← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.184

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.184 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20041116.3 Arrest- Rolnummer: 184-2004;2901 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-01-17 Raadplegingen: 235 - laatst gezien 2026-07-04 02:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 49 en 52ter van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre daarin niet in de verplichte bijstand door een advocaat voorzien is wanneer de minderjarige in spoedeisende gevallen voor de onderzoeksrechter verschijnt. Dezelfde bepalingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre zij niet erin voorzien dat de minderjarige ten aanzien van wie de onderzoeksrechter heeft beslist een maatregel van bewaring te nemen, tegen die beslissing beroep kan instellen. Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 49 en 52ter van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 10 Grondwet 1994 - 11 Wet - 08-04-1965 - 49 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Wet - 08-04-1965 - 52ter - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Tekst van de beslissing Rolnummer : 2901 Arrest nr. 184/2004 van 16 november 2004 ___________ In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 49 en 52ter van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 29 januari 2004 in zake het openbaar ministerie tegen B. Dogan en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 2 februari 2004, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 49 en 52ter van de wet van 8 april 1965 [betreffende de jeugdbescherming] niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij het de minderjarige niet mogelijk maken verplicht te worden bijgestaan door een advocaat wanneer hij in spoedeisende gevallen voor een onderzoeksrechter verschijnt, noch beroep in te stellen tegen een beslissing die de onderzoeksrechter in dat geval te zijnen aanzien zou hebben genomen, terwijl de artikelen 52ter, 52quater en 54bis die waarborgen aan de minderjarige toekennen wanneer hij voor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank verschijnt en die ‘ natuurlijk bevoegde rechter ’ een beslissing te zijnen aanzien heeft genomen ? » Memories zijn ingediend door : - B. Dogan, wonende te 4000 Luik, rue Molinvaux 216; - de Franse Gemeenschapsregering; - de Ministerraad. De Franse Gemeenschapsregering en de Ministerraad hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 22 september 2004 : - zijn verschenen : . Mr. C. Delbrouck, advocaat bij de balie te Luik, voor B. Dogan; . Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. M. Merodio, advocaat bij de balie te Luik, voor de Franse Gemeenschapsregering; . Mr. M. Mareschal, tevens loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De jeugdrechter, bij wie de procureur des Konings een dossier aanhangig heeft gemaakt betreffende een minderjarige die ervan wordt verdacht als misdrijf omschreven feiten te hebben gepleegd, beslist, na de jongere, die door zijn advocaat wordt bijgestaan, te hebben gehoord, geen enkele maatregel te zijnen aanzien te nemen en verzoekt het parket aanvullende onderzoeksdaden te verrichten. Het dossier wordt in onderzoek gesteld. De jongere wordt later opnieuw gehoord door de onderzoeksrechter en, naar aanleiding van dat verhoor, in verdenking gesteld en voor een duur van 15 dagen in de gevangenis van Lantin geplaatst, terwijl zijn raadsman daarvan niet op de hoogte is gebracht. Pas vier dagen later wordt van die beschikking tot plaatsing in de gevangenis bericht gegeven aan de jeugdrechter, die de jongere en zijn raadsman onmiddellijk oproept. Naar aanleiding van dat nieuwe verhoor neemt de jeugdrechter een beschikking tot beëindiging van de voorlopige maatregel van bewaring. De procureur des Konings stelt tegen die beschikking beroep in voor de jeugdkamer van het Hof van Beroep te Luik. Tijdens de debatten voor het Hof van Beroep voert de minderjarige aan dat de regels vervat in de artikelen 49, 52 en 53 van de wet van 8 april 1965 te zijnen aanzien zijn geschonden en op zijn verzoek stelt het Hof van Beroep de hiervoor geformuleerde vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de minderjarige A.1.

  1. De minderjarige voert aan dat de onderzoeksrechter, in de omstandigheden bepaald bij artikel 49 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, voorlopig optreedt in de plaats van de jeugdrechter en de maatregelen neemt die de laatstgenoemde kan nemen met toepassing van de artikelen 52, 52quater en 53 van die wet. Hij onderstreept dat dit optreden van de onderzoeksrechter niet verbonden is met de aard van de feiten, de persoonlijkheid van de minderjarige of de vereisten van de openbare veiligheid, maar uitsluitend met het spoedeisende karakter dat voortvloeit uit de onmogelijkheid voor een jeugdrechter om op te treden. Hij preciseert dat, sinds de wet van 2 februari 1994 tot wijziging van de wet van 8 april 1965, is voorzien in de bijstand van een advocaat telkens als de minderjarige verschijnt ter terechtzitting in het kabinet of ter openbare terechtzitting van de jeugdrechtbank voor elke maatregel die op hem betrekking heeft, terwijl artikel 49 van de voormelde wet niet voorziet in het optreden van de advocaat van de minderjarige voor de onderzoeksrechter. De minderjarige is van mening dat, gelet op de in het geding zijnde beginselen, het onaanvaardbaar is hem de procedurele waarborgen te ontzeggen die hij voor de jeugdrechter geniet, onder het voorwendsel van het spoedeisende en uitzonderlijke karakter van een dergelijke door de onderzoeksrechter genomen maatregel, en dat de verplichting om de jeugdrechter op de hoogte te brengen, geen toereikende procedurele waarborg vormt. Hij voert aan dat de organisatie van de balies aan elke jongere de mogelijkheid verzekert om door een advocaat te worden bijgestaan, zelfs in spoedeisende gevallen. Hij besluit hieruit dat het discriminerend is ervan uit te gaan dat de jongere door een advocaat kan worden bijgestaan wanneer de jeugdrechter te zijnen aanzien een van de in de artikelen 52 en 53 bedoelde maatregelen neemt, maar niet wanneer een onderzoeksrechter een van die maatregelen neemt. A.1.
  2. De minderjarige voert aan dat, terwijl de artikelen 52, 52ter, 52quater en 53 van de wet van 8 april 1965 het mogelijk maken hoger beroep in te stellen tegen de beslissingen waarmee de daarin bepaalde maatregelen worden bevolen, geen enkel hoger beroep mogelijk is wanneer artikel 49 van dezelfde wet wordt toegepast. Hij preciseert dat, volgens de rechtsleer, de beslissing van de onderzoeksrechter niet vatbaar is voor hoger beroep, aangezien de wetgever wenst dat het optreden van die rechter snel plaats maakt voor dat van de jeugdrechter. Hij voert evenwel aan dat tussen de uitspraak van een maatregel door de onderzoeksrechter en het ogenblik dat de jeugdrechter de zaak opnieuw onderzoekt, meerdere dagen kunnen verlopen, zodat de minderjarige niet de waarborg heeft dat hij tegen de beslissing beroep zal kunnen instellen, terwijl die beslissing een vrijheidsberoving kan inhouden. Hij voegt eraan toe dat de beroepsprocedure heel snel kan verlopen en geen enkele extra termijn teweegbrengt die nadelig zou zijn voor het verdere verloop van de rechtspleging. 4 Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.2.
  3. De Franse Gemeenschapsregering merkt op dat het motief dat de aanwending van de in het geding zijnde rechtspleging verantwoordt, verbonden is met de gerechtelijke organisatie en niet eigen is aan het onderhavige geval. Zij voert aan dat de in het geding zijnde bepalingen in de Belgische rechtsorde zijn ingevoerd bij de wet van 2 februari 1994, waarvan een van de doelstellingen erin bestond de procedurele waarborgen ten behoeve van de minderjarigen uit te breiden, met toepassing van sommige internationale verdragen, en dat de wetgever heeft geoordeeld die doelstelling te bereiken, wat betreft de rechtspleging voor de onderzoeksrechter waarin het in het geding zijnde artikel 49 voorziet, door de laatstgenoemde ertoe te verplichten aan het jeugdgerecht een schriftelijk bericht van de genomen maatregel te geven, waardoor dat jeugdgerecht de situatie van de minderjarige opnieuw moet onderzoeken en binnen achtenveertig uur uitspraak moet doen. Zij is evenwel van mening dat geen enkel wettig doel de ontstentenis van het optreden van een advocaat voor de onderzoeksrechter verantwoordt. A.2.
  4. De Franse Gemeenschapsregering acht het niet onredelijk dat niet is voorzien in een specifiek rechtsmiddel tegen de beslissing van de onderzoeksrechter, aangezien de zaak binnen twee werkdagen bij het jeugdgerecht aanhangig dient te worden gemaakt en tegen diens beslissing beroep kan worden ingesteld. Dat is volgens haar echter niet zo wat de verschijning van de minderjarige voor de onderzoeksrechter zonder bijstand van een advocaat betreft, omdat die maatregel in tegenspraak is met het door de wetgever nagestreefde doel. Zij is bovendien van mening dat het evenredigheidsbeginsel kennelijk is geschonden, aangezien minderjarigen de uitoefening van een fundamentele vrijheid is ontzegd, om de enige reden dat de moeilijkheden in verband met de goede werking van de gerechtelijke organisatie moeten worden ondervangen, te meer daar de beslissing van de onderzoeksrechter aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de situatie van de minderjarige. A.2.
  5. In antwoord op de argumentatie van de Ministerraad (A.3) preciseert de Franse Gemeenschapsregering dat, hoewel het gekozen criterium objectief en relevant is in zoverre het het optreden van de onderzoeksrechter verantwoordt, dat criterium het niet mogelijk maakt te verantwoorden dat, voor de onderzoeksrechter, de minderjarige niet door een advocaat kan worden bijgestaan. Zij voegt eraan toe dat de lering uit het arrest nr. 59/2001 te dezen niet kan worden overgenomen en dat de hele regeling van de wet van 8 april 1965 berust op een beschermende logica die de vergelijkingen met de rechtspleging voor de meerderjarigen in de weg staat. Standpunt van de Ministerraad A.3.
  6. De Ministerraad is van mening dat de in het geding zijnde maatregelen een wettig doel nastreven, namelijk de versterking van de procedurele waarborgen van de minderjarige die voor de jeugdrechtbank wordt gebracht : sinds de wijziging ervan bij de wet van 2 februari 1994 verplicht artikel 49 de jeugdrechter ertoe de situatie van de minderjarige opnieuw te onderzoeken en binnen achtenveertig uur uitspraak te doen, waarbij de procedurele waarborgen die hij voor die rechtbank geniet, in acht worden genomen. Hij voegt eraan toe dat het onderscheid berust op een objectief en relevant criterium, waarbij de wetgever tijdens de parlementaire voorbereiding uitdrukkelijk erop heeft gewezen dat de gevallen waarin de onderzoeksrechter ertoe wordt gebracht ten aanzien van een jongere een voorlopige maatregel te nemen, uiterst zeldzaam zijn en tegemoet komen aan een onvermijdelijke praktische noodzaak. Ten slotte voert hij aan dat de betwiste bepalingen relevant en redelijk zijn. Hij is van mening dat de ontstentenis van een debat op tegenspraak in aanwezigheid van de advocaat van de jongere en van elke mogelijkheid om tegen de beslissing van die magistraat hoger beroep in te stellen, verantwoord is door het geheime en inquisitoriale karakter van het onderzoek. Ten slotte merkt hij op dat de wettelijke bepalingen die het onderzoek regelen, niet voorzien in de aanwezigheid van een advocaat voor de onderzoeksrechter en verwijst hij naar het arrest nr. 59/2001 van 8 mei
  7. A.3.
  8. In antwoord op de twee andere tussenkomende partijen voert de Ministerraad aan dat de eis dat de jongere, bij zijn verschijning voor de onderzoeksrechter, recht zou hebben op bijstand van zijn advocaat en tegen de te zijnen aanzien genomen beslissing hoger beroep kan instellen, noodzakelijkerwijs inhoudt dat het optreden van de jeugdrechter wordt geweerd, omdat het debat betreffende de te nemen maatregel zal plaatshebben voor de onderzoeksrechter en dat, indien de jongere hoger beroep instelt, de jeugdrechter het dossier niet meer zal kunnen onderzoeken. Hij voegt eraan toe dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet uitdrukkelijk voorziet in het recht op bijstand van een advocaat tijdens de voorbereidende fase van het strafgeding en dat, aangezien dat recht niet absoluut is, uitzonderingen daarop mogelijk zijn. 5 In verband met het hoger beroep is de Ministerraad ten slotte van mening dat de bij de in het geding zijnde bepaling ingevoerde regeling gunstiger is voor de minderjarige : indien hij het recht zou hebben hoger beroep in te stellen, zouden de jeugdgerechten door de beslissing in hoger beroep gebonden zijn en zou de minderjarige aldus een aanleg verliezen. -B- B.
  9. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de situatie van de minderjarige die met toepassing van artikel 49, tweede lid, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming voor de onderzoeksrechter verschijnt, te vergelijken met die van de minderjarige die voor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank verschijnt. De aan het Hof voorgelegde verschillen in behandeling hebben betrekking op, enerzijds, het recht van de jongere op bijstand van een advocaat en, anderzijds, het recht om tegen de beschikking van de rechter hoger beroep in te stellen. B.
  10. Artikel 49, eerste en tweede lid, van de wet van 8 april 1965 luidt : « Alleen in uitzonderingsomstandigheden en in geval van volstrekte noodzaak wordt de zaak bij vordering van het openbaar ministerie bij de onderzoeksrechter aanhangig gemaakt of treedt deze ambtshalve op in geval van ontdekking op heterdaad. In spoedeisende gevallen kan de onderzoeksrechter ten aanzien van de persoon die vóór de leeftijd van achttien jaar een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, zelfs indien de vordering van het openbaar ministerie wordt ingesteld nadat deze persoon de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, een van de in artikel 52 bedoelde maatregelen van bewaring nemen, onverminderd de verplichting daarvan gelijktijdig en schriftelijk bericht te geven aan de jeugdrechtbank, die alsdan haar bevoegdheden uitoefent en binnen twee werkdagen uitspraak doet, overeenkomstig de artikelen 52ter en 52quater. » Artikel 52ter, eerste en tweede lid, van dezelfde wet bepaalt : « In de gevallen bedoeld in artikel 52 moet de jongere die de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft, vóór enige maatregel wordt getroffen door de jeugdrechter, persoonlijk worden gehoord, tenzij hij niet gevonden kan worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of indien hij weigert te verschijnen. De betrokkene heeft, telkens als hij voor de jeugdrechtbank verschijnt, recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis. Behoudens de gevallen waarin de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is overeenkomstig artikel 45.2.b) of c), kan de jeugdrechter evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben. » 6 B.3.
  11. De wet van 2 februari 1994, die de in het geding zijnde bepalingen in de wet van 8 april 1965 heeft ingevoegd, strekte ertoe de rechtspositie van de minderjarigen die voor de jeugdrechter verschijnen, aanzienlijk te verbeteren, met name door te bepalen dat, zodra de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is gemaakt, een advocaat wordt aangewezen om hen bij te staan, zelfs wanneer slechts voorlopige maatregelen worden gevorderd (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 532/1, p. 7). B.3.
  12. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever ervan uitging dat een zaak slechts in uitzonderlijke omstandigheden bij de onderzoeksrechter aanhangig kan worden gemaakt op grond van het voormelde artikel 49, « daar de onderzoeksrechter en de jeugdrechter meestal gelijktijdig zijn gevat, de ene voor het onderzoek, de andere om over te gaan tot de navorsingen en om de voorlopige maatregelen te bevelen bedoeld bij de artikelen 52 en 53 » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, 532/1, p. 20). In de memorie van toelichting wordt gepreciseerd dat « in de praktijk […] de onderzoeksrechter slechts ertoe [wordt] gebracht een dergelijke maatregel te nemen wanneer door de jeugdrechter de dienst niet wordt verzekerd, namelijk gewoonlijk op feestdagen. Deze tussenkomst geschiedt, overeenkomstig de wettelijke bepalingen, in geval van hoogdringendheid » (ibid.). Ten aanzien van het recht op bijstand van een advocaat bij de verschijning voor de onderzoeksrechter B.4.
  13. In beginsel is alleen de jeugdrechter bevoegd om ten aanzien van een minderjarige een maatregel van bewaring te nemen. De onderzoeksrechter kan alleen in uitzonderlijke en spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld wanneer de jeugdrechter, die normaliter bevoegd is om kennis ervan te nemen, onbeschikbaar is, met toepassing van artikel 49 van de wet van 8 april 1965 beslissen een dergelijke maatregel te nemen. B.4.
  14. Het is gewettigd dat de wetgever tracht te verzekeren dat een rechter ten aanzien van een minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, in alle omstandigheden, met inbegrip van de spoedeisende gevallen, de wegens zijn situatie vereiste maatregelen van bewaring zal kunnen nemen. Het Hof moet evenwel nagaan of de minderjarige die het voorwerp van een dergelijke rechtspleging uitmaakt, waarborgen geniet 7 die gelijkwaardig zijn aan die van de minderjarige die, in soortgelijke omstandigheden, voor de jeugdrechter verschijnt. B.4.
  15. Terwijl het voormelde artikel 52ter voorziet in het recht op bijstand van een advocaat voor de minderjarige die voor de jeugdrechter verschijnt, voorzien noch die bepaling, noch het voormelde artikel 49 in een gelijkwaardig recht voor de minderjarige die voor de onderzoeksrechter verschijnt. B.
  16. De uitzonderlijke rechtspleging waarin het in het geding zijnde artikel 49 voorziet, wordt alleen verantwoord door de noodzaak om, in de spoedeisende gevallen, de afwezigheid van de jeugdrechter op te vangen. Hieruit vloeit voort dat het verschil in behandeling tussen de jongere ten aanzien van wie die rechter een in artikel 52 van de wet van 8 april 1965 bedoelde maatregel van bewaring neemt en de jongere die, voor dezelfde feiten, verschijnt voor de onderzoeksrechter en ten aanzien van wie de laatstgenoemde dezelfde maatregel van bewaring beveelt op grond van artikel 49 van dezelfde wet, berust op een criterium dat is afgeleid uit de gerechtelijke organisatie, afhankelijk van omstandigheden die los staan van zowel de persoonlijkheid van de jongere als de ernst van het gepleegde feit. B.
  17. En dergelijk criterium van onderscheid vertoont geen enkel relevant verband met het in B.4.3 vastgestelde verschil in behandeling. Het zou niet kunnen verantwoorden dat de minderjarige ten aanzien van wie de onderzoeksrechter op grond van het voormelde artikel 49 beslist een maatregel van bewaring te nemen, de bijstand van een advocaat niet kan genieten, terwijl hij die wel zou hebben genoten indien dezelfde maatregel door de jeugdrechter was genomen, en terwijl de in het geding zijnde maatregel van bewaring ernstige gevolgen kan hebben voor de rechten van de minderjarige. Het recht op bijstand van een advocaat, zoals geregeld bij het voormelde artikel 52ter, kan de onderzoeksrechter overigens niet beletten de vereiste maatregel te nemen. B.
  18. In zoverre zij het recht op bijstand van een advocaat betreft, dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord. 8 Ten aanzien van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de onderzoeksrechter B.
  19. Op grond van artikel 49, tweede lid, van de wet van 8 april 1965 wordt, wanneer de onderzoeksrechter ten aanzien van een minderjarige een maatregel van bewaring neemt, diens situatie noodzakelijkerwijs binnen twee werkdagen opnieuw onderzocht door de jeugdrechter. De jeugdrechter is ertoe gehouden een nieuwe beschikking te nemen, ook al bevestigt hij de beslissing van de onderzoeksrechter. Tegen die beschikking kan hoger beroep worden ingesteld. B.
  20. Door te voorzien in de uitzonderlijke bevoegdheid van de onderzoeksrechter, teneinde te voorkomen dat noodzakelijke en dringende maatregelen ten aanzien van jongeren niet kunnen worden genomen wegens de afwezigheid van de normaliter bevoegde jeugdrechter, heeft de wetgever ook de snelle saisine van de laatstgenoemde opgelegd, opdat het optreden van de onderzoeksrechter tot het strikt noodzakelijke zou worden beperkt en het dossier betreffende de jongere zo snel mogelijk opnieuw aan de jeugdrechter zou worden overgemaakt. De mogelijkheid van een rechtsmiddel tegen de beschikking van de onderzoeksrechter bij een gerecht in hoger beroep zou echter tot gevolg hebben dat de jeugdrechter wordt verhinderd het dossier opnieuw te onderzoeken en dat de in artikel 49 bepaalde afwijkende rechtspleging wordt verlengd, wat zou indruisen tegen het hiervoor in herinnering gebrachte doel. Het is derhalve redelijk verantwoord dat de wetgever niet heeft voorzien in een mogelijkheid van hoger beroep tegen de door de onderzoeksrechter genomen beschikking. B.
  21. Het gegeven dat de jeugdrechter de situatie van de minderjarige binnen twee werkdagen opnieuw onderzoekt, is van dien aard dat het de ontstentenis van de mogelijkheid van hoger beroep tegen de beschikking van de onderzoeksrechter genoegzaam compenseert. Hieruit volgt dat niet op onevenredige wijze afbreuk is gedaan aan de rechten van de betrokken minderjarigen. B.
  22. In zoverre zij betrekking heeft op de ontstentenis van de mogelijkheid om tegen de beschikking van de onderzoeksrechter hoger beroep in te stellen, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 49 en 52ter van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre daarin niet in de verplichte bijstand door een advocaat voorzien is wanneer de minderjarige in spoedeisende gevallen voor de onderzoeksrechter verschijnt. Dezelfde bepalingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre zij niet erin voorzien dat de minderjarige ten aanzien van wie de onderzoeksrechter heeft beslist een maatregel van bewaring te nemen, tegen die beslissing beroep kan instellen. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 16 november
  23. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.