← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.176

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.176 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20041103.9 Arrest- Rolnummer: 176-2004;2937 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2004-12-16 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-07-04 02:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 3, ,§ 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de persoon die is benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging niet toestaat, wanneer die persoon in België een dergelijke vennootschap beheert, aan te tonen dat hij geen beroepsactiviteit uitoefent als zelfstandige in de zin van artikel 3, ,§ 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr.

  1. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 3, ,§ 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 november 1996, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Bergen. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 3,§1,L4 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Koninklijk Besluit - 18-11-1996 - 1 Grondwet 1994 - 10 Grondwet 1994 - 11 Tekst van de beslissing Rolnummer 2937 Arrest nr. 176/2004 van 3 november 2004 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 november 1996, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Bergen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 februari 2004 in zake M. Hontoir tegen het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 1 maart 2004, heeft de Arbeidsrechtbank te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende financiële en diverse bepalingen met betrekking tot het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van titel VI van de wet van 26 juli 1996 houdende modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3 van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, bekrachtigd bij artikel 17, 2°, van de wet van 13 juni 1997 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de persoon die is benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging niet toestaat aan te tonen dat hij geen beroepsactiviteit uitoefent als zelfstandige in de zin van artikel 3, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, terwijl elke andere natuurlijke persoon slechts aan het sociaal statuut van de zelfstandigen is onderworpen voor zover hij in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is, aangezien het fiscale criterium van artikel 3, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 slechts wordt aangevoerd als een weerlegbaar vermoeden van de uitoefening van een zelfstandige beroepsbezigheid ? » De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 15 september 2004 : - is verschenen : Mr. C. Boeraeve, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M. Hontoir betwist voor de Arbeidsrechtbank te Bergen de beslissing waarbij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (hierna R.S.V.Z.) (voor de berekening van het rustpensioen als zelfstandige voor de betrokkene) weigert om een periode van arbeidsongeschiktheid die is ingegaan op 1 januari 2001, gelijk te stellen met een periode van beroepsactiviteit. De Rechtbank is op basis van de stukken die haar zijn voorgelegd (met name het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2002) van mening dat M. Hontoir sinds 1 januari 2001 geen enkele activiteit meer heeft uitgeoefend maar het mandaat behield van zaakvoerder in een vennootschap en zulks tot de afstand van zijn aandelen op 24 april
  2. Volgens de in het geding zijnde bepaling wordt de mandataris op onweerlegbare wijze vermoed een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen; volgens artikel 28, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, kan geen enkele periode van ziekte of invaliditeit worden gelijkgesteld met een periode van beroepsbezigheid als zelfstandige, indien de betrokkene in de loop hiervan een beroepsbezigheid heeft uitgeoefend. De periode van arbeidsongeschiktheid tijdens welke M. Hontoir, terwijl hij geen sociale bijdragen betaalde, mandataris van een vennootschap is geweest, zou dus, volgens het R.S.V.Z., niet kunnen worden gelijkgesteld met een periode van beroepsbezigheid, vermits de betrokkene vermoed werd op dat moment een beroepsbezigheid als zelfstandige uit te oefenen. De Rechtbank merkt op dat, sinds de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 november 1996, de onderwerping niet langer verbonden is aan de uitoefening van een mandaat maar aan de enkele aanwijzing als mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap. Volgens de Rechtbank is elke andere zelfstandige, natuurlijke persoon, niet-mandataris in een vennootschap, daarentegen enkel onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen voor zover hij in België een beroepsactiviteit uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is. In dat geval geldt het fiscale criterium van artikel 3, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 enkel als weerlegbaar vermoeden van de uitoefening van een zelfstandige beroepsbezigheid. De Rechtbank verwijst in verband met het onweerlegbare karakter van het vermoeden naar het kritische advies van de Raad van State dat voorafgaat aan het voormeld koninklijk besluit van 18 november 1996 en werpt de vraag op of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; zij stelt vast dat het in het geding zijnde lid het voorwerp heeft uitgemaakt van een wetgevende bekrachtiging en stelt aan het Hof de hiervoor weergegeven vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.1.
  3. De Ministerraad zet de totstandkoming uiteen van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38, waarvan de oorspronkelijke tekst is aangenomen krachtens een wet van 31 maart 1967 die de Koning toestaat alle nuttige maatregelen te nemen teneinde een sociaal statuut voor de zelfstandige arbeiders in te voeren, en zulks bij wege van besluiten die, na de aan de Koning toegekende periode om die maatregelen te nemen, enkel krachtens een wet kunnen worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen, waarbij de Koning het recht behoudt de bepalingen die betrekking hebben op zaken die onder Zijn bevoegdheid vallen op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of te vervangen (artikel 3). De Ministerraad betoogt dat het eerste en het tweede lid van de in het geding zijnde bepaling het voorwerp hebben uitgemaakt van louter vormelijke wetswijzigingen (wetten van 24 december 1976, 30 maart 1994 en 4 30 december 2001) die geen wetgevende bekrachtigingen vormen, terwijl het vierde lid is ingevoerd bij een koninklijk besluit van 18 november 1996 dat werd bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997 (artikel 17, 2°). A.1.
  4. De Ministerraad steunt op de rechtspraak van het Hof (arrest nr. 178/2002) om te stellen dat wanneer de wetgever zich ertoe beperkt de reglementaire bepaling in overeenstemming te brengen met andere wetten, de norm van de uitvoerende macht zijn reglementair karakter niet verliest. Hij vraagt zich vervolgens af wat de oorzaak is van de ter toetsing aan het Hof voorgelegde ongrondwettigheid en stelt vast dat het werkelijke verwijt aan de bestreden bepaling luidt dat daarin niet het voordeel van de gelijkstelling wordt toegekend om reden van ziekte en bijgevolg geen vrijstelling van betaling van de bijdrage wordt verleend aan diegene die, aangezien hij is benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging, vermoed wordt op onweerlegbare wijze in België een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen (artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38) terwijl een dergelijke gelijkstelling kan worden toegekend ten voordele van elke andere zelfstandige, natuurlijke persoon die geen mandataris is van een vennootschap, in zoverre laatstgenoemde slechts, en enkel op weerlegbare wijze, vermoed wordt te zijn onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen voor zover hij in België een beroepsactiviteit uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut is verbonden maar inkomsten ontvangt bedoeld in artikel 23, § 1, 1° of 2°, of in artikel 30, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (artikel 3, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38). A.1.
  5. De Ministerraad merkt op dat uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat, hoewel enkel dat vierde lid wordt geciteerd als zijnde de beweerdelijk discriminerende norm, nagenoeg het hele artikel 3, § 1, (met uitzondering van het derde lid) in het geding wordt gebracht en dat in werkelijkheid aan het Hof eveneens een vraag wordt gesteld in verband met het eerste en het tweede lid. Aangezien dat tweede lid zijn reglementair karakter niet heeft verloren, vermits de wetten waarbij het is gewijzigd zich ertoe hebben beperkt het in overeenstemming te brengen met andere wetten, ligt het principe van de in het geding zijnde discriminatie niet in een bepaling van wetgevende aard en is het Hof niet bevoegd om daarvan kennis te nemen. Ten gronde A.2.
  6. De Ministerraad is van mening dat, indien het Hof zich bevoegd acht om de vraag te beantwoorden, die vraag ontkennend moet worden beantwoord, aangezien de in het geding zijnde categorieën van personen zich in verschillende situaties bevinden die een verschillende behandeling verantwoorden. De eerste categorie, namelijk diegene van de zelfstandigen, natuurlijke personen die geen mandataris zijn van een vennootschap, die enkel aan het sociaal statuut der zelfstandigen zijn onderworpen voor zover zij in België een beroepsactiviteit uitoefenen uit hoofde waarvan zij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden zijn, stemt overeen met een situatie die quod plerumque fit wordt genoemd. Bij de gelijkstelling (van een periode van ziekte of invaliditeit met een periode van beroepsbezigheid) die hun kan worden toegekend, wordt rekening gehouden met het feit dat, zodra zij geen beroepsbezigheid meer uitoefenen, met name om reden van ziekte, zij in principe, in de ogen van derden, niet langer worden geacht die bezigheid te blijven uitoefenen. De tweede categorie is diegene van de zelfstandigen die, benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging, op onweerlegbare wijze vermoed worden in België een zelfstandige beroepsactiviteit uit te oefenen. Met name in de ogen van derden, worden die zelfstandigen geacht de uitoefening van een mandaat voort te zetten, indien zij niet hun ontslag nemen en bijgevolg de aan hun beroepsactiviteit in een vennootschap verbonden inkomsten volledig of gedeeltelijk blijven ontvangen. A.2.
  7. De Ministerraad geeft het voorbeeld van de enige zaakvoerder van een eenhoofdige besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die, zolang hij geen ontslag neemt, de enige wettelijke vertegenwoordiger van de vennootschap blijft, die bekwaam is om in die hoedanigheid alle handelingen in rechte te stellen die inherent zijn aan de uitoefening van zijn mandaat, zonder dat moet worden nagetrokken of hij die handelingen in werkelijkheid stelt. Om van het sociaal statuut der zelfstandigen te worden uitgesloten, kan hij zich dus niet beroepen op de fysieke onmogelijkheid om zijn mandaat uit te oefenen, maar zou hij alleen maar ontslag hoeven te nemen. Vóór het in het geding zijnde onderscheid in het leven werd geroepen, werd niet uitdrukkelijk verwezen naar de benoeming tot mandataris, maar werd er gepreciseerd dat het mandaat moest worden uitgeoefend. Bijgevolg waren er tal van gevallen waarin mandatarissen beweerden hun mandaat niet uit te oefenen omdat ze ziek waren, of zich in het buitenland bevonden en de algemene vergadering enkel 5 occasioneel bijwoonden of nog omdat hun benoeming tot mandataris een constructie was die buiten hun medeweten werd opgezet en waarmee zij het niet eens waren of waarvan zij geen weet hadden. De talrijke misbruiken waartoe die situatie aanleiding gaf, konden niet worden bestreden, aangezien de Belgische administratie geen extraterritoriale bevoegdheid heeft. Het onweerlegbare vermoeden werd dus ingevoerd teneinde te garanderen dat de mandatarissen die hun in België gevestigde vennootschappen beheren vanuit het buitenland, hun bijdragen zouden betalen. Enkel met het bewijs van hun ontslag door middel van een akte bekendgemaakt in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad kan een einde worden gemaakt aan hun onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen. A.2.
  8. De Ministerraad merkt op dat, volgens het verslag aan de Koning dat het koninklijk besluit voorafgaat waarbij de in het geding zijnde bepaling is gewijzigd, de financiële haalbaarheid van het sociaal statuut der zelfstandigen sterk afhankelijk is van de toename van het aantal bijdragebetalers. Aangezien er echter meer vennootschappen worden opgericht (volgens het R.S.V.Z. hebben zich meer dan 50.000 nieuwe vennootschappen aangesloten tussen 1998 en 2002), verhoogt het risico dat hun mandatarissen de betaling van bijdragen trachten te vermijden, waarbij die neiging groter kan zijn bij de mandatarissen van een vennootschap die vanuit het buitenland een vennootschap beheren met maatschappelijke zetel in België. Volgens de cijfers van het R.S.V.Z. zou de invoering van een weerlegbaar vermoeden voor de Staat een nadeel teweegbrengen van ten minste 40 miljoen euro (waarvan meer dan 900.000 euro wat betreft de mandatarissen met woonplaats in het buitenland) op een theoretisch bedrag van verschuldigde bijdragen dat meer dan 550 miljoen euro bedraagt. A.
  9. De Ministerraad geeft verder aan dat artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 de Koning in staat stelt vermoedens in te voeren betreffende de uitoefening van een beroepsbezigheid, en het onderscheidt de onweerlegbare vermoedens niet van de andere. Het onweerlegbare vermoeden vormt geenszins een uitbreiding van de toepassingssfeer van het sociaal statuut der zelfstandigen. A.
  10. De Ministerraad stelt ten slotte dat de in het geding zijnde maatregel voor de mandatarissen minimale negatieve gevolgen heeft : hij brengt enkel de verplichting met zich mee om sociale bijdragen te betalen die, in tegenstelling met datgene waarin is voorzien in het stelsel van de werknemers, niet het jaarlijks bedrag van 11.674,20 euro kunnen overschrijden. Die regeling is dus gunstiger dan de regeling die bijvoorbeeld in Nederland en in Frankrijk bestaat. -B- B.
  11. Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, waarvan paragraaf 1, vierde lid, het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, luidt : « §
  12. Dit besluit verstaat onder zelfstandige ieder natuurlijk persoon, die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is. Wordt geacht, tot bewijs van het tegendeel, zich in de in het vorig lid bedoelde voorwaarden tot onderwerping te bevinden, ieder persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent, die inkomsten kan opleveren bedoeld in artikel 23, § 1, 1° of 2°, of in artikel 30, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
  13. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een beroepsbezigheid geacht uitgeoefend te zijn krachtens een arbeidsovereenkomst, wanneer de belanghebbende, voor de toepassing van een der stelsels inzake de maatschappelijke zekerheid der loontrekkenden, vermoed wordt uit dien hoofde door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden. 6 Onverminderd de bepalingen van artikel 13, § 3, worden personen benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging, op onweerlegbare wijze, vermoed in België een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen. §
  14. De Koning kan vermoedens invoeren betreffende de uitoefening van een beroepsbezigheid bedoeld in §
  15. » Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof B.2.
  16. De Ministerraad betoogt dat het Hof niet bevoegd zou zijn om de prejudiciële vraag te beantwoorden : de oorzaak van het in het geding zijnde verschil in behandeling zou niet artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 zijn, maar artikel 3, § 1, in zijn geheel (met uitsluiting van het derde lid), om reden van de door de verwijzende rechter gemaakte vergelijking tussen de categorieën van personen die aan de verschillende bepalingen van artikel 3 zijn onderworpen. In tegenstelling tot het vierde lid zouden het eerste en het tweede lid echter maatregelen van reglementaire aard vormen die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een wetgevende bekrachtiging; de in die beide leden aangebrachte wetswijzigingen strekten enkel ertoe ze in overeenstemming te brengen met andere wetten en zouden hun niet hun reglementair karakter hebben ontnomen. B.2.
  17. Het staat niet aan de partijen om de inhoud te wijzigen van de prejudiciële vragen die aan het Hof zijn gericht. Het is de verwijzende rechter die de bepalingen aanwijst die hij ter toetsing aan het Hof voorlegt, zelfs indien het Hof bij de uitoefening van die toetsing andere bepalingen in aanmerking kan nemen. Zonder dat het nodig is uitspraak te doen over de wettelijke of reglementaire aard van het eerste en het tweede lid van het in het geding zijnde artikel 3, § 1, stelt het Hof vast dat het vierde lid, waaraan de eiser voor de verwijzende rechter overigens is onderworpen, het voorwerp heeft uitgemaakt van een wetgevende bekrachtiging. Het is immers ingevoegd in artikel 3, § 1, bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 « houdende financiële en diverse bepalingen met betrekking tot het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van titel VI van de wet van 26 juli 1996 houdende modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3 van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese 7 Economische en Monetaire Unie », bekrachtigd bij artikel 17, 2°, van de wet van 13 juni 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en [van] de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels ». Het valt bijgevolg onder de bevoegdheid van het Hof. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.
  18. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van het verschil in behandeling dat het voormelde vierde lid in het leven roept tussen de personen die zijn benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging en de personen die geen mandataris in een vennootschap zijn en die in België een beroepsbezigheid uitoefenen zonder verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst of een statuut : terwijl eerstgenoemden, krachtens de in het geding zijnde bepaling, op onweerlegbare wijze vermoed worden een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen, worden laatstgenoemden dat enkel op basis van een vermoeden iuris tantum, waarbij het bewijs dat wordt afgeleid uit het feit dat die activiteit inkomsten zou opleveren zoals bedoeld in artikel 23, § 1, 1° of 2°, of in artikel 30, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kan worden omgekeerd. B.
  19. De in het geding zijnde bepaling past, volgens het verslag aan de Koning dat het koninklijk besluit van 18 november 1996 voorafgaat waarbij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38 werd gewijzigd, in een geheel van structurele maatregelen die bestemd zijn om het financiële evenwicht van het sociaal statuut van de zelfstandigen te waarborgen. In het verslag aan de Koning wordt opgemerkt dat de « vervennootschappelijking » in de jaren 1985 tot 1995 voor een afvlakking van de bijdragebasis van het statuut heeft gezorgd (Belgisch Staatsblad, 12 december 1996, p. 31018). In hetzelfde verslag wordt gesteld dat het in het geding zijnde vierde lid ertoe strekt « tegemoet te komen aan een aantal administratieve problemen, omwille van de rechtszekerheid » en dat « de creatie van het vermoeden […] 8 noodzakelijk [is] om tegemoet te komen aan de situatie waarbij vennootschapsmandatarissen, door de technologische evolutie op het vlak van de telecommunicatie een in België gevestigde vennootschap besturen vanuit het buitenland en zich op die wijze de onderwerping aan het sociaal statuut proberen te ontwijken » (ibid., p. 31020). B.
  20. De in het geding zijnde bepaling vormt, door het vermoeden dat ze invoert, een maatregel die in overeenstemming is met de nagestreefde doelstelling. Het onweerlegbare karakter ervan kon noodzakelijk worden geacht teneinde te waarborgen, zoals aangegeven in het voormelde verslag aan de Koning, dat mandatarissen die vanuit het buitenland vennootschappen beheren met zetel in België aan het sociaal statuut der zelfstandigen worden onderworpen, aangezien de overheid ten aanzien van die personen niet over de inlichtingen en bevoegdheden beschikt waarover zij beschikt ten aanzien van diegenen die in België dergelijke vennootschappen beheren. Dat vermoeden, in zoverre het onweerlegbaar is, heeft echter een algemeen en absoluut karakter dat ten aanzien van laatstgenoemden onevenredig is, vermits het een mandataris die zijn activiteit zou hebben stopgezet, verhindert die stopzetting op een andere wijze aan te tonen dan door ontslag te nemen en een einde te maken aan de verplichtingen die voortvloeien uit de onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen. De verantwoording voor de maatregel die door de Regering naar voren werd gebracht naar aanleiding van het advies van de Raad van State en die is afgeleid uit het feit dat in België gevestigde vennootschappen vanuit het buitenland door mandatarissen zouden worden beheerd, volstaat niet, vermits ze precies het geval veronachtzaamt waarin de mandatarissen hun activiteit in België uitoefenen. B.
  21. De prejudiciële vraag moet bevestigend worden beantwoord voor wat betreft de mandatarissen die niet vanuit het buitenland een in de in het geding zijnde bepaling bedoelde vennootschap beheren. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de persoon die is benoemd tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vennootschap of vereniging niet toestaat, wanneer die persoon in België een dergelijke vennootschap beheert, aan te tonen dat hij geen beroepsactiviteit uitoefent als zelfstandige in de zin van artikel 3, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr.
  22. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 3 november
  23. De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.176 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.