maakt een meewerkinkomen toe te kennen aan hun echtgenoten, vindt zijn oorsprong in het koninklijk besluit van 20 december 1996 « houdende diverse fiscale maatregelen, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie », dat bekrachtigd werd bij de wet van 13 juni
  43. Bij dat koninklijk besluit werd de voor de werkende vennoten van personenvennootschappen bestaande mogelijkheid om fiscaalrechtelijk een « meewerkinkomen » toe te kennen aan de meewerkende echtgenoten - mogelijkheid die niet bestond voor bestuurders van kapitaalvennootschappen - afgeschaft, met als doel « het eenvormig maken van het belastingstelsel van kapitaal- en personenvennootschappen […] [en] van het belastingsstelsel dat van toepassing is op inkomsten van natuurlijke personen uit een opdracht van bestuurder of zaakvoerder van een vennootschap » (Verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad van 31 december 1996, vierde editie, p. 32635) en met de verantwoording 12 dat de voor de werkende vennoten van personenvennootschappen bestaande mogelijkheid « een overblijfsel [was] uit de tijd waarin de aan de werkende vennoten toegekende inkomsten als ondernemingswinst werden aangemerkt en waarin de vennoten van personenvennootschappen konden kiezen voor het belasten van de inkomsten van de vennootschap in de personenbelasting » (ibid., p. 32641). Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juni 1997, die het koninklijk besluit van 20 december 1996 heeft bekrachtigd, verklaarde de bevoegde Minister bovendien : « De zin van de maatregel bestaat er voorts in dat een einde wordt gesteld aan een discussie omtrent de werkelijke situatie van de meewerkende echtgenoot ten opzichte van zowel de andere echtgenoot als ten opzichte van de vennootschap. Soms was het niet duidelijk of hij in dienst van de vennootschap was, of werkelijk zijn echtgenoot hielp. » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 925/8, p. 36) B.9.
  44. Daaruit volgt dat de wetgever onder meer tot doel had duidelijkheid te scheppen over het statuut van de echtgenoten van bedrijfsleiders van vennootschappen en rechtspersonen, in die zin dat er tussen, enerzijds, de echtgenoten van bedrijfsleiders en, anderzijds, de vennootschap of de rechtspersoon waarin die bedrijfsleiders actief zijn, in beginsel geen juridische relatie bestaat, tenzij die relatie zou worden gecreëerd, bijvoorbeeld in de vorm van een arbeidsovereenkomst, een lastgeving of door toetreding tot het vennootschapscontract. B.9.
  45. Rekening houdend met het feit dat de wetgever - zoals uiteengezet in B.7.3 - vermocht van oordeel te zijn dat het inkomen van de meewerkende echtgenoot slechts als basis kan dienen voor de berekening van sociale bijdragen wanneer dat inkomen ook fiscaal als een volwaardig beroepsinkomen wordt gekwalificeerd, is het in de bestreden bepalingen gecreëerde onderscheid tussen, enerzijds, echtgenoten en partners van bedrijfsleiders en, anderzijds, echtgenoten en partners van andere zelfstandigen, pertinent ten aanzien van de in B.9.1 aangehaalde doelstelling. De uitsluiting van de echtgenoten van bedrijfsleiders, zoals bedoeld in artikel 32 van het W.I.B. 1992, van het sociaal statuut der zelfstandigen zou onevenredige gevolgen hebben indien zij ertoe zou leiden die echtgenoten te beroven van ieder voordeel inzake socialezekerheidsrechten. De bestreden bepalingen leiden evenwel niet tot dergelijke 13 gevolgen, vermits de echtgenoten, zonder persoonlijke bijdragen te hebben betaald, via hun echtgenoot afgeleide socialezekerheidsrechten genieten, onder meer inzake kinderbijslag, ziekteverzekering en pensioenen. Bovendien beschikken de echtgenoten en de partners van bedrijfsleiders in beginsel over de mogelijkheid hun activiteit zodanig te organiseren dat daardoor eigen socialezekerheidsrechten worden geopend. De door de verzoekende partijen aangevoerde omstandigheid dat bepaalde deontologische voorschriften ertoe zouden leiden dat personen die niet over een bepaalde beroepstitel beschikken, verhinderd worden vennoot of lasthebber van een vennootschap te worden, is niet van die aard dat daardoor de evenredigheid van de bestreden bepalingen in het gedrang zou worden gebracht. B.
  46. Uit die overwegingen volgt dat de niet-onderwerping van de echtgenoten en de wettelijk samenwonende partners van bedrijfsleiders, zoals bedoeld in artikel 32 van het W.I.B. 1992, aan het in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 geregelde sociaal statuut van de meewerkende echtgenoten niet als discriminerend kan worden beschouwd. Het middel kan niet worden aangenomen. 14 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 juli
  47. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.137 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.