← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.177

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 03 november 2004 ECLI n

, ,§ 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 -

,§3 - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Tekst van de beslissing Rolnummer 2997 Arrest nr. 177/2004 van 3 november 2004 In zake : de prejudiciële vraag over artikel

, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen. Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter A. Arts en de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 4 mei 2004 in zake de n.v. ING Insurance tegen Ethias, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 13 mei 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt art.

§ 3

van de Wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat de in art. 1 van die wet bedoelde rechtspersonen of instellingen, alsook degenen die de in art. 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en zij vervangen worden in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden bij niet- vergoeding overeenkomstig art.

§ 1

van voormelde wet hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de Wet van 21 november 1989 kunnen instellen, terwijl deze subrogatievordering niet is voorzien voor rechtspersonen of instellingen, anderen dan voornoemden, die eveneens het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en ten gevolge van beroepsziekten dekken van de in art. 1 van die wet bedoelde rechtspersonen of instellingen, alsook degenen die de in art. 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen ? » Op 3 juni 2004 hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en J. Spreutels, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In de zaak voor de verwijzende rechter is een geschil aan de orde betreffende het subrogatierecht van de arbeidsongevallenverzekeraar in het kader van de wet van 3 juli 1967 op de arbeidsongevallen in de overheidssector. Op verzoek van de geïntimeerde stelt de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen de vermelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. In hun conclusies, opgesteld met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, hebben de rechters-verslaggevers laten weten dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk onontvankelijk is. A.2. Er werd geen memorie met verantwoording ingediend. 3 -B- B.1. De Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen stelt aan het Hof de volgende prejudiciële vraag : « Schendt art.

§ 3

van de Wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, art. 10 en 11 van de Grondwet, doordat de in art. 1 van die wet bedoelde rechtspersonen of instellingen, alsook degenen die de in art. 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en zij vervangen worden in de rechten die het slachtoffer of zijn rechthebbenden bij niet- vergoeding overeenkomstig art.

§ 1

van voormelde wet hadden kunnen uitoefenen krachtens artikel 29bis van de Wet van 21 november 1989 kunnen instellen, terwijl deze subrogatievordering niet is voorzien voor rechtspersonen of instellingen, anderen dan voornoemden, die eveneens het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en ten gevolge van beroepsziekten dekken van de in art. 1 van die wet bedoelde rechtspersonen of instellingen, alsook degenen die de in art. 1bis bedoelde personeelscategorieën tewerkstellen ? » B.2.

  1. Uit de formulering van de prejudiciële vraag blijkt dat bepaalde zinsdelen ontbreken, zodat de juiste draagwijdte van de vraag niet duidelijk is. B.2.
  2. Uit het dossier van de rechtspleging voor de verwijzende rechter blijkt dat de vraag werd gesteld op verzoek van een van de partijen. Daarbij werd de Rechtbank echter verzocht aan het Hof een tweevoudige prejudiciële vraag te stellen over het onderscheid in behandeling tussen : - de overheid die zichzelf verzekert (en die dus wel zou kunnen terugvorderen) en de overheid die een arbeidsongevallenverzekering neemt (in welk geval de uitgaven door de verzekeraar niet zouden kunnen worden teruggevorderd), en - de arbeidsongevallenverzekeraars die een privé-werkgever verzekeren (en die dus wel hun uitgaven zouden kunnen terugvorderen) en diegenen die de overheid verzekeren (in welk geval er geen terugvorderingsrecht zou zijn). B.2.
  3. Het komt aan de verwijzende rechter toe te oordelen welke prejudiciële vragen hij aan het Hof dient te stellen en daarbij de omvang van de saisine te bepalen. De partijen vermogen de inhoud van de vraag niet te wijzigen. 4 Nu de prejudiciële vraag op zich niet duidelijk is, is het aangewezen ze terug te zenden naar de verwijzende rechter, opdat deze ze kan herformuleren in de door hem bedoelde zin. B.
  4. De prejudiciële vraag is klaarblijkelijk niet ontvankelijk. 5 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 3 november
  5. De griffier, De voorzitter, L. Potoms A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.177 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.