id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.147 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040915.2 Arrest- Rolnummer: 147-2004;2768;2769 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-21 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-07-03 23:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de artikelen 10, ,§ 3, en 52 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt, in zoverre zij, wanneer een vennoot, in het geval dat zij beogen, uit de intercommunale treedt, niet bepalen dat de intercommunale kan worden vergoed voor de schade die zij als gevolg van die uittreding lijdt; - verwerpt de beroepen voor het overige. Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt, en inzonderheid van de artikelen 10, ,§ 3, 51, 52 en 74 ervan, ingesteld door de n.v. Electrabel en door Interost. Tekst van de beslissing Rolnummers 2768 en 2769 Arrest nr. 147/2004 van 15 september 2004 In zake : de beroepen tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt, en inzonderheid van de artikelen 10, § 3, 51, 52 en 74 ervan, ingesteld door de n.v. Electrabel en door Interost. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en L. Lavrysen, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 6 en 7 augustus 2003 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 7 en 8 augustus 2003, hebben de n.v. Electrabel, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Regentlaan 6, en de « Interkommunale Elektrizitäts- und Gasgesellschaft der Ostgebiete », afgekort Interost, met maatschappelijke zetel te 4700 Eupen, Vervierser Straße 64-68, beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt, en inzonderheid van de artikelen 10, § 3, 51, 52 en 74 ervan (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 februari 2003). Die zaken, ingeschreven onder de nummers 2768 en 2769 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de c.v.b.a. « L'Association liégeoise d'électricité », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 4000 Luik, rue Louvrex 95; - de Waalse Regering. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. De c.v.b.a. « L'Association liégeoise d'électricité » en de Waalse Regering hebben memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 4 mei 2004 : - zijn verschenen : . Mr. M. Uyttendaele, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. G. Sauvage en Mr. J. Everaert loco Mr. F. Herbert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de c.v.b.a. « L'Association liégeoise d'électricité »; . Mr. J. Sambon, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen A.1.
- De n.v. Electrabel voert aan dat zij, op grond van haar maatschappelijk doel zoals bepaald in haar statuten, rechtstreeks betrokken is bij het bestreden decreet, in het bijzonder bij de artikelen 10, § 3, en 52 ervan, die een mogelijkheid van onteigening van de distributienetten regelen, aangezien zij eigenaar of mede-eigenaar is van talrijke netten die op grond van die bepalingen kunnen worden onteigend. Zij preciseert dat zij vennoot is in talrijke gemengde intercommunales waarvan de activiteiten door het decreet zullen worden aangetast, wat haar een aanzienlijk financieel nadeel kan berokkenen. A.1.
- De « Interkommunale Elektrizitäts- und Gasgesellschaft der Ostgebiete » (hierna : Interost) voert aan dat zij statutair houder is van een gebruiksrecht op netten van gemeenten die erin geassocieerd zijn en dat zij zich kandidaat heeft gesteld voor het beheer van die distributienetten, hoewel die gemeenten hebben gekozen voor de intercommunale Association liégeoise d’électricité (hierna : A.L.E.). De artikelen 51, 52 en 74 van het bestreden decreet hebben tot gevolg, enerzijds, de regels inzake de aanwijzing van de distributienetbeheerder tijdens de procedure te wijzigen en, anderzijds, de onteigening mogelijk te maken van netten waarvoor zij houder is van een exclusief gebruiksrecht. A.1.3.
- De Waalse Regering voert een exceptie aan die is afgeleid uit de nietigheid van het verzoekschrift van de intercommunale Interost ten aanzien van artikel 62, tweede lid, van de bijzondere wet op het Arbitragehof. Zij voert aan dat tot het aandeelhouderschap van Interost, waarvan de maatschappelijke zetel in Eupen is gevestigd, de n.v. Electrabel, alsook gemeenten onderworpen aan de Duitse taalregeling en gemeenten onderworpen aan de Franse taalregeling behoren, en dat zij derhalve onderworpen is aan hoofdstuk VI van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
- Aangezien de Koning artikel 36, § 2, van die wetten niet ten uitvoer heeft gelegd, is de Waalse Regering van mening dat dient te worden uitgegaan van artikel 36, § 1, en dat, aangezien het gaat om een gewestelijke aangelegenheid in het Franstalige gebied, het verzoekschrift in het Frans had moeten worden opgesteld. A.1.3.
- Interost antwoordt dat artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken niet op haar van toepassing is, aangezien haar zetel is gevestigd te Eupen, dus in het Duitstalige gebied. Artikel 36, § 2, van dezelfde gecoördineerde wetten heeft daarentegen rechtstreeks betrekking op haar situatie. Aangezien die bepaling niet ten uitvoer is gelegd, kan hieruit niets worden afgeleid om te bepalen in welke taal het verzoekschrift moest worden opgesteld. Zij voegt eraan toe dat artikel 10 van dezelfde gecoördineerde wetten inhoudt dat zij in het kader van de rechtspleging voor het Hof de Duitse taal diende te gebruiken. A.1.4.
- In verband met het bestreden artikel 51 voert de Waalse Regering een exceptie van onontvankelijkheid van beide beroepen aan, waarbij zij doet gelden dat geen enkele van de verzoekende partijen deel uitmaakt van de door de betrokken gemeenten als netbeheerder voorgestelde kandidaten en dat, op grond van artikel 10, § 1, van het decreet van 12 april 2001, de Waalse Regering hen dus niet zou kunnen aanwijzen. Zij voegt eraan toe dat de verzoekende partijen niet voldoen aan de vereisten van artikel 7 van het decreet van 12 april 2001, noch aan artikel 16, § 1, van hetzelfde decreet. A.1.4.
- De tussenkomende partij A.L.E. voert eveneens een exceptie van onontvankelijkheid van beide beroepen aan wegens ontstentenis van belang van de verzoekende partijen. Zij doet gelden dat de n.v. Electrabel geen netbeheerder is en op die hoedanigheid geen aanspraak kan maken, dat de intercommunale Interost niet kan worden geraakt door artikel 51 van het bestreden decreet, vermits zij beschikt over de vereiste gebruiksrechten voor de uitoefening van de opdracht van netbeheerder, en dat het vermeende nadeel dat de verzoekende partijen als gevolg van een onteigening zouden lijden, pas zou worden berokkend op het ogenblik dat de onteigeningsprocedure wordt ingesteld, en overigens zou worden gecompenseerd door de toekenning van een billijke en voorafgaande schadeloosstelling. A.1.4.
- De n.v. Electrabel en de intercommunale Interost antwoorden dat de bij het bestreden decreet gewijzigde aanwijzingsprocedure ook zal moeten worden toegepast bij de toekomstige aanwijzingen van de netbeheerders, waaraan Interost en alle gemengde intercommunales waarvan Electrabel vennoot is, zouden kunnen deelnemen. Zij voegen eraan toe dat de beslissingen van de gemeenteraden die A.L.E. als 4 kandidaat-netbeheerder voorstellen, thans worden betwist voor de Raad van State en dat zij, in geval van vernietiging, opnieuw een aanwijzing zouden kunnen genieten. Voor het overige voeren zij aan dat de Waalse Regering, aangezien zij zelf bij besluit van 9 januari 2003 voor bepaalde gebieden Interost als netbeheerder heeft aangewezen, aldus heeft gesteld dat de intercommunale Interost voldeed aan de voorwaarden gesteld in de voormelde artikelen 7 en
- Ten overvloede onderstrepen zij dat in die bepalingen niets wordt gezegd over het ogenblik waarop de kandidaat aan de aldus gestelde voorwaarden moet voldoen. A.1.5.
- In verband met de artikelen 10, § 3, en 52 van het decreet voert de Waalse Regering een exceptie van onontvankelijkheid aan, waarbij zij doet gelden dat die bepalingen een regeling vaststellen voor de onteigening van de gas- en elektriciteitsdistributienetten, en dat de verzoekende partijen die enkel zouden kunnen aanvechten indien zij aantonen dat zij eigenaar zijn van distributienetten, wat niet blijkt uit de door hen voorgelegde documenten. A.1.5.
- De n.v. Electrabel bevestigt dat zij eigenaar of mede-eigenaar is van talrijke gas- of elektriciteitsdistributienetten die het voorwerp van een onteigeningsprocedure kunnen uitmaken. Interost bevestigt van haar kant dat zij statutair houder is van een gebruiksrecht op netten van de gemeenten die erin geassocieerd zijn, en dat een onteigening tot gevolg zou hebben dat dit recht wordt tenietgedaan. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de tussenkomst A.2.
- De Association liégeoise d’électricité (A.L.E.) verantwoordt haar belang om in de rechtspleging tussen te komen door aan te voeren dat zij een zuivere intercommunale is die op het gebied van elektriciteit gespecialiseerd is en in het Luikse gebied werkzaam is, dat zij zich kandidaat heeft gesteld als distributienetbeheerder op het grondgebied van verschillende gemeenten van de provincie Luik, en dat zij bij besluit van 9 januari 2003 in die hoedanigheid is aangewezen. Ten gronde Eerste middel A.3.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet en de artikelen 86 en volgende van het E.G.-Verdrag. Zij voeren aan dat de onteigening die door het decreet mogelijk wordt gemaakt, de regels met betrekking tot de mededinging schendt, aangezien de gemeente beschikt over de buitensporige macht om de marktdeelnemer van haar keuze te begunstigen door het hem mogelijk te maken als enige te voldoen aan de voorwaarde inzake de aanwijzing als netbeheerder, vastgesteld in artikel 3 van het bestreden decreet of in artikel 3 van het decreet van 12 april
- Zij leggen uit dat, in de praktijk, het bestreden decreet, met schending van alle regels met betrekking tot de mededinging, een gemeente in staat stelt vennoot te worden in de intercommunale A.L.E. door daaraan de eigendom of het gebruik van het net van haar concurrent over te dragen. A.3.
- De Waalse Regering voert aan dat het Hof niet bevoegd is om van het middel kennis te nemen, in zoverre het is afgeleid uit een schending van de artikelen 86 en volgende van het E.G.-Verdrag. Voor het overige is zij van mening dat het middel geen betrekking heeft op de regeling van het decreet, maar op de tenuitvoerlegging ervan. Zij preciseert dat de beslissingen van de lokale overheden en de regering kunnen worden aangevochten wegens machtsoverschrijding of -afwending. Zij onderstreept ten slotte dat het middel onontvankelijk is, in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, aangezien daarin niet wordt uiteengezet hoe die bepaling zou zijn geschonden. A.3.
- In verband met artikel 87 van het E.G.-Verdrag merkt de A.L.E. in de eerste plaats op dat het daarin vervatte verbod geen rechtstreekse werking heeft en dat het aan de jurisdictionele toetsing is onttrokken. In ondergeschikte orde is de A.L.E. van mening dat het bestreden decreet op zich geen enkele maatregel bevat die als een steunmaatregel van de Staat kan worden gedefinieerd : noch een gewone mogelijkheid tot steun, noch de gewone toekenning, aan een openbare overheid van een bevoegdheid die, bij de uitoefening ervan, en in bepaalde omstandigheden, een verboden steun zou kunnen vormen, is een steunmaatregel van de Staat zoals bedoeld in artikel
- Hetzelfde geldt voor het bezwaar dat berust op de schending van artikel 86 : de bestreden bepalingen bevatten geen enkele verboden discriminatie tussen de openbare en de privé-ondernemingen. 5 A.3.
- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof antwoorden de verzoekende partijen dat het middel is afgeleid uit de schending van de bepalingen van Europees recht, in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en dat de bevoegdheid van het Hof om daarvan kennis te nemen niet op ernstige wijze zou kunnen worden betwist. Ten aanzien van de oorsprong van de mogelijke discriminatie, die volgens de Waalse Regering voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van het decreet, antwoorden de verzoekende partijen dat niet kan worden betwist dat de gemeenten, vóór de goedkeuring van het bestreden decreet, niet beschikten over de mogelijkheid om een intercommunale die houder is van de rechten op een net, in het voordeel van een andere te onteigenen en dat precies die mogelijkheid de door hen aangeklaagde discriminatie teweegbrengt. Tweede middel A.4.
- De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij voeren aan dat de artikelen 10 en 52 van het bestreden decreet, door het een gemeente mogelijk te maken de eigenaar van het net te onteigenen en een einde te maken aan het gebruiksrecht waarvan de netbeheerder houder is, teneinde dat eigendoms- of gebruiksrecht aan een andere marktdeelnemer over te dragen, de grondwettelijke en internationale beginselen schenden die een evenredigheid tussen de vrijwaring van het eigendomsrecht en de belangen van de gemeenschap vereisen. Zij preciseren dat het hier niet erom gaat een persoon zijn eigendom te ontnemen om tegemoet te komen aan een behoefte van openbaar belang, maar een persoon die een opdracht van openbaar belang vervult, te onteigenen in het voordeel van een andere persoon die dezelfde opdracht van openbaar belang zal vervullen. Het nagestreefde doel is derhalve niet het openbaar belang, maar wel een economisch doel dat erin bestaat de gemeente de mogelijkheid toe te kennen om de marktdeelnemer aan te wijzen die haar de grootste financiële voordelen zal bieden. A.4.
- In de eerste plaats voert de Waalse Regering aan dat het middel niet ontvankelijk is, in zoverre noch de bewoordingen, noch de uiteenzetting ervan uitleggen hoe de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden schenden. In zoverre het middel is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, antwoordt de Regering dat de beginselen die ten grondslag liggen aan het « elektriciteitsdecreet » en het « gasdecreet », en in het bijzonder het streven naar een homogeen beheer van het net en naar een autonome beslissingsmacht van de gemeenten, en die door de beroepen niet worden betwist, de aangevochten onteigeningsregeling verantwoorden. Zij voegt eraan toe dat de evenredigheid van de onteigening zelf aan een jurisdictionele toetsing onderworpen blijft. A.4.
- De A.L.E. herinnert eraan dat de door het bestreden decreet overwogen onteigening in alle opzichten zal moeten beantwoorden aan de toepasselijke wettelijke en grondwettelijke voorwaarden : zij zal dus gepaard gaan met een billijke schadeloosstelling en een bescherming bieden tegen de willekeur door het bestaan van de beschikbare rechtsmiddelen. Zij preciseert dat het algemeen belang dat de Waalse Regering wil waarborgen, het algemeen belang is dat ten grondslag ligt aan de Europese bepalingen die streven naar een werkelijke en effectieve liberalisering van de sector van de elektrische energie op alle niveaus. Die doelstelling moet worden beoordeeld rekening houdende met het monopolie dat Electrabel geniet en met diens weigering om met de door de gemeenten aangewezen kandidaat te onderhandelen over de voorwaarden inzake het gebruik of de overname van het distributienet. Zij is bijgevolg van mening dat de bestreden maatregel niet neerkomt op een afweging tussen de belangen van twee marktdeelnemers en dat de aanwijzing van een netbeheerder die, in tegenstelling tot de andere kandidaat-beheerders, volkomen onafhankelijk is van de onderneming die de verschillende elektriciteitsmarkten in België domineert, steunt op een verantwoorde en samenhangende beoordeling van de zorg om het algemeen belang. A.4.
- De verzoekende partijen antwoorden dat, los van de wijze waarop de bestreden bepaling door de gemeenten zal worden toegepast, het principe zelf ervan in strijd is met de door hen aangevoerde bepalingen. Derde middel A.5.
- De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, van het beginsel van de wapengelijkheid en van de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees 6 Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij voeren aan dat de artikelen 51 en 52 van het bestreden decreet de afloop beïnvloeden van geschillen waarin zij tegenover de A.L.E. en de betrokken gemeenten staan, geschillen die thans hangende zijn voor het Hof van Beroep te Luik en voor de Raad van State, in zoverre zij tot doel hebben te antwoorden op de argumentatie van de verzoekende partijen in het kader van die geschillen. Zij voegen eraan toe dat het bestreden decreet een aanzienlijke invloed heeft uitgeoefend op de administratieve procedure inzake de aanwijzing van de netbeheerders, vermits het, na de indiening van de kandidaturen, een aanwijzingsvoorwaarde in het voordeel van een bepaalde kandidaat heeft gewijzigd. Zij beschrijven uitvoerig de argumentatie die zij voor het Hof van Beroep te Luik en voor de Raad van State uiteenzetten en die berust op, enerzijds, het feit dat de kandidaat-beheerder eigenaar van het betrokken net of, op zijn minst, houder van een gebruiksrecht daarop moet zijn en, anderzijds, de ontstentenis van elke onteigeningsmogelijkheid geregeld bij het decreet van 12 april
- Zij voeren aan dat het bestreden decreet het woord « kandidaat » in artikel 3 van het decreet van 12 april 2001 echter schrapt en voorziet in een onteigeningsmogelijkheid die precies beantwoordt aan de situatie van de betrokken steden en gemeenten. Zij voeren derhalve aan dat de bepalingen die zij bestrijden alleen tot doel hebben de A.L.E. in staat te stellen de eigendom of het gebruik van de netten waarvoor zij de functie van beheerder heeft aangevraagd, te verkrijgen, met schending van de toen toepasselijke wetgeving, alsook van de « pax electrica ». A.5.
- De Waalse Regering werpt in de eerste plaats excepties van onontvankelijkheid van het middel op, in zoverre geen enkele grief wordt aangevoerd ten aanzien van het bestreden artikel 52, en in zoverre het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van een middel waarin de schending van bepalingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens of van het beginsel van de wapengelijkheid wordt aangevoerd. Ten gronde preciseert zij dat de door de bepaling nagestreefde doelstelling erin bestaat te waarborgen dat de netbeheerder, tijdens de duur van het mandaat waarvoor hij is aangewezen, eigenaar van dat net zal zijn of dat net zal gebruiken, en dat de bestreden bepalingen niet tot doel hebben jurisdictionele procedures te beïnvloeden. A.5.
- De A.L.E. voert aan dat het geschil waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, betrekking heeft op onderhandelingen die de A.L.E. wil zien plaatshebben en waaraan de verzoekende partijen weigeren deel te nemen, en niet op een eigendomsrecht. De goedkeuring van het bestreden decreet, in zoverre het in een onteigeningsprocedure voorziet, beïnvloedt dus geenszins het door de A.L.E. voor het Hof van Beroep te Luik ingestelde beroep. Wat de voor de Raad van State hangende procedures betreft, voert zij aan dat het bestreden decreet, door te voorzien in een onteigeningsprocedure na de aanwijzing van de netbeheerders, de wettigheid van de handelingen betreffende die aanwijzing niet zou kunnen beïnvloeden. Wat de schrapping van het woord « kandidaat » in artikel 3 van het decreet betreft, voert de A.L.E. aan dat die niet tot doel heeft te antwoorden op de argumentatie van de verzoekende partijen, maar wel te preciseren dat het bezit van het eigendoms- of gebruiksrecht geen voorafgaande voorwaarde voor de aanwijzing is, maar wel een voorwaarde waaraan moet worden voldaan op het ogenblik dat de netbeheerder zijn functie aanvat. Ten aanzien van het argument betreffende de schending van het beginsel van de wapengelijkheid is de A.L.E. van mening dat die gelijkheid enkel moet bestaan tussen personen die zich in dezelfde objectieve omstandigheden bevinden en dat Electrabel niet op gelijke voet met de A.L.E. kan worden behandeld. A.5.
- De verzoekende partijen antwoorden, in verband met de exceptie van onontvankelijkheid van het middel, dat het middel zowel tegen artikel 51 als tegen artikel 52 van het bestreden decreet is gericht, en dat het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met de aangevoerde bepalingen. Ten gronde stellen zij vast dat de Waalse Regering geen verantwoording geeft voor de uitzonderlijke redenen die de inmenging van de decreetgever in de hangende gerechtelijke procedures, en waarin het Gewest betrokken partij is, zouden rechtvaardigen. Vierde middel A.6.
- De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, van het beginsel van de wapengelijkheid, van de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van het gezonde beheer van de res publica. Zij voeren aan dat het decreet, door de aanwijzingsvoorwaarde vervat in artikel 3 van het decreet van 12 april 2001 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 te schrappen, ertoe heeft geleid kandidaturen te valideren die met schending van de toen geldende wetgeving werden gesteld, en dit uitsluitend in 7 het voordeel van de A.L.E., en dat het decreet derhalve duidelijk ertoe strekt een marktdeelnemer te bevoordelen tijdens de administratieve fase van de aanwijzing van de netbeheerders, ten koste van de gemengde intercommunales, zoals de verzoekende partij in de zaak nr. 2769, en waarvan de verzoekende partij in de zaak nr. 2768 vennoot is. Zij zijn van mening dat die terugwerkende kracht niet is verantwoord door enigerlei doel van algemeen belang en dat die derhalve discriminerend is. A.6.
- De Waalse Regering voert een exceptie van onontvankelijkheid van het middel aan, in zoverre het is afgeleid uit de schending van het beginsel van de wapengelijkheid, van de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van het gezonde beheer van de res publica. Ten gronde preciseert zij dat de terugwerkende kracht van anderhalve maand los staat van de bestreden materiële bepalingen en dat de chronologie aantoont dat de inwerkingtreding van artikel 51 op 1 januari 2003 de inhoud van de op 3 augustus 2002 genomen beslissingen niet zou kunnen wijzigen en derhalve geen gevolgen zou kunnen hebben voor de tegen die beslissingen ingestelde jurisdictionele beroepen. A.6.
- De A.L.E. herinnert eraan dat het principe van de niet-retroactiviteit van de wetten geen grondwettelijk beginsel is en dat een decreet daarvan kan afwijken. Zij voegt eraan toe dat de rechtspraak van het Hof te dezen niet van toepassing is, aangezien de verzoekende partijen klagen over een inmenging in een zuiver administratieve procedure en niet in een gerechtelijke procedure. A.6.
- De verzoekende partijen antwoorden dat er geen enkele bijzondere verantwoording bestond om een inwerkingtreding van artikel 51 op 1 januari 2003 op te leggen. Zij wijzen op een tegenstrijdigheid tussen de argumentatie die de Waalse Regering voor het Hof uiteenzet en die welke zij voor de Raad van State uiteenzet, waar zij aanvoert dat de wijziging van het bestreden decreet het haar mogelijk maakt om voor de functie van netbeheerder kandidaten aan te wijzen die geen eigenaar zijn van de netten met betrekking tot welke zij het beheer ervan aanvragen, noch houder zijn van een gebruiksrecht daarop. Zij antwoorden ook dat de inmenging die zij aanklagen, evenzeer bestaat in de administratieve procedures als in de lopende gerechtelijke procedures, en dat de rechtspraak van het Arbitragehof betreffende de niet-retroactiviteit van de wetten op algemene wijze en ongeacht het betrokken domein geldig is. Vijfde middel (zaak nr. 2769) A.7.
- De verzoekende partij in de zaak nr 2769 leidt een vijfde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 17 van de Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en het decreet d’Allarde. Zij voert aan dat de bestreden artikelen 10 en 52 de schadeloosstelling door de gemeenten van de schade veroorzaakt door hun uittreding, beperkt tot enkel de schade berokkend aan de andere vennoten, maar geen enkele schadeloosstelling opleggen ten behoeve van de intercommunale waaruit de gemeente aldus treedt, terwijl die uittreding de belangen van de intercommunale ernstig kan schaden, aangezien haar een aanzienlijk deel van haar inbreng kan worden ontnomen en zij in de onmogelijkheid kan verkeren bepaalde van haar statutaire opdrachten te vervullen. A.7.
- De Waalse Regering voert een exceptie van onontvankelijkheid van het middel aan, in zoverre noch de bewoordingen, noch de uiteenzetting ervan uitleggen hoe de aangevoerde bepalingen door de bestreden bepalingen zouden zijn geschonden. A.7.
- De verzoekende partij antwoordt dat zowel uit de bewoordingen als uit de uiteenzetting van het middel duidelijk blijkt dat zij van mening is dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van de in de intercommunale geassocieerde gemeenten. A.7.
- In haar memorie van wederantwoord preciseert de Waalse Regering dat de artikelen 10, § 3, en 52 niet tot doel hebben de toepassing van het gemeen recht en van de op de vergoeding van de door de intercommunale geleden schade toepasselijke bepalingen te omzeilen. 8 -B- Ten aanzien van het gebruik van de Duitse taal door de verzoekende partij Interost (zaak nr. 2769) B.1.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 2769, die haar verzoekschrift in het Duits heeft ingediend, is een intercommunale vennootschap waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te Eupen, dus in het Duitse taalgebied, en die werkzaam is in gemeenten van dat gebied, alsook in gemeenten van het Franse taalgebied. Krachtens artikel 62, tweede lid, 6°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient zij voor het Hof de taal te gebruiken die is vastgesteld in de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
- B.1.
- Artikel 36, § 2, van de voormelde gecoördineerde wetten, dat het geval van de verzoekende partij beoogt, bepaalt : « Indien daartoe aanleiding bestaat, bepaalt de Koning, aan de hand van de principes die § 1 beheersen, de taalregeling voor de gewestelijke diensten waarvan de werkkring gemeenten van verschillende taalgebieden, behalve Brussel-Hoofdstad, bestrijkt en waarvan de zetel gevestigd is in een gemeente uit het Malmedyse of in het Duitse taalgebied. » B.1.
- Aangezien de Koning die bepaling niet ten uitvoer heeft gelegd, legt geen enkele normatieve bepaling het gebruik van een bepaalde taal aan de beoogde diensten op. De verzoekende partij kan bijgevolg niet worden verweten dat zij, in de handelingen en verklaringen die zij aan het Hof richt, de taal heeft gebruikt van het gebied waar haar zetel is gevestigd. Dat geldt des te meer, daar artikel 36, § 1, van de gecoördineerde wetten, dat niet op de verzoekende partij van toepassing is, maar waarvan zij is kunnen uitgaan vermits de Koning paragraaf 2 van datzelfde artikel niet ten uitvoer heeft gelegd, voor de zaken die niet in een taalgebied gelokaliseerd of lokaliseerbaar zijn, de taal aanwijst van het gebied waarin haar zetel is gevestigd. In tegenstelling tot wat de Waalse Regering aanvoert, betreft het beroep echter geen zaak die in het Franse taalgebied gelokaliseerd of lokaliseerbaar is, aangezien de bestreden bepalingen in beide taalgebieden kunnen worden toegepast. Het heeft in dat opzicht 9 geen belang dat de thans hangende geschillen uitsluitend betrekking hebben op gemeenten die in het Franse taalgebied gelegen zijn. B.1.
- De door de Waalse Regering aangevoerde exceptie, afgeleid uit de nietigheid van het verzoekschrift in de zaak nr. 2769 wegens schending van artikel 62 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, wordt verworpen. Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen. B.2.
- Artikel 10, § 3, van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt bepaalt : « Als de netbeheerder wordt voorgedragen door een gemeente die eigenaar is van een deel van het op haar grondgebied gelegen net of door een ingesloten gemeente, kan de Regering die gemeente ertoe machtigen op eigen kosten over te gaan tot de onteigening ten algemenen nutte van bedoeld distributienet indien zulks nodig is voor de uitvoering van de opdrachten van de voorgedragen netbeheerder. De ingesloten gemeente is de gemeente waarvan het distributienet, dat op haar grondgebied gelegen is, beheerd wordt door een andere beheerder dan de beheerder van het net van de gezamenlijke aangrenzende gemeenten. De rechtspleging bij dringende omstandigheden ingevoerd bij de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte en de concessies voor de bouw van autosnelwegen is van toepassing op de onteigeningen bedoeld in § 3, eerste lid. In afwijking van artikel 9 van het decreet van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales mag een gemeente verbonden met een intercommunale die het beheer van het distributienet waarneemt, naast de gevallen bedoeld in artikel 9 hierboven, vóór de vervaldatum van de intercommunale uittreden als ze voldoet aan de voorwaarden bedoeld in paragraaf 3, eerste lid. In dat geval wordt geen stemming vereist, onverminderd elke statutaire bepaling. De gemeente vergoedt de schade die haar uittreden aan de andere vennoten berokkent. De schade wordt door een deskundige geschat. » B.2.
- Artikel 51 van hetzelfde decreet schrapt het woord « kandidaat » in artikel 3 van het decreet van het Waalse Gewest van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt, dat luidde : 10 « Elke kandidaat-netbeheerder is eigenaar of houder van een recht om het genot te hebben van de infrastructuren en uitrustingen van het net dat hij wenst te beheren. » B.2.
- Artikel 52 van hetzelfde decreet vult artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt aan met een paragraaf 3, waarvan de bewoordingen identiek zijn aan die van paragraaf 3 van artikel 10 van het decreet van 19 december 2002, opgenomen onder B.2.
- B.2.
- Artikel 74 van hetzelfde decreet bepaalt dat hoofdstuk XIV van het decreet, waartoe de bestreden artikelen 51 en 52 behoren, in werking treedt op 1 januari
- B.2.
- Het bestreden decreet van 19 december 2002 heeft als hoofddoel de omzetting, op gewestelijk vlak, van de richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas, die ertoe strekt een competitieve interne markt voor aardgas tot stand te brengen. In de memorie van toelichting wordt erop gewezen dat « zoals voor de elektriciteit, de Regering de liberalisering van de gasmarkt wenst op te nemen in een kader van duurzame ontwikkeling » en dat « de regels betreffende de organisatie van de gasmarkt vanuit een drievoudige zorg zijn uitgewerkt », namelijk « rekening houden met de economische inzet, het milieu beschermen en de sociale aspecten van de levering van gas waarborgen ». Om die doelstellingen te bereiken, beschikt het Waalse Gewest over actiemiddelen, waaronder « de aanwijzing van een of meer distributienetbeheerders » (Parl. St., Waals Parlement, 2001-2002, nr. 398/1, p. 7). Het « gasdecreet » van 19 december 2002 berust grotendeels op dezelfde beginselen als die waarop het « elektriciteitsdecreet » van 12 april 2001 is geïnspireerd. Beide decreten leggen op dezelfde wijze de scheiding op tussen, enerzijds, de activiteiten inzake het beheer van de netten en, anderzijds, de activiteiten inzake de levering aan de klanten, en voorzien in een soortgelijke procedure voor de aanwijzing van de distributienetbeheerders. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.3.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, 11 doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
- Als eigenaar of mede-eigenaar - door zich met intercommunales te verbinden - van een deel van de elektriciteits- en gasdistributienetten, of houder van een gebruiksrecht op die netten, kunnen de verzoekende partijen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door bepalingen die het, voor de gemeenten, mogelijk maken delen van die netten te onteigenen. De verzoekende partijen doen dus blijken van het vereiste belang om de vernietiging van de artikelen 10, § 3, en 52, van het bestreden decreet te vorderen. In tegenstelling tot wat de tussenkomende partij A.L.E. aanvoert, wordt het nadeel dat de eigenaars van de netten als gevolg van de onteigening zouden kunnen lijden, rechtstreeks veroorzaakt door de bestreden decreetsbepalingen, die de onteigening mogelijk maken. B.3.
- De verzoekende partijen zijn, ofwel rechtstreeks (voor de intercommunale Interost) ofwel onrechtstreeks via deelneming in verschillende intercommunales (voor de n.v. Electrabel), mogelijke kandidaten voor de aanwijzing als beheerder van een deel van de gas- en elektriciteitsdistributienetten. Zij kunnen dus rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bepalingen van de artikelen 51 en 74 van het decreet, die betrekking hebben op de procedure voor de aanwijzing van de netbeheerders. Aangezien die procedure voor onbepaalde duur is vastgesteld, sluit het feit dat de verzoekende partijen geen kandidaat waren bij de recente aanwijzingen door de bij de hangende geschillen betrokken gemeenten, omdat zij niet voldeden aan de toen in het decreet gestelde voorwaarden, niet uit dat zij, voor de toekomst, belang erbij hebben de vernietiging van de voormelde bepalingen te verkrijgen. B.3.
- De vraag of de bestreden bepalingen tot doel of tot gevolg hebben de lopende procedure voor de aanwijzing van de netbeheerders of de hangende geschillen met betrekking tot die procedure te beïnvloeden, is ten slotte verbonden met de interpretatie die eraan dient te worden gegeven en waarover de partijen van mening verschillen. Zij valt samen met de grond van de zaak en dient samen daarmee te worden onderzocht. B.3.
- De excepties worden verworpen. 12 Ten aanzien van het eerste middel B.4.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 86 en volgende van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en verwijt de artikelen 10, § 3, en 52 van het bestreden decreet dat zij in strijd zijn met de regels inzake de mededinging door het de onteigenende gemeente mogelijk te maken de kandidaat-netbeheerder van haar keuze te bevoordelen. B.4.
- Artikel 16 van de Grondwet betreft het eigendomsrecht en staat los van de regels betreffende de vrije mededinging. De in het eerste middel geformuleerde grief en de daarin uiteengezette argumentatie kunnen niet met artikel 16 in verband worden gebracht. In zoverre het is afgeleid uit de schending van die bepaling is het middel niet gegrond. B.4.
- De artikelen 86 en volgende van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bevatten regels met betrekking tot de mededinging en de steunmaatregelen van de Staat. De verzoekende partijen voeren geen enkel argument aan waaruit blijkt dat de door hen bestreden bepalingen een door het gemeenschapsrecht verboden steunmaatregel van de Staat zouden inhouden. Het Hof onderzoekt het middel alleen in zoverre het een discriminerende schending van de regels inzake de vrije mededinging aanklaagt. B.4.
- Door te bepalen dat de gemeenten die ofwel eigenaar zijn van een deel van het gasdistributienet (artikel 10, § 3) of het elektriciteitsdistributienet (artikel 52) dat op hun grondgebied levert, ofwel « ingesloten zijn », namelijk waarvan het net wordt beheerd door een rechtspersoon die voor geen enkele van de aangrenzende gemeenten netbeheerder is, dat net of dat deel van het net zullen kunnen onteigenen, heeft de Waalse decreetgever « de autonomie van de beslissingsmacht » van de betrokken gemeenten willen waarborgen, « in zoverre iedere andere eigenaar weigert te onderhandelen over de eigendomsoverdracht teneinde het de door de gemeente voorgedragen kandidaat-netbeheerder mogelijk te maken het gebruiksrecht op het net te verkrijgen » (Parl. St., Waals Parlement, 2002-2003, nrs. 398/13 en 398/15). 13 B.4.
- Het « elekticiteitsdecreet » van 12 april 2001 en het « gasdecreet » van 19 december 2002 passen, zoals onder B.2.5 wordt verklaard, in de context van de openstelling van de energiemarkten voor de mededinging. Die liberalisering van de markten veronderstelt dat de activiteit inzake het beheer van de distributienetten wordt uitgeoefend door een beheerder die in een context van mededinging zal zijn aangewezen, en dus dat verschillende beheerders zich kandidaat kunnen stellen. Om zijn opdracht te kunnen vervullen, zal de aangewezen netbeheerder overigens ofwel eigenaar van het netwerk, ofwel houder van een gebruiksrecht daarop moeten zijn. Elke aanwijzing van een nieuwe beheerder, verschillend van die welke tot dan toe de opdracht vervulde, moet dus noodzakelijkerwijs gepaard gaan met een overdracht van de eigendom of, op zijn minst, van het gebruiksrecht op het net. Zonder die overdracht kan de aanwijzing niet plaatshebben in een open context van mededinging, aangezien de vroegere beheerder de enige mogelijke kandidaat-netbeheerder zou zijn. B.4.
- Door het de gemeenten mogelijk te maken de delen van het net te onteigenen die ter beschikking zullen moeten worden gesteld van de netbeheerder die zij voor de aanwijzing door de Waalse Regering zullen voordragen, heeft de wetgever de regels inzake de mededinging bijgevolg niet geschonden, maar, integendeel, de voorwaarden gecreëerd voor een correcte toepassing ervan in het kader van de procedure voor de aanwijzing van de beheerders. B.4.
- De Raad van State kan overigens erop toezien of de gemeenten, bij de keuze van de kandidaat-netbeheerder die aan de bevoegde overheid zal worden voorgedragen, de regels inzake de niet-discriminatie en de mededinging in acht nemen. B.4.
- Het middel is niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel B.5.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en verwijt de artikelen 10, 14 § 3, en 52 van het bestreden decreet een onteigeningsmogelijkheid in te voeren die het openbaar belang niet dient en derhalve op onevenredige wijze aan het eigendomsrecht afbreuk doet. B.5.
- Hoewel het aan de decreetgever staat om, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, te bepalen in welke gevallen een onteigening kan plaatshebben, kan hij dat alleen doen met inachtneming van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet en van de internationaalrechtelijke bepalingen die het eigendomsrecht beschermen. Artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgen dat de onteigening alleen ten algemenen nutte mag plaatshebben. Het Hof moet derhalve nagaan of, te dezen, de decreetgever geen onteigeningen mogelijk heeft gemaakt die niet aan die vereiste zouden beantwoorden. B.5.
- Het is juist dat het doel van openbaar belang volgens hetwelk aan de gebruikers elektriciteit en gas dienen te worden geleverd, reeds werd nagestreefd door de regeling voor de distributie van energie die vóór de inwerkingtreding van het bestreden decreet bestond. De overwogen onteigeningen zouden dus niet tot doel kunnen hebben het mogelijk te maken een algemeen belang te verwezenlijken dat nog niet zou zijn nagestreefd. Het Hof dient evenwel na te gaan of de decreetgever, door in die onteigeningsmogelijkheden te voorzien, geen andere doelstelling tracht te verwezenlijken die als een doelstelling van openbaar belang zou kunnen worden beschouwd. B.5.
- De beheerders van elektriciteitsdistributienetten (artikel 10 van 12 april 2001) en gasdistributienetten (artikel 10 van decreet van 19 december 2002) worden door de Waalse Regering aangewezen na advies van de Waalse energiecommissie (CWaPE) en op voorstel van de gemeenten en/of provincies wanneer het net in kwestie geheel of ten dele hun eigendom is. De voormelde bepalingen van het decreet preciseren dat de beheerders moeten worden aangewezen voor geografisch gescheiden en elkaar niet overlappende zones. 15 De CWaPE is het Waalse regulerende orgaan voor energie, ingesteld bij artikel 43 van decreet van 12 april
- Zij is belast met een adviserende opdracht ten aanzien van de overheid inzake de organisatie en de werking van de gewestelijke elektriciteitsmarkt. Op grond van artikel 36 van het decreet van 19 december 2002 is zij voor de gewestelijke gasmarkt met dezelfde opdracht belast. B.5.
- Zoals uit de onder B.4.4 geciteerde parlementaire voorbereiding blijkt, bestaat één van de doelstellingen van de in het geding zijnde bepalingen erin de autonomie van de gemeenten bij de voordracht van de kandidaat-netbeheerder te waarborgen. Er is eveneens onderstreept dat de autonome beslissingsmacht van de gemeente de « zorg om een homogeen beheer van de netten en de rationalisatie van het grondgebied dat door dezelfde beheerder als die van de aangrenzende gemeenten zou moeten worden beheerd » moet waarborgen, teneinde besparingen op het vlak van beheer te verwezenlijken (Parl. St., Waals Parlement, 2001-2002, nr. 398/27, p. 67). In een advies van 26 september 2000 stelt de CWaPE dat « de elektriciteitsdistributie in de provincie Luik wordt gekenmerkt door het feit dat zij relatief meer verdeeld is tussen een zuivere intercommunale en twee gemengde intercommunales waarvan de grondgebieden sterk ineengestrengeld zijn » en dat het « nuttig is de rationalisatiemogelijkheden in de provincie na te gaan ». B.5.
- De doelstellingen met betrekking tot het rationaliseren van het beheer en het vormen van homogene grondgebieden, die als doelstellingen van algemeen belang kunnen worden beschouwd, kunnen in de betrokken grondgebieden alleen worden bereikt door voor sommige delen van het net van netbeheerder te veranderen. Zij beogen derhalve een algemeen nut in de zin van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij verantwoorden genoegzaam de bekritiseerde onteigeningsmogelijkheid ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.5.
- De maatregel heeft bovendien geen onevenredige gevolgen voor de houders van het eigendoms- of gebruiksrecht op het onteigende net, aangezien de onteigeningsprocedure de mogelijkheid waarborgt rechtsmiddelen aan te wenden en de betaling van een schadeloosstelling te verkrijgen. 16 B.5.
- Het middel is niet gegrond. Ten aanzien van het derde en het vierde middel B.6.
- De middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de wapengelijkheid, en uit de schending van de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De verzoekende partijen betogen dat de artikelen 51, 52 en 74 van het bestreden decreet ertoe leiden de afloop van de geschillen die thans voor het Hof van Beroep te Luik en voor de Raad van State hangende zijn, alsook de administratieve procedure voor de aanwijzing van de netbeheerders te beïnvloeden. B.6.
- In zoverre de middelen rechtstreeks de schending van de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aanvoeren, is het Hof niet bevoegd om erop te antwoorden. Bovendien heeft artikel 14 van het voormelde Europees Verdrag geen ruimere draagwijdte dan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wat betreft de rechten en vrijheden gewaarborgd door dat Verdrag en zijn aanvullende protocollen. B.6.
- Uit de stukken van het dossier blijkt dat de aangevoerde inmenging betrekking zou hebben op de bij de Raad van State door Electrabel en Interost ingestelde beroepen tegen de beslissingen van de vier gemeenten die de A.L.E. als kandidaat-netbeheerder hebben voorgedragen. De wettigheid van die beslissingen, genomen op 10, 17, 23 en 31 juli 2002, ingaande op een uitnodiging daartoe van de gewestregering bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 mei 2002, kan niet worden geraakt door de in deze middelen bestreden decreetsbepalingen die op 1 januari 2003 in werking zijn getreden. Hieruit volgt dat het bestreden decreet noch de administratieve procedure inzake de aanwijzing van de netbeheerders door de gemeenten, die vóór de inwerkingtreding ervan heeft 17 plaatsgehad, noch de beroepen ingesteld tegen de beslissingen waarmee de gemeenten hebben voorgesteld de A.L.E. als kandidaat-netbeheerder aan te wijzen, kan beïnvloeden. B.6.
- De aangevoerde inmenging heeft blijkens het door de verzoekende partijen voorgelegde dossier ook betrekking op een voor het Hof van Beroep te Luik hangende procedure, waarnaar wordt verwezen in het derde middel, procedure die is ingesteld op initiatief van de A.L.E., na haar voordracht voor de aanwijzing als netbeheerder en die ertoe strekt Electrabel en verschillende intercommunales ertoe te laten veroordelen te goeder trouw te onderhandelen over de overdracht van de eigendom of het genot van delen van het net. De oorspronkelijke vordering, ingesteld bij dagvaarding in kort geding van 24 september 2002, is bij beschikking van 22 november 2002 van de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik niet-ontvankelijk verklaard en tegen die beslissing is door de A.L.E. hoger beroep ingesteld. B.6.
- De mogelijkheid tot onteigening van het net waarin artikel 52 van het bestreden decreet voorziet, heeft weliswaar onrechtstreeks tot gevolg dat het doel van de voor het Hof van Beroep te Luik hangende procedures grotendeels zou kunnen verdwijnen. Aangezien de bij artikel 52 van het bestreden decreet ingevoerde onteigeningsmogelijkheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, om de in B.4.1 tot B.5.7 vermelde redenen, zou het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie evenwel niet kunnen worden geschonden om de enige reden dat een nieuwe bepaling de verwachtingen van een partij in een rechtsgeding zou dwarsbomen. Er kan al evenmin worden aangenomen dat de toegang tot de rechter, gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet, te dezen zou zijn geschonden. B.6.
- De besluiten van de Gewestregering tot aanwijzing van de netbeheerders zijn genomen op 9 januari 2003 en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 februari
- Een van die besluiten, dat de A.L.E. als netbeheerder aanwijst onder de opschortende voorwaarde dat voor drie gemeenten het gebruiks- of eigendomsrecht op het net wordt verkregen, wordt voor de Raad van State aangevochten. B.6.
- Met de bestreden bepalingen, die op 1 januari 2003 in werking zijn getreden, zou de decreetgever zich niet kunnen mengen in de beroepen die op 23 maart 2003 voor de Raad 18 van State tegen het besluit van 9 januari 2003 zijn ingesteld, vermits het decreet is afgekondigd en de bestreden bepalingen in werking zijn getreden vooraleer die beroepen zijn ingesteld. B.6.
- Het is juist dat de wettigheid van het besluit van de Waalse Regering van 9 januari 2003 in beginsel zou moeten worden beoordeeld in het licht van het bestreden decreet, dat op 1 januari 2003 in werking is getreden, terwijl dat decreet nog niet was bekendgemaakt toen het besluit werd genomen. Maar die kwestie valt onder de bevoegdheid van de Raad van State. Uit het loutere gegeven dat een decreet wordt bekendgemaakt nadat op grond van dat decreet administratieve beslissingen zijn genomen, kan niet worden afgeleid dat het decreet zelf op discriminerende wijze het beginsel van de niet-terugwerkende kracht van de wetten zou schenden. B.6.
- De middelen zijn niet gegrond. Ten aanzien van het vijfde middel (zaak nr. 2769) B.7.
- Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 17 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, artikel 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het decreet d’Allarde, en verwijt de artikelen 10 en 52 van het bestreden decreet dat zij de vergoeding beperken van de schade, veroorzaakt door de uittreding van de gemeente, aan de andere vennoten binnen de intercommunale, waarbij aldus elke schadeloosstelling ten behoeve van de intercommunale zelf wordt uitgesloten. B.7.
- Artikel 52 van het bestreden decreet voert in artikel 10 van het « elektriciteitsdecreet » een paragraaf 3 in, waarvan de bewoordingen sterk gelijken op die van paragraaf 3 van artikel 10 van het bestreden decreet. Die twee bepalingen voorzien in fine erin dat « de gemeente [die voortijdig uit de intercommunale treedt] […] verplicht [is] de schade te vergoeden die haar uittreden aan de andere vennoten berokkent [en die] door deskundigen [wordt] geraamd ». 19 Artikel 9, § 2, van het Waalse decreet van 5 december 1996 betreffende de Waalse intercommunales bepaalt daarentegen dat elke vennoot in de daarin vastgestelde gevallen kan uittreden, « onder voorbehoud dat degene die uittreedt de schade vergoedt die zijn uittreding, naar schatting van deskundigen, aan de intercommunale en aan de andere vennoten berokkent ». B.7.
- De bestreden bepaling wijkt af van de algemene regel die op de Waalse intercommunales van toepassing is en die vereist dat, in geval van uittreding, de vennoot die uittreedt de schade vergoedt die de andere vennoten en de intercommunale hebben geleden, en voert op dat gebied tussen de vennoten en de intercommunale een verschil in behandeling in. B.7.
- In de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen wordt verwezen naar artikel 9 van het voormelde decreet van 5 december 1996 en wordt erop gewezen dat de wetgever « een nieuwe uittredingsmogelijkheid » heeft willen overwegen, « gelet op het beperkte aantal uittredingen die door » die bepaling worden beoogd (Parl. St., Waals Parlement, 2001-2002, nr. 398/27, pp. 67 en 92). Er wordt daarentegen geen enkele verantwoording gegeven voor het onder B.7.3 opgemerkte verschil in behandeling. B.7.
- Het Hof ziet niet in en de Waalse Regering legt niet uit welke motieven zouden kunnen verantwoorden dat de intercommunale niet wordt vergoed voor de schade die haar wordt berokkend door de uittreding van een vennoot in de hypothese bedoeld in artikel 10, § 3, van het « gasdecreet » van 19 december 2002 en artikel 10, § 3, van het « elektriciteitsdecreet » van 12 april 2001, gewijzigd bij artikel 52 van het voormelde decreet van 19 december 2002, terwijl, enerzijds, de andere vennoten moeten worden vergoed en, anderzijds, in de andere gevallen van uittreding in een schadeloosstelling van de intercommunale is voorzien. Overigens vindt de door de Waalse Regering voorgestelde verzoenende interpretatie geen grondslag in de teksten. B.7.
- Het middel is gegrond, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 20 De artikelen 10, § 3, en 52 van het decreet van 19 december 2002 dienen te worden vernietigd, in zoverre zij, wanneer een vennoot, in het geval dat zij beogen, uit de intercommunale treedt, niet bepalen dat de intercommunale kan worden vergoed voor de schade die zij als gevolg van die uittreding lijdt. 21 Om die redenen, het Hof - vernietigt de artikelen 10, § 3, en 52 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt, in zoverre zij, wanneer een vennoot, in het geval dat zij beogen, uit de intercommunale treedt, niet bepalen dat de intercommunale kan worden vergoed voor de schade die zij als gevolg van die uittreding lijdt; - verwerpt de beroepen voor het overige. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 15 september
- De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.147 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div