← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.152

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.152 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20040915.7 Arrest- Rolnummer: 152-2004;2877 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-10-25 Raadplegingen: 211 - laatst gezien 2026-07-04 00:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid verlenen om kennis te nemen van de vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 159 en 191 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 159 Wetboek van Strafvordering - 191 Wetboek van Strafvordering - 212 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 2877 Arrest nr. 152/2004 van 15 september 2004 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 159 en 191 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 2 december 2003 in zake G. Van Volsem tegen W. Smets en J. Meulepas, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 19 december 2003, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 159 en 191 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat uit deze artikelen volgt dat de inverdenkinggestelde die voor de kamer van inbeschuldigingstelling, welke uitspraak doet met toepassing van de artikelen 136, 136bis, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering, een vordering tot schadevergoeding tegen de burgerlijke partij kan instellen op grond dat de klacht van deze laatste niet ontvankelijk alsmede tergend en roekeloos is, terwijl de burgerlijke partij dergelijke vordering niet kan instellen wanneer de inverdenkinggestelde voor datzelfde gerecht een tergend en roekeloos middel of rechtsmiddel aanwendt ? » De Ministerraad en G. Van Volsem, wonende te 2900 Schoten, Jozef Hendrickxstraat 29, hebben ieder een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 16 juni 2004 : - zijn verschenen : . Mr. W. Smet, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. H. Rieder, advocaat bij de balie te Gent, voor G. Van Volsem; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eiser in cassatie heeft tegen de verweerders in cassatie, officieren van gerechtelijke politie, een klacht met burgerlijke partijstelling ingediend wegens laster en eerroof gepleegd in het kader van een strafonderzoek. Nadat de procureur des Konings de buitenvervolgingstelling had gevorderd van de vermelde onderzoekers, had de eiser in cassatie op grond van artikel 61quinquies van het Wetboek van Strafvordering een bijkomend onderzoek gevorderd, dat werd afgewezen door de onderzoeksrechter. Tegen die beschikking tekende de eiser in cassatie hoger beroep aan, in het kader waarvan de verweerders in cassatie een tegenvordering hebben ingesteld wegens tergend en roekeloos handelen. De eiser in cassatie werd door de kamer van inbeschuldigingstelling veroordeeld tot betaling van 4.957,87 euro aan elk van de verweerders in cassatie, wegens tergend en roekeloos hoger beroep. 3 In het eerste onderdeel van het eerste middel betwist de eiser in cassatie dat op grond van de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering uitspraak zou kunnen worden gedaan door de kamer van inbeschuldigingstelling, als onderzoeksgerecht, met betrekking tot de gegrondheid van een vordering tot schadevergoeding van een inverdenkinggestelde die buiten vervolging werd gesteld. Volgens het Hof van Cassatie faalt het middel naar recht. In het tweede onderdeel van het middel voert de eiser in cassatie aan dat er een ongelijke behandeling zou bestaan tussen, enerzijds, de inverdenkinggestelde die voor de kamer van inbeschuldigingstelling, welke uitspraak doet met toepassing van de artikelen 136, 136bis, 235 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering, een vordering tot schadevergoeding tegen de burgerlijke partij kan instellen op grond dat de klacht van deze laatste niet ontvankelijk, alsmede tergend en roekeloos is, en, anderzijds, de burgerlijke partij die een dergelijke vordering niet kan instellen wanneer de inverdenkinggestelde voor datzelfde gerecht een tergend en roekeloos middel of rechtsmiddel aanwendt. Volgens het Hof van Cassatie bestaat er grond tot het stellen van een prejudiciële vraag over het aangeklaagde onderscheid in behandeling. III. In rechte -A- Standpunt van de Ministerraad A.1.

  1. Volgens de Ministerraad is de eerste vraag die in dit verband rijst of er wel een verschil in behandeling wordt ingevoerd door de betrokken bepalingen, tussen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij. Bij de wet van 12 maart 1998 heeft de wetgever de vroeger bestaande, in artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering vervatte mogelijkheid voor de buiten vervolging gestelde persoon om van de burgerlijke partij schadevergoeding te eisen, indien die laatste vruchteloos hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer, afgeschaft. Volgens de Ministerraad is het daarbij de uitdrukkelijke wil van de wetgever geweest om elke mogelijke discriminatie tussen de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde uit te sluiten, wat de mogelijke schadevergoedingen betreft die zouden kunnen worden toegekend naar aanleiding van een onwerkdadig beroep. A.1.
  2. De Ministerraad ziet dan ook niet in waarom de in het geding zijnde bepalingen thans zo ruim dienen te worden geïnterpreteerd dat zij ook de vordering die voorheen op grond van artikel 136 kon worden ingesteld mee omvatten, terwijl de wetgever die vordering uit de rechtsorde heeft willen laten verdwijnen teneinde elke mogelijke discriminatie te vermijden. A.1.
  3. Subsidiair, in zoverre het Hof van Cassatie voorstaat dat die artikelen inderdaad ook laatstgenoemde vordering mee omvatten, dient te worden aangenomen dat er inderdaad van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet sprake is. De Ministerraad vraagt het Hof dan ook in het beschikkend gedeelte van het arrest de grondwetsconforme interpretatie van de kwestieuze bepalingen te vermelden. Standpunt van de eiser voor het verwijzende rechtscollege A.2.
  4. De eiser in cassatie merkt op dat de wet van 12 maart 1998, met de afschaffing van artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering, uitdrukkelijk de bevoegdheid heeft ontnomen aan de kamer van inbeschuldigingstelling om de burgerlijke partij die op haar beroep in het ongelijk wordt gesteld, te veroordelen tot een schadevergoeding. A.2.
  5. Zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie zijn de artikelen 159 en 191 van het Wetboek van Strafvordering evenwel eveneens van toepassing op de onderzoeksgerechten. Aldus verlenen de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid aan de onderzoeksgerechten (in casu de kamer van inbeschuldigingstelling) om kennis te nemen van de vordering tot schadevergoeding wegens een onontvankelijke burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter die zou worden beschouwd als tergend en 4 roekeloos, uitgaande van de buiten vervolging gestelde inverdenkinggestelde en gericht tegen de burgerlijke partij. In die interpretatie schenden de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de burgerlijke partij geen vordering tot schadevergoeding kan instellen wanneer de inverdenkinggestelde een tergend en roekeloos middel of rechtsmiddel aanwendt. A.2.
  6. Bij de procedure van de regeling der rechtspleging voor de onderzoeksgerechten of de procedure overeenkomstig de artikelen 136, 136bis, 235 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering behartigen zowel de burgerlijke partij als de inverdenkinggestelde een persoonlijk belang. Er kan worden gevreesd dat zowel de inverdenkinggestelde als de burgerlijke partij misbruik kunnen maken van hun recht om ongepast rechtsvorderingen in te stellen met betrekking tot het onderzoek, om redenen die enkel verband houden met hun respectievelijk persoonlijk belang. In die omstandigheden is het niet evenredig en niet redelijk verantwoord om de uitoefening van de rechtsvorderingen door de burgerlijke partij te bedreigen met de maatregelen vervat in de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering, terwijl de inverdenkinggestelde bij de aanwending van onontvankelijke en tergende en roekeloze rechtsvorderingen niet wordt bedreigd met dezelfde maatregelen. -B- B.
  7. De prejudiciële vraag betreft de artikelen 159 en 191 van het Wetboek van Strafvordering. Die bepalingen luiden : « Art.
  8. Indien het feit noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, vernietigt de rechtbank de dagvaarding en alles wat erop gevolgd is, en zij beslist bij hetzelfde vonnis over de vorderingen tot schadevergoeding. » « Art.
  9. Indien het feit noch een wanbedrijf noch een overtreding oplevert, vernietigt de rechtbank het onderzoek, de dagvaarding en alles wat erop gevolgd is, ontslaat de beklaagde van rechtsvervolging en beslist over de vorderingen tot schadevergoeding. » Artikel 212 van het Wetboek van Strafvordering, dat samenhangt met de in het geding zijnde bepalingen, luidt : « Art.
  10. Indien het vonnis wordt teniet gedaan omdat het feit door geen enkele wet wordt beschouwd als wanbedrijf of overtreding, ontslaat het hof de beklaagde van rechtsvervolging en beslist in voorkomend geval over de schadevergoeding te zijnen behoeve. » B.
  11. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling invoeren tussen, enerzijds, de burgerlijke partij die tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling van de verdachte hoger beroep 5 heeft ingesteld en door de kamer van inbeschuldigingstelling, op grond van die bepalingen, in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege eraan geeft, op vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte, kan worden veroordeeld tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep, en, anderzijds, de verdachte die tegen een beschikking tot verwijzing naar de feitenrechter hoger beroep heeft ingesteld en door de kamer van inbeschuldigingstelling, bij ontstentenis van op soortgelijke wijze geïnterpreteerde wetsbepalingen, niet kan worden veroordeeld tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. B.3.
  12. Ingevolge de vervanging van artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering bij artikel 31 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek (Belgisch Staatsblad, 2 april 1998, eerste uitgave) is de kamer van inbeschuldigingstelling niet langer verplicht de burgerlijke partij die in het ongelijk werd gesteld in het hoger beroep (« verzet ») dat zij op grond van het vroegere artikel 135 van hetzelfde Wetboek had ingesteld tegen de beschikkingen van de raadkamer die het voortzetten van de strafvordering in de weg stonden, te veroordelen tot schadevergoeding jegens de verdachte. Het vroegere artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering, waarop die verplichting was gebaseerd, werd door het Hof bestaanbaar verklaard met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de arresten nr. 43/95 van 6 juni 1995, nr. 76/95 van 9 november 1995 en nr. 34/99 van 17 maart
  13. In het kader van de hervorming van de strafrechtspleging die zou leiden tot de voormelde wet van 12 maart 1998, werden de voordelen van het behoud van de mogelijkheid daartoe weliswaar erkend, maar onvoldoende geacht om een wettelijke handhaving ervan te overwegen. In dat verband vermeldt de parlementaire voorbereiding van die wet het volgende : « Het huidige artikel 136 heeft zijn belang : namelijk het besparen van een afzonderlijke procedure in het geval waar een persoon die buiten vervolging wordt gesteld, van de burgerlijke partij die zich als tegenpartij opwerpt en die in het ongelijk wordt gesteld, een schadevergoeding wil vorderen. Aanvankelijk werd door de Commissie Strafprocesrecht beoogd deze mogelijkheid te behouden, doch facultatief te maken opdat de burgerlijke partij die in het ongelijk werd gesteld niet meer, proprio motu, veroordeeld zou moeten worden door de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit gebeurt in de praktijk trouwens nu reeds lang niet meer automatisch. 6 Zoals de Raad van State in zijn advies terecht opmerkte, rijst de vraag echter of met deze wijziging in het kader van het wetsontwerp het verschil in behandeling tussen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij - die wel veroordeeld kan worden tot een schadevergoeding aan de verdachte, enerzijds, maar geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding vanwege de verdachte, anderzijds - nog wel verantwoord is. Dat het Arbitragehof in het verleden oordeelde dat dit verschil in behandeling zoals het nu in de wet ingeschreven staat, wel degelijk verantwoord is (zie Arbitragehof, 6 juni 1995, nr. 43/95; Arbitragehof 9 november 1995, nr. 76/95), vormt geen garantie voor de toekomst, aangezien met het huidige wetsontwerp de mogelijkheden van beroep aanzienlijk verruimd zouden worden. In deze omstandigheden lijkt het de Commissie strafprocesrecht dan ook verkieslijk de mogelijkheid tot veroordeling van de burgerlijke partij tot schadevergoeding wegens onwerkdadig hoger beroep in zijn geheel af te schaffen, eerder dan een zelfde mogelijkheid in te voeren ten nadele van de verdachte. » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, pp. 65-66) B.3.
  14. Het verwijzende rechtscollege heeft de artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering evenwel aldus geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling niettemin de bevoegdheid verlenen de burgerlijke partij wier hoger beroep tegen een beschikking tot buitenvervolgingstelling van de verdachte ongegrond wordt verklaard, op vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte te veroordelen tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Het Hof dient die bepalingen, in de interpretatie die het verwijzende rechtscollege eraan geeft, te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
  15. Het verschil in behandeling van de burgerlijke partij en de in verdenking gestelde verdachte berust op een objectief criterium, namelijk hun hoedanigheid als procespartij en de onderscheiden gronden waarop zij thans op basis van de paragrafen 1 en 2 van artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering hoger beroep kunnen instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer. Anders dan de burgerlijke partij vermag de in verdenking gestelde verdachte slechts op een beperkt aantal gronden een beschikking van de raadkamer in hoger beroep te betwisten, wat het verschil in behandeling tussen de beide partijen op het vlak van de mogelijkheid tot veroordeling wegens tergend en roekeloos hoger beroep kan verantwoorden. B.
  16. Het rechtsmiddel dat op grond van artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering door de burgerlijke partij wordt aangewend tegen de beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van de verdachte, is, zelfs na de wijziging van de artikelen 135 en 136 van het Wetboek van Strafvordering bij de voormelde wet van 12 maart 1998, een uitzondering 7 op de regel volgens welke het openbaar ministerie de toepassing van de strafwet vordert. Het gevolg van het hoger beroep van de burgerlijke partij is identiek aan dat van het hoger beroep van het openbaar ministerie, vermits de kamer van inbeschuldigingstelling zich niet uitspreekt over de burgerlijke vordering, doch wel over de strafvordering. Het valt daarbij niet uit te sluiten dat burgerlijke partijen misbruik zouden maken van hun recht van hoger beroep en de verdachte zouden schaden door het gerechtelijk onderzoek te verlengen, om redenen die geen verband houden met het algemeen belang, door ongepast hoger beroep in te stellen en aldus de strafvordering aan te houden. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege bieden de in het geding zijnde bepalingen dan ook de mogelijkheid - doch geenszins de verplichting - de burgerlijke partij tot schadevergoeding te veroordelen wanneer zij op haar hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van de verdachte in het ongelijk wordt gesteld. Op die wijze wordt de buiten vervolging gestelde verdachte beschermd en de burgerlijke partij gewaarschuwd tegen het onverantwoord aanwenden van het rechtsmiddel van het hoger beroep tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling. Het onderscheid is dan ook pertinent om de doelstelling te verwezenlijken. B.
  17. De maatregel, in de interpretatie van het verwijzende rechtscollege, is ook niet onevenredig met de beoogde doelstelling. De maatregel staat het instellen van hoger beroep, dat volkomen rechtmatig is wanneer het rechtsmiddel strekt tot vrijwaring van een beschermenswaardig belang, met name de hervorming of vernietiging van een nadelige rechterlijke uitspraak, op grond van ernstige grieven, geenszins in de weg. Alleen kennelijk misbruik van de mogelijkheid om de beschikking tot buitenvervolgingstelling voor de kamer van inbeschuldigingstelling te betwisten, kan tot veroordeling tot schadevergoeding aanleiding geven, overigens niet ambtshalve, maar op vordering van de buiten vervolging gestelde partij en nadat hierover een debat is gevoerd. Het komt de kamer van inbeschuldigingstelling toe, op grond van de concrete elementen van het dossier, te oordelen of het hoger beroep dient te worden gekwalificeerd als tergend en roekeloos en of de vordering tot schadevergoeding gegrond is. De maatregel beperkt evenmin op buitensporige wijze de rechten van burgerlijke partijen, die hun vorderingen nog steeds voor de burgerlijke rechter kunnen brengen. Het is daarentegen 8 vanuit proceseconomische overwegingen niet onverantwoord de vordering tot schadevergoeding van de buitenvervolginggestelde, die uitsluitend voortvloeit uit het tergend en roekeloos karakter van het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer waarbij hij buiten vervolging wordt gesteld, te laten beoordelen door het rechtscollege dat het meest aangewezen moet worden geacht om daarover te oordelen. B.
  18. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 159, 191 en 212 van het Wetboek van Strafvordering schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid verlenen om kennis te nemen van de vordering van de buiten vervolging gestelde verdachte tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beschikking tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 15 september
  19. De griffier, De voorzitter, L. Potoms A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.152 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.