id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.168 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20041028.7 Arrest- Rolnummer: 168-2004;2936 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-12-15 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-07-04 02:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu schendt de bevoegdheidverdelende regels niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-01-1993 - 1 - 36 ELI link Pub nr 1993022029 Tekst van de beslissing Rolnummer 2936 Arrest nr. 168/2004 van 28 oktober 2004 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beschikking van 8 januari 2004 in zake P. Snauwaert en anderen tegen R. Huyghe, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 26 februari 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, indien het wordt geïnterpreteerd in die zin dat het de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bevoegd maakt om op vraag van de gemeente (vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen en, in combinatie met artikel 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet, vertegenwoordigd door inwoners) afbraakmaatregelen en exploitatieverboden op te leggen, artikel 6, § 1, I, 1°, en II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen dat de bevoegdheid inzake de stedenbouw en de ruimtelijke ordening inclusief de handhaving, respectievelijk de bevoegdheid inzake de externe politie van de gevaarlijke en hinderlijke inrichtingen, inclusief de handhaving voorbehoudt aan de gewesten ? » Memories zijn ingediend door : - P. Snauwaert en R. De Wolf, wonende te 3060 Bertem, Dorpstraat 569, en T. Bogaert en G. De Leeuw, wonende te 3060 Bertem, Dorpstraat 571; - R. Huyghe, wonende te 3080 Tervuren, Voerhoek 27; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door : - P. Snauwaert, R. De Wolf, T. Bogaert en G. De Leeuw; - R. Huyghe; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 15 september 2004 : - zijn verschenen : . Mr. J. Verstraeten, advocaat bij de balie te Leuven, voor P. Snauwaert, R. De Wolf, T. Bogaert en G. De Leeuw; . Mr. J. Joos loco Mr. D. Lindemans, advocaten bij de balie te Brussel, voor R. Huyghe; . Mr. P. Louage loco Mr. B. Bronders, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en P. Martens verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil R. Huyghe heeft op een perceel te Bertem zonder bouwvergunning varkensstallen verbouwd tot een loods. De regularisatie van de bouwwerken werd twee maal geweigerd (in 1993 en 1996) omdat het perceel in een woongebied is gelegen en het ingediende ontwerp niet verenigbaar is met de omgeving. Tot 19 november 2003 werd evenmin melding gemaakt van de exploitatie van een inrichting klasse 3, zoals daarin is voorzien in het milieuvergunningdecreet. In antwoord op een brief van P. Snauwaert, R. De Wolf, T. Bogaert en G. De Leeuw deelt de gemeente Bertem op 12 juni 2002 mee dat op 30 maart 1995 proces-verbaal van de bouwovertreding werd opgemaakt en dat het college van burgemeester en schepenen op 5 februari 1996 aan de gemachtigde ambtenaar heeft voorgesteld om het herstel van de plaats in de vorige toestand te vorderen. Op 13 februari 2003 laten P. Snauwaert en consorten de gemeente weten dat nog niets werd ondernomen tegen de bestaande toestand en dat zij onderzoeken welke juridische stappen zij kunnen ondernemen. Op 3 november 2003 dagvaarden zij R. Huyghe voor de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zitting houdende zoals in kort geding. Met toepassing van artikel 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet treden zij op namens de gemeente. Op grond van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu vragen zij een verbod van exploitatie op het betrokken perceel en een veroordeling tot afbraak van de illegale loods. De voorzitter stelt vast dat een dergelijke vordering verband houdt met het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en met het milieuvergunningdecreet. Beide decreten vertrouwen het handhavingsbeleid toe aan bepaalde overheden die ter zake een beoordelingsruimte genieten. De voorzitter vraagt zich af of de voormelde wet van 12 januari 1993, door een vorderingsrecht toe te kennen aan (inwoners van) gemeenten, die keuze van de decreetgever niet doorkruist en bijgevolg een schending inhoudt van de bevoegdheidverdelende bepalingen. Alvorens uitspraak te doen, stelt hij de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.
- R. Huyghe wijst erop dat de ruimtelijke ordening en stedenbouw en de externe politie van de gevaarlijke en hinderlijke inrichtingen op grond van artikel 6, § 1, I, 1°, en II, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van de gewesten behoren. Het zijn materies die bij het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en bij het milieuvergunningdecreet zijn geregeld. Luidens artikel 149, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 kan de rechtbank, naast de straf, bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen en dit uitsluitend op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college 4 van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen werden uitgevoerd. De betrokkene verwijst ook naar de artikelen 151 en 154 van hetzelfde decreet. Luidens artikel 31 van het milieuvergunningdecreet kunnen de burgemeester of, indien hij niet (volkomen) optreedt, de aangewezen ambtenaren de stopzetting bevelen van de milieuvergunnings- of meldingsplichtige activiteiten, de toestellen verzegelen en/of de onmiddellijke sluiting van de inrichting opleggen. De betrokkene verwijst ook naar artikel 39 van hetzelfde decreet. Uit de rechtspraak van het Hof leidt R. Huyghe af dat de bevoegdheidspakketten van de gewesten ook de handhavingsbevoegdheid omvatten, zonder dat afbreuk mag worden gedaan aan de federaal gebleven bevoegdheden. Hij verwijst naar artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, naar de rechtsleer en naar de arresten nrs. 57/2002, 152/2002 en 170/2002 van het Hof. Hij leidt daaruit af dat het toegang verlenen tot de rechter inzake stedenbouwaangelegenheden een gewestelijke bevoegdheid is. Vervolgens wijst de betrokkene erop dat de concurrerende toepassing van de stakingsvordering en de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur en het college van burgemeester en schepenen praktische problemen kan doen ontstaan, situatie die nog verergert wanneer de inwoners van een gemeente zich op grond van artikel 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet in de plaats kunnen stellen van de door de decreetgever bevoegd gemaakte organen, die inzake handhaving over een zekere beoordelingsruimte beschikken. Het toekennen van vorderingsrechten of het toegang verlenen tot de rechter moet volgens R. Huyghe worden onderscheiden van de rechterlijke organisatie die op grond van artikel 146 van de Grondwet aan de federale wetgever is voorbehouden. Er anders over oordelen zou het voor de gewesten onmogelijk maken een handhavingsbeleid te voeren. Hij besluit dat voor de wet van 12 januari 1993 geen bevoegdheidsgrond voorhanden is. A.
- Volgens P. Snauwaert en consorten was het verlenen van enige vorderingsbevoegdheid op het ogenblik van het goedkeuren van de wet van 12 januari 1993 hoe dan ook een nationale materie. De gewesten konden immers via de impliciete bevoegdheden geen regelgeving uitvaardigen met betrekking tot de rechterlijke organisatie. Anno 2004 is de bevoegdheid van de gewesten op grond van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 weliswaar ruimer, maar dit zou geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de federale wetgever inzake de bevoegdheid van de rechtscolleges. De betrokkenen verwijzen naar de rechtsleer en de rechtspraak van het Hof. Aanvaarden dat de in het geding zijnde wet de voorzitter van de rechtbank slechts een beperkte bevoegdheid had kunnen toekennen, zou de wet trouwens heel haar nut ontnemen. A.
- Volgens de Ministerraad heeft de wet van 12 januari 1993 niet de draagwijdte die de verwijzende rechter eraan geeft. Louter op grond van die wet kunnen particulieren niet in rechte treden, zodat zij op zichzelf beschouwd geen schending inhoudt van artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Die bepaling is naar het oordeel van de Ministerraad evenmin geschonden indien de in het geding zijnde wet in samenhang wordt gelezen met artikel 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet. De inwoners van een gemeente kunnen immers niet in rechte treden om hun persoonlijke belangen te verdedigen; enkel de collectieve belangen van de gemeente kunnen in aanmerking worden genomen. Zij kunnen dus geen eigen handhavingsbeleid voeren in plaats van de bevoegde overheden. Ten slotte merkt de Ministerraad op dat enkel de federale wetgever bevoegd was om het betrokken rechtsmiddel te organiseren. De rechterlijke organisatie behoort op grond van artikel 146 van de Grondwet tot de uitsluitende bevoegdheid van de federale wetgever. De Ministerraad verwijst naar de arresten nrs. 25/97 en 46/97 van het Hof. De bevoegdheden van de gewesten inzake ruimtelijke ordening en leefmilieu, inclusief het handhavingsbeleid, zouden door de in het geding zijnde wet niet zijn miskend. De bevoegdheid van de gewesten inzake handhaving steunt immers op de bijzondere machtiging die bij artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is verleend en die slechts betrekking heeft op het strafrechtelijk strafbaar stellen van inbreuken op decreetsbepalingen. De wet van 12 januari 1993 heeft evenwel een ruimer onderwerp aangezien zij toepasselijk is op alle kennelijke inbreuken of ernstige dreigingen daarvan op bepalingen betreffende de bescherming van het leefmilieu, ongeacht of die inbreuken al dan niet strafrechtelijk worden gestraft. Bij de bewering dat die wet en het decreet van 18 mei 1999 inzake ruimtelijke ordening zich op hetzelfde gebied begeven, kan de Ministerraad zich bijgevolg niet aansluiten. Het voormelde decreet wijst geen bevoegde rechter aan en verleent de rechter geen nieuwe bevoegdheid. 5 A.
- Ook de Vlaamse Regering is van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij acht het van belang dat er in het kader van de wet van 12 januari 1993 sprake moet zijn van een kennelijke inbreuk dan wel een ernstige dreiging van een dergelijke inbreuk. Of aan die voorwaarde is voldaan, wordt door de bevoegde voorzitter beoordeeld aan de hand van de gevolgen van de inbreuk voor het leefmilieu. Indien de voorzitter in het kader van zijn onderzoek besluit dat de inbreuk relatief onbelangrijk is, dan dient hij in beginsel geen beoordeling meer te doen van de mogelijke sancties, waaronder de staking van de gewraakte handeling. Volgens de Vlaamse Regering behoort de omschrijving van de bevoegdheden van de rechtscolleges op grond van de artikelen 145 en 146 van de Grondwet tot de uitsluitende bevoegdheid van de federale wetgever. Het vaststellen van de procedureregels voor de rechtscolleges komt aan de federale wetgever toe op grond van zijn residuaire bevoegdheid. Aangezien de te toetsen norm ontegensprekelijk de gerechtelijke organisatie tot voorwerp heeft, zou er geen schending zijn van de bevoegdheidverdelende bepalingen. Hoewel de vordering op basis van de in het geding zijnde wet in het vaarwater kan komen van het handhavingsbeleid met betrekking tot de gewestelijke bevoegdheden inzake ruimtelijke ordening en leefmilieu, zou zij geen beletsel vormen voor dat beleid en veeleer een aanvullend en ondersteunend instrument zijn. Het biedt immers de mogelijkheid aan onder meer alle administratieve overheden die bevoegd zijn voor het leefmilieu in de ruime zin om op korte termijn een einde te maken aan kennelijke inbreuken of ernstige dreigingen voor dergelijke inbreuken op de regelgeving inzake de bescherming van het leefmilieu, waaronder de ruimtelijke ordening en de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen ressorteren. Aangezien slechts sancties kunnen worden uitgesproken in geval van een kennelijke inbreuk of een ernstige dreiging daarvan, respecteert de in het geding zijnde wet volgens de Vlaamse Regering de beleidsruimte van de gemeente om al dan niet handhavend op te treden. In geval van aanzienlijke schade voor het leefmilieu dient de handhavende overheid immers principieel op te treden. Bovendien kan de bevoegde voorzitter steeds een belangenafweging doen, zodat hij niet verplicht is tot het uitspreken van sancties om schade of verdere schade te vermijden. De Vlaamse Regering merkt vervolgens op dat de bevoegdheidverdelende regels op het ogenblik van de totstandkoming van de in het geding zijnde wet geen uitweg boden om de vorderingsbevoegdheid inzake de bescherming van het leefmilieu met een decreet te verruimen. Tot de wijziging van artikel 19, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 konden de impliciete bevoegdheden immers geen toepassing vinden op door de Grondwet aan de wet voorbehouden bevoegdheden. Ten slotte wijst de Vlaamse Regering erop dat de bescherming van het leefmilieu geen exclusief gewestelijke bevoegdheid is en dat de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke de Grondwetgever en de bijzondere wetgever, voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid hebben toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden, in soortgelijke zin geldt voor de bevoegdheid tot het regelen van de bevoegdheden van en de procedureregels voor de rechtscolleges, die tot de federale bevoegdheid zijn blijven behoren. A.
- R. Huyghe is het niet eens met het standpunt van de andere partijen. Hij is van oordeel dat een beroep op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet nodig is om bij decreet een vorderingsrecht toe te kennen in de materie van de ruimtelijke ordening en de externe politie van de gevaarlijke en hinderlijke inrichtingen. Daarnaast wijst hij erop dat de rechtspraak en de rechtsleer niet eensluidend zijn wat betreft de invulling van het begrip « kennelijke inbreuk ». Volgens de enen zijn de gevolgen van inbreuk op het leefmilieu determinerend, terwijl volgens anderen moet worden onderzocht of de inbreuk evident is. Wanneer de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de laatste strekking volgt en bij gebrek aan belangrijke gevolgen voor het leefmilieu niettemin optreedt omdat de inbreuk evident is, zou de beleidsruimte van de door de decreetgever bevoegd gemaakte organen wel degelijk worden beperkt. Het is overigens niet omdat de voorzitter een belangenafweging kan maken dat daarmee de beoordelingsruimte van de voormelde organen zou worden geëerbiedigd. 6 -B- B.1.
- Artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu bepaalt : « Onverminderd de bevoegdheid van andere rechtscolleges op basis van andere wetsbepalingen, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, op verzoek van de procureur des Konings, van een administratieve overheid of van een rechtspersoon zoals omschreven in artikel 2, het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu. Hij kan de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. Voor elk debat over de grond van de zaak moet een verzoeningspoging plaatshebben. De voorzitter kan aan de overtreder een termijn toestaan om aan de opgelegde maatregelen te voldoen. » Een goede ordening van de ruimte maakt deel uit van het te beschermen leefmilieu in de zin van de voormelde bepaling (Cass., 8 november 1996, Arr. Cass., 1996, nr. 426). B.1.
- De rechtspersonen zoals omschreven in artikel 2 van de wet zijn verenigingen zonder winstoogmerk die sedert minstens drie jaar rechtspersoonlijkheid bezitten en die de bescherming van het leefmilieu tot doel hebben. Tot de administratieve overheden bedoeld in voormeld artikel 1 behoren de gemeenten. Wanneer het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt, kunnen één of meer inwoners op grond van artikel 271, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordelingen die mochten worden uitgesproken. B.1.
- Op grond van die bepalingen kan de procureur des Konings, een milieuvereniging, een administratieve overheid of zelfs - zoals in het geding voor de verwijzende rechter - een inwoner van een gemeente, optredend namens die gemeente, aan de voorzitter van de 7 rechtbank van eerste aanleg vragen om handelingen die in strijd zijn met de gewestelijke regels inzake milieu en ruimtelijke ordening te doen ophouden of te voorkomen. B.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 een schending inhoudt van de bevoegdheidverdelende bepalingen doordat die bepaling het handhavingsbeleid van de gewesten inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening doorkruist. De bepaling moet worden getoetst aan de bevoegdheidverdelende regels zoals die van toepassing waren op het tijdstip waarop zij werd aangenomen. B.3.
- Artikel 6, § 1, I, 1°, en II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalde : « Art.
- §
- De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet zijn : I. Wat de ruimtelijke ordening betreft : 1° De stedenbouw en de ruimtelijke ordening; […] II. Wat het leefmilieu betreft : 1° De bescherming van het leefmilieu met inbegrip van de algemene en sectoriële normen, met eerbiediging van de algemene en sectoriële normen vastgesteld door de nationale overheid wanneer er geen Europese normen bestaan; 2° Het afvalstoffenbeleid met uitzondering van de invoer, de doorvoer, de uitvoer en van de radioactieve afval; 3° De politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven, onder voorbehoud van de maatregelen van interne politie die betrekking hebben op de arbeidsbescherming. » Artikel 11 van dezelfde bijzondere wet bepaalde : « Binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gewesten en de Gemeenschappen kunnen de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de straffen wegens de niet-naleving bepalen overeenkomstig Boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van de criminele straffen bepaald in artikel 7 van dat Wetboek. » 8 B.3.
- Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en gewesten overgedragen. B.3.
- Artikel 19, § 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalde evenwel, vóór de wijziging ervan bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 : « Het decreet regelt de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 4 tot 11, onverminderd de bevoegdheden die door de Grondwet aan de wet zijn voorbehouden ». Hieruit vloeide voort dat de decreetgever, behoudens het geval waarin een bijzondere en uitdrukkelijke machtiging was verleend bij de wetten tot hervorming der instellingen, de materies die hem waren toegewezen slechts vermocht te regelen op voorwaarde dat hij geenszins inbreuk zou maken op de bevoegdheden die de Grondwet aan de wet voorbehoudt. Vóór de wijziging, bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, van artikel 19, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 kon de mogelijkheid die de Raden bij artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, is geboden en die erin bestaat dat hun decreten, indien dit noodzakelijk is voor het uitoefenen van de gemeenschaps- of gewestbevoegdheden, rechtsbepalingen kunnen bevatten in aangelegenheden waarvoor zij niet bevoegd zijn, geen toepassing vinden op bevoegdheden die de Grondwet aan de wet voorbehoudt. B.4.
- Artikel 146 van de Grondwet bepaalt : « Geen rechtbank, geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet. […] » B.4.
- De omschrijving van de bevoegdheden van de rechtbanken behoorde - op grond van artikel 19, § 1, eerste lid, van voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals dat artikel was gesteld op het tijdstip waarop de in het geding zijnde bepaling was aangenomen, in samenhang gelezen met artikel 146 van de Grondwet - tot de uitsluitende bevoegdheid van 9 de federale wetgever. Het vaststellen van procedureregels voor de rechtscolleges komt in beginsel aan de federale wetgever toe op grond van zijn residuaire bevoegdheid. B.4.
- Daaruit volgt dat de federale wetgever, op het tijdstip waarop de in het geding zijnde bepaling werd aangenomen, vermocht te bepalen dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is om het bestaan vast te stellen van een handeling die een kennelijke inbreuk is - of een ernstige dreiging daarvan - op de regelgeving inzake de bescherming van het leefmilieu. B.5.
- Artikel 1, tweede lid, van de wet van 12 januari 1993 verleent de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ook de bevoegdheid om de staking te bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen op te leggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu. De verwijzende rechter legt die bepaling aan het Hof voor in de interpretatie dat zij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bevoegd maakt om afbraakmaatregelen en exploitatieverboden op te leggen. B.5.
- De uitoefening door de gewesten van hun bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening en leefmilieu veronderstelt dat zij in die aangelegenheden de nodige handhavingsmaatregelen kunnen bepalen. De verwijzende rechter stelt in dat verband vast dat het milieuvergunningdecreet en het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening het handhavingsbeleid in het Vlaamse Gewest toevertrouwen aan bepaalde overheden die ter zake een beoordelingsruimte genieten. B.5.
- Uit de bewoordingen van artikel 1, tweede lid, van de wet van 12 januari 1993 blijkt evenwel dat de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg inzonderheid erop gericht is manifeste milieuovertredingen te doen ophouden of te voorkomen. De wet voorziet aldus in een snel en efficiënt handhavingsinstrument dat aanvullend is ten aanzien van de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke middelen ter handhaving van de wetgeving inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening. 10 Hoewel het bepalen van de maatregelen die een rechter vermag te bevelen in beginsel toekomt aan de overheid die bevoegd is voor de aangelegenheid waarop die maatregel betrekking heeft, kan het doen ophouden of voorkomen van onwettige handelingen in het algemeen worden geacht tot de essentie van de bevoegdheden van de rechtbanken te behoren, waarvoor de federale wetgever bevoegd is. Bij wijze van gevolgtrekking is de federale wetgever, op grond van de hiervoor uiteengezette bevoegdheidsverdeling, eveneens bevoegd om te bepalen wie de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg om dergelijke maatregelen kan verzoeken en op welke wijze de vordering wordt ingesteld en behandeld. In de uitoefening van zijn bevoegdheid dient de federale wetgever evenwel het evenredigheidsbeginsel, dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening, te eerbiedigen. B.5.
- Nu het opleggen van herstelmaatregelen, wat de reeds voltrokken overtredingen betreft die geen verdere schade aan het leefmilieu veroorzaken, aan de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ontsnapt, laat zijn optreden de beoordelingsruimte die de bevoegde gewestelijke overheden genieten inzake de keuze van de herstelmaatregelen onaangetast. Bovendien bepaalt de in het geding zijnde wet uitdrukkelijk dat de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van andere rechtscolleges op basis van andere wetsbepalingen. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. Het optreden van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg lijkt integendeel het handhavingsbeleid van de gewesten inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening slechts te kunnen versterken. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu schendt de bevoegdheidverdelende regels niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.168 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div