← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.174

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.174 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20041103.2 Arrest- Rolnummer: 174-2004;2774 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-11-17 Raadplegingen: 214 - laatst gezien 2026-07-04 02:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid. Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, ingesteld door de Waalse Regering. Wettelijke bepalingen: Wet - 07-02-2003 - 2 - 38 ELI link Pub nr 2003014044 Wet - 07-02-2003 - 3 - 38 ELI link Pub nr 2003014044 Wet - 07-02-2003 - 4 - 38 ELI link Pub nr 2003014044 Tekst van de beslissing Rolnummer 2774 Arrest nr. 174/2004 van 3 november 2004 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, ingesteld door de Waalse Regering. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 augustus 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 augustus 2003, heeft de Waalse Regering, rue Mazy 25-27, 5100 Namen, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 februari 2003). De Ministerraad en de Vlaamse Regering hebben memories ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 5 mei 2004 : - zijn verschenen : . Mr. S. Depré, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. P. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. G. Druez loco Mr. F. Libert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. Bij beschikking van 22 juni 2004 heeft voorzitter M. Melchior de zaak voorgelegd aan het Hof in voltallige zitting. Bij beschikking van 7 juli 2004 heeft het Hof de debatten heropend en de dag van de terechtzitting bepaald op 15 september 2004 nadat het de partijen had uitgenodigd in een uiterlijk op 10 september 2004 in te dienen aanvullende memorie, waarvan zij een afschrift aan de andere partijen doen toekomen, te antwoorden op volgende vragen : 1°

  1. a)Bevatten aanvullende gemeentelijke verkeersreglementen « regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer », zoals bedoeld in artikel 6, § 4, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ?
  2. b)Zo dit niet het geval is, behoort de bevoegdheid om die aangelegenheid te regelen tot de residuaire bevoegdheid van de federale wetgever of tot de bevoegdheid van de gewesten en, in dit laatste geval, op welke grond ?
  3. c)Dient omtrent hetgeen voorafgaat al dan niet een onderscheid te worden gemaakt tussen, enerzijds, de gemeente- en provinciewegen en, anderzijds, de gewestwegen ? 3 2° Houdt de in artikel 6, § 1, X, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen aan de gewesten opgedragen bevoegdheid om het beheer van de wegenis te regelen ook voor hen de bevoegdheid in om politieverordeningen te nemen en, zo ja, onder welke voorwaarden ? 3°
  4. a)Welke was vóór de bestreden wet van 7 februari 2003 de praktijk inzake de uitoefening van het administratief toezicht op de aanvullende gemeentelijke verkeersreglementen ? Bestond er ter zake een verschil tussen, enerzijds, de gemeente- en provinciewegen en, anderzijds, de gewestwegen ?
  5. b)Welke is sedert de inwerkingtreding van de wet van 7 februari 2003 de onder
  6. a)bedoelde praktijk ? 4° Houdt het vereiste van « betrokkenheid », zoals bedoeld in artikel 6, § 4, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in dat de overheden die bij het ontwerpen van een regeling verplicht betrokken zijn geweest, opnieuw door de bevoegde overheid dienen te worden betrokken bij het aanpassen van die ontworpen regeling aan een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State ? Is het voor het antwoord hierop al dan niet van belang dat de bevoegde overheid het advies van de Raad van State volledig volgt, in het bijzonder om tegemoet te komen aan de door de Raad van State opgeworpen wettigheids- of grondwettigheidsbezwaren, onder meer wanneer deze betrekking hebben op de bevoegdheden van de betrokken overheden ? De Vlaamse Regering, de Ministerraad en de verzoekende partij hebben aanvullende memories ingediend. Op de openbare terechtzitting van 15 september 2004 : - zijn verschenen : . Mr. S. Depré, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. G. Druez loco Mr. F. Libert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. In rechte -A– Ten aanzien van het eerste middel A.1. Een eerste middel is afgeleid uit de schending door de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, van artikel 39 van de Grondwet, alsmede van artikel 6, § 1, III, V en X, 1°, 2°bis en 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De Waalse Regering betoogt dat uit de combinatie van de artikelen 2 en 3 van de bestreden wet blijkt dat de bevoegdheid inzake aanneming van aanvullende reglementen betreffende de op hun grondgebied gelegen openbare wegen voortaan de uitsluitende bevoegdheid van de gemeenten is, behalve wat betreft de bevoegdheden die zijn voorbehouden aan de federale minister die bevoegd is voor het wegverkeer, zoals bedoeld in het nieuwe artikel 3, § 1, 1°, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, en aan de federale Minister van Landsverdediging, zoals bedoeld in het nieuwe artikel 3, § 1, 1° en 2°, van dezelfde wetten. Dat is, volgens de Waalse Regering, strijdig met de bevoegdheden die voortaan exclusief aan de gewesten zijn toevertrouwd in de aangelegenheden van de openbare werken, de wegen en hun aanhorigheden, landbouw en bossen alsmede inzake openbaar vervoer. A.2. De Ministerraad merkt in de eerste plaats op dat niet wordt betwist dat het echte onderwerp van de bestreden wetgeving de aangelegenheid wegverkeer is en niet een kwestie die raakt aan de essentie van de bevoegdheid van openbare werken, landbouw of bossen. De aangelegenheid van de algemene politie op het verkeer en het vervoer is een federale bevoegdheid. De Ministerraad preciseert dat de bestreden bepalingen vrijwillig overleg tussen de gemeenten niet in de weg staan. De bedoeling om de procedures ter goedkeuring van de aanvullende gemeentereglementen te vereenvoudigen is volgens hem de verklaring voor het feit dat de nieuwe wet het door de Minister van Verkeerswezen uitgeoefende specifieke toezicht inzake goedkeuring afschaft. De Ministerraad merkt op dat de bestreden bepalingen de gewesten niet verhinderen het gewone toezicht uit te oefenen op de initiatieven van de gemeenten. De gewesten zouden zelfs omzendbrieven kunnen nemen ter verduidelijking van de wijze waarop zij het toezicht ter zake uitoefenen. Zij zouden een gemeente nog steeds kunnen verzoeken een aanvullend reglement aan te nemen in verband met een gewestweg. A.3. De Vlaamse Regering brengt in herinnering dat de algemene politie op het verkeer en het vervoer een federale bevoegdheid is maar dat de gewesten bevoegd zijn inzake bijzondere politie. De gewesten zijn bevoegd inzake landbouw, natuurbescherming en natuurbehoud, bossen en groene ruimten, openbare werken, wegen en hun aanhorigheden. In die aangelegenheden is de federale overheid niet bevoegd om de bestaande normatieve bepalingen te wijzigen, te vervangen of op te heffen, zelfs diegene die zijn aangenomen in een periode waarin de federale overheid nog bevoegd was. A.4. In haar memorie van antwoord is de Waalse Regering van mening dat het geschil geen betrekking heeft op het beginsel van de bevoegdheid van de federale overheid inzake algemene politie op het verkeer en het vervoer. Zij verwijt de federale overheid dat deze door de uitoefening van die bevoegdheid afbreuk heeft gedaan aan de exclusieve bevoegdheid van de gewesten, met name inzake openbare werken, wegen en hun aanhorigheden. De Waalse Regering is van mening dat de Ministerraad niet antwoordt op haar argumentering : aangezien de federale overheid het optreden van de bevoegde ministers afschaft, dit wil zeggen thans, sinds de regionalisering, de gewestministers, doet zij afbreuk aan de bevoegdheden van de gewesten. In dat opzicht heeft het weinig belang of de gewesten de middelen hebben om het optreden van de gemeenten te controleren via de uitoefening van het gewone toezicht of via het uitvaardigen van omzendbrieven. Ten aanzien van het tweede middel A.5. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden artikelen van de wet van 7 februari 2003, van artikel 6, § 4, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van het beginsel van de federale loyauteit. 5 De Waalse Regering doet gelden dat, aangezien de haar oorspronkelijk voorgelegde tekst is gewijzigd nadat advies was uitgebracht, zonder haar echter te betrekken bij die aanpassingen, de vereiste van betrokkenheid alsmede het beginsel van de federale loyauteit niet in acht zijn genomen. A.6. De Ministerraad is van oordeel dat de procedure van betrokkenheid de vrijheid om wetgevend op te treden intact laat, zelfs wanneer die in een andere richting gaat dan die van het door de betrokken overheid uitgebrachte advies. Hij doet opmerken dat het voorontwerp van wet dat aan de Waalse Regering is voorgelegd dezelfde krachtlijnen bevatte als de uiteindelijke tekst die is neergelegd in het Parlement. De Ministerraad haalt de rechtspraak van de afdeling wetgeving van de Raad van State aan volgens welke, wanneer een aan die Raad voorgelegde tekst later wordt gewijzigd, de auteur van de tekst slechts tot een tweede raadpleging moet overgaan in geval van substantiële wijziging van de oorspronkelijke versie. Te dezen is hij van oordeel dat de tekst niet substantieel is gewijzigd en dat de federale overheid niet verplicht was de opmerkingen van een louter betrokken gewestregering slaafs te volgen. A.7. De Vlaamse Regering onderstreept dat de procedure van betrokkenheid een sterkere vorm van samenwerking is dan die van het horen of het advies. Zij stelt vast dat de gewesten niet zijn betrokken bij de totstandkoming van de tekst die is neergelegd in het Parlement na het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, terwijl de tekst die aanvankelijk aan de Raad van State was voorgelegd vervolgens substantieel is gewijzigd. A.8. De Waalse Regering formuleert dezelfde verbazing in haar memorie van antwoord : het komt haar voor dat de wijziging die in het ontwerp is aangebracht nadat zij haar advies had uitgebracht, van substantiële aard is. Ten aanzien van het derde middel van de Vlaamse Regering A.9. De Vlaamse Regering zet in haar memorie een nieuw middel uiteen, voor zover als nodig. Zij combineert het beginsel van de federale loyauteit met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij betoogt dat, doordat de federale overheid het beginsel van de federale loyauteit niet in acht heeft genomen, zij het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie heeft geschonden, in zoverre, in andere omstandigheden, de federale overheid ten aanzien van dezelfde of andere deelentiteiten het beginsel van de federale loyauteit in acht neemt. A.10. De Ministerraad is van oordeel dat het beginsel van de federale loyauteit, volgens de parlementaire voorbereiding van de desbetreffende grondwetsbepaling, niet een criterium van bevoegdheidsverdeling inhoudt en niet onder de toetsingsbevoegdheid van het Arbitragehof valt. Bovendien is hij van mening dat de Vlaamse Regering niet uiteenzet waarin te dezen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou zijn geschonden. A.11. De Waalse Regering sluit zich aan bij de argumentering van de Vlaamse Regering. -B– De bestreden bepalingen B.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, die luiden als volgt : « Art. 2. Artikel 2 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wordt vervangen als volgt : 6 ' Art. 2. Onder voorbehoud van artikel 3 van deze gecoördineerde wetten en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen, stellen de gemeenteraden de aanvullende reglementen vast betreffende de op het grondgebied van hun gemeente gelegen openbare wegen. De aanvullende reglementen worden aan de aangrenzende gemeenten ter informatie overgezonden, ten laatste vijftien dagen na hun aanneming door de gemeenteraad. ' Art. 3. Artikel 2bis van dezelfde gecoördineerde wetten, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 140 van 30 december 1982, wordt opgeheven alsmede de verwijzingen naar dit artikel in de artikelen 12 en 17 van deze gecoördineerde wetten. Art. 4. Artikel 3 van dezelfde gecoördineerde wetten wordt vervangen als volgt : ' Art. 3. § 1. De minister bevoegd voor het wegverkeer en de minister van Landsverdediging stellen ieder wat hun bevoegdheid betreft, de aanvullende reglementen vast […] die betrekking hebben op : 1° de aanduiding van de bebouwde kommen, bedoeld in het algemeen reglement op de politie over het wegverkeer, wanneer die zich over meer dan één gemeente uitstrekken; 2° de militaire wegen die openstaan voor het openbaar verkeer. § 2. De gemeenteraden stellen de aanvullende reglementen vast die bedoeld worden in § 1 als de bevoegde minister dit niet heeft gedaan. Deze reglementen worden ter goedkeuring aan hem voorgelegd. Als de minister zich niet heeft uitgesproken binnen een termijn van zestig dagen vanaf de ontvangst van het aanvullend reglement, kan dit reglement in werking worden gesteld. ' » B.2. Vóór de wijziging ervan bij de aangevochten artikelen van de voormelde wet van 7 februari 2003, bepaalden de artikelen 2, 2bis en 3 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968 (hierna : wegverkeerswet), wat volgt : « Art. 2. Onder voorbehoud van artikel 3 van deze gecoördineerde wetten en van artikelen 2 en 3 van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen, stellen de gemeenteraden aanvullende reglementen vast betreffende de op het grondgebied van hun gemeente gelegen openbare wegen. Die reglementen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Minister tot wiens bevoegdheid het wegverkeer behoort, na advies van de betrokken raadgevende commissies, ingesteld met toepassing van artikel 7, eerste en tweede lid. Hebben de raadgevende commissies geen advies uitgebracht binnen zestig dagen nadat het aanvullend reglement is ingekomen, dan kunnen de gemeenteraden het rechtstreeks aan de Minister voorleggen. Heeft de Minister geen uitspraak gedaan binnen zestig dagen nadat het 7 aanvullend reglement of, in voorkomend geval, het advies van de raadgevende commissie is ingekomen, dan kan het in werking gesteld worden. Art. 2bis. Om de exploitatiekosten van de maatschappijen voor gemeenschappelijk vervoer te beheersen, kan de Minister tot wiens bevoegdheid het wegverkeer behoort de gemeenteraden verzoeken te beraadslagen over de maatregelen die hij voorstelt om het verkeer van het gemeenschappelijk vervoer op het grondgebied van de gemeente te vergemakkelijken. De aanvullende reglementen die door de gemeenteraden worden vastgesteld op verzoek van de Minister behoeven de goedkeuring van deze laatste, die het advies van de betrokken, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, opgerichte raadgevende commissies inwint. Hebben de raadgevende commissies geen advies gegeven binnen zestig dagen na de ontvangst van het aanvullend reglement, dan kan de Minister dat reglement goedkeuren. Indien de gemeenteraden aan het verzoek van de Minister geen gevolg hebben gegeven binnen de door hem gestelde termijn of indien de Minister niet kan instemmen met het door de gemeenteraden vastgestelde aanvullend reglement kan hij het aanvullend reglement vaststellen na het advies van de betrokken raadgevende commissies te hebben ingewonnen. Indien de raadgevende commissies geen advies hebben gegeven binnen zestig dagen na de ontvangst van het aanvullend reglement kan het reglement in werking worden gesteld. Art. 3. § 1. De Minister van Openbare Werken, de Minister tot wiens bevoegdheid het wegverkeer behoort, de Minister van Landbouw en de Minister van Landsverdediging stellen onderscheidenlijk de aanvullende reglementen vast die betrekking hebben op : 1° openbare wegen die tot grote rijkswegen behoren en kruispunten waarvan een van die openbare wegen deel uitmaakt; 2° de aanwijzing van de bebouwde kommen, bedoeld in het algemeen reglement op de politie over het wegverkeer, wanneer die zich over meer dan één gemeente uitstrekken; 3° voor het openbaar verkeer openstaande wegen in Staatsbossen, natuur- en bosreservaten; 4° militaire wegen die voor het openbaar verkeer openstaan. Die reglementen worden vastgesteld na advies van de betrokken gemeenteraden of, wanneer het gaat om gemeenten die deel uitmaken van groepen van gemeenten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, na advies van de betrokken raadgevende commissies. Is dat advies binnen zestig dagen na de aanvraag niet ingekomen, dan kan de bevoegde Minister het reglement ambtshalve vaststellen. § 2. De gemeenteraden stellen de in § 1 bedoelde aanvullende reglementen vast indien de bevoegde Minister dat niet heeft gedaan. Die reglementen worden hem ter goedkeuring voorgelegd na advies van de betrokken raadgevende commissies, wanneer het gaat om gemeenten die deel uitmaken van groepen van gemeenten als bedoeld in artikel 7, eerste lid. 8 Hebben de raadgevende commissies geen advies uitgebracht binnen zestig dagen nadat het aanvullend reglement is ingekomen, dan kunnen de gemeenteraden het rechtstreeks aan de Minister voorleggen. Heeft de Minister geen uitspraak gedaan binnen zestig dagen nadat het aanvullend reglement of, in voorkomend geval, het advies van de raadgevende commissies is ingekomen, dan kan het in werking gesteld worden. » Ten aanzien van het eerste middel B.3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 2, 3 en 4 van de voormelde wet van 7 februari 2003, van artikel 39 van de Grondwet, alsmede van artikel 6, § 1, III, V en X, 1°, 2°bis en 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De Waalse Regering voert aan dat de bestreden bepalingen, die zijn goedgekeurd bij gewone meerderheid, een schending uitmaken van de exclusieve bevoegdheid van de gewesten inzake openbare werken, wegen en hun aanhorigheden, landbouw, bossen alsmede inzake openbaar vervoer. B.4.1. Ter uitvoering van artikel 39 van de Grondwet zijn bij artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de volgende aangelegenheden aan de gewesten toegewezen : « III. Wat de landinrichting en het natuurbehoud betreft : […] 4° De bossen; […] V. Het landbouwbeleid en de zeevisserij […] : […] X. Wat de openbare werken en het vervoer betreft : 1° de wegen en hun aanhorigheden; […] 2°bis het juridisch stelsel van de land- en waterwegenis, welke ook de beheerder ervan zij, met uitzondering van de spoorwegen beheerd door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen; 9 […] 8° het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer, met inbegrip van de bijzondere vormen van geregeld vervoer, het taxivervoer en het verhuren van auto's met chauffeur; […]. » In de parlementaire voorbereiding van artikel 6, § 1, X, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 wordt de bevoegdheid die aan de gewesten is toegekend inzake openbare werken en vervoer aangemerkt als « een beheersbevoegdheid in de ruime zin » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/1, p. 13; Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558-5, p. 412). B.4.2. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, moeten de Grondwetgever en de bijzondere wetgever worden geacht aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid te hebben toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de aan hen toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en de gewesten overgedragen. B.4.3. Artikel 6, § 4, 3°, van de voormelde bijzondere wet bepaalt : « De Regeringen worden betrokken bij : […] 3° het ontwerpen van de regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer, […]. » Volgens de parlementaire voorbereiding van die bepaling (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/1, p. 21) betreft de « algemene politie » de politiereglementen van toepassing op de verschillende vervoerswijzen, zoals : - de politie over het wegverkeer; - het algemeen reglement van de scheepvaartwegen; - het politiereglement op de spoorwegen; 10 - de politie van het personenvervoer per tram, premetro, metro, autobus en autocar; - de politie op de zeevaart en de luchtvaart. B.4.4. Uit de hiervoor vermelde artikelen 6, § 1, X, en 6, § 4, 3°, in samenhang gelezen, alsmede uit de parlementaire voorbereiding van die bepalingen, blijkt dat de gewesten wel bevoegd zijn voor de regeling van het beheer van de land- en waterwegenis in de meest ruime zin van het woord, maar dat die bevoegdheidstoewijzing niet het aannemen van de regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer omvat, wat een federale bevoegdheid is gebleven, ook al moeten de gewestregeringen bij het ontwerpen ervan worden betrokken. B.5.1. Tot de regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer behoren de algemene reglementen die de Koning op grond van artikel 1 van de wegverkeerswet vermag vast te stellen. Dat artikel maakt deel uit van hoofdstuk I, « Algemene reglementen », van de voormelde wet. Ter uitvoering van die machtiging is het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer genomen. Luidens artikel 1, eerste lid, ervan geldt dat reglement « voor het verkeer op de openbare weg en het gebruik ervan, door voetgangers, voertuigen, trek-, last- of rijdieren en vee ». In artikel 2 worden verschillende begrippen gedefinieerd. Titel II preciseert de verkeersregels. Titel III heeft betrekking op de verkeerstekens. B.5.2. Naast de machtiging tot het vaststellen van algemene reglementen voorziet de wegverkeerswet in de mogelijkheid tot het uitvaardigen van aanvullende reglementen. Zo belast artikel 2 bijvoorbeeld de gemeenteraden ermee reglementen vast te stellen die enkel gelden voor de op het grondgebied van hun gemeente gelegen openbare wegen. De artikelen 2, 2bis en 3 van de wegverkeerswet maken deel uit van hoofdstuk II, « Aanvullende reglementen ». De aanvullende reglementen hebben aldus een bijzonder toepassingsgebied en strekken ertoe de verkeersreglementering aan te passen aan de plaatselijke of bijzondere 11 omstandigheden. Uit hun aard zelf kunnen aanvullende verkeersreglementen geen regels van algemene politie bevatten. B.5.3. Daaruit volgt dat de in de artikelen 2, 2bis en 3 van de wegverkeerswet bedoelde aanvullende verkeersreglementen, in zoverre zij op de in B.4.1 vermelde aangelegenheden betrekking hebben, tot de bevoegdheid van de gewesten behoren. De bestreden bepalingen van de wet van 7 februari 2003, die de artikelen 2, 2bis en 3 van de wegverkeerswet in hun geheel vervangen of opheffen, zonder rekening te houden met de gewestbevoegdheid inzake natuurbehoud, landbouw, openbare werken en vervoer, schenden derhalve de bevoegdheidverdelende regels. B.6. Het eerste middel is gegrond. B.7. Nu de overige middelen niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, dienen zij niet te worden onderzocht. 12 Om die redenen, het Hof vernietigt de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 3 november 2004. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.174 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.