id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.159 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20041020.2 Arrest- Rolnummer: 159-2004;2777 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-11-02 Raadplegingen: 265 - laatst gezien 2026-07-04 00:24 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de wet van 13 februari 2003 tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder de artikelen 2 tot 22 van voormelde wet, ingesteld door M. Goossenaerts en anderen. Wettelijke bepalingen: Wet - 13-02-2003 - 36 ELI link Pub nr 2003009163 Tekst van de beslissing Rolnummer 2777 Arrest nr. 159/2004 van 20 oktober 2004 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 13 februari 2003 tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder de artikelen 2 tot 22 van voormelde wet, ingesteld door M. Goossenaerts en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 augustus 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 augustus 2003, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 13 februari 2003 tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder de artikelen 2 tot 22 van voormelde wet (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 februari 2003, derde uitgave), door M. Goossenaerts, wonende te 9040 Gent, Schuurstraat 62, M. Platel en R. Deweirdt, wonende te 1950 Kraainem, Oudstrijderslaan 6, M. Van Aken, wonende te 2980 Zoersel, Nieuwedreef 4, P. Herman, wonende te 2100 Deurne, Ter Heydelaan 207, S. Van Steen, wonende te 1800 Vilvoorde, J.B. Nowélei 43, L. Roosemont en R. Roosemont, wonende te 8956 Kemmel, Willebeek 3, P. De Neve en M. Bauwens, wonende te 1703 Schepdaal, Lostraat 14, L. Lamberts-Van Assche, wonende te 1840 Londerzeel, Beemden 34, A. Jonckheere, wonende te 8310 Brugge, Hofmeierlaan 2, L. Borkes en W. Vanden Heuvel, wonende te 3600 Genk, Boeyenstraat 6, M. Debackere, wonende te 9630 Zwalm, Vredesplein 15, F. Pieters, wonende te 2170 Merksem, Korenstraat 8, H. Van den Berghe, wonende te 9420 Erpe-Mere, Honegemstraat 135, T. de Beir en M. Pollet, wonende te 8300 Knokke- Heist, Boomgaarden 29, en G. Van Gorp, wonende te 2000 Antwerpen, Everdijstraat
- V. De Rycke en F. Gadisseur, wonende te 1050 Brussel, Léon Jouretstraat 1, en de Ministerraad hebben een memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. V. De Rycke en F. Gadisseur en de Ministerraad hebben ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 9 juni 2004 : - zijn verschenen : . Mr. M. Storme en Mr. F. Judo, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. E. Jacubowitz en Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. N. Van Laer, advocaat bij de balie te Brussel, voor V. De Rycke en F. Gadisseur; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1.
- De verzoekende partijen oordelen dat zij belang hebben bij het beroep tot vernietiging van de bestreden wet. De verzoekende partijen 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 zijn gehuwd. Ze betogen dat ze door de wijziging van de aard van de instelling waartoe zij zijn toegetreden, negatief worden geraakt in hun belangen, vermits die instelling een aard aanneemt die niet in overeenstemming is met de bedoelingen die zij hadden toen zij een huwelijk sloten. De derde verzoeker is ongehuwd, maar wenst een huwelijk te sluiten. Hij oordeelt dat hij door de bestreden wet in zijn belangen wordt geraakt, aangezien hij op grond van de bestreden bepalingen, in samenhang gelezen met artikel 21 van de Grondwet, verplicht is, vooraleer hij een religieus huwelijk kan aangaan, toe te treden tot een instelling die niet in overeenstemming is met zijn religieuze overtuiging. Hij meent dat hij aldus in een onaanvaardbaar moreel dilemma is terechtgekomen : ofwel toetreden tot een instelling die voor hem moreel onaanvaardbaar is, ofwel afzien van de mogelijkheid een religieus huwelijk aan te gaan. Hij acht zich ook persoonlijk geraakt in een van zijn fundamentele rechten, meer bepaald het recht om een huwelijk, in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, te sluiten. Ook de vijftiende verzoeker verklaart dat hij ongehuwd is. De verzoekende partijen 1, 4, 5, 8, 9, 10, 11 en 12 beroepen zich tevens op hun belang als rooms-katholieke of als protestants-christelijke burgers en betogen daarbij dat zij door de bestreden bepalingen terechtgekomen zijn in een statuut dat niet langer verzoenbaar is met hun opvattingen. A.1.
- De verzoekende partijen oordelen dat het belang waarop ze zich beroepen niet kan worden omschreven als een « persoonlijke appreciatie of ethische afkeuring van de wet ». Dat zou enkel het geval kunnen zijn indien zij bepalingen zouden aanvechten die een instelling inrichten of wijzigen waarvan zij geen deel uitmaken, noch wensen deel uit te maken. De stelling dat de bestreden wet niet op hen van toepassing is, achten de verzoekende partijen onjuist. Uit de tekst van de bestreden wet en uit de parlementaire voorbereiding volgt dat de wetgever de bedoeling had een regelgeving uit te vaardigen die van toepassing zou zijn op alle huwelijken. Daaruit volgt eveneens dat de wetgever met de bestreden wet een andere inhoud en betekenis heeft gegeven aan de voorheen bestaande instelling « huwelijk ». A.2.
- De Ministerraad oordeelt, met verwijzing naar rechtspraak van het Hof, dat de verzoekende partijen onvoldoende doen blijken van het rechtens vereiste belang en verzoekt het Hof, in hoofdorde, het beroep om die reden als niet-ontvankelijk te verwerpen. Aangezien de vijftiende verzoeker zich louter en alleen beroept op het feit dat hij ongehuwd is, geeft hij volgens de Ministerraad geenszins zijn concreet belang te kennen. Met betrekking tot de gehuwde verzoekende partijen betoogt de Ministerraad dat ze niet vermelden welke hun bedoelingen waren bij het sluiten van een huwelijk, zodat hun beweringen niet concreet kunnen worden nagegaan. Aan de bedoeling hun relatie te versterken door duurzame verbintenissen aan te gaan ten opzichte van elkaar wordt door de bestreden wet geenszins afbreuk gedaan. Met betrekking tot de verzoekende partijen die zich beroepen op hun belang als rooms-katholieke of protestants-christelijke burgers merkt de Ministerraad op dat de bestreden wet enkel van toepassing is op het burgerlijke huwelijk van personen van hetzelfde geslacht en bijgevolg niet op de verzoekende partijen. De bestreden wet heeft geen enkele weerslag op het rooms-katholiek of protestants huwelijk. Bovendien vloeit het nadeel waarvan melding wordt gemaakt, veeleer voort uit artikel 21, tweede lid, van de Grondwet dan uit de bestreden wet, zodat het ook onrechtstreeks is. De Ministerraad betoogt eveneens dat het aangevoerde belang onrechtmatig is, aangezien het in strijd is met het democratische niet-confessionele karakter van de Belgische Staat. In een democratische niet-confessionele Staat verlenen de religieuze overtuigingen van burgers hun niet het recht het leven van andere burgers die hun overtuigingen niet delen te beïnvloeden, laat staan mee te 4 beslissen over de wijze waarop zij hun privé-leven mogen leiden of over de gevolgen die de wetgever al dan niet eraan mag verbinden. A.2.
- De Ministerraad oordeelt eveneens dat het belang waarop alle verzoekende partijen zich beroepen hoe dan ook niet kan worden aangenomen, aangezien het louter weigeren van een evolutie van de wetgeving geen persoonlijk, rechtstreeks, zeker en rechtmatig belang kan uitmaken. Dat geldt des te meer wanneer de bestreden wet niet van toepassing is op de verzoekende partijen en het verzoekschrift enkel erop gericht is te vermijden dat personen die wel onder de toepassing van de wet vallen gedeeltelijk dezelfde rechten zouden genieten als die welke de verzoekende partijen reeds genieten. Het aangevoerde belang is volgens de Ministerraad wel degelijk gebaseerd op een ethische afkeuring van de wet, wat blijkt uit de procedurestukken van de verzoekende partijen, waarin onder meer wordt gesteld dat de bestreden wet met zich meebrengt dat het huwelijk niet langer in overeenstemming is met de bedoelingen en de religieuze overtuigingen van de verzoekende partijen en dat het huwelijk een moreel onaanvaardbare instelling is geworden. Het argument als zou het aangevoerde belang slechts als niet-persoonlijk kunnen worden betiteld wanneer regels worden aangevochten met betrekking tot een instelling waarvan de verzoekende partijen geen deel uitmaken, wordt door de Ministerraad als « retorisch » omschreven, aangezien de regels van het heteroseksuele huwelijk geenszins worden gewijzigd. A.
- Het belang van de verzoekende partijen wordt eveneens betwist door de tussenkomende partijen, die hun eigen belang bij de tussenkomst motiveren door erop te wijzen dat zij gehuwd zijn op basis van de bestreden wet. Met verwijzing naar rechtspraak van het Hof oordelen ze dat de bestreden wet de gehuwde verzoekers niet rechtstreeks en ongunstig raakt, aangezien de wet de situatie van de reeds gehuwde personen op geen enkele manier wijzigt. Met betrekking tot het belang van de niet-gehuwde verzoekende partijen wijzen de tussenkomende partijen erop dat de bestreden wet hen niet berooft van de mogelijkheid te huwen met een persoon van het andere geslacht, zodat hun situatie niet is gewijzigd. De bestreden wet verleent hun daarentegen de bijkomende mogelijkheid om te huwen met een persoon van hetzelfde geslacht. De tussenkomende partijen zien niet in hoe de niet-gehuwde verzoekers door de bestreden wet rechtstreeks en ongunstig zouden kunnen worden geraakt, wanneer die wet hun een bijkomende mogelijkheid verschaft. De tussenkomende partijen betwisten tevens de door de verzoekende partijen ter ondersteuning van hun belang aangehaalde argumenten gebaseerd op het feit dat de bestreden wet strijdig is met hun opvattingen en geloof. De enkele hoedanigheid van burger volstaat niet om het vereiste belang op te leveren. Het feit dat rechtsonderhorigen een wet afkeuren die aanleiding kan geven tot een ethisch debat verleent hun evenmin dat belang. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de middelen A.4.
- De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van alle aangevoerde middelen. Aangezien de bestreden wet geen enkele weerslag heeft, noch op het burgerlijke huwelijk van personen van verschillend geslacht, noch a fortiori op het godsdienstige huwelijk, is geen van de aangevoerde middelen van die aard dat de situatie van de verzoekende partijen daardoor concreet wordt verbeterd, noch enig nadeel dat zij concreet zouden ondervinden daardoor verdwijnt. A.4.
- Het vijfde middel acht de Ministerraad bovendien strijdig met de belangen die de verzoekende partijen aanvoeren. Het gegrond verklaren van dat middel - gebaseerd op het gegeven dat de bestreden wet het polygame huwelijk niet erkent - kan immers enkel ertoe leiden de bestreden wet onverkort te laten bestaan en het tot het polygame huwelijk uit te breiden, waardoor het huwelijk nog verder van de bedoelingen en overtuigingen van de verzoekende partijen zou staan. A.4.
- Volgens de verzoekende partijen zijn de excepties van de Ministerraad gebaseerd op een verkeerde interpretatie van de middelen. 5 Ten aanzien van het eerste middel A.5.
- Het eerste middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 11bis van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen schendt de bestreden wet het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, mede gelezen in het licht van artikel 11bis van de Grondwet, doordat, zonder objectieve en redelijke verantwoording, wezenlijk verschillende situaties op dezelfde wijze worden behandeld. Tussen personen die een gezin wensen te stichten met een persoon van het andere geslacht en daartoe een leefgemeenschap willen sluiten die steeds « huwelijk » is genoemd, enerzijds, en personen die een leefgemeenschap willen vormen met een persoon van gelijk geslacht, anderzijds, bestaat een objectief verschil. De verzoekende partijen verwijzen daarbij naar een door de afdeling wetgeving van de Raad van State uitgebracht advies en oordelen dat in de toelichting bij het voorstel, dat heeft geleid tot de bestreden wet, niet op een zinvolle wijze wordt geantwoord op de in dat advies geuite bezwaren. Ze menen dat de in de toelichting opgenomen redenering, gebaseerd op het - volgens de verzoekende partijen - foutieve uitgangspunt als zouden de bestreden bepalingen een einde moeten maken aan een bestaande discriminatie, onjuist is omdat het Burgerlijk Wetboek vóór de bestreden wijziging helemaal geen discriminerende regeling van het recht om te huwen bevatte. A.5.
- Volgens de Ministerraad mist het middel feitelijke en juridische grondslag, aangezien het uitgaat van een verkeerde premisse. De bestreden wet leidt niet ertoe dat de door de verzoekende partijen onderscheiden categorieën van personen op volledig identieke wijze worden behandeld, aangezien slechts een deel van de wettelijke gevolgen van het huwelijk op echtparen van hetzelfde geslacht van toepassing wordt verklaard. De bestreden wet sluit immers uitdrukkelijk de toepassing van de regels met betrekking tot de afstamming in het algemeen en de adoptie in het bijzonder uit. Zodoende heeft de wetgever rekening gehouden met het enige aspect waarin echtparen van hetzelfde en van verschillend geslacht objectief als verschillend kunnen worden beschouwd. A.5.
- In hun memorie van antwoord oordelen de verzoekende partijen dat de argumentatie van de Ministerraad niet ter zake doet, al was het maar omdat de artikelen 1 tot en met 12 van de bestreden wet hen raken. Minstens is er sprake van een « grosso modo gelijke behandeling van verschillende situaties », wat ook blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet. Een in overgrote mate identieke behandeling, die geen recht doet aan de fundamentele verschillen tussen beide situaties, is in ieder geval strijdig met het evenredigheidsbeginsel. A.5.
- Volgens de tussenkomende partijen is het huwelijksconcept, zoals ingevuld door de verzoekende partijen, niet te verenigen met artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Met verwijzing naar rechtspraak van het Europees Hof, oordelen ze dat de onmogelijkheid voor een koppel om kinderen te verwekken, niet kan verantwoorden dat aan de betrokkenen het recht te huwen wordt ontzegd. Ze oordelen eveneens dat het advies van de Raad van State, waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, voornamelijk de opportuniteit van de bestreden wet behandelt en bijgevolg niet de overeenstemming ervan met de hogere rechtsregels. Ze wijzen bovendien erop dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie een dynamisch beginsel is, waarvan de inhoud onderhevig is aan maatschappelijke evoluties. Het behoort tot de bevoegdheid van de wetgever om bij het aannemen van wetten rekening te houden met die evoluties. Uit de parlementaire voorbereiding leiden ze af dat de wetgever een einde wou maken aan een discriminatie die, ofschoon vroeger te begrijpen, vandaag niet meer te verantwoorden is. Ze stellen ten slotte dat de verzoekende partijen ten onrechte beweren dat daardoor een nieuwe discriminatie ontstaat. Ten aanzien van het tweede middel A.6.
- Het tweede middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 11, 11bis en 21, tweede lid, van de Grondwet en, in samenhang gelezen met artikel 10 van de Grondwet, van artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de algemene rechtsbeginselen van de beschaafde naties. A.6.
- In een eerste onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden wet artikel 21, tweede lid, van de Grondwet schendt. 6 Uit die bepaling blijkt volgens de verzoekende partijen dat het burgerlijke huwelijk een grondwettelijk begrip is waarvan de wezenlijke kenmerken vanuit de Grondwet zelf dienen te worden bepaald, in voorkomend geval in het licht van het internationaal recht, zodat het de wetgever niet toekomt om die wezenlijke kenmerken te wijzigen. De verzoekende partijen betogen dat de Grondwetgever, bij de redactie van artikel 21 van de Grondwet, onmiskenbaar het huwelijk tussen personen van verschillend geslacht beoogde, al was het maar omdat geen van de erkende erediensten een huwelijk aanvaardt tussen personen van gelijk geslacht. Uit de omstandigheid dat artikel 21 met zich meebrengt dat gelovigen eerst burgerlijk dienen te huwen, vooraleer zij een religieus huwelijk kunnen aangaan, leiden ze af dat de Staat zich ervan moet onthouden het burgerlijke huwelijk in te richten op een wijze die incompatibel is met het religieuze huwelijk. A.6.
- In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden wet in strijd is met bepalingen die uitdrukking geven aan de fundamentele tweeslachtigheid van de mens als uitgangspunt van de Belgische grondwettelijke orde, zoals onder meer de artikelen 11 en 11bis van de Grondwet, artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (in het bijzonder het eerste lid). Ze beklemtonen dat artikel 11bis van de Grondwet hun stelling versterkt, aangezien eruit blijkt dat de Grondwetgever de fundamentele tweeslachtigheid van de mens als een dermate belangrijk gegeven beschouwt dat dit gegeven kan worden aangevoerd om een dermate ingrijpende regeling als artikel 11bis te verantwoorden. Ze betogen eveneens dat de bestreden wet met zich meebrengt dat personen die zijn toegetreden tot het huwelijk in de traditionele zin - zoals beoogd door voormelde verdragsbepalingen - het bijzondere beschermingsstatuut dat zij totnogtoe genoten, wordt ontnomen. De bestreden wet leidt immers ertoe dat de in artikel 23, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bedoelde bijzondere bescherming van het gezin wordt aangetast. Het veralgemenen van een bijzondere bescherming komt immers neer op het uithollen van diezelfde bescherming. Daarbij oordelen ze dat artikel 53 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geen afbreuk kan doen aan de bedoelde bescherming van het gezin. A.7.
- Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel betoogt de Ministerraad, met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding van artikel 21 van de Grondwet, dat de wezenlijke kenmerken van het huwelijk niet door de Grondwet worden bepaald en dat artikel 21 van de Grondwet geenszins inhoudt dat uitsluitend personen van verschillend geslacht mogen huwen. Uit de omstandigheid dat het Burgerlijk Wetboek in 1831 enkel voorzag in het huwelijk van personen van verschillend geslacht kan niet worden afgeleid dat artikel 21, tweede lid, van de Grondwet tot doel heeft enkel die huwelijken toe te staan. Volgens de Ministerraad heeft artikel 21, tweede lid, van de Grondwet enkel tot doel de voorrang van het burgerlijke op het godsdienstige huwelijk te waarborgen. Dat wordt bovendien bevestigd in artikel 267 van het Strafwetboek. De bewering dat artikel 21, tweede lid, van de Grondwet tot doel zou hebben het godsdienstige - a fortiori christelijke - huwelijk te beschermen door te beletten dat het burgerlijke huwelijk ooit ervan zou afwijken, acht de Ministerraad zowel historisch als juridisch onjuist. Sedert de inwerkingtreding van de Grondwet heeft het burgerlijke huwelijk verschillende wijzigingen ondergaan (onder meer met betrekking tot de mogelijkheid om uit de echt te scheiden), waardoor het meer en meer verschilt van het huwelijk zoals het door de in België erkende erediensten wordt beschouwd en geregeld. De Ministerraad merkt bovendien op dat de verzoekende partijen in het eerste onderdeel van het middel in werkelijkheid een grondwettelijke leemte aanklagen waarover het Hof kennelijk niet bevoegd is te oordelen. A.7.
- De tussenkomende partijen oordelen, net zoals de Ministerraad, dat het in artikel 21 van de Grondwet gehanteerde begrip « burgerlijk huwelijk » losstaat van een religieuze invulling ervan, wat onder meer blijkt uit het feit dat uit de echt gescheiden personen een nieuw burgerlijk huwelijk kunnen aangaan. A.8.
- Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel oordeelt de Ministerraad dat de verzoekende partijen ten onrechte beweren dat de bestreden wet hen berooft van het beschermingsstatuut dat artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten aan gehuwde personen verlenen. De aangehaalde verdragsbepalingen leggen een minimale beschermingsstandaard vast. Met verwijzing naar artikel 53 van het Europees Verdrag voor 7 de Rechten van de Mens stelt de Ministerraad dat niets de wetgever belet die bescherming uit te breiden. Bovendien wordt de rechtssituatie van de verzoekende partijen door de bestreden wet niet gewijzigd, zodat het in de bedoelde verdragsbepalingen beoogde beschermingsstatuut onverkort blijft bestaan. Aangezien er geen schending is van de aangevoerde verdragsbepalingen kan er ook geen sprake zijn van een schending van artikel 10 van de Grondwet, in samenhang gelezen met die bepalingen. De Ministerraad oordeelt eveneens dat artikel 11bis van de Grondwet onmogelijk in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het elke bescherming door de wet van paren van hetzelfde geslacht zou verbieden. A.8.
- De tussenkomende partijen oordelen dat de door de verzoekende partijen aangevoerde internationale bepalingen het huwelijk niet definiëren als een instelling die voorbehouden is aan heteroseksuele personen. Rekening houdend met het feit dat het in artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht te huwen losstaat van de mogelijkheid zich voort te planten en rekening houdend met artikel 53 van hetzelfde Verdrag, bestaat er geen tegenstrijdigheid tussen de bestreden wet en de aangevoerde internationale bepalingen. De tussenkomende partijen oordelen eveneens dat de door de verzoekende partijen aangevoerde bepalingen niet kunnen worden geïnterpreteerd als zouden ze uitdrukking geven aan de fundamentele tweeslachtigheid van de mens als uitgangspunt van de Belgische grondwettelijke orde. Daarbij wijzen ze erop dat het gelijkheidsbeginsel, zoals gewaarborgd in de Grondwet en in internationale verdragen, verhindert dat een onderscheid wordt gemaakt op basis van seksualiteit. A.9.
- Op de vraag van de Ministerraad om de « algemene rechtsbeginselen van de beschaafde naties » te verduidelijken, verwijzen de verzoekende partijen naar artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof en naar artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ze betogen dat het huwelijksconcept van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten kan worden beschouwd als een gemeenschappelijk erfgoed dat tot die beginselen behoort en bijgevolg voorrang heeft op het nationale recht. A.9.
- In zijn memorie van wederantwoord betwist de Ministerraad de door de verzoekende partijen aan de « algemene beginselen van de beschaafde naties » verleende draagwijdte. Die beginselen kunnen worden beschouwd als rechtsbronnen, maar niet als rechtsnormen of algemene rechtsbeginselen, waaraan het Hof zou kunnen toetsen. De vraag of de wetgever al dan niet het huwelijk vermag open te stellen voor personen van hetzelfde geslacht is volstrekt vreemd aan artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ten aanzien van het derde middel A.10.
- Het derde middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 19 en 21, tweede lid, van de Grondwet en van de artikelen 9 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alsmede de artikelen 18 en 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in samenhang gelezen met artikel 10 van de Grondwet. A.10.
- Volgens de verzoekende partijen brengen de bestreden bepalingen met zich mee dat gelovige burgers die in overeenstemming met de geboden en voorschriften van hun godsdienst een religieus huwelijk wensen te sluiten vooraf dienen toe te treden tot een instelling die fundamenteel tegengesteld is aan hun geloofsovertuigingen en de voorschriften van hun godsdienst. Dat leidt tot een ontoelaatbare inbreuk op de godsdienstvrijheid en op hun recht een huwelijk te sluiten, zoals gewaarborgd bij de in het middel aangehaalde artikelen. Personen die hun recht willen uitoefenen op praktische toepassing van de godsdienst en het onderhouden van geboden en voorschriften worden bovendien door de bestreden bepalingen gediscrimineerd. A.10.
- In subsidiaire orde betogen de verzoekende partijen dat de door de bestreden wet veroorzaakte beperking van de vrijheid van godsdienst niet noodzakelijk was, ook niet voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, omdat de door de wetgever nagestreefde doeleinden, voor zover ze legitiem zijn, perfect konden worden bereikt met middelen die geen aantasting van de godsdienstvrijheid en aanverwante fundamentele rechten van verzoekers zouden inhouden. Daarom achten ze artikel 19 van de Grondwet op zichzelf geschonden, alsmede de artikelen 9, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en 18, derde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 19 van de Grondwet. 8 A.11.
- Na erop te hebben gewezen dat de bestreden wet niet op de verzoekende partijen van toepassing is en bijgevolg hun burgerlijke en godsdienstige rechten niet kan wijzigen, oordeelt de Ministerraad dat het door de verzoekende partijen aangevoerde « gewetensconflict » slechts ontstaat doordat zij zich ergeren aan het feit dat mensen die zij als verschillend beschouwen een deel van de rechten die zij zelf al genieten ook zouden kunnen hebben. Bovendien wijst de Ministerraad erop, daarin gevolgd door de tussenkomende partijen, dat de nadelen die de verzoekende partijen beweren te ondervinden en die zij als onevenredig beschouwen niet uit de bestreden wet, doch wel uit artikel 21, tweede lid, van de Grondwet voortvloeien. Ten slotte oordeelt de Ministerraad dat, gelet op het feit dat de godsdienstvrijheid geenszins door de bestreden wet wordt beknot, er geen noodzaak bestaat om aan partners van hetzelfde geslacht een « andere oplossing » te bieden, die wel met de godsdienstvrijheid zou zijn te verzoenen. A.11.
- De verzoekende partijen oordelen dat de argumenten van de Ministerraad berusten op een verkeerde lezing van de middelen en verwijzen daarbij naar hun argumenten ter ondersteuning van hun belang bij het beroep. Ze oordelen eveneens dat de stelling van de Ministerraad, volgens welke het aangevoerde nadeel niet zou voortvloeien uit de bestreden wet maar uit artikel 21 van de Grondwet, onjuist is, aangezien het aangevoerde nadeel niet bestond vooraleer de bestreden wet werd ingevoerd. De overige opmerkingen van de Ministerraad achten de verzoekende partijen niet ter zake, aangezien ze behoren « tot het veld van de opportuniteit ». Ten aanzien van het vierde middel A.12.
- Het vierde middel is afgeleid uit een schending van artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de algemene rechtsbeginselen van de beschaafde naties, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen oordelen dat, aangezien de bestreden bepalingen de bescherming van het huwelijk uitbreiden tot een instelling die niet kan worden omschreven als een huwelijk in de zin van de in het middel aangehaalde verdragsbepalingen - die immers uitsluitend betrekking hebben op het huwelijk tussen personen van verschillend geslacht -, de relatieve beschermingspositie van gehuwden wordt verzwakt, terwijl artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten de overheid verplicht maatregelen te nemen ter bescherming van het huwelijk. De maatregelen die de overheid ter uitvoering van voormelde internationale bepalingen neemt ter bescherming van het gezin mogen bijgevolg niet willekeurig worden uitgebreid tot andere categorieën. A.12.
- De Ministerraad oordeelt, met verwijzing naar artikel 53 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat niets de wetgever belet de door het internationaal recht opgelegde beschermingsmaatregelen uit te breiden. Volgens de Ministerraad raken de argumenten van de verzoekende partijen kant noch wal, aangezien de bescherming die door de aangevoerde verdragsbepalingen aan echtparen van verschillend geslacht wordt verleend, onverkort blijft bestaan. De bescherming wordt door de bestreden wet niet verzwakt, maar versterkt. A.12.
- In hun memorie van antwoord stellen de verzoekende partijen dat artikel 53 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geen gevolgen kan hebben voor de interpretatie van artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, vermits het slechts een interpretatieregel voor het Europees Verdrag betreft. Ze betogen eveneens dat de in artikel 53 vervatte regel uitdrukkelijk beperkt is tot mogelijke beperkingen op « de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, welke verzekerd kunnen worden ingevolge de wetten van enige Hoge Verdragsluitende Partij ». Aangezien de bestreden wet moet worden beschouwd als een louter organisatorische regelgeving en bijgevolg onmogelijk kan worden omschreven als een regeling ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, kan artikel 53 niet worden toegepast. Het tegendeel beweren zou leiden tot een omkering van de normenhiërarchie en tot een voortdurende mogelijkheid om verdragsrechtelijke bepalingen terzijde te schuiven door middel van wettelijke normen. 9 A.12.
- In zijn memorie van wederantwoord wijst de Ministerraad erop dat artikel 5, tweede lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten dezelfde inhoud heeft als artikel 53 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De Ministerraad betwist bovendien de stelling dat de bestreden wet moet worden beschouwd als een louter organisatorische regeling. De bestreden wet heeft betrekking op het recht te huwen, wat als een fundamenteel recht moet worden beschouwd. A.12.
- De tussenkomende partijen oordelen dat de bescherming van het recht te huwen en van het gezin, zoals bedoeld in de door de verzoekende partijen aangevoerde internationale bepalingen, niet alleen slaat op het huwelijk tussen personen van verschillend geslacht. Ten aanzien van het vijfde middel A.13.
- Het vijfde middel is afgeleid uit een schending van artikel 10, afzonderlijk of in samenhang gelezen met artikel 19 van de Grondwet, artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partijen betogen dat de Grondwet uitgaat van een monogaam huwelijk tussen personen van verschillend geslacht. Indien dat grondwettelijke uitgangspunt terzijde wordt geschoven, moet logischerwijze worden aanvaard dat de bestreden bepalingen discriminerend zijn, doordat zij een ongerechtvaardigd onderscheid in stand houden op basis van andere elementen van seksuele geaardheid, en meer in het bijzonder doordat personen niet over de mogelijkheid beschikken om met meer dan één partner tegelijk te huwen. Die benadeling is des te minder gerechtvaardigd aangezien polygamie deel uitmaakt van de regels en praktijken van meerdere grote godsdiensten, waaronder de islam. A.13.
- Om de redenen uiteengezet in A.4.2 oordeelt de Ministerraad dat het middel onontvankelijk is. A.13.
- Volgens de verzoekende partijen verduidelijkt de Ministerraad niet waarom het middel zou ingaan tegen hun belangen. A.13.
- Volgens de tussenkomende partijen steunt het middel op een verkeerde interpretatie van artikel 21 van de Grondwet, interpretatie die zou inhouden dat de Grondwet het huwelijk definieert als een monogaam huwelijk tussen personen van verschillend geslacht. Aangezien artikel 21 niet in die zin kan worden geïnterpreteerd, behoort het tot de bevoegdheid van de wetgever te oordelen of een polygaam huwelijk moet worden toegelaten. De tussenkomende partijen oordelen evenwel dat het polygame huwelijk niet vergelijkbaar is met het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht, vermits het polygame huwelijk strijdig is met de Belgische internationale openbare orde. Ze oordelen eveneens dat het middel niet ontvankelijk is, aangezien de verzoekers niet uitleggen hoe de aangevoerde leemte in de wet hun eigen juridische situatie ongunstig zou kunnen beïnvloeden. Ten aanzien van de gevolgen van een eventuele vernietiging A.
- De tussenkomende partijen verzoeken het Hof om, indien het beroep ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard, de gevolgen van de bestreden wet te handhaven, met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzonder wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, voor de huwelijken die vóór de publicatie van het arrest in het Belgisch Staatsblad op basis van de wet werden gesloten. 10 -B- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.1.
- De Ministerraad en de tussenkomende partijen voeren aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang, daar zij rechtstreeks noch ongunstig door de bestreden wet worden geraakt. B.1.
- De gehuwde verzoekende partijen betogen dat ze door de wijziging van de aard van het huwelijk worden geraakt, aangezien het huwelijk niet langer in overeenstemming is met de bedoelingen die zij hadden toen zij het huwelijk sloten. Ze oordelen dat de bestreden wet een andere inhoud en betekenis verleent aan de instelling « huwelijk ». Sommigen onder hen beroepen zich eveneens op hun belang als rooms-katholieke of als protestants-christelijke burgers en oordelen dat ze ten gevolge van de bestreden wet terechtgekomen zijn in een statuut dat niet langer te verzoenen is met hun opvattingen. De niet-gehuwde verzoekende partijen voeren aan dat zij in hun belangen worden geraakt aangezien zij, op grond van de bestreden wet, in samenhang gelezen met artikel 21 van de Grondwet, vooraleer zij een religieus huwelijk zouden kunnen aangaan, verplicht zouden zijn toe te treden tot een instelling die niet in overeenstemming is met hun religieuze overtuiging. Ze achten zich bovendien persoonlijk geraakt in een van hun essentiële mensenrechten, meer bepaald het recht om een huwelijk in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten te sluiten. B.1.
- De bestreden wet regelt het burgerlijk huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht en brengt daartoe wijzigingen aan in de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die van toepassing zijn op het huwelijk tussen personen van verschillend geslacht. Om te weten of de verzoekende partijen rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door de bepalingen die zij aanvechten, dienen de draagwijdte van die bepalingen en de gevolgen die zij kunnen hebben, te worden onderzocht, te dezen mede in het licht van de door de verzoekende partijen aangevoerde middelen. De ontvankelijkheid van hun beroep valt samen met het onderzoek ten gronde. 11 Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
- De bestreden bepalingen van de wet van 13 februari 2003 tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek luiden : « HOOFDSTUK II. — Wijzigingen van de bepalingen van Boek I van het Burgerlijk Wetboek Art.
- In de Franse tekst van artikel 75 van het Burgerlijk Wetboek worden de woorden ‘ pour mari et femme ’ vervangen door de woorden ‘ pour époux ’. Art.
- Artikel 143 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 31 maart 1987, wordt hersteld in de volgende lezing, en wordt verplaatst naar Hoofdstuk I van Boek I, Titel V, van hetzelfde Wetboek : ‘ Art.
- — Een huwelijk kan worden aangegaan door twee personen van verschillend of van hetzelfde geslacht. Indien het huwelijk werd aangegaan tussen personen van hetzelfde geslacht, is artikel 315 niet van toepassing. ’ Art.
- In artikel 162, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1987 en van 27 maart 2001, worden de woorden ‘ de broeder en zuster ’ vervangen door de woorden ‘ broers, tussen zusters of tussen broer en zuster. ’ Art.
- Artikel 163 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : ‘ Art.
- — Het huwelijk is ook verboden tussen oom en nicht of neef, of tussen tante en nicht of neef. ’ Art.
- Artikel 164 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : ‘ Art.
- — Echter kan de Koning, om gewichtige redenen, het in het vorige artikel bevatte verbod opheffen evenals het in artikel 162 bevatte verbod betreffende huwelijken tussen schoonbroeder en schoonzuster, schoonbroeder en schoonbroeder of schoonzuster en schoonzuster. ’ Art.
- Artikel 170 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 juli 1931 en gewijzigd bij de wet van 1 maart 2000, wordt vervangen als volgt : ‘ Art.
- — Wat de vorm betreft worden beschouwd als geldig in België : 1° De huwelijken tussen Belgen, alsook tussen Belgen en vreemdelingen, welke in een vreemd land zijn voltrokken met inachtneming van de in dat land gebruikelijke vormen; 12 2° De huwelijken tussen Belgen, alsook tussen Belgen en vreemdelingen, welke zijn voltrokken door de diplomatieke ambtenaren of door de ambtenaren van het consulair korps aan wie de functie van ambtenaar van de burgerlijke stand is opgedragen. ’ Art.
- In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 juli 1931, worden de woorden ‘ of van de eerste vestiging der echtgenote, indien zij alleen op het grondgebied van het Rijk terugkeert ’ vervangen door de woorden ‘ of van de eerste vestiging van een van de echtgenoten, indien deze alleen op het grondgebied van het Rijk terugkeert. ’ Art.
- In artikel 206, 1°, van hetzelfde Wetboek worden de woorden ‘ de schoonmoeder ’ vervangen door de woorden ‘ de schoonvader of de schoonmoeder. ’ Art.
- In artikel 313, § 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, worden de woorden ‘ de echtgenoot ’ vervangen door de woorden ‘ de echtgenoot of de echtgenote ’; 2° in het derde lid worden de woorden ‘ aan de echtgenoot ’ vervangen door ‘ aan de echtgenoot of de echtgenote. ’ Art.
- Artikel 319bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt : ‘ Wanneer de vader gehuwd is en een kind erkend dat is verwekt bij een vrouw waarvan hij niet de echtgenoot is, moet de akte van erkenning bovendien bij verzoekschrift ter homologatie voorgelegd worden aan de rechtbank van eerste aanleg van de woonplaats van het kind. De echtgenoot of de echtgenote van de verzoeker dient in het geding betrokken te worden. ’ Art.
- Artikel 322, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt : ‘ Indien de verweerder gehuwd is en het kind tijdens het huwelijk verwekt is bij een vrouw waarvan hij niet de echtgenoot is, moet het vonnis waarbij de afstamming wordt vastgesteld, aan de echtgenoot of de echtgenote worden betekend. Totdat die betekening heeft plaatsgehad, kan het vonnis niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, noch aan de kinderen geboren uit het huwelijk met de verweerder of geadopteerd door beide echtgenoten. ’ Art.
- In artikel 345, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 1987, worden de woorden ‘ en de echtgenoten zijn van verschillend geslacht, ’ ingevoegd tussen de woorden ‘ echtgenoot van de adoptant, ’ en de woorden ‘ dan is het voldoende ’. Art.
- In artikel 346, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 27 april 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 13 1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt : ‘ van verschillend geslacht ’; 2° in het derde lid worden de woorden ‘ kan de betrokkene in voorkomend geval opnieuw geadopteerd worden door degene met wie de andere echtgenoot hertrouwd is ’ vervangen door de woorden ‘ kan, wanneer de andere echtgenoot hertrouwd is met iemand van verschillend geslacht, de betrokkene in voorkomend geval opnieuw geadopteerd worden door de nieuwe echtgenoot. ’ Art.
- In artikel 361, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 april 1987, worden de woorden ‘ van verschillend geslacht ’ ingevoegd tussen de woorden ‘ van de echtgenoot ’ en de woorden ‘ van de adoptant ’. Art.
- Artikel 368, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 1987, wordt aangevuld als volgt : ‘ van verschillend geslacht ’. HOOFDSTUK III. — Wijzigingen van de bepalingen van Boek III van het Burgerlijk Wetboek Art.
- Artikel 1398 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt : ‘ Art.
- — Het wettelijk stelsel berust op het bestaan van drie vermogens : het eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten, zoals die worden omschreven in de hiernavolgende artikelen. ’ Art.
- In artikel 1676, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vervallen de woorden ‘ gehuwde vrouwen, ’. Art.
- Artikel 1940 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 april 1958, wordt vervangen als volgt : ‘ Art.
- — Indien de bewaargever van staat veranderd is, bijvoorbeeld indien tegen een meerderjarige bewaargever onbekwaamverklaring is uitgesproken en in alle soortgelijke gevallen, kan de in bewaring gegeven zaak slechts teruggegeven worden aan hem die het beheer heeft over de rechten en de goederen van de bewaargever. ’ Art.
- In artikel 1941 van hetzelfde Wetboek vervallen de woorden ‘ , door de man ’ en de woorden ‘ , die man ’. HOOFDSTUK IV. — Wijzigingen van de bepalingen van boek III, titel VIII, afdeling IIbis van het Burgerlijk Wetboek : ‘ Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder ’ 14 Art.
- In artikel 16, III, van de wet van 30 april 1951 op de handelshuurovereenkomsten vervallen de woorden ‘ de gehuwde vrouw, ’. HOOFDSTUK V. — Wijzigingen van de bepalingen van Boek III, Titel XVIII, van het Burgerlijk Wetboek : ‘ Voorrechten en hypotheken ’ Art.
- In artikel 48 van de wet van 16 december 1851 houdende herziening van het hypothecair stelsel worden de woorden ‘ van zijn vrouw, tenzij deze die goederen door erfenis of schenking, of onder bezwarende titel met haar eigen penningen ’ vervangen door de woorden ‘ van zijn echtgenoot of echtgenote, tenzij deze die goederen door erfenis of schenking, of onder bezwarende titel met zijn of haar eigen penningen ’. » Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de middelen B.3.
- De Ministerraad voert aan dat alle middelen, en in het bijzonder het vijfde middel, onontvankelijk zijn, aangezien ze niet van die aard zijn dat ze de situatie van de verzoekende partijen concreet kunnen verbeteren, noch enig nadeel dat zij concreet zouden ondervinden, kunnen doen verdwijnen. B.3.
- Om dezelfde reden als vermeld in B.1.3 wordt de exceptie van de Ministerraad samengevoegd met het onderzoek ten gronde. Ten aanzien van het eerste middel B.4.
- Volgens het eerste middel schendt de bestreden wet de artikelen 10 en 11, mede gelezen in het licht van artikel 11bis, van de Grondwet, doordat de bepalingen van de bestreden wet, zonder redelijke verantwoording, wezenlijk verschillende situaties op dezelfde wijze behandelen. B.4.
- De verzoekende partijen voeren aan dat er een objectief verschil bestaat tussen personen die een gezin wensen te stichten met een persoon van het andere geslacht en personen die een leefgemeenschap willen vormen met een persoon van gelijk geslacht. 15 B.4.
- Het Hof mag een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer twee categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. B.4.
- De bestreden wet stelt het huwelijk open voor personen van hetzelfde geslacht (de artikelen 2 en 3) en wijzigt daartoe verscheidene bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Een deel van de wijzigingsbepalingen heeft tot doel het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht mogelijk te maken volgens regels die gelden voor het huwelijk tussen personen van verschillend geslacht (de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 17). Andere wijzigingsbepalingen bevatten uitzonderingen op de regels die gelden voor gehuwde personen van verschillend geslacht (de artikelen 3, 13, 14, 15 en 16). De overige wijzigingsbepalingen (de artikelen 18, 19, 20 en 21) betreffen diverse artikelen van het Burgerlijk Wetboek en beogen, naar luid van de parlementaire voorbereiding, « vergetelheden » van de wetgever weg te werken, waardoor de betreffende bepalingen tegelijkertijd geslachtsneutraal worden gemaakt (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-1173/1, pp. 8 en 9). B.4.
- Het openstellen van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht werd in de toelichting bij het voorstel, dat tot de bestreden wet heeft geleid, verantwoord als volgt : « In onze samenleving wordt het huwelijk door de meerderheid nog steeds beschouwd als de ideale basis voor het duurzaam samenleven van twee personen. Hoewel er in het Burgerlijk Wetboek nergens wordt bepaald dat het huwelijk slechts gesloten kan worden tussen personen van verschillend geslacht, is men er in de rechtsleer en rechtspraak steeds vanuit gegaan dat het geslachtsverschil een positieve vereiste is om het huwelijk te kunnen sluiten. De logica daartoe was het gegeven dat het huwelijk is gericht op voortplanting. […] Vandaag moet worden vastgesteld dat deze verklaring achterhaald is. Kinderen worden immers zowel binnen als buiten het [lees : het huwelijk] verwekt en geboren en veel gehuwden beschouwen het verwekken van kinderen niet langer meer als het belangrijkste doel van deze verbintenis. In onze hedendaagse samenleving wordt het huwelijk beleefd en aangevoeld als een (vormgebonden) verbintenis tussen twee personen, met als voornaamste doel het creëren van een duurzame samenlevingsband. Het huwelijk biedt beide partners de mogelijkheid om hun band en de gevoelens die ze voor elkaar hebben tegenover de buitenwereld te bevestigen. 16 Gelet op de veranderde tijdsgeest - het huwelijk dient thans voornamelijk om de innige band tussen twee personen te veruiterlijken en te bevestigen en verliest zijn procreatief karakter - is er geen enkele reden meer om het huwelijk niet open te stellen voor personen van hetzelfde geslacht. » (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-1173/1, pp. 1 en 2) B.4.
- Het staat aan de wetgever de aard en de voorwaarden van het huwelijk te bepalen. Hij dient daarbij evenwel onder meer het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie te eerbiedigen. B.4.
- Uit de parlementaire voorbereiding - zoals geciteerd in B.4.5 - blijkt dat de wetgever het huwelijk voortaan heeft geconcipieerd als een instituut met als voornaamste doel het creëren van een duurzame levensgemeenschap tussen twee personen, waarvan de gevolgen worden geregeld door de wet. Ten aanzien van het aldus ingevulde huwelijksconcept (het creëren van een duurzame levensgemeenschap) is het verschil tussen, enerzijds, personen die een levensgemeenschap willen vormen met een persoon van het andere geslacht, en, anderzijds, personen die dit wensen te doen met een persoon van hetzelfde geslacht, niet zodanig dat deze laatsten moeten worden uitgesloten van de mogelijkheid een huwelijk aan te gaan. B.4.
- Artikel 11bis van de Grondwet leidt niet tot een ander besluit. Het middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het tweede en vierde middel B.5.
- Volgens het tweede middel schenden de bestreden bepalingen de artikelen 11, 11bis en 21, tweede lid, van de Grondwet en, in samenhang gelezen met artikel 10 van de Grondwet, artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de « algemene rechtsbeginselen van de beschaafde naties ». 17 B.5.
- In een eerste onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden wet artikel 21, tweede lid, van de Grondwet schendt, aangezien het in dat artikel vervatte huwelijksconcept geïnterpreteerd dient te worden als zijnde gebaseerd op partners van verschillend geslacht. B.5.
- Artikel 21, tweede lid, van de Grondwet luidt als volgt : « Het burgerlijk huwelijk moet altijd aan de huwelijksinzegening voorafgaan, behoudens de uitzonderingen door de wet te stellen, indien daartoe redenen zijn. » Met die bepaling heeft de Grondwetgever in 1831 een einde willen maken aan de - in die tijd - geldende praktijk, waarbij sommigen, in de overtuiging dat de inzegening van een religieus huwelijk volstond om burgerlijke gevolgen teweeg te brengen, enkel een religieus huwelijk sloten. Het tweede lid van artikel 21 van de Grondwet regelt bijgevolg niet de voorwaarden van het huwelijk en heeft evenmin tot doel of tot gevolg het burgerlijk huwelijk afhankelijk te maken van een of andere religieuze invulling ervan. Artikel 21, tweede lid, van de Grondwet heeft bijgevolg niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan geven. Het eerste onderdeel van het tweede middel kan niet worden aangenomen. B.5.
- Volgens het tweede onderdeel van het tweede middel is de bestreden wet in strijd met bepalingen die uitdrukking geven aan de « fundamentele tweeslachtigheid van de mens » als uitgangspunt van de Belgische grondwettelijke orde, zoals onder meer de artikelen 10 en 11bis van de Grondwet, artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (in het bijzonder lid 1) en de « algemene rechtsbeginselen van de beschaafde naties ». B.5.
- Artikel 10, derde lid, van de Grondwet bepaalt : « De gelijkheid van vrouwen en mannen is gewaarborgd. » 18 Artikel 11bis, eerste lid, van de Grondwet bepaalt : « De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen voor vrouwen en mannen de gelijke uitoefening van hun rechten en vrijheden, en bevorderen meer bepaald hun gelijke toegang tot de door verkiezing verkregen mandaten en de openbare mandaten. » B.5.
- Met de artikelen 10, derde lid, en 11bis heeft de Grondwetgever beoogd, enerzijds, het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen uitdrukkelijk in de Grondwet op te nemen en, anderzijds, een grondwettelijke basis te creëren voor maatregelen die tot doel hebben ongelijkheden tussen vrouwen en mannen te bestrijden. De omstandigheid dat de Grondwet, door middel van de artikelen 10, derde lid, en 11bis, een bijzonder belang toekent aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen, brengt niet met zich mee dat de « fundamentele tweeslachtigheid van de mens » als een uitgangspunt van de Belgische grondwettelijke orde kan worden aangezien. De artikelen 10, derde lid, en 11bis van de Grondwet hebben niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan verlenen. B.5.
- Artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens luidt als volgt : « Mannen en vrouwen van huwbare leeftijd hebben het recht te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten welke de uitoefening van dit recht beheersen. » Artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten luidt als volgt : «
- Het gezin vormt de natuurlijke en fundamentele kern van de maatschappij en heeft het recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.
- Het recht van mannen en vrouwen van huwbare leeftijd een huwelijk aan te gaan en een gezin te stichten wordt erkend.
- Geen huwelijk wordt gesloten zonder de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten. 19
- De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen ter verzekering van de gelijke rechten en verantwoordelijkheden van de echtgenoten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan. In geval van ontbinding van het huwelijk wordt voorzien in de noodzakelijke bescherming van eventuele kinderen. » B.5.
- De artikelen 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en 23.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten houden voor de Staten die partij zijn bij die verdragen, de verplichting in om de levensgemeenschap tussen een man en een vrouw die wensen te huwen en die voldoen aan de bij de nationale wetten gestelde voorwaarden, als een huwelijk te erkennen. De aangehaalde verdragsbepalingen - ook niet artikel 23.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - kunnen niet in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de verdragsluitende partijen zouden verplichten de « fundamentele tweeslachtigheid van de mens » als een uitgangspunt van hun grondwettelijke orde te nemen. Artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten hebben niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan verlenen. Bijgevolg is er geen sprake van een discriminatoire behandeling in het genot van de in het middel aangehaalde fundamentele rechten. B.6.
- In zoverre de verzoekende partijen betogen dat de bestreden wet afbreuk doet aan « het recht [van het gezin] op bescherming door de maatschappij en de Staat », zoals bedoeld in artikel 23.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, valt het tweede onderdeel van het tweede middel samen met het vierde middel. Volgens het vierde middel schendt de bestreden wet artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de algemene rechtsbeginselen van de beschaafde naties, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het huwelijk wordt uitgebreid tot een instelling die niet kan worden omschreven als een huwelijk in de zin van de aangehaalde verdragsbepalingen, waardoor de relatieve beschermingspositie van gehuwden van verschillend geslacht wordt verzwakt, terwijl artikel 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten de Belgische Staat verplicht maatregelen te nemen ter bescherming van het huwelijk. 20 B.6.
- Bij de interpretatie van de in het middel aangehaalde verdragsbepalingen dient rekening te worden gehouden met artikel 53 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 5.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.6.
- Artikel 53 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens luidt als volgt : « Geen bepaling van dit Verdrag zal worden uitgelegd als beperkingen op te leggen of inbreuk te maken op de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, welke verzekerd kunnen worden ingevolge de wetten van enige Hoge Verdragsluitende Partij of ingevolge enig ander Verdrag waarbij de Hoge Verdragsluitende Partij partij is. » Artikel 5.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten luidt als volgt : « Het is niet toegestaan enig fundamenteel recht van de mens dat in een land, ingevolge wettelijke bepalingen, overeenkomsten, voorschriften of gewoonten, wordt erkend of bestaat, te beperken of ervan af te wijken, onder voorwendsel dat dit Verdrag die rechten niet erkent of dat het deze slechts in mindere mate erkent. » B.6.
- Uit de in B.6.3 geciteerde bepalingen vloeit voort dat artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 23.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten niet zodanig kunnen worden uitgelegd dat zij Staten die partij zijn bij voormelde verdragen zouden verhinderen het in die bepalingen gewaarborgde recht toe te kennen aan personen die dat recht willen uitoefenen met personen van hetzelfde geslacht. B.6.
- Volgens het vierde middel heeft de bestreden wet tot gevolg dat op discriminerende wijze afbreuk wordt gedaan aan artikel 23.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, naar luid waarvan het gezin recht heeft op « bescherming door de maatschappij en de Staat ». 21 B.6.
- De verzoekende partijen tonen niet aan en het Hof ziet niet hoe de « relatieve beschermingspositie » van het gezin door de bestreden bepalingen zou kunnen worden verzwakt, nu de bestreden wet geen enkele materiële wijziging aanbrengt in de wettelijke bepalingen die de gevolgen van het burgerlijk huwelijk van personen van verschillend geslacht beheersen. Bijgevolg kan er evenmin sprake zijn van een discriminatie in het genot van de in het middel aangehaalde rechten. B.6.
- Het tweede en het vierde middel kunnen niet worden aangenomen. Ten aanzien van het derde middel B.7.
- Volgens het derde middel schendt de bestreden wet de artikelen 19 en 21, tweede lid, van de Grondwet en, in samenhang gelezen met artikel 10 van de Grondwet, de artikelen 9 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de artikelen 18 en 23 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat gelovige burgers die in overeenstemming met de geboden en voorschriften van hun godsdienst een religieus huwelijk wensen te sluiten, vooraf dienen toe te treden tot een instelling die fundamenteel tegengesteld is aan hun geloofsovertuigingen en de voorschriften van hun godsdienst. B.7.
- De nadelen die de verzoekende partijen beweren te ondervinden, vloeien niet voort uit de bestreden wet, maar uit artikel 21, tweede lid, van de Grondwet. Het Hof is niet bevoegd zich uit te spreken over een beperking van de vrijheid van godsdienst en eredienst die voortvloeit uit een door de Grondwetgever zelf gemaakte keuze. Het derde middel kan niet worden aangenomen. 22 Ten aanzien van het vijfde middel B.8.
- Volgens het vijfde middel schendt de bestreden wet artikel 10 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 19 ervan, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat zij het niet mogelijk maakt met meer dan één partner tegelijk te huwen. B.8.
- De aan het Hof toevertrouwde toetsing van wettelijke normen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereist dat de categorie van personen ten aanzien van wie een mogelijke discriminatie wordt aangevoerd, het voorwerp uitmaakt van een pertinente vergelijking met een andere categorie, hetgeen te dezen niet het geval is. Het vijfde middel kan niet worden aangenomen. 23 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 20 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.159 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div