id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.138 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040722.10 Arrest- Rolnummer: 138-2004;2804 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-21 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-07-04 00:07 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zendt de prejudiciële vraag terug naar de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 31 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, gesteld door de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Tekst van de beslissing Rolnummer 2804 Arrest nr. 138/2004 van 22 juli 2004 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 31 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, gesteld door de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij beslissing van 10 oktober 2003 in zake J. Ramoudt, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 16 oktober 2003, heeft de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Zijn de bewoordingen van artikel 34 van de wet van 1 augustus 1985 [houdende fiscale en andere bepalingen], rekening houdend met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet in tegenspraak met die van artikel 31 (dat bepaalt dat een slachtoffer een verzoekschrift kan indienen na zich burgerlijke partij te hebben gesteld, een rechtstreekse dagvaarding te hebben uitgebracht of een procedure te hebben ingeleid bij de burgerlijke rechtbank) aangezien in artikel 34 niet meer wordt verwezen naar de burgerlijke rechtspleging, terwijl de twee artikelen klaarblijkelijk in samenhang moeten worden gelezen ? Naar gelang van het antwoord op die vraag, dient één van de twee volgende prejudiciële subvragen te worden beantwoord : 1) Indien de bewoordingen van artikel 34 in tegenspraak zijn met die van artikel 31, schendt artikel 34 van de wet van 1 augustus 1985 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden die geopteerd hebben voor een rechtspleging voor de burgerlijke rechtscolleges uitsluit van het voordeel van de wet, in tegenstelling tot de slachtoffers die op grond van een definitieve strafrechtelijke beslissing een verzoekschrift hebben ingediend ? 2) Indien de bewoordingen van artikel 34 niet in tegenspraak zijn met die van artikel 31, schenden de artikelen 31 en 34 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en zijn zij discriminerend doordat zij het verzoekschrift van een slachtoffer dat steunt op een definitief vonnis uitgesproken door een burgerlijk rechtscollege waarbij de aansprakelijkheid van de daders wordt erkend, onontvankelijk verklaren, in tegenstelling tot het verzoekschrift van een slachtoffer dat gebaseerd is op een vonnis uitgesproken door de strafrechter ? » De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 25 mei 2004 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 16 juni 2004 na de Ministerraad te hebben uitgenodigd zich ter terechtzitting nader te verklaren over de weerslag, op de prejudiciële vragen, van de wijzigingen die bij de wet van 26 maart 2003 in de voormelde wet van 1 augustus 1985 zijn aangebracht. Op de openbare terechtzitting van 16 juni 2004 : - is verschenen : Mr. M. Mareschal, tevens loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoekster voor de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden wordt op 22 december 1996 zwaar toegetakeld door haar ex-partner. Zij dient klacht in en het dossier wordt op 14 april 1997 geseponeerd. De raadsman van de verzoekster leidt vervolgens een burgerlijke procedure in. Bij vonnissen van 17 november 1999 en 16 januari 2002 veroordeelt de Rechtbank van eerste aanleg te Doornik de dader tot betaling van een geldsom aan de verzoekster. Het verzoekschrift wordt op 16 oktober 2002 ingediend bij de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. De Commissie spreekt zich eerst uit over de ontvankelijkheid van de vordering. Op grond van artikel 34, § 2, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, merkt de Commissie op dat in dit geval geen uitspraak is gedaan over de strafvordering door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, aangezien de seponering daarmee niet kan worden gelijkgesteld. De gemachtigde van de Minister van Justitie voert voor de Commissie aan dat de artikelen 31 en 34 van de wet in samenhang dienen te worden gelezen omdat de procedure voor de burgerlijke rechtbank en de rechtstreekse vordering door de wetgever zijn ingevoerd om de personen die zich geen burgerlijke partij hadden gesteld terwijl reeds een strafrechtelijke beslissing was uitgesproken, in staat te stellen hulp aan te vragen. De raadsman van de verzoekster wijst erop dat volgens hem de bewoordingen van artikel 34 in tegenspraak zijn met die van artikel 31 dat bepaalt dat een slachtoffer een verzoekschrift kan indienen hetzij na zich burgerlijke partij te hebben gesteld, hetzij na een rechtstreekse dagvaarding te hebben uitgebracht, hetzij na een procedure te hebben ingeleid voor de burgerlijke rechtbank. In artikel 34 wordt echter niet meer verwezen naar de burgerlijke procedure, terwijl die twee artikelen in samenhang moeten worden gelezen. Volgens de raadsman van de verzoekster gaat het waarschijnlijk om een vergetelheid van de wetgever. De raadsman geeft vervolgens aan dat het niet meer mogelijk is een rechtstreekse dagvaarding uit te brengen en/of zich bij een onderzoeksrechter burgerlijke partij te stellen, omdat de feiten verjaard zijn. De verzoekster beschikt bijgevolg niet over een rechtsmiddel om schadevergoeding te verkrijgen. Artikel 34 van de wet van 1 augustus 1985 geeft aldus aanleiding tot discriminatie tussen twee categorieën van slachtoffers : diegenen die voor de strafrechtelijke weg hebben gekozen en diegenen die voor de burgerrechtelijke weg hebben geopteerd. Die verschillende behandeling lijkt niet op objectieve criteria te berusten en stemt zeker niet overeen met de ratio legis die erin bestaat ieder slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad in staat te stellen schadevergoeding te verkrijgen wanneer de dader hetzij insolvabel is, hetzij onbekend is gebleven. De raadsman van de verzoekster vraagt dus dat de bovenvermelde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof zou worden gesteld. De Commissie stelt de prejudiciële vraag in haar hoedanigheid van administratief rechtscollege. 4 III. In rechte -A- Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad merkt in de eerste plaats op dat uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prejudiciële vraag alleen betrekking heeft op paragraaf 1, 3°, van artikel 31 en op paragraaf 2, derde lid, van artikel 34 van de in het geding zijnde wet. A.
- De Ministerraad geeft vervolgens nauwkeurig de wijzigingen aan die in de artikelen 31 en 34 van de in het geding zijnde wet zijn aangebracht bij de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaarden waaronder de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen en bij de wet van 22 april 2003 houdende de samenstelling en werking van de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Bij artikel 2 van de eerstgenoemde wet wordt het vroegere artikel 31 vervangen door een bepaling die de personen aangeeft die recht hebben op hulp; bij artikel 3 van die wet wordt een nieuw artikel 31bis ingevoegd waarin de toekenningsvoorwaarden van de hulp aan slachtoffers van misdrijven worden gespecificeerd. Krachtens artikel 13 ervan is de wet van 26 maart 2003 van toepassing op de verzoeken die hangende zijn bij de Commissie op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, bij koninklijk besluit van 19 december 2003 is vastgesteld op 1 januari
- De Ministerraad meent dan ook dat de prejudiciële vraag die bij het Hof aanhangig is gemaakt dient te worden onderzocht in het licht van dat artikel 31bis, en niet van het vroegere artikel
- Uit die nieuwe bepaling volgt duidelijk dat de wetgever de vroegere wetgeving heeft willen verduidelijken door de voorwaarde van het vroegere artikel 31, § 1, 3°, en die van het vroegere artikel 34, § 2, derde lid, samen te voegen. Die bedoeling wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de wet. Bij artikel 5 van de wet van 22 april 2003 is artikel 34 gewijzigd; het nieuwe artikel 34 is echter niet van toepassing op deze zaak doordat artikel 11 van die wet bepaalt dat, met uitzondering van artikel 5, de wet van toepassing is op de verzoeken die hangende zijn bij de Commissie op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, namelijk op 1 januari 2004, overeenkomstig artikel 12 van de wet. De Ministerraad onderstreept echter dat het nieuwe artikel 34 volledig in de lijn ligt van de inhoud van het nieuwe artikel 31bis. De stukken die de verzoeker bij zijn aanvraag moet voegen, moeten immers onder andere aantonen dat de voorwaarden van artikel 31bis, 3°, van de wet van 1 augustus 1985 vervuld zijn. A.
- De Ministerraad besluit dat, rekening houdend met de wijziging van artikel 31 van de in het geding zijnde wet en met de invoeging van artikel 31bis, dient te worden vastgesteld dat de prejudiciële vraag geen voorwerp meer heeft. Het feit dat het vroegere artikel 34 op deze zaak van toepassing blijft, ontkracht die conclusie niet omdat de inhoud van dat artikel in overeenstemming is met het voorschrift van het nieuwe artikel 31bis. De prejudiciële vraag dient dus niet te worden beantwoord. A.
- Subsidiair is de Ministerraad van mening dat het Hof niet bevoegd is om te antwoorden op de vraag omdat ze betrekking heeft op een onderzoek naar een eventuele tegenspraak tussen twee wetsbepalingen. Het arrest nr. 98/2000 van 26 september 2000 wordt ter ondersteuning van die stelling aangevoerd. De Ministerraad doet verder nog gelden dat in de vraag geen verschil in behandeling tussen twee categorieën van personen aan het Hof wordt voorgelegd, en dat de vraag bijgevolg geen antwoord behoeft. Verschillende arresten van het Hof worden ter ondersteuning van die stelling aangevoerd. A.
- Uiterst subsidiair oordeelt de Ministerraad dat het verschil in behandeling niet strijdig is met het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 31bis van de in het geding zijnde wet bepaalt onder andere als toekenningsvoorwaarde dat een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering is genomen, waardoor de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden die zich niet op zulk een beslissing kunnen beroepen maar die hebben gekozen voor een burgerlijke procedure, geen schadevergoeding kunnen verkrijgen. De Ministerraad is van oordeel dat de aldus geëiste rechterlijke beslissing een objectief en pertinent criterium van onderscheid vormt. Het doel van de wetgever is legitiem; de financiële tegemoetkoming voor de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden gaat terug op een beginsel van collectieve solidariteit tussen de burgers van eenzelfde natie, en niet op een vermoeden van fout dat op de Staat zou wegen omdat hij het misdrijf niet heeft kunnen voorkomen. De Ministerraad herinnert aan de inhoud van het arrest nr. 61/98 van 4 juni 1998 van het Hof. 5 Volgens de Ministerraad lijkt het ten slotte niet onevenredig van het slachtoffer te eisen dat het een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering kan voorleggen. Volgens de wetgever was het immers van belang dat een rechtscollege, ongeacht of het een onderzoeksgerecht dan wel een vonnisgerecht is, zich vooraf heeft uitgesproken over de werkelijkheid van de feiten die de verzoeker aanklaagt. Het inleiden van een burgerlijke procedure waarmee de verzoeker schadevergoeding nastreeft, is een modaliteit van de bijkomende voorwaarde van artikel 31bis, eerste lid, 3°, van de wet. Welke ook de procedure is waarvoor het slachtoffer gekozen heeft om schadevergoeding na te streven, het moet kunnen bewijzen dat een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering is genomen. Doordat de in het geding zijnde bepaling een identieke voorwaarde oplegt aan al wie hulp aanvraagt, worden alle slachtoffers op voet van gelijkheid gesteld. -B- B.
- De Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden (thans de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden) stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 31 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen doordat, ingevolge die artikelen, de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden die geopteerd hebben voor een rechtspleging voor de burgerlijke rechtbank, verschillend zouden worden behandeld in vergelijking met de slachtoffers die op grond van een definitieve strafrechtelijke beslissing bij haar een verzoekschrift hebben ingediend. B.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat alleen paragraaf 1, 3°, van artikel 31 en paragraaf 2, derde lid, van artikel 34 van de in het geding zijnde wet door de prejudiciële vraag worden beoogd. B.
- Op het ogenblik dat de verwijzende rechter heeft beslist de prejudiciële vraag te stellen, op 10 oktober 2003, bepaalden de artikelen 31 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 het volgende : « Art.
- §
- Wie ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor zijn gezondheid heeft ondervonden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad in België gepleegd, kan een hulp aanvragen en wel onder de volgende voorwaarden :
- het nadeel lijkt niet voldoende en op daadwerkelijke wijze door andere middelen te kunnen worden hersteld, zoals door betaling van schadevergoeding door de dader of door betaling van ieder bedrag met betrekking tot de schade door een stelsel van maatschappelijke zekerheid of van schadeloosstelling ten gevolge van arbeidsongevallen of beroepsziekten, dan wel van een private verzekering; 6
- het slachtoffer moet, op het ogenblik dat de gewelddaad wordt gepleegd, de Belgische nationaliteit bezitten of gerechtigd zijn het Rijk binnen te komen, er te verblijven of er zich te vestigen;
- het slachtoffer moet zich burgerlijk partij hebben gesteld uit hoofde van de bestanddelen van het strafbare feit van de opzettelijke gewelddaad of een rechtstreekse dagvaarding hebben uitgebracht of een procedure hebben ingeleid bij de burgerlijke rechtbank. » « Art.
- §
- […] §
- […] Het verzoekschrift kan slechts worden ingediend nadat door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing uitspraak is gedaan over de strafvordering, of, indien de dader niet kan worden vervolgd of veroordeeld na de beslissing van het onderzoeksgerecht. Het mag eveneens worden ingediend indien de dader onbekend blijft nadat een termijn van een jaar is verlopen na de datum van de burgerlijke partijstelling. » B.
- Het Hof stelt vast, zoals door de Ministerraad is opgemerkt, dat die bepalingen zijn gewijzigd bij de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaarden waaronder de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen, die het in het geding zijnde artikel 31 van de wet vervangt en een artikel 31bis invoegt, dat bepaalt : « De financiële hulp als bedoeld in artikel 31 wordt toegekend onder de volgende voorwaarden : 1° De gewelddaad is in België gepleegd. Hiermee wordt een in het buitenland gepleegde opzettelijke gewelddaad, waarvan een in artikel 42, § 2, bedoeld persoon in bevolen dienst het slachtoffer is, gelijkgesteld. 2° Het slachtoffer bezit op het moment van de gewelddaad de Belgische nationaliteit, is gerechtigd het Rijk binnen te komen, er te verblijven of er zich te vestigen, of heeft naderhand van de Dienst Vreemdelingenzaken een verblijfsvergunning van onbepaalde duur verkregen in het kader van een onderzoek wegens mensenhandel. 3° Er is een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering genomen en de verzoeker heeft schadevergoeding nagestreefd door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank. Indien het strafdossier geseponeerd is wegens het onbekend blijven van de dader, kan de commissie oordelen dat het voldoende is dat de verzoeker klacht heeft ingediend of de hoedanigheid van benadeelde persoon heeft aangenomen. De hulp kan ook worden aangevraagd indien er meer dan een jaar verstreken is sinds de datum van de burgerlijke partijstelling en de dader onbekend blijft. 7 4° Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen. 5° De schade kan niet afdoende worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier. » Overeenkomstig artikel 14 ervan is die wet in werking getreden op 1 januari 2004, op grond van artikel 24 van het koninklijk besluit van 19 december 2003 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en van het artikel 29, tweede lid van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen ». Overeenkomstig artikel 13 van de wet van 26 maart 2003 zijn de wijzigingen die in de artikelen 31 en 31bis zijn aangebracht, van toepassing op de verzoeken die hangende zijn bij de Commissie op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet. B.
- Rekening houdend met de gewijzigde artikelen 31 en 31bis, die van toepassing zijn op de verzoeken die hangende zijn bij de Commissie, dient de zaak te worden teruggezonden naar die Commissie opdat zij nagaat of het antwoord op de prejudiciële vraag nog dienstig is. 8 Om die redenen, het Hof zendt de prejudiciële vraag terug naar de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div