← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.170

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.170 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20041028.8 Arrest- Rolnummer: 170-2004;3036 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-12-15 Raadplegingen: 199 - laatst gezien 2026-07-04 02:15 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de verjaringstermijn waarin het voorziet niet van toepassing is op de schuldvorderingen ten laste van de intercommunale verenigingen. Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 1, eerste lid, a), van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën (thans artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991), gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 17-07-1991 - 100,L1,1$ - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Grondwet 1994 - 10 Grondwet 1994 - 11 Tekst van de beslissing Rolnummer 3036 Arrest nr. 170/2004 van 28 oktober 2004 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 1, eerste lid, a), van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën (thans artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991), gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 25 juni 2004 in zake de c.v. Iverlek tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 30 juni 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 1 van de wet van 6.2.1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, zoals overgenomen door artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het K.B. van 17.7.1991, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat die bepalingen bij toepassing van artikel 13, lid 3 van de wet van 10.3.1925 (betreffende de elektriciteitsvoorziening) tegen de Belgische Staat (of de Gemeenschappen of Gewesten) gerichte vorderingen tot betaling van de kostprijs van de werken tot verplaatsing van elektriciteitsleidingen onderwerpen aan een vijfjarige of tienjarige verjaringstermijn terwijl niet deze verjaringstermijnen maar wel de vóór de wet van 10.06.1998 (tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring) geldende gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar van toepassing zou zijn op dezelfde vorderingen gericht tegen intercommunale verenigingen terwijl diezelfde schuldvorderingen t.a.v. intercommunale verenigingen om dezelfde redenen onderworpen zouden moeten zijn aan de door artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit bepaalde verjaringstermijnen ? » Op 8 juli 2004 hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en P. Martens, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen verwierp de door de intercommunale vereniging c.v. Iverlek aangevoerde verjaring van de rechtsvordering ingesteld door het Vlaamse Gewest. Anders dan de eerste rechter is het Hof van Beroep te Antwerpen van oordeel dat het Arbitragehof zich nog niet over de door c.v. Iverlek opgeworpen ongrondwettigheid heeft uitgesproken. Alvorens uitspraak te doen, stelt het de hiervoor aangehaalde prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.

  1. In hun conclusies die werden opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, merkten de rechters-verslaggevers op dat het Hof in het arrest nr. 1/2004 van 14 januari 2004 reeds op een soortgelijke prejudiciële vraag heeft geantwoord. A.
  2. Er werd geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een memorie met verantwoording in te dienen. -B- B.
  3. Artikel 1 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën vormt artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, dat bepaalt : « Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen : 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen, die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de tienjarige verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas. » Artikel 8 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën verklaart artikel 1 van die wet van toepassing op de schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de provincies. 4 Krachtens artikel 128 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat wordt de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën opgeheven voor de in artikel 2 van de eerstgenoemde wet vermelde diensten. Die opheffing is evenwel nog niet in werking getreden. Artikel 100, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit blijft van toepassing op de schuldvorderingen op de federale Staat die vóór de inwerkingtreding van de wet van 22 mei 2003 zijn ontstaan (artikel 131, tweede lid). Tot de inwerkingtreding van de wet van 16 mei 2003 « tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof », blijft artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit krachtens artikel 71, § 1, van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 ook van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappen en de gewesten. B.
  4. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring bedroeg de gemeenrechtelijke verjaringstermijn dertig jaar. Het nieuwe artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door voormelde wet, bepaalt dat de persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar, met uitzondering van de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, die verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij die vorderingen in ieder geval verjaren door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. Wanneer het recht om in rechte te treden vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 is ontstaan, bepaalt artikel 10 van die wet bij wijze van overgangsmaatregel dat de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet pas beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding. B.
  5. Aangezien voor de intercommunale verenigingen in geen bijzondere verjaringstermijn is voorzien, verjaren hun schuldvorderingen overeenkomstig de gemeenrechtelijke bepalingen. 5 Het Hof dient te onderzoeken of het verantwoord is de tegen de intercommunale verenigingen gerichte vorderingen te onderwerpen aan een andere verjaringstermijn dan de vorderingen tegen andere publiekrechtelijke rechtspersonen. B.
  6. Zoals het Hof in de arresten nrs. 32/96, 75/97, 5/99, 85/2001, 42/2002, 64/2002, 37/2003, 1/2004, 86/2004 en 127/2004 heeft uiteengezet, had de wetgever, door de vorderingen gericht tegen de Staat aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, een maatregel genomen die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Er werd immers geoordeeld dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was omdat de Staat op een bepaald ogenblik zijn rekeningen moet kunnen afsluiten : het is een verjaring van openbare orde, die noodzakelijk is in het licht van een goede comptabiliteit (Pasin. 1846, p. 287). Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 februari 1970 werd herbevestigd dat « de Staat, die jaarlijks meer dan 150 miljard uitgeeft en met het bestuursapparaat werkt dat log, ingewikkeld, en dan nog overstelpt is met documenten en archiefstukken, […] wel een debiteur van gans bijzondere aard » is en dat « het wegens orderedenen geboden [is] zo spoedig mogelijk een einde te maken aan eisen die hun oorsprong vinden in achterstallige zaken » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 971/1, p. 2; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 126, p. 4). Behalve in het geval waarin personen zich in de onmogelijkheid bevinden om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat hun schade pas na het verstrijken van de termijn tot uiting is gekomen (arrest nr. 32/96), kwam het Hof telkens tot de vaststelling dat de wetgever een maatregel had genomen die niet onevenredig was met het nagestreefde doel. B.
  7. Weliswaar zijn de intercommunales publiekrechtelijke rechtspersonen, doch zij hebben de rechtsvorm van naamloze vennootschap, coöperatieve vennootschap of vereniging zonder winstoogmerk. 6 Uit de wetgeving op de intercommunales vloeit voort dat de wetgever de intercommunales heeft willen onderwerpen aan de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. Uit die keuze van de wetgever volgt dat de verjaringstermijn voor de schuldvorderingen ten aanzien van de intercommunales verschilt van degene die voortvloeit uit de wetten op de Rijkscomptabiliteit. De in B.4 vermelde redenen zouden niet kunnen verantwoorden dat de schuldvorderingen ten aanzien van de intercommunale verenigingen aan de vijfjarige verjaringstermijn worden onderworpen. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet houden overigens niet in dat de wetgever verplicht is om voor alle administratieve overheden af te wijken van de gemeenrechtelijke verjaringsregels. B.
  8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de verjaringstermijn waarin het voorziet niet van toepassing is op de schuldvorderingen ten laste van de intercommunale verenigingen. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 oktober
  9. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.170 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.