← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.140

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 juli 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.140 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040722.3 Arrest- Rolnummer: 140-2004;2851 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-21 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-04 00:00 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 1465 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat het enkel de rechten van kinderen uit een vorig huwelijk beschermt en niet de rechten van buitenhuwelijkse kinderen, geboren vóór het huwelijk. - Dezelfde bepaling schendt de voormelde grondwetsbepalingen niet in de interpretatie dat ze niet enkel de rechten van kinderen uit een vorig huwelijk maar ook de rechten van buitenhuwelijkse kinderen, geboren vóór het huwelijk, beschermt. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1465 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Tekst van de beslissing Rolnummer 2851 Arrest nr. 140/2004 van 22 juli 2004 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1465 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 14 november 2003 in zake F. Ceusters tegen L. Veny, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 2 december 2003, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1465 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, indien het in die zin wordt uitgelegd dat het enkel de rechten van kinderen uit een vorig huwelijk en niet de rechten van buitenhuwelijkse kinderen, geboren vóór het huwelijk beschermt ? » Memories zijn ingediend door F. Ceusters, wonende te 3001 Heverlee, Petrusberg 35, en de Ministerraad; F. Ceusters heeft eveneens een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 16 juni 2004 : - zijn verschenen : . Mr. K. Stas, advocaat bij de balie te Leuven, voor F. Ceusters; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil D. Schuurmans is op 19 juli 2001 overleden. Zij was gehuwd met L. Veny maar had twee kinderen uit een vroegere relatie met F. Ceusters. Op 7 mei 1999 deed D. Schuurmans aan haar echtgenoot een schenking van alles wat de wet haar op haar sterfdag zou toelaten te geven en dit zowel in volle eigendom als in vruchtgebruik of blote eigendom. In het kader van de vereffening en verdeling van de nalatenschap ontstaat een geschil over het toepassingsgebied van artikel 1465 van het Burgerlijk Wetboek, dat de reservataire rechten van de kinderen uit een vorig huwelijk beschermt. Volgens F. Ceusters is die bepaling ook van toepassing op de vóór het huwelijk verwekte en erkende buitenhuwelijkse kinderen. Volgens L. Veny moet de bepaling letterlijk worden geïnterpreteerd en is zij te dezen niet toepasselijk. De Rechtbank van eerste aanleg te Leuven is van oordeel dat F. Ceusters de uitdrukking « kinderen uit een vorig huwelijk » zeer ruim interpreteert. Interpretatie zou slechts dienen te gebeuren wanneer de wettekst op één of ander punt onduidelijk is. Toch ontkomt de Rechtbank niet aan de vaststelling dat de rechtsleer verdeeld is over het toepassingsgebied van artikel 1465 van het Burgerlijk Wetboek. 3 Alvorens over het geschil uitspraak te doen, stelt de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. Volgens F. Ceusters is het de bedoeling van de in het geding zijnde bepaling te voorkomen dat via huwelijkse voordelen - die in principe bedingen zijn tussen echtgenoten en dus handelingen onder bezwarende titel waartegen de reservataire erfgenamen niet zijn beschermd - de nalatenschap ten voordele van de stiefouder zou worden uitgehold en dit ten nadele van de kinderen uit een vorig huwelijk, die niet erven van de stiefouder. Aangezien afstamming binnen of buiten het huwelijk als evenwaardig wordt beschouwd, zou de in het geding zijnde bepaling ook moeten worden toegepast op buitenhuwelijkse kinderen van vóór het huwelijk. Op grond van artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek, zo merkt hij nog op, wordt aangenomen dat met kinderen uit een vroeger huwelijk moeten worden gelijkgesteld alle kinderen die de overledene vóór het huwelijk heeft gehad met een andere persoon dan zijn langstlevende echtgenoot voor zover tenminste hun afstamming vaststond. A.
  2. Ook de Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord. Sedert de inwerkingtreding van de wet van 31 maart 1987 worden verschillen in behandeling tussen kinderen verwekt binnen of buiten het huwelijk in beginsel als discriminerend beschouwd. De loutere veroordeling van het verschil in behandeling op grond van geboorte binnen of buiten het huwelijk zou evenwel volgens de Ministerraad onevenredige gevolgen kunnen hebben. De in het geding zijnde bepaling beoogt immers een evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de langstlevende echtgenoot en die van de niet-gemeenschappelijke kinderen. De Ministerraad komt tot de conclusie dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet slechts schendt in zoverre zij niet van toepassing is op kinderen die - zoals in het geval voor de verwijzende rechter - vóór het aangaan van het huwelijk gekend waren door de langstlevende echtgenoot. -B- B.
  3. Artikel 1465 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Ingeval er kinderen zijn uit een vroeger huwelijk, blijft elk beding in het huwelijkscontract hetwelk ten gevolge heeft dat aan een der echtgenoten meer wordt gegeven dan het beschikbaar gedeelte, zonder gevolg ten aanzien van het meerdere; gelijke verdeling van hetgeen is overgespaard van de wederzijdse inkomsten der echtgenoten, al zijn die ongelijk, wordt echter niet beschouwd als een voordeel waardoor de kinderen uit een vroeger huwelijk worden benadeeld. » B.
  4. De verwijzende rechter vraagt of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt indien ze in die zin wordt uitgelegd dat ze enkel de rechten van kinderen uit een vorig huwelijk en niet de rechten van buitenhuwelijkse kinderen, geboren vóór het huwelijk, beschermt. 4 B.
  5. Het onderscheid berust op een objectief criterium. Het Hof moet evenwel nagaan of dat criterium relevant is, rekening houdend met het onderwerp van de beschouwde norm. De controle door het Hof is strikter wanneer het fundamentele beginsel van de gelijkheid op grond van geboorte in het geding is. B.
  6. Nu de in het geding zijnde bepaling ertoe strekt de belangen van de kinderen van de overledene te beschermen, die immers geen wettelijke erfgenamen zijn van hun stiefouder, ziet het Hof niet in op grond waarvan die bescherming zou kunnen worden ontzegd aan de buitenhuwelijkse kinderen, geboren vóór het huwelijk. Kinderen mogen immers niet worden benadeeld wegens het feit dat hun ouders niet voor het huwelijk hebben gekozen. B.
  7. In de in B.2 vermelde interpretatie dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. B.
  8. Het Hof stelt evenwel vast dat de in het geding zijnde bepaling in die zin kan worden geïnterpreteerd dat ze niet enkel de rechten van kinderen uit een vorig huwelijk maar ook de rechten van buitenhuwelijkse kinderen, geboren vóór het huwelijk, beschermt. Zoals de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen, bepaalt artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek immers dat, ongeacht de wijze waarop de afstamming is vastgesteld, de kinderen en hun afstammelingen dezelfde rechten en plichten hebben ten opzichte van de ouders en hun bloed- en aanverwanten en vice versa. B.
  9. In de in B.6 vermelde interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 5 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 1465 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat het enkel de rechten van kinderen uit een vorig huwelijk beschermt en niet de rechten van buitenhuwelijkse kinderen, geboren vóór het huwelijk. - Dezelfde bepaling schendt de voormelde grondwetsbepalingen niet in de interpretatie dat ze niet enkel de rechten van kinderen uit een vorig huwelijk maar ook de rechten van buitenhuwelijkse kinderen, geboren vóór het huwelijk, beschermt. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 juli
  10. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.140 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.