01 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.195 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20041201.1 Arrest- Rolnummer: 195-2004;2746 Invoerdatum: 2004-12-13 Raadplegingen: 846 - laatst gezien 2026-07-04 02:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Tekst
de beslissing Rolnummers 2746, 2766, 2794 en 2799 Arrest nr. 195/2004
1 december 2004 In zake : de beroepen tot vernietiging
de artikelen 9 tot 11, 22 tot 28 en 31
de wet
30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk
milieutaksen en ecobonussen, en
de artikelen 119 tot 122
de programmawet
8 april 2003, ingesteld door de n.v. Nestlé Waters Benelux en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap
voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp
de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 juni 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni 2003, hebben de n.v. Nestlé Waters Benelux, met kantoren te 6740 Etalle, rue du Bois 1, en de n.v. Danone Water Brands Benelux, met kantoren te 1150 Brussel, de Broquevillelaan 12, beroep tot vernietiging ingesteld
de artikelen 9 tot 11, 22 tot 28 en 31
de wet
30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk
milieutaksen en ecobonussen en
de artikelen 119 tot 122
de programmawet
8 april 2003 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad
17 april 2003). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 23 juli 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 juli 2003, heeft de n.v. Jet Import, met maatschappelijke zetel te 8930 Lauwe, Rekkemstraat 58, beroep tot vernietiging ingesteld
de artikelen 11 en 31
de wet
30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk
milieutaksen en ecobonussen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad
17 april 2003). c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 september 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 oktober 2003, is beroep tot vernietiging ingesteld
de artikelen 9 tot 11, 22 tot 28 en 31
de wet
30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk
milieutaksen en ecobonussen en
de artikelen 119 en 120, B),
de programmawet
8 april 2003 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad
17 april 2003), door de vennootschap naar Nederlands recht Bavaria n.v., de vennootschap naar Nederlands recht Dis b.v., de vennootschap naar Nederlands recht Frisdranken Industrie Winters b.v., de vennootschap naar Engels recht Rexam Beverage Can Europe Limited, de vennootschap naar Frans recht Ball Packaging Europe Bierne S.A.S., de vennootschap naar Frans recht Sofreb s.a., de vennootschap naar Nederlands recht Corus Staal b.v. en de vennootschap naar Frans recht Arcelor Packaging International s.a., die allen keuze
woonplaats doen te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Leuvensesteenweg 369. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 oktober 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 oktober 2003, is beroep tot vernietiging ingesteld
artikel 11
de wet
30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk
milieutaksen en ecobonussen, zoals gewijzigd bij artikel 120
de programmawet
8 april 2003 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad
17 april 2003), door de v.z.w. European Milk & Juice Carton Producers Association-Belgium, de n.v. Tetra Pak Belgium, de vennootschap naar Nederlands recht Elopak b.v., de vennootschap naar Nederlands recht Combibloc b.v. en de vennootschap naar Nederlands recht Variopak b.v., die allen keuze
woonplaats doen te 9000 Gent, Visserij 157 A. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 2746, 2766, 2794 en 2799
de rol
het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories
antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories
wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting
15 september 2004 : 3 - zijn verschenen : . Mr. L. Levi en Mr. P. Boucquey, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 2746; . Me G. L'Heureux en Mr. F. Tuytschaever, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 2766 en 2794; . Mr. I. Larmuseau, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 2799; . B. Druart en G. Dekelver, auditeurs-generaal
Financiën, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen
de bijzondere wet
6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik
de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien
de ontvankelijkheid A.1.1. Overeenkomstig hun maatschappelijk doel zijn de verzoekende partijen in de zaak nr. 2746 respectievelijk een vennootschap die mineraalwater in België produceert en buiten België geproduceerd mineraalwater verkoopt en een vennootschap die mineraalwater in de Benelux verkoopt. In die hoedanigheid doen de verzoekende partijen blijken
het vereiste belang om de vernietiging te vorderen
bepalingen die, enerzijds, een verpakkingsheffing vestigen bij het in het verbruik brengen
mineraalwater en, anderzijds, voorwaarden vaststellen inzake de vrijstelling
die heffing, die afbreuk doen aan de belangen
de verzoekende partijen. A.1.2. Aangezien de middelen alleen zijn gericht tegen de artikelen 9, 5°, 11 en 31
de wet
30 december 2002 en de artikelen 119 en 120
de programmawet
8 april 2003, is de Ministerraad
mening dat het beroep voor het overige onontvankelijk is. A.1.
het vereiste belang om de vernietiging te vorderen, aangezien zij rechtstreeks zal worden geraakt in haar activiteiten door bepalingen die een verpakkingsheffing invoeren waaraan zij zal worden onderworpen, zonder de vrijstelling, om technische of economische redenen, te kunnen genieten. 4 A.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 2794 zijn respectievelijk staalproducenten, producenten
stalen drankverpakkingen (stalen blikjes) en buitenlandse afvullers
dranken in stalen drankverpakkingen. Zij kunnen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen, die een verpakkingsheffing op de stalen drankverpakkingen invoeren. A.4. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 2799 is een vereniging
producenten
drankkartons waarvan de andere vier verzoekende partijen, die producenten
drankkartons zijn, rechtstreeks of indirect lid zijn. De verzoekende partijen worden rechtstreeks en ongunstig geraakt in hun activiteiten door de bestreden wet, die op de drankkartons een verpakkingsheffing invoert, zonder mogelijke vrijstelling. A.5.1. In elke memorie
antwoord voeren de verzoekende partijen de gevolgen aan
de programmawet
22 december 2003, die de bestreden wet
30 december 2002 wijzigt. Hoewel die programmawet het bedrag
de verpakkingsheffing wijzigt en de inwerkingtreding
de wet
30 december 2002 uitstelt tot 1 april 2004, handhaaft zij evenwel de mogelijkheid
een vrijstelling
de heffing gekoppeld aan het gebruik
gerecycleerde grondstoffen, waarvan de tenuitvoerlegging echter voortaan aan de Koning wordt toevertrouwd, nadat de toestemming
de Europese autoriteiten is verkregen. De verzoekende partijen in de zaak nr. 2746 zijn bijgevolg
mening dat zij een belang bij hun beroepen behouden, aangezien de programmawet de regeling inzake de toepassing
de verpakkingsheffing weliswaar nuanceert, maar aan geen enkele kritiek
de verzoekende partijen tegemoet komt. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 2766 en 2794 zijn
mening dat zij hun belang om de bij artikel 358
de programmawet
22 december 2003 gewijzigde bepalingen aan te vechten, wat die wijziging betreft, alleen zouden verliezen indien tegen die bepaling geen enkel beroep binnen de wettelijke termijn zou worden ingesteld of indien het eventueel ingestelde beroep door het Hof zou worden verworpen. De verzoekende partijen in de zaak nr. 2799 zijn
mening dat zij hun belang bij het beroep behouden, los
de programmawet
22 december
wederantwoord is de Ministerraad
mening dat de verzoekende partijen, gelet op de programmawet
22 december 2003, aangenomen na de indiening
zijn memories, geen belang meer hebben bij de vernietiging
de meeste bepalingen die zij in hun beroepen beoogden, omdat die bepalingen zijn gewijzigd, vervangen of zelfs opgeheven en omdat die bepalingen, in de oorspronkelijke bewoordingen ervan, geen uitwerking hebben gehad en zullen hebben. Hij is aldus
mening dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 2746 hooguit nog belang hebben bij de vernietiging
artikel 25, § 6, alsook uiteraard
de artikelen 9, 5°, 11 en 31
de wet
30 december 2002 en
de artikelen 119 en 120
de programmawet
8 april 2003. De Ministerraad neemt eveneens akte
het standpunt
de verzoekende partijen in de zaken nrs. 2766 en 2794 ten aanzien
een mogelijk verlies
belang bij ontstentenis
beroepen tegen artikel 358
de programmawet
22 december
de artikelen 10 en 11
de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen
de rechtszekerheid en de voorzienbaarheid
de belasting. Door het de Koning mogelijk te maken, onder voorbehoud
een latere wettelijke bekrachtiging, het tarief
de accijnzen, de B.T.W. en de verpakkingsheffing aan te passen, indien de regeling inzake de vrijstelling
de heffing negatieve gevolgen zou hebben voor de federale overheidsfinanciën, laat artikel 31
de bestreden wet
30 december 2002 motieven in verband met de budgettaire stabiliteit primeren op de milieudoelstelling. Door het mogelijk te maken dat de inspanningen
de heffingsplichtigen om
de heffing te worden vrijgesteld, worden tenietgedaan door een algemene verhoging
de accijnzen of
de B.T.W., is de in het 5 geding zijnde bepaling in strijd met de aangekondigde milieudoelstelling. Zij voert een discriminatie in, enerzijds, onder de producenten naargelang zij al dan niet ervoor hebben gekozen gebruik te maken
verpakkingen die herbruikbaar zijn of gerecycleerde producten bevatten en, anderzijds, tussen alle drankproducenten, die aan een onzeker belastingstelsel zijn onderworpen aangezien dat stelsel afhankelijk is
de houding
de andere producenten, en de andere belastingplichtigen. A.6.2. Volgens de Ministerraad kan een belastingwet de tarieven
een belasting voor de toekomst wijzigen, waarbij rekening wordt gehouden met de houding
de belastingplichtigen. Een wet kan ertoe strekken de houding
de belastingplichtigen te beïnvloeden en tegelijk een budgettaire doelstelling nastreven. Die regeling waarbij de aanslagvoet jaarlijks wordt aangepast, zal worden afgestemd op de neerwaartse ontwikkeling
de te ontraden houding. De producenten hebben dus belang erbij inspanningen te leveren teneinde de vrijstelling
de verpakkingsheffing te genieten, aangezien anders de accijnzen en de B.T.W., alsook het tarief
de verpakkingsheffing zouden kunnen stijgen. A.6.3. De verzoekende partijen antwoorden dat, hoewel de wetgever de aanslagvoeten kan aanpassen, hij echter geen maatregel kan nemen die de belastingplichtigen belet om zicht te hebben op hun fiscaal belang, aangezien zij kunnen worden belast onafhankelijk
hun houding. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, kan een milieubelasting een milieudoelstelling en een budgettaire doelstelling niet tegelijk nastreven, aangezien die doelstellingen niet verzoenbaar zijn. De producent die een houding aanneemt om de vrijstelling
de heffing te genieten, loopt dus het risico dat, indien andere producenten hetzelfde doen, de aanslagvoet (accijnzen en B.T.W.) wordt verhoogd om het budgettaire verlies als gevolg
de houding die op grote schaal ten voordele
het leefmilieu werd aangenomen, te compenseren. Niet iedereen heeft dus belang bij de vrijstelling, in tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert. A.6.4. In zijn wederantwoord verklaart de Ministerraad dat de wetgever enkel een milieudoelstelling nastreefde op voorwaarde dat de budgettaire neutraliteit in acht werd genomen. Bovendien compenseert de verlaging
het tarief
de verpakkingsheffing op alle drankverpakkingen, sinds de programmawet
22 december 2003, niet langer de verlaging
de tarieven
de B.T.W. en
de accijnzen op de alcoholvrije dranken. Ten slotte hebben alle producenten belang bij de vrijstelling, gelet op de mogelijkheid om het tarief
de verpakkingsheffing te verhogen teneinde de budgettaire stabiliteit te waarborgen. A.7.1. Een tweede middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 10, 11, 170 en 172
de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen
de rechtszekerheid en
de wettigheid
de belastingen. Door te voorzien in een vrijstellingsregeling gekoppeld aan een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen en te bepalen dat dat gehalte aan gerecycleerde grondstoffen wordt gecontroleerd door een onafhankelijke instelling, erkend door de Minister
Economie, legt artikel 11
de bestreden wet
30 december 2002 een voorwaarde op waarbij onmogelijk kan worden nagegaan of daaraan is voldaan. Immers, het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) heeft onderstreept dat er geen technologie bestaat aan de hand waarvan de aanwezigheid - en a fortiori het percentage -
gerecycleerde grondstoffen in een afgewerkt product kan worden gemeten. De wetgever zet daarmee de deur open naar rechtsonzekerheid en fraude, maar schendt vooral het beginsel
de wettigheid
de belasting, aangezien hij de belastingplichtigen belet het bewijs te leveren dat zij voldoen aan de voorwaarden inzake de vrijstelling
de verpakkingsheffing. A.7.2. De Ministerraad stelt vast, enerzijds, dat de verzoekende partijen niet aantonen hoe het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden en, anderzijds, dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het gehalte aan gerecycleerde grondstoffen niet « fysiek » zal worden gecontroleerd, maar op basis
documenten, bijvoorbeeld facturen voor de aankoop
gerecycleerde grondstoffen. A.7.3. De verzoekende partijen antwoorden dat zij de situatie
de aan de verpakkingsheffing onderworpen persoon vergelijken met de situatie
iedere andere belastingplichtige die zonder probleem kan aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden om een vrijstelling te genieten. Het feit dat de producenten informatie en documenten kunnen voorleggen, volstaat niet om die bepaling, die preciseert dat de producenten ermee belast zijn het bewijs
het percentage
de door hen gebruikte gerecycleerde grondstoffen te leveren, bewijs dat in de feiten onmogelijk kan worden gecontroleerd, in overeenstemming te brengen met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel
de wettigheid
de belasting. Volgens de Europese rechtspraak inzake overheidsopdrachten moet aldus worden 6 voorzien in de mogelijkheid om de juistheid
de in het aanbod opgenomen informatie daadwerkelijk te controleren. A.7.4. De Ministerraad verklaart in zijn wederantwoord dat, als gevolg
de programmawet
22 december 2003, de verzoekende partijen geen belang meer hebben bij hun middel. De met elkaar te vergelijken categorieën komen bovendien alleen tot uiting in de memorie
antwoord en niet in het verzoekschrift, en de Europese rechtspraak inzake overheidsopdrachten is in casu niet relevant. A.8.1. Een derde middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 10, 11, 170 en 172, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 105,
de Grondwet. Door het de Koning mogelijk te maken, onder voorbehoud
een latere wettelijke bekrachtiging, het tarief
de accijnzen,
de B.T.W. en
de verpakkingsheffing aan te passen, draagt artikel 31
de bestreden wet
30 december 2002 aan de Koning de bevoegdheid over om een aangelegenheid te wijzigen die de Grondwet aan de wet voorbehoudt, waardoor een verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen de belastingplichtigen die de waarborg genieten dat niemand aan een belasting kan worden onderworpen die niet werd beslist door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering, en diegenen die deze grondwettelijke waarborg niet genieten. De delegatie aan de Koning, via de zogeheten « bijzonderemachtenwetten »,
de uitoefening
de wetgevende functie in aangelegenheden die de Grondwet aan de wet voorbehoudt, is alleen toegestaan onder bepaalde voorwaarden, waaraan te dezen niet is voldaan. De wetgever wijst immers geen enkele bijzondere omstandigheid aan die het gebruik
de bijzondere machten verantwoordt. Bovendien heeft de wetgever de delegatie
bevoegdheden aan de Koning niet in de tijd beperkt. Ten slotte heeft de wetgever, door voor de bekrachtiging ervan in geen enkele termijn te voorzien, het mogelijk gemaakt dat niet-bekrachtigde koninklijke besluiten voor onbepaalde duur rechtsgevolgen zouden kunnen hebben. A.8.2. Volgens de Ministerraad worden de belastingplichtigen hun grondwettelijke waarborgen niet ontnomen, aangezien de Koning niet bevoegd is om een nieuwe belasting in te voeren, maar wel de wetgever, en overleg in de Ministerraad en een wettelijke bekrachtiging noodzakelijk zijn, wat eveneens waarborgen inhoudt. Aan de voorwaarden om een beroep op « bijzondere machten » te doen, is voldaan : praktische vereisten kunnen een snelle aanpassing
de tarieven door de Koning noodzakelijk maken om een budgettaire ontsporing te voorkomen; niets wijst erop dat de eventueel genomen besluiten niet zullen worden voorgelegd met het oog op een snelle wettelijke bekrachtiging; in afwachting
bekrachtiging kan de Raad
State die besluiten nietig verklaren, die eveneens onderworpen blijven aan de exceptie
onwettigheid bepaald in artikel 159
de Grondwet en indien de besluiten buiten een redelijke termijn worden bekrachtigd, zal het Arbitragehof de bekrachtigingswet en het bekrachtigde besluit kunnen vernietigen. In elk geval zou het middel alleen tot de vernietiging
het tweede lid
het nieuwe artikel 401bis moeten leiden, teneinde een eventuele correctie
het tarief door de wetgever zelf mogelijk te maken. A.8.3. De verzoekende partijen zijn
mening dat in de memorie
de Ministerraad geen verdere duidelijkheid wordt verschaft in verband met de bijzondere omstandigheden die het gebruik
de bijzondere machten verantwoorden. De Ministerraad beperkt zich ertoe te veronderstellen dat de bekrachtiging binnen een redelijke termijn zal plaatshebben. Aangezien in geen enkele termijn voor de bekrachtiging is voorzien, is het gegeven dat het besluit, in afwachting
de bekrachtiging, aan het toezicht
de Raad
State en
de hoven en rechtbanken zal worden onderworpen,
geen belang in het licht
de door het Arbitragehof gestelde vereiste
een wettelijke bekrachtiging. A.9.1. Een vierde middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 10, 11, 170 en 172, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 105,
de Grondwet. Door het de Koning mogelijk te maken de minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen in de samenstelling
drankverpakkingen, vereist om de vrijstelling
de verpakkingsheffing te kunnen genieten, vast te stellen bij een in Ministerraad overlegd en daarna bij wet bekrachtigd koninklijk besluit, biedt artikel 11
de bestreden wet
30 december 2002 aan de Koning de mogelijkheid te voorzien in een voorwaarde inzake de vrijstelling
de belasting, aangelegenheid die de Grondwet aan de wet voorbehoudt. Om dezelfde redenen als de voor het vorig middel uiteengezette redenen (A.8.1) voert de wet aldus een verschil in behandeling in tussen de belastingplichtigen die de waarborg genieten dat niemand aan een belasting kan worden onderworpen die niet door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering werd beslist en diegenen die deze grondwettelijke waarborg niet genieten. 7 A.9.2. De Ministerraad en de verzoekende partijen verwijzen, respectievelijk in zijn memorie en in hun memorie
antwoord, in hoofdzaak naar hun opmerkingen met betrekking tot het derde middel (A.8.2 en A.8.3). A.9.3. In zijn memorie
wederantwoord is de Ministerraad
mening dat de verzoekende partijen, gelet op de programmawet
22 december 2003, geen belang meer hebben bij het middel. A.10.1. Een vijfde middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 10, 11 en 23
de Grondwet. Door melk uit te sluiten
het toepassingsgebied
de verpakkingsheffing en te steunen op het motief dat melk een voedingsmiddel zou zijn dat noodzakelijk is tijdens de eerste levensfase en de groei
de kinderen, en bijgevolg geen drank zou zijn, voeren de artikelen 119 en 120
de programmawet
8 april 2003 in het nadeel
mineraalwater een verschil in behandeling in en schenden zij het recht op de bescherming
de gezondheid. Melkverpakkingen zijn altijd aan de milieutaksen ontsnapt, doordat de vrijstelling ervan werd verantwoord door de afwezigheid
vervangingsproducten voor melk op de markt. In de bestreden wetgeving daarentegen toont de wetgever geenszins aan dat melk bevorderlijker is voor de volksgezondheid dan flessenwater - dat wordt gebruikt bij het aanmaken
voedingsmiddelen voor zuigelingen -, met name tijdens de eerste levensfase en de groei
de kinderen. A.10.2. De Ministerraad merkt op dat de uiteenzetting
het middel alleen betrekking heeft op de artikelen 119, b), en 120, b),
de programmawet
8 april 2003, waarvan de vernietiging weinig effect zou hebben, aangezien melkproducten, op grond
artikel 11
de wet
30 december 2002, vóór de wijziging ervan bij de voormelde programmawet, zouden worden beschouwd als dranken, maar de vrijstelling
de verpakkingsheffing zouden genieten, die de verzoekende partijen niet als dusdanig aanvechten. Bovendien vertoont melk voedzame eigenschappen die onbetwistbaar verschillend zijn
die
mineraalwater en bestaan voor melk geen vervangingsproducten zoals dat voor mineraalwater het geval is. Ten slotte zijn melk en melkproducten onderworpen aan een B.T.W.- en accijnsstelsel dat, volgens de parlementaire voorbereiding, het niet mogelijk zou maken de ecobonussen toe te passen. A.10.3. De verzoekende partijen antwoorden dat, indien het Hof de bestreden bepalingen vernietigt, die vernietiging zal gelden voor zowel de uitsluiting
melk uit het toepassingsgebied
de heffing als de vrijstelling ervan
de verpakkingsheffing, aangezien noch de ene, noch de andere redelijk verantwoord zijn. Het belang
de verzoekende partijen is op zijn minst verbonden met de grond
de zaak en met de wijze waarop de grondwettelijke rechter in voorkomend geval zijn vernietigingsarrest zou motiveren. De beweerde ontstentenis
vervangingsproducten voor melk, die, in tegenstelling met mineraalwater, de gunstige regeling voor melk zou verantwoorden, is tijdens de parlementaire voorbereiding niet ter sprake gebracht : de Ministerraad voert die voor het eerst in zijn memorie aan. A.10.4. De Ministerraad verklaart in zijn wederantwoord dat het onjuist is te beweren dat de ongrondwettigheid
de artikelen 119 en 120
de programmawet
8 april 2003 ook zou gelden voor de bepalingen die zij opheffen : in zoverre het middel voor het eerst in de memorie
antwoord betrekking heeft op de vrijstelling
de verpakkingsheffing voor melk en melkproducten, wordt het te laat aangevoerd en dient het te worden verworpen. De overwegingen in verband met de voedzame eigenschappen
melk en de ontstentenis
vervangingsproducten voor melk beperken zich ertoe de beoordeling
de wetgever te expliciteren. A.11.1. Een zesde middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 10 en 11
de Grondwet. Door een verpakkingsheffing te vestigen die uitsluitend drankverpakkingen voor eenmalig gebruik treft, zonder de verpakkingen voor andere producten te beogen, brengen de artikelen 9, 5°, en 11
de bestreden wet
30 december 2002 een discriminerende behandeling teweeg
verpakkingen die zich, ten aanzien
de milieudoelstelling die de wetgever nastreeft, in een wezenlijk vergelijkbare situatie bevinden. A.11.2. Volgens de Ministerraad volstaat het loutere gebruik
een verpakking niet om te besluiten dat de drankproducenten en de producenten
andere producten, waarvoor andere verpakkingsmogelijkheden niet op dezelfde wijze als voor de dranken bestaan, voldoende vergelijkbare categorieën zijn. De invoering
een verpakkingsheffing op dranken is integendeel rechtstreeks verbonden met de vermindering
de accijnzen en
de B.T.W. toegekend aan dranken, die zich in dat opzicht niet bevinden in een situatie die met die
de 8 andere producten vergelijkbaar is. Ten slotte tonen de verzoekende partijen niet aan dat die andere producten een impact op het leefmilieu zouden hebben die minstens even groot is als die
de drankverpakkingen. De Ministerraad verwijst naar de besprekingen tijdens de invoering
de milieutaksen in 1993 en is
mening dat niets erop wijst dat het aandeel
de drankverpakkingen in het volume
het huishoudelijk afval thans in die mate is afgenomen dat een uitsluitend tot drankverpakkingen beperkte belastingregeling niet langer verantwoord zou zijn. A.11.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de in het middel beoogde producten, naast het gebruik
een verpakking, met dranken gemeen hebben dat het om vloeibare consumptieproducten gaat. De verwijzing naar de parlementaire voorbereiding
de wet
1993 is niet relevant, aangezien de structuur en de doelstellingen
de milieutaksen in 1993 en
de verpakkingsheffing
2003 verschillend zijn. Mocht die verwijzing relevant zijn, dan heeft de wetgever in elk geval niet nagegaan of voor alle aan de heffing onderworpen dranken een niet-belast vervangingsproduct bestaat; bovendien laat niets toe te beweren dat er geen alternatief zou bestaan voor de verpakkingen
andere producten dan dranken. Ten slotte berust het verband tussen de invoering
de heffing en de vermindering
de accijnzen en
de B.T.W. op een tautologie of een cirkelredenering, aangezien de wetgever zelf heeft beslist dat alleen dranken en geen andere producten die vermindering genieten. A.11.4. In zijn memorie
wederantwoord bevestigt de Ministerraad zijn kritiek volgens welke de drankverpakkingen en de verpakkingen voor andere producten niet vergelijkbaar zijn. De verzoekende partijen hebben geen belang erbij kritiek te uiten op het feit dat niet is onderzocht of voor alle dranken een niet-belast vervangingsproduct bestaat, aangezien het bekend is dat voor mineraalwater vervangingsproducten bestaan, en zij hebben evenmin belang erbij een vermindering
de accijnzen en
de B.T.W. voor uitsluitend dranken aan te klagen, aangezien zij, in tegenstelling tot andere sectoren, die zullen kunnen genieten. A.12.1. Een zevende middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 10, 11 en 23
de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen
behoorlijk bestuur,
het behoedzaam en rationeel gebruik
de natuurlijke hulpbronnen (of zuinigheidsbeginsel),
de bestrijding, bij voorrang aan de bron,
milieu-aantastingen,
evenredigheid en
voorzorg. Door het hergebruik
de verpakkingen of het gebruik
verpakkingen die een bepaald percentage gerecycleerde grondstoffen bevatten, te bevorderen, is de regeling voor de vrijstelling
de verpakkingsheffing niet relevant of op zijn minst onevenredig ten aanzien
het aangekondigde doel
milieubescherming. De wetgever heeft de kosten en de voordelen op het vlak
het leefmilieu
de maatregelen die hij wil aanmoedigen, immers geenszins vooraf geëvalueerd, waartoe het voorzorgsbeginsel en de beginselen
behoorlijk bestuur en
evenredigheid hem nochtans verplichten. Had hij die voorafgaande milieubalans opgemaakt, dan had men niet voor de ingevoerde regeling kunnen kiezen. Enerzijds, biedt het hergebruik op het vlak
het leefmilieu geen voordeel of is dat voordeel op zijn minst niet aangetoond; het brengt kosten mee - repatriëren, wassen en spoelen
de herbruikbare flessen - die groter zijn dan de voordelen op het vlak
het leefmilieu. Anderzijds, biedt het gebruik
flessen die een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen bevatten, op het vlak
het leefmilieu geen voordeel of is dat voordeel op zijn minst niet aangetoond. Door een vorm
recyclage - de recyclage in flessen - te bevoordelen ten opzichte
een andere, voert het bestreden artikel 11, zonder verantwoording, een onderscheid in dat niet wordt gemaakt in de Europese richtlijnen 75/442/EEG en 94/62/EG, waarvan de doelstellingen op het vlak
recyclage ruimschoots werden bereikt door België. De ingevoerde regeling kan de gehele selectieve inzameling en de recyclage op de helling zetten, zonder dat de hoeveelheid voor die recyclage vereiste grondstoffen, noch de impact op het leefmilieu
het gebruik
dezelfde gerecycleerde grondstoffen gedurende verschillende levenscycli vooraf is onderzocht. A.12.2. De Ministerraad voert de exceptie « obscuri libelli » aan, alsook voor het overige de ontstentenis
belang
de verzoekende partijen om de vernietiging te vorderen
een vrijstellingsregeling die zij kunnen genieten. A.12.3. De verzoekende partijen zijn
mening dat de Ministerraad het middel ontwijkt en dat hij geen enkele moeite heeft gehad om de in het middel beoogde categorieën
personen te identificeren, namelijk diegenen aan wie een fiscale maatregel wordt opgelegd waaraan een milieubalans voorafgaat en diegenen die deze balans niet genieten. De verzoekende partijen antwoorden dat zij belang erbij hebben de vernietiging te vorderen
een vrijstellingsregeling die zij kunnen genieten en herinneren eraan dat de geuite kritiek betrekking heeft op de twee 9 middelen om aan de taks te ontsnappen, namelijk het hergebruik en het gebruik
een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen. A.12.4. In zijn memorie
wederantwoord is de Ministerraad
mening dat de verzoekende partijen in dat opzicht geen belang meer hebben bij hun middel, wat betreft de vrijstelling gekoppeld aan het gebruik
een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen, opgeheven bij de programmawet
22 december 2003. Voor het overige blijkt uit de memorie
antwoord niet welke categorieën
personen met elkaar moeten worden vergeleken. A.13.1. Een achtste middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 10, 11 en 23
de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 28 en 30
het E.G.-Verdrag. Door de herbruikbare verpakkingen of de verpakkingen die uit een bepaald percentage gerecycleerde grondstoffen bestaan,
de verpakkingsheffing vrij te stellen, belemmert het bestreden artikel 11 het vrije verkeer
goederen dat door het gemeenschapsrecht wordt erkend, door de invoerders
mineraalwater in België op discriminerende wijze te behandelen ten opzichte
de producenten
water die in België zijn gevestigd. Door het hergebruik en het alternatief daarvoor - het gebruik
verpakkingen die een bepaald percentage gerecycleerde grondstoffen bevatten, te bevorderen - en door zich ertoe te beperken het doel
milieubescherming - ten onrechte - aan te voeren, legt de wetgever een specifieke verpakking op voor water dat voor België is bestemd, wat een onverantwoorde maatregel
gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt, komt hij niet tegemoet aan de vereiste bescherming
de volksgezondheid, een « dwingende vereiste » krachtens het primaire en afgeleide gemeenschapsrecht, en overtreedt hij het kader dat bij de Europese richtlijn nr. 80/777/EEG betreffende het in de handel brengen
mineraalwater is vastgesteld. A.13.2. Volgens de Ministerraad is een belastingvrijstelling een fiscale maatregel die, op grond
de rechtspraak
het Hof
Justitie
de Europese Gemeenschappen, wordt beoogd bij artikel 90
het E.G.-Verdrag en die bijgevolg geen deel uitmaakt
het toepassingsgebied
het vroegere artikel 30 (nieuw artikel 28)
het Verdrag. Mocht die vrijstelling vallen onder het toepassingsgebied
artikel 28
het E.G.-Verdrag, quod non, dan zou zij evenredig zijn met het doel
milieubescherming, een essentiële doelstelling
de Gemeenschap volgens het Hof
Justitie
de Europese Gemeenschappen. Niets toont overigens aan dat het hergebruik en de recyclage nadelig zouden zijn voor de volksgezondheid en de bescherming
de verbruiker, ook al hebben die doelstellingen niets uit te staan met de door de aangevochten bepalingen nagestreefde doelstelling. A.13.3. De verzoekende partijen zijn
mening dat, indien de aangevochten bepalingen geen doel
volksgezondheid nastreven, zoals de Ministerraad erkent, de wetgever echter moest nagaan of die maatregelen niet nadelig zijn voor de volksgezondheid. De Ministerraad kan de dwingende vereiste
milieubescherming overigens niet in zijn voordeel aanvoeren, aangezien is aangetoond dat de wetgever het budgettaire evenwicht beoogt. Bovendien, ook al valt de nationale maatregel onder artikel 90
het E.G.-Verdrag, toch moet hij worden onderzocht in het licht
artikel 28
het Verdrag, waaraan het Hof
Justitie
de Europese Gemeenschappen een predominante rol heeft toegekend. A.13.4. In zijn memorie
wederantwoord is de Ministerraad
mening dat, wat de vrijstelling gekoppeld aan het gebruik
een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen betreft, die is opgeheven bij de programmawet
22 december 2003, de verzoekende partijen geen belang meer hebben bij hun middel. A.14.1. Een negende middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 10 en 11
de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 80/777/EEG
de Raad
15 juli 1980 betreffende de onderlinge aanpassing
de wetgevingen der Lid-Staten inzake de exploitatie en het in de handel brengen
natuurlijk mineraalwater, de richtlijn 89/109/EEG
de Raad
21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing
de wetgevingen der Lid-Staten inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen en de richtlijn 94/62/EG
het Europees Parlement en
de Raad
20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval. Door de herbruikbare verpakkingen of de verpakkingen waarvan de samenstelling bestaat uit een percentage gerecycleerde grondstoffen
de verpakkingsheffing vrij te stellen, schendt het bestreden artikel 11 de verplichtingen vervat in de bepalingen - die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn en bijgevolg een rechtstreekse werking hebben -
de voormelde harmonisatierichtlijnen. Een en ander leidt tot een discriminerende 10 behandeling
de personen op wie de bestreden wet
toepassing is ten opzichte
diegenen die, op elk ander gebied, een wetgeving genieten die met het Europees recht in overeenstemming is. A.14.2. Ten aanzien
de in het gemeenschapsrecht opgelegde verplichting om aan de bron te bottelen, besluit de Ministerraad, op grond
de parlementaire voorbereiding, dat de vrijstelling
de heffing een fiscale maatregel is en geen maatregel met betrekking tot de verpakking in flessen. Ten aanzien
de vereisten inzake de materialen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen, is de Ministerraad
mening dat, indien de bepaling
de aangevoerde richtlijn self sufficient was, quod non, niets zou kunnen aantonen dat het gebruik
gerecycleerde grondstoffen niet tegemoet zou komen aan de doelstelling inzake de bescherming
de gezondheid. De aangevochten maatregel beperkt zich ertoe sommige verpakkingen te belasten; hij verbiedt het op de markt brengen niet en nog minder het vrije verkeer. De door de Europese richtlijn betreffende afvalstoffen nagestreefde doelstelling, namelijk het algemene volume
verpakkingen verminderen, door voorrang te geven aan recyclage- en hergebruikmethodes, moet ten slotte in verband worden gebracht met de gewettigde doelstelling die de bestreden bepalingen nastreven. Die richtlijn wordt niet geschonden door het loutere gegeven dat de bestreden nationale bepalingen in strijd zouden zijn met artikel 28
het E.G.-Verdrag waarvan zij een toepassing zou zijn, quod non. A.14.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de wetgever de draagwijdte niet heeft ingezien
de richtlijn 80/777/EEG, die geen verpakking oplegt, maar wel, ter bevordering
de volksgezondheid, een verplichting om aan de bron te bottelen, verplichting die de Belgische wetgever niet is nagekomen. In verband met het gebruik
gerecycleerde grondstoffen verwijten zij dat niet is nagegaan of dat alternatief in overeenstemming is met de voormelde Europese richtlijnen, waarvan de bepalingen onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om in het beroep te kunnen worden aangevoerd. Bovendien kon de wetgever niet uitsluitend de methode
het hergebruik bevorderen, aangezien de richtlijn 94/62/EG zowel het hergebruik als de recyclage bevoorrecht. Ten slotte is het onjuist te beweren dat de bestreden bepaling, als fiscale maatregel, zou ontsnappen aan het toepassingsgebied
artikel 28
het E.G.-Verdrag. A.14.4. In zijn memorie
wederantwoord is de Ministerraad
mening dat, wat betreft de vrijstelling gekoppeld aan het gebruik
een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen, opgeheven bij de programmawet
22 december 2003, de verzoekende partijen geen belang meer hebben bij hun middel. A.15.1. Het tiende middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 10 en 11
de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 90
het E.G.-Verdrag. Door de herbruikbare verpakkingen of de verpakkingen die een bepaald percentage gerecycleerde grondstoffen bevatten,
de verpakkingsheffing vrij te stellen, schendt het bestreden artikel 11 artikel 90, eerste alinea,
het E.G.-Verdrag, dat elke binnenlandse belasting verbiedt die de nationale producten op discriminerende wijze zou bevoordelen ten opzichte
de soortgelijke ingevoerde producten. Het hergebruik
de flessen zal voor de invoerders immers aanzienlijke vervoerskosten meebrengen, wegens de wettelijke verplichting om aan de bron te bottelen. Om
de heffing te worden vrijgesteld, zullen de buitenlandse producenten bijgevolg maar één mogelijkheid hebben - de minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen -, in tegenstelling tot de nationale producenten, die kunnen kiezen tussen hergebruik en recyclage. Een gedeeltelijk gerecycleerde verpakking zal bovendien de Belgische marktdeelnemers die reeds
die verpakking gebruik maken, bevoordelen en doet afbreuk aan de Europese harmonisatie inzake verpakkingen. Artikel 90, tweede alinea,
het E.G.-Verdrag verbiedt eveneens elke discriminatie tussen ingevoerde producten en andere nationale producten. In dat opzicht wordt ingevoerd mineraalwater discriminerend behandeld ten opzichte
andere nationale vervangingsproducten waarmee ze in concurrentie komen. A.15.2. Volgens de Ministerraad bestaat er geen discriminatie ten koste
de buitenlandse producenten, aangezien het hun vrij zal staan, teneinde op de vrijstelling aanspraak te maken, te voldoen aan de bij de wet vastgestelde voorwaarden om die te genieten. Er is evenmin sprake
discriminatie tussen het buitenlandse mineraalwater en de Belgische soortgelijke dranken, waarbij de verzoekende partijen niet hebben aangetoond dat die producten voldoende vervangbaar zouden zijn om te kunnen beschouwen dat de respectieve producenten ervan vergelijkbare categorieën zijn. A.15.3. De verzoekende partijen herinneren aan de rechtspraak
het Hof
Justitie
de Europese Gemeenschappen en zijn
mening dat de Ministerraad de feitelijke en juridische elementen
die zaak verkeerd heeft begrepen en dat de door de Ministerraad geciteerde parlementaire voorbereiding niet relevant is. 11 A.15.4. De Ministerraad verklaart in zijn memorie
wederantwoord dat de verzoekende partijen alle belang hebben verloren bij de argumentatie die is uiteengezet tegen de aan de recyclage gekoppelde vrijstelling. Bovendien bevoordeelt de fiscale regeling geen enkele drank en zullen de producenten die de vrijstelling niet willen genieten, de heffing kunnen betalen, waarvan het tarief bij de programmawet
22 december 2003 is verlaagd. In de zaak nr. 2766 A.16.1. Een eerste middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 170 en 172
de Grondwet en
het beginsel
de gelijkheid tussen belastingplichtigen, vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet. Door het de Koning mogelijk te maken het vereiste percentage gerecycleerde grondstoffen om de vrijstelling
de heffing te kunnen genieten, vast te stellen en het tarief
de verpakkingsheffing aan te passen, bij een in Ministerraad overlegd en bij wet te bekrachtigen koninklijk besluit, schenden de artikelen 11 en 31
de wet
30 december 2002 de artikelen 170 en 172
de Grondwet, die de bevoegdheid om de wezenlijke bestanddelen
de belasting - en de verpakkingsheffing dient als een belasting te worden beschouwd -, zoals de aanslagvoet en de voorwaarden om een vrijstelling te verkrijgen, aan de wet voorbehouden. Een en ander leidt tot een verschil in behandeling tussen de belastingplichtigen die de waarborg genieten dat zij alleen aan de belasting worden onderworpen wanneer die door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering is beslist, en de belastingplichtigen aan wie die grondwettelijke waarborg is geweigerd. Dat verschil in behandeling kan alleen worden aanvaard, indien de wetgever voorziet in een relatief korte termijn om de aangenomen besluiten te bekrachtigen en indien er motieven zijn die
dien aard zijn dat zij het aanwenden
de « bijzondere machten » verantwoorden; aan geen
beide voorwaarden is echter voldaan. A.16.2. Volgens de Ministerraad vereisen de technische aard
aanvullende onderzoeken en het snelle optreden om het tarief
de verpakkingsheffing jaarlijks aan te passen teneinde budgettaire ontsporingen te voorkomen, dat de wetgever de vaststelling
het minimumpercentage gerecycleerde grondstoffen overlaat aan de uitvoerende macht, onder voorbehoud
een wettelijke bekrachtiging. Bovendien heeft de verzoekende partij geen belang erbij de vernietiging te vorderen
een bepaling die op het ogenblik
het verzoekschrift nog niet in werking is getreden. A.16.3. De verzoekende partij antwoordt dat de Ministerraad zelf toegeeft dat de vaststelling
het tarief
een belasting en
de vrijstellingsvoorwaarden een bevoegdheid
de wetgevende macht zijn. Hij toont niet aan dat het in de praktijk noodzakelijk is om aanvullende studies uit te voeren waarvan de technische aard een delegatie aan de Koning zou vereisen en zelfs indien dat het geval zou zijn, zijn de voorwaarden om een beroep op de « bijzondere machten » te doen, niet vervuld. Op grond
artikel 3
de bijzondere wet op het Arbitragehof heeft de verzoekende partij ten slotte belang erbij de vernietiging te vorderen
een bepaling
af de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, los
de datum
inwerkingtreding ervan. A.17.1. Een tweede middel is afgeleid uit de schending
de artikelen 39 en 170, § 2,
de Grondwet,
artikel 6, § 1, II, 1° en 2°,
de bijzondere wet
8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, alsook
het evenredigheidsbeginsel afgeleid uit de regels die de bevoegdheden
de Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen. Door een verpakkingsheffing te vestigen die een milieudoelstelling nastreeft, tast de federale wetgever de gewestbevoegdheid inzake leefmilieu en afvalstoffenbeleid aan, met schending
het evenredigheidsbeginsel volgens hetwelk de niet-fiscale gevolgen
de belasting de uitoefening
bevoegdheden door een andere overheid niet onmogelijk of overdreven moeilijk mogen maken. De overwegingen die het Hof heeft geformuleerd in zijn arresten
2 februari 1995 betreffende de milieutaksen, volgens welke het optreden
de toenmalige federale wetgever niet onevenredig was, zijn niet langer relevant. De gewesten zijn immers op geen enkele wijze bij de totstandkoming
de bestreden bepalingen betrokken; hun instemming is niet langer vereist, aangezien de milieutaksen niet langer gewestbelastingen zijn sinds de bijzondere wet
13 juli 2001, die het samenwerkingsakkoord dat de drie gewesten in 1996 ter zake hebben gesloten, uitholt. Ten slotte druist de keuze
de wetgever voor sommige verpakkingen in tegen het beleid
de gewesten op het vlak
verpakkingen en afvalstoffen. 12 A.17.2. Volgens de Ministerraad volgt uit de rechtspraak
het Arbitragehof inzake milieutaksen en uit de parlementaire voorbereiding
de bijzondere wet
13 juli 2001 tot herfinanciering
de gemeenschappen en uitbreiding
de fiscale bevoegdheden
de gewesten, dat de federale wetgever onbetwistbaar bevoegd is om de bestreden bepalingen aan te nemen. De verzoekende partij toont niet aan dat de wetgever, door de bestreden bepalingen aan te nemen, zijn bevoegdheid inzake leefmilieu op ongewone wijze zou hebben uitgeoefend of de gewesten zou beletten hun doelstellingen met andere middelen te bereiken. A.17.3. De verzoekende partij antwoordt dat zij de bevoegdheid
de federale wetgever om een milieubelasting te heffen, nooit heeft betwist. Zij heeft alleen gesteld dat de federale wetgever, bij de uitoefening
die bevoegdheid, rekening moest houden met de bevoegdheid
de andere overheden, wat hij niet heeft gedaan. De Ministerraad geeft niet aan hoe de gewesten hun milieudoelstellingen met andere middelen dan de huidige regeling inzake het afvalstoffenbeheer, gericht op het gebruik
de recyclage, zullen kunnen bereiken. A.18.1. Een derde middel is afgeleid uit de schending
het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet. Door alleen voor drankverpakkingen een verpakkingsheffing in te voeren, leidt het bestreden artikel 11, zonder objectieve en redelijke verantwoording, tot een ongelijke behandeling tussen de drankverpakkingen en de andere verpakkingen. De in 1993 aangevoerde doelstelling om de milieuschadelijke producten aan de milieutaks te onderwerpen en de overwegingen die het Arbitragehof in zijn arresten
2 februari 1995 heeft geformuleerd ten aanzien
de vervangbaarheid
de producten en de geleidelijkheid
de invoering
de milieutaks zijn niet langer relevant. Onder impuls
de wetgever hebben de bij de milieutaks betrokken sectoren inspanningen geleverd, waardoor België behoort tot de Europese koplopers inzake recyclage, zodat drankverpakkingen niet langer « de meest milieuschadelijke producten » zijn. Bovendien gaan dezelfde bekommeringen in verband met de vervangbaarheid op voor andere verpakkingen dan drankverpakkingen. Hoewel het Hof een verschil in behandeling
de drankverpakkingen heeft aanvaard, gelet op de voortrekkersrol ervan, kunnen de inspanningen die de betrokken sectoren sindsdien op het vlak
recyclage hebben geleverd, niet worden tenietgedaan omdat wordt uitgegaan
een volledig andere filosofie, namelijk het hergebruik in plaats
de recyclage, waarbij men de drankverpakkingen opnieuw een voortrekkersrol laat spelen. De heffing ten laste
de drankverpakkingen zou overigens kunnen worden vervangen door productnormen, naar het voorbeeld
wat voor papier is gedaan. A.18.2. De Ministerraad is
mening dat de drankproducenten en de producenten
andere producten geen voldoende vergelijkbare categorieën zijn wegens het loutere feit dat zij verpakkingen gebruiken. De invoering
een verpakkingsheffing op alleen dranken is integendeel rechtstreeks verbonden met de aan de dranken toegekende vermindering
de accijnzen en
de B.T.W. A.18.3. De verzoekende partij antwoordt dat de Ministerraad een onverantwoord onderscheid invoert tussen de drankverpakkingen en de verpakkingen
andere producten : de inhoud
die verpakkingen is niet relevant ten aanzien
het doel dat aanvankelijk werd nagestreefd bij de invoering
de milieutaksen in 1993, namelijk het gebruik
milieuschadelijke producten ontmoedigen. Aanvoeren dat de dranken een vermindering
de accijnzen en
de B.T.W. zullen kunnen genieten, komt erop neer te verklaren dat het betwiste verschil in behandeling om fiscale redenen verantwoord is, wat onvoldoende blijkt ten aanzien
de door de bestreden wet nagestreefde milieudoelstelling. Het tarief
de accijnzen op verschillende dranken is door de programmawet
22 december 2003 overigens opnieuw vastgesteld op het niveau dat vóór de wijziging
de bestreden wet bestond. A.19.1. Een vierde middel is afgeleid uit de schending
het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet. De in het bestreden artikel 11 bepaalde vrijstellingsregeling roept, zonder objectieve en redelijke verantwoording, een ongelijke behandeling in het leven tussen verschillende soorten
drankverpakkingen, in het bijzonder tussen de herbruikbare en de recycleerbare verpakkingen. De prioritaire behandeling
de herbruikbare verpakkingen ten opzichte
de recycleerbare verpakkingen, die voortvloeit uit de beweerde doelstelling
de bestreden wet en uit de voorwaarden inzake de vrijstelling
de verpakkingsheffing, wijkt af
het stelsel
de milieutaksen
1993 en
het Europees recht. Die hiërarchie tussen hergebruik en recyclage is niet wetenschappelijk onderbouwd en mist elke evenredigheid. A.19.2. De Ministerraad verwijst naar de wettekst en naar de parlementaire voorbereiding om te besluiten dat het hergebruik en de recyclage op voet
gelijkheid worden behandeld teneinde de vrijstelling
de heffing te 13 genieten. De verzoekende partij toont niet aan op welke wijze de personen die recycleerbare verpakkingen gebruiken, zouden worden gediscrimineerd ten opzichte
de personen die herbruikbare verpakkingen gebruiken. A.19.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de wet, zonder wetenschappelijke studie en op onverantwoorde wijze ten aanzien
het nagestreefde doel, de herbruikbare verpakkingen bevoordeelt ten koste
de gerecycleerde verpakkingen. Zelfs indien de wetgever zou aantonen dat de gevolgen
het hergebruik gunstig zijn voor het leefmilieu, dan nog waarborgt de huidige reglementering geenszins dat dit ook daadwerkelijk het geval zal zijn. A.20.1. Een vijfde middel is afgeleid uit de schending
het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet, alsook
het standstill-beginsel vervat in artikel 23, derde lid, 4°,
de Grondwet. De vrijstelling op basis
het bewijs
een minimumpercentage gerecycleerde grondstoffen is noch onontbeerlijk - zoals dat voortvloeit uit een verslag
het Europees Comité voor Normalisatie -, noch redelijk evenredig met het doel om de recyclage te doen toenemen, aangezien de buitenlandse producenten die geen gebruik kunnen maken
herbruikbare flessen, gebruik zullen maken
flessen met een gerecycleerde inhoud, ofwel
minder vaak gerecycleerde flessen. Het bestreden artikel 11 druist aldus in tegen het standstill-beginsel, dat vereist dat het nieuwe beleid inzake leefmilieu niet
lager niveau is dan het bestaande beleid inzake leefmilieu. A.20.2. Volgens de Ministerraad toont de verzoekende partij niet aan in welke mate de bestreden maatregel onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel om het gebruik
gerecycleerde grondstoffen te bevorderen. Zowel de herbruikbare flessen als de flessen met een gerecycleerde inhoud kunnen de vrijstelling genieten, zonder dat, tenzij op zeer hypothetische wijze, de mogelijke reactie
de buitenlandse producenten kan worden bepaald. Er is bovendien geen enkele reden om niet aan te nemen dat de hoeveelheid gerecycleerde grondstoffen zal toenemen als gevolg
de invoering
de vrijstelling
de heffing. A.20.3. De verzoekende partij antwoordt dat de vrijstelling gekoppeld aan een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen geen redelijk verband
evenredigheid vertoont tussen het nagestreefde doel - de recyclage
verpakkingsafval voortzetten en versterken, doel dat reeds is bereikt en overschreden, aangezien België behoort tot de koplopers op het vlak
recyclage - en de aangewende middelen - het tenietdoen
de inspanningen die de bij de recyclage betrokken sectoren vroeger hebben geleverd -, aangezien de niet-herbruikbare verpakkingen voortaan in beginsel aan de heffing onderworpen zijn, tenzij zij een bepaald percentage gerecycleerde grondstoffen bevatten. A.21.1. Het zesde middel is afgeleid uit de schending
het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 90
het E.G.-Verdrag en met de richtlijn 80/777
de Raad
15 juli 1980 betreffende de onderlinge aanpassing
de wetgevingen der Lid-Staten inzake de exploitatie en het in de handel brengen
natuurlijk mineraalwater. De bestreden wet voert een indirecte discriminatie in, die de nationale producten bevoordeelt ten koste
de buitenlandse producten, daar het hergebruik waarvoor zij pleit, een economische en logistieke kostprijs zal meebrengen die de buitenlandse producenten die in België invoeren,
uit concurrentieel oogpunt onmogelijk kunnen dragen, wat in strijd is met de volledige neutraliteit
de binnenlandse belastingen ten aanzien
de concurrentie tussen nationale producten en ingevoerde producten, gewaarborgd bij artikel 90
het E.G-Verdrag. Mocht het Hof twijfelen aan die interpretatie, dan stelt de verzoekende partij voor aan het Hof
Justitie
de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag te stellen : « Dient artikel 90 E.G.-Verdrag zo geïnterpreteerd te worden dat het in de weg staat aan een bepaling
nationaal recht die een verpakkingsheffing invoert op het in het verbruik brengen
niet-herbruikbare drankverpakkingen, rekening houdend met het feit dat de voorwaarden voor het verkrijgen
een vrijstelling
de betrokken verpakkingsheffing gemakkelijker te vervullen zijn door binnenlandse ondernemingen dan door ondernemingen uit andere lidstaten of derde landen, waarmee de Gemeenschap en de lidstaten een akkoord hebben gesloten dat artikel 90 E.G.-Verdrag
toepassing maakt op de handelsbetrekkingen tussen de Gemeenschap en de lidstaten, enerzijds, en de betrokken derde landen, anderzijds ? » A.21.2. De Ministerraad herinnert eraan dat met de opmerkingen
de Europese Commissie rekening is gehouden en dat een nauwe band bestaat tussen de verpakkingsheffing en de verlaging
de accijnzen en
de B.T.W. In elk geval zullen de buitenlandse producten niet zwaarder getroffen worden dan vroeger en moeten er voldoende alternatieven bestaan om de vrijstelling
de verpakkingsheffing te genieten. De Belgische en buitenlandse producenten zullen dus een vergelijkbare inspanning moeten leveren om de vrijstelling
de heffing te genieten. Heel wat landen heffen overigens taksen op dranken; de buitenlandse producenten zullen zich dus ook 14 moeten aanpassen aan de gewijzigde marktomstandigheden en aan de houding
de verbruikers die zich milieubewuster zullen gedragen. A.21.3. De verzoekende partij antwoordt dat de opmerkingen
de inspecteur
Financiën in het kader
de programmawet
22 december 2003 aantonen dat de Belgische producenten of de producenten die vrij dicht bij ons land zijn gevestigd, worden bevoordeeld ten opzichte
de andere buitenlandse producenten. Zij herinnert eraan dat de Europese Commissie bezwaren heeft geuit en formuleert opnieuw haar kritiek dat de bestreden bepaling in flagrante tegenspraak is met de rechtspraak
het Hof
Justitie
de Europese Gemeenschappen met betrekking tot artikel 90
het E.G.-Verdrag. In de zaak nr. 2794 A.22. Aangezien de eerste twee middelen identiek zijn aan de eerste twee middelen in de zaak nr. 2766 zijn de bezwaren
de Ministerraad en de opmerkingen
de verzoekende partijen in hun memorie
antwoord bijgevolg identiek aan die welke voor die middelen zijn uiteengezet in de zaak nr. 2766. A.23.1. Een derde middel is afgeleid uit de schending
het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet. Door de vrijstelling
de heffing die melk genoot, te vervangen door een uitsluiting
het toepassingsgebied
de heffing, leiden de artikelen 119, sub a) en b), en 120, sub b),
de programmawet
8 april 2003, zonder objectieve en redelijke verantwoording, tot een ongelijke behandeling in het nadeel
de verzoekende partijen, door ondernemingen te bevoordelen die melk en melkproducten verpakken, die niet aan de verpakkingsheffing zijn onderworpen, aangezien melk niet langer wordt beschouwd als een « drank » in de zin
de bestreden wet. De doelstelling op het vlak
de volksgezondheid en de fiscale motieven aangevoerd om de vrijstelling
melkproducten te verantwoorden, zijn niet relevant. Indien de bestreden wet de milieudoelstelling, bestaande in het beperken
de productie
afvalstoffen, nastreeft, zouden de melkproducten aan de verpakkingsheffing moeten worden onderworpen. Bovendien dragen andere dranken in even grote mate als melk bij tot de volksgezondheid. A.23.2. De Ministerraad is
mening dat melk en melkproducten niet alleen zoals andere dranken bijdragen tot de volksgezondheid, maar tevens een noodzakelijk levensmiddel zijn tijdens de eerste levensfase en de groei
kinderen, en niet vervangbaar zijn, in tegenstelling tot andere dranken. De melkproducenten vormen dus geen categorie die met de producenten
andere dranken vergelijkbaar is : de wetgever vermocht bijgevolg, wat de verpakkingsheffing of de accijnzen en de B.T.W. betreft, een bijzondere behandeling voor te behouden aan melk en melkproducten. A.23.3. De verzoekende partijen antwoorden dat, hoewel melk voornamelijk tijdens de eerste levensfase en de groei
kinderen noodzakelijk is, ook andere dranken bijdragen tot de volksgezondheid
de hele bevolking en eveneens een bijzondere aard vertonen wat het gehalte ervan aan vitaminen - fruitsap of groentesap - of aan calcium - water - betreft. A.24. Aangezien het vierde en vijfde middel identiek is aan het derde en vierde middel in de zaak nr. 2766 zijn de bezwaren
de Ministerraad en de opmerkingen
de verzoekende partijen in hun memorie
antwoord bijgevolg identiek aan die welke voor die middelen zijn uiteengezet in de zaak nr. 2766. A.25.1. Een zesde middel is afgeleid uit de schending
het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet, in samenhang gelezen met de richtlijn 94/62/EG. Door het beginsel
de gerecycleerde inhoud te stellen, behandelt het bestreden artikel 11 op identieke wijze en zonder objectieve en redelijke verantwoording de stalen drankverpakkingen en de andere drankverpakkingen, ondanks de specifieke materiële situatie - die bijgevolg niet vergelijkbaar is -
de stalen drankverpakkingen. De aanmaak
staal - waarvan het uitstekende milieuprofiel is bewezen - steunt immers op een « open » « staal tot staal »-kringloop, die leidt tot een algemene gerecycleerde inhoud
ongeveer 55 pct. Doordat geen « gesloten » kringloop
staal voor drankverpakkingen bestaat, zijn de producenten
blikjes niet in staat voor hun verpakkingen een bepaalde hoeveelheid gerecycleerde grondstoffen te certificeren, wat hen dus belet een vrijstelling
de heffing te genieten, in tegenstelling tot de producenten
andere verpakkingen. Bovendien heeft een blikje een aluminium deksel, dat eveneens aan de recyclagevoorwaarden moet voldoen en waarop de staalproducenten geen vat hebben. Ten slotte heeft het Europees Comité voor Normalisatie in een verslag gewezen 15 op de moeilijkheden om een gehalte aan gerecycleerde inhoud op te leggen, in het bijzonder voor stalen drankverpakkingen. A.25.2. De Ministerraad ziet niet in welke discriminatie de producenten
stalen verpakkingen zouden ondergaan, die aan dezelfde reglementering als de producenten
andere verpakkingen zijn onderworpen. Bovendien vloeit uit de wettekst voort dat de oorsprong
de gerecycleerde grondstoffen in de samenstelling
de verpakkingen geen invloed heeft bij de bepaling
het minimumgehalte aan gerecycleerde grondstoffen om de vrijstelling
de heffing te genieten. A.25.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de Ministerraad uitgaat
een beperkte lezing
het gelijkheidsbeginsel. De enige herbruikbare stalen verpakkingen die in werkelijkheid een vrijstelling
de heffing zullen kunnen genieten, zijn de herbruikbare biervaten en niet de stalen blikjes. Het oorspronkelijke doel
de milieutaksen beoogde echter de verpakkingen die de eindverbruiker koopt en niet de verpakkingen die door de professionele gebruikers worden gebruikt. A.26. Aangezien het zevende middel identiek is aan het vijfde middel in de zaak nr. 2766, zijn de bezwaren
de Ministerraad en de opmerkingen
de verzoekende partijen in hun memorie
antwoord bijgevolg identiek aan die welke voor dat middel zijn uiteengezet in de zaak nr.
statiegeld in te voeren en op de vervoerskosten die het gebruik
herbruikbare flessen voor de invoerders
water zou meebrengen. De argumenten die worden aangevoerd om niet tegemoet te komen aan de bezwaren die de Europese Commissie hierover aan de Belgische overheid had meegedeeld, dienen te worden verworpen. Enerzijds kan het « belangenconflict » tussen de communautaire doelstelling inzake de bescherming
de volksgezondheid en de doelstelling inzake de bescherming
het leefmilieu in geen geval een nationale maatregel in plaats
een gemeenschapsmaatregel rechtvaardigen. Anderzijds zou een vrijstelling
alleen bronwater geen discriminatie zijn in strijd met het Belgisch recht en het gemeenschapsrecht, aangezien dat verschil in behandeling zou steunen op het wettelijke kader dat de Europese regelgeving heeft ingevoerd. Een en ander leidt de facto tot een discriminerende belemmering
de handel binnen de gemeenschap, aangezien de producenten
blikjes die in België invoeren ofwel de verpakkingsheffing zullen moeten betalen, gelet op de technische onmogelijkheid om de hoeveelheid gerecycleerde grondstoffen in de stalen verpakkingen vast te stellen (A.25), ofwel hoge kosten moeten hanteren om de herbruikbare verpakkingen
en naar de productieplaats te vervoeren. De Europese Commissie heeft overigens een beroep ingesteld tegen de door Duitsland ingevoerde regeling voor het hergebruik
flessen, die geldt ongeacht de afstand waarover moet worden vervoerd om de verplichting inzake de botteling aan de bron na te leven. A.27.2. De Ministerraad ziet niet in welke discriminatie de buitenlandse producenten zouden ondergaan, die, aangezien zij over dezelfde alternatieven als de Belgische producenten beschikken om de vrijstelling
de heffing te genieten, bijgevolg een identieke inspanning zullen moeten leveren om
de verpakkingsheffing te worden vrijgesteld. A.27.3. De verzoekende partij antwoordt dat de opmerkingen
de inspecteur
Financiën in het kader
de programmawet
22 december 2003 aantonen dat de Belgische producenten of de producenten die vrij dicht bij ons land zijn gevestigd, worden bevoordeeld ten opzichte
de andere buitenlandse producenten. Ongeveer 80 pct.
de dranken op de markt in stalen blikjes wordt echter ingevoerd. Zij herinnert aan de bezwaren die de Europese Commissie heeft geformuleerd en uit opnieuw haar kritiek dat de bestreden bepaling in flagrante tegenspraak is met de rechtspraak
het Hof
Justitie
de Europese Gemeenschappen met betrekking tot artikel 90
het E.G.- Verdrag. In de zaak nr. 2799 A.28.1. De verzoekende partijen zetten een enig middel uiteen, afgeleid uit de schending
de artikelen 10 en 11
de Grondwet, in samenhang gelezen met het gemeenschapsrecht. Het bestreden artikel 11 vestigt een 16 verpakkingsheffing op niet-herbruikbare verpakkingen en stelt die verpakkingen vrij indien zij uit een percentage gerecycleerde grondstoffen bestaan. Het voert aldus, zonder redelijke verantwoording, drie verschillen in behandeling in, die niet op een objectief criterium berusten, tussen de personen die de verpakkingsheffing verschuldigd zijn en diegenen die ervan zijn vrijgesteld. A.28.2.1. In het eerste onderdeel
het middel wordt een discriminatie aangevoerd tussen de producenten
herbruikbare drankverpakkingen en de producenten
recycleerbare drankverpakkingen. De doelstelling
de bestreden wetgeving om de afvalberg te beperken door het hergebruik te bevorderen, is niet gewettigd in het licht
de beginselen
het streven naar een hoog niveau
milieubescherming, het beginsel
het preventief handelen en het voorzorgsbeginsel, genoemd in artikel 174
het E.G.-Verdrag. Het voordeel toegekend aan het hergebruik ten opzichte
de recyclage, zonder wetenschappelijk bewijs dat die voorkeur op het vlak
het leefmilieu verantwoordt, druist in tegen de inspanningen die met name de verzoekende partijen de laatste jaren hebben geleverd om een systeem
selectieve ophaling en
recyclage
drankverpakkingen te ontwikkelen, systeem dat de Belgische wet betreffende de milieutaksen vroeger wilde bevorderen. Het voordeel toegekend aan het hergebruik is eveneens in strijd met de Europese harmonisatierichtlijnen betreffende de afvalstoffen
verpakkingen, die het hergebruik en de recyclage op voet
gelijkheid plaatsen. Een nationale wetgeving die
die richtlijnen zou afwijken door het hergebruik aan te moedigen, zou alleen met het Europees recht verenigbaar zijn indien zij een hoog niveau
milieubescherming beoogt en indien het hergebruik niet schadelijk is voor het leefmilieu. A.28.2.2. Volgens de Ministerraad vindt het beweerde voordeel toegekend aan het hergebruik geen enkele grondslag, noch in de wettekst, noch in de parlementaire voorbereiding : de herbruikbare verpakkingen en de verpakkingen met een gerecycleerde inhoud worden op identieke wijze behandeld wat betreft de mogelijkheid om de vrijstelling
de heffing te genieten. Ook al wordt aangenomen dat het hergebruik voor het leefmilieu niet beter is dan de recyclage, wordt niet ingezien hoe een bepaling die de gestage vermindering
het gebruik
herbruikbare verpakkingen tracht tegen te houden, zou indruisen tegen het Europees recht. In de parlementaire voorbereiding wordt bovendien ervan gewag gemaakt dat de overeenstemming met het Europees recht werd nagestreefd en er is met de opmerkingen
de Europese Commissie rekening gehouden. A.28.2.
het middel wordt een discriminatie aangevoerd tussen de producenten
recycleerbare drankverpakkingen, naargelang hun afvalstoffen
gerecycleerde verpakkingen worden gebruikt bij de productie
drankverpakkingen of bij de productie
andere producten. De vrijstelling op grond
de gerecycleerde inhoud bevoordeelt, zonder wetenschappelijk bewijs
de voordelen ervan op het vlak
het leefmilieu, een gesloten systeem
recyclage
verpakkingen ten opzichte
een open systeem
recyclage voor ander gebruik, wat in strijd is met de beginselen
het streven naar een hoog niveau
milieubescherming, het beginsel
het preventief handelen en het voorzorgsbeginsel, genoemd in artikel 174
het E.G.-Verdrag. Het doel
die vrijstelling is evenmin gewettigd in het licht
de Europese harmonisatierichtlijnen betreffende de afvalstoffen, die het beginsel stellen
de gelijkwaardigheid tussen de recyclage
grondstoffen voor het oorspronkelijke doel ervan en voor andere doeleinden, en
een ontwerp
Europese resolutie die, gelet op de mogelijke gevaren voor de gezondheid waarop verschillende studies hebben gewezen, specificaties bevat voor de recyclage
karton dat bestemd is om levensmiddelen te bevatten en met name verbiedt dat drankkartons tot drankkartons worden gerecycleerd. A.28.3.2. Volgens de Ministerraad heeft de oorsprong
de gerecycleerde grondstoffen geen invloed op de vaststelling
het gehalte aan gerecycleerde grondstoffen om de vrijstelling
de heffing te genieten. De bestreden bepaling is niet meer dan een fiscale maatregel en stelt geen productnormen en nog minder recyclagenormen vast. A.28.3.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de beweerde doelstelling
de vrijstelling
de heffing niet erin bestaat de recyclage
de afvalstoffen in het algemeen te doen toenemen, maar wel die
het verpakkingsafval, voor de productie
nieuwe verpakkingen, wat getuigt
de wil om een gesloten recyclagesysteem in te voeren, met talrijke nadelen. 17 A.28.4.1. Het derde onderdeel
het middel voert ten slotte een discriminatie in tussen de producenten
drankkartons en de producenten
papier/karton dat voor andere doeleinden wordt gebruikt. Terwijl papier/karton en drankkarton hetzelfde materiaal zijn, onderworpen aan dezelfde Europese norm, zijn de producenten
drankkartons onderworpen aan de verpakkingsheffing, terwijl de wetgever de milieutaks op papier/karton heeft afgeschaft, door te kiezen voor productnormen, die de wetgever eveneens zou kunnen aannemen voor de verpakkingen in papier/karton, wat het mogelijk zou maken de doelstelling
milieubescherming te bereiken en tegelijk evenredig te zijn met de doelstelling
bescherming
de volksgezondheid. A.28.4.2. De Ministerraad stelt vast dat de bestreden reglementering op alle drankverpakkingen
toepassing is, los
het materiaal waaruit ze zijn samengesteld. Aangezien de aard
de verpakking geen doorslaggevend criterium is, maar wel het feit dat de verpakking drank bevat, zijn de producenten
drankverpakkingen in karton en de producenten
papier/karton geen vergelijkbare categorieën ten aanzien
het gelijkheidsbeginsel. A.28.4.
Justitie
de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag wordt gesteld. -B- Ten aanzien
de bestreden bepalingen B.1.1. De wet
30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk
milieutaksen en ecobonussen (hierna : wet
30 december 2002) wijzigt het stelsel
de milieutaksen bepaald bij de gewone wet
16 juli 1993 tot vervollediging
de federale staatsstructuur (hierna : gewone wet
16 juli 1993), met name het stelsel
de milieutaksen op de drankverpakkingen. Aangezien de mogelijkheid om
de milieutaks te worden vrijgesteld op grond
een bepaald recyclagepercentage waarin artikel 373, § 4,
de gewone wet
16 juli 1993 voorziet, op 31 december 2000 verstreek, bestond immers het gevaar dat de opeisbaarheid
de milieutaks op de drankverpakkingen, indien het wettelijk kader niet werd gewijzigd, « sommige economische sectoren [zou] benadelen » en « het faillissement
een aanzienlijk aantal kleine en middelgrote ondernemingen » zou meebrengen (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1912/001, p. 6), « onder meer omdat er geen differentiatie tussen de verpakkingen bestond » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0473/027, p. 47). Overeenkomstig een akkoord
de Ministerraad
22 december 2000 is in het Belgisch Staatsblad
30 december 2000 een bericht bekendgemaakt waarin wordt gepreciseerd dat de milieutaksen op de 18 drankverpakkingen niet zouden worden geïnd zolang geen nieuwe wettekst in werking is getreden. De wet
30 december 2002 stelt dus een nieuwe belastingregeling voor de drankverpakkingen in die, enerzijds, voorziet in « ecobonussen » in de vorm
een vermindering
de accijnzen en de B.T.W. op de dranken en, anderzijds, een « verpakkingsheffing » op de niet-herbruikbare verpakkingen invoert. B.1.2. De programmawet
8 april 2003 wijzigt in hoofdstuk IX ervan de wet
30 december
de beroepen tot vernietiging. B.2. Het Hof dient de omvang
de beroepen tot vernietiging te bepalen aan de hand
de inhoud
de verzoekschriften. Daar enkel tegen de artikelen 9, 5°, 11 en 31
de wet
30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk
milieutaksen en ecobonussen en de artikelen 119 en 120
de programmawet
8 april 2003 middelen worden aangevoerd, zal het Hof zijn onderzoek tot die bepalingen beperken. Wanneer evenwel uit het nader onderzoek
de middelen zou blijken dat enkel bepaalde onderdelen
die bepalingen worden bekritiseerd, zal het onderzoek in voorkomend geval tot die onderdelen worden beperkt. B.3.1. Artikel 9, 5°,
de wet
30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk
milieutaksen en ecobonussen wijzigt artikel 369
de gewone wet
16 juli 1993 tot vervollediging
de federale staatsstructuur als volgt : « 5° het onderdeel 17°, opgeheven bij de wet
14 juli 1997, wordt hersteld in de volgende lezing : ‘ 17° verpakkingsheffing : heffing die wordt geheven op drankverpakkingen voor eenmalig gebruik. ’. » 19 B.3.2. Artikel 11
dezelfde wet vervangt artikel 371
de gewone wet
16 juli 1993 door de volgende bepaling : « § 1. Er wordt een verpakkingsheffing geheven bij het in het verbruik brengen
dranken verpakt in individuele verpakkingen en dit tegen een tarief
11,6262 EUR per hectoliter product die aldus is verpakt. § 2. De herbruikbare verpakkingen zijn niet aan de verpakkingsheffing onderworpen, mits naleving
de volgende voorwaarden :
het statiegeld is minstens : 0,16 EUR voor de verpakkingen met een inhoud
meer dan 0,5 liter en
0,08 EUR voor de verpakkingen
minder of gelijk aan 0,5 liter; c) de verpakking vermeldt een duidelijk zichtbaar kenteken waaruit blijkt dat er statiegeld wordt voor gevraagd en dat zij herbruikbaar is; § 3. Worden
de verpakkingsheffing vrijgesteld : 1° de verpakkingen voor melk en melkproducten; 2° de drankverpakkingen die hoofdzakelijk bestaan uit één
de grondstoffen opgenomen in bijlage 18; 3° de drankverpakkingen die, per soort grondstof, bestaan uit een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen, waarvan het percentage vastgesteld werd bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld en daarna bij wet bekrachtigd koninklijk besluit. § 4. De in paragraaf 3 bedoelde vrijstelling wordt onder volgende voorwaarden toegekend :
Economie, verifieert het gehalte aan gerecycleerde grondstoffen
de drankverpakkingen op grond
de hoeveelheden gerecycleerde grondstoffen en primaire grondstoffen die gebruikt worden bij de vervaardiging
de verpakkingen die voor de vrijstelling in aanmerking zouden kunnen komen. » 20 B.3.3. Artikel 31
dezelfde wet voegt in de gewone wet
16 juli 1993 een artikel 401bis in, dat luidt : « De Minister
Financiën wordt er jaarlijks mee belast de milieu-, economische en budgettaire gevolgen te schatten
de accijnstarieven bepaald in de artikelen 5, 9, 12, 15 en 17
de wet
7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven
alcohol en alcoholhoudende dranken, alsook in artikel 1
de wet
13 februari 1995 betreffende het accijnsstelsel
alcoholvrije dranken en
de BTW-tarieven vastgelegd door het koninklijk besluit nr. 20
20 juli 1970 tot vaststelling
de tarieven
de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling
de goederen en de diensten bij die tarieven en
het tarief
de verpakkingsheffing bepaald in artikel 371, § 1,
deze wet, zonder rekening te houden met de weerslag
de gedragswijzigingen
de verbruiker die deze tarieven in de loop
het jaar zullen veroorzaakt hebben. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dat door de wet moet worden bekrachtigd, kan de Koning ze in het eerste lid bedoelde tarieven aanpassen. » B.3.4. Artikel 119
de programmawet
8 april 2003 wijzigt artikel 370
de gewone wet
16 juli 1993 als volgt : « A) de bepaling onder 2° wordt als volgt vervangen : ‘ De waters, inbegrepen de minerale waters en de gashoudende waters, aangevuld met suiker of andere zoet- of smaakstoffen, en andere niet alcoholische dranken, als bedoeld in de wet
13 februari 1995 met betrekking tot het accijnsstelsel
alcoholvrije dranken, alsmede
alcoholvrije bieren, alcoholvrije wijnen, de alcoholvrije tussenproducten en de vruchtennectars; ’ B) de bepaling onder 9° vervalt. » B.3.5. Artikel 120
dezelfde programmawet wijzigt artikel 371
de wet
16 juli 1993, gewijzigd bij de wet
30 december 2002, als volgt : « A) het punt c)
en het punt b)
vervallen; B) de bepaling onder 1°
» Ten aanzien
de inwerkingtreding
artikel 371
de gewone wet
16 juli 1993 B.4. Krachtens artikel 122
de programmawet
8 april 2003, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op dezelfde dag als de wet
30 december 2002, namelijk 17 april 21 2003, treedt de bestreden wet
30 december 2002 in werking op 1 april 2003, met uitzondering
onder meer artikel 11, in zoverre het een eerste paragraaf invoegt in artikel 371
de gewone wet
16 juli 1993, dat op 1 juli 2003 in werking is getreden. Een bericht
de Administratie der Douane en Accijnzen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad
24 juni 2003, heeft die inwerkingtreding uitgesteld tot 1 januari 2004, wat artikel 2
de programmawet
5 augustus 2003 heeft bevestigd, in afwijking
artikel 122
de programmawet
8 april 2003. Een ministerieel besluit
2 maart 2004 « betreffende het fiscaal stelsel
drankverpakkingen onderworpen aan verpakkingsheffing en producten onderworpen aan milieutaks » heeft die inwerkingtreding uiteindelijk uitgesteld tot 1 april 2004. Uit die opeenvolgende wijzigingen blijkt dat artikel 371, § 1,
de gewone wet
16 juli 1993, dat het beginsel
de inning
een verpakkingsheffing op de niet- herbruikbare drankverpakkingen invoert, op 1 april 2004 in werking is getreden. Ten aanzien
de wijzigingen
de bestreden bepalingen door de programmawet
22 december 2003 en de programmawet
9 juli 2004 B.5.1. Hoofdstuk 10
de programmawet
22 december 2003 wijzigt de wetten gewijzigd bij de wet
30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk
milieutaksen en ecobonussen. B.5.2. Wat de bestreden bepalingen betreft, wijzigt artikel 358
de programmawet
22 december 2003 artikel 371
de gewone wet
16 juli 1993, vervangen bij artikel 11
de wet
30 december 2002 en gewijzigd bij artikel 120
de programmawet
8 april 2003, als volgt : «
dezelfde programmawet treedt dat artikel 358
de programmawet op 1 april 2004 in werking. B.6.1. Door artikel 371, § 3, 3°,
de gewone wet
16 juli 1993 af te schaffen, schrapt de programmawet
22 december 2003 de mogelijkheid voor de uit een bepaald percentage gerecycleerde grondstoffen bestaande verpakkingen om
de verpakkingsheffing te worden vrijgesteld, « ingevolge een schrijven
de Europese Commissie gericht aan de Belgische autoriteiten inzake de twijfels omtrent het feit dat deze vrijstelling een zekere staatssteun zou inhouden zoals omschreven in de artikelen 87 en 88
het EG-Verdrag » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0473/016, p. 13). B.6.2. Artikel 359
diezelfde programmawet voorziet echter opnieuw in de mogelijkheid voor de Koning om die vrijstelling op grond
een percentage gerecycleerde grondstoffen in te voeren, « doch mits het in acht nemen
een aantal voorzorgsmaatregelen opdat het in werking treden
deze vrijstelling niet tot potentiële problemen zou leiden in de toekomst » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-473/016, p. 13). B.6.3. Artikel 359
die programmawet voegt in de gewone wet
16 juli 1993 immers een artikel 371bis in, dat luidt : « De Koning kan, bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, bepalen dat een vrijstelling
verpakkingsheffing kan worden toegestaan voor drankverpakkingen voor éénmalig gebruik, samengesteld uit een hoeveelheid gerecycleerde grondstoffen waarvan hij het minimumpercentage bepaalt alsook de voorwaarden tot het bekomen
deze vrijstelling. Evenwel kan deze vrijstelling slechts in werking treden na het verkrijgen
de toestemming
de autoriteiten
de Europese Commissie, bevoegd in deze materie met betrekking tot de bepalingen inherent aan staatssteun, en onverminderd de bepalingen inzake volksgezondheid. De maatregelen genomen door de Koning zullen daarna worden bekrachtigd bij wet. » B.7.1. Artikel 25
de programmawet
9 juli 2004 vervangt artikel 371
de gewone wet
16 juli 1993, zoals ingevoegd bij de wet
30 december 2002 en gewijzigd bij de programmawetten
8 april 2003 en 22 december 2003, door de volgende bepaling : 23 « § 1. Een verpakkingsheffing is verschuldigd : 1° bij het in het verbruik brengen inzake accijnzen
dranken als bedoeld in artikel 370, verpakt in individuele verpakkingen; 2° bij het op de Belgische markt brengen
voornoemde dranken verpakt in individuele verpakkingen wanneer dit verpakken later plaatsvindt dan het in het verbruik brengen
deze dranken inzake accijnzen. Deze verpakkingsheffing bedraagt 9,8537 EUR per hectoliter product dat aldus is verpakt. § 2. De individuele herbruikbare verpakkingen worden vrijgesteld
de verpakkingsheffing, mits naleving
de volgende voorwaarden : a) de natuurlijke of rechtspersoon die dranken verpakt in individuele verpakkingen in het verbruik brengt, levert het bewijs dat deze verpakkingen herbruikbaar zijn, dit wil zeggen dat ze minstens zevenmaal kunnen worden hervuld, en dat deze verpakkingen worden teruggenomen via een systeem
statiegeld en daadwerkelijk opnieuw worden gebruikt; b) het bedrag
het statiegeld bedraagt minstens 0,16 EUR voor de verpakkingen met een inhoud
meer dan 0,5 liter en 0,08 EUR voor deze met een inhoud
minder dan of gelijk aan 0,5 liter. § 3. In afwijking
, zijn de individuele drankverpakkingen die hoofdzakelijk bestaan uit één
de grondstoffen opgenomen in bijlage 18 niet onderworpen aan de verpakkingsheffing. » B.7.2. Die nieuwe tekst « bepaalt het moment
verschuldigdheid
de verpakkingsheffing alsook het belastbaar feit » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1138/001, p. 18), waarbij een nieuwe definitie
dat belastbaar feit wordt gepreciseerd, teneinde rekening te houden met de verpakkingswijze
de drank, zodat de inverbruikstelling inzake verpakkingsheffing aan de definitieve verpakking beantwoordt. Ten aanzien
de ontvankelijkheid B.8.
stalen drankverpakkingen (stalen blikjes) en afvullers
dranken in stalen drankverpakkingen. B.8.4. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 2799 is een v.z.w.
producenten
drankkartons waarvan de vier andere verzoekende partijen, vennootschappen naar Belgisch en Nederlands recht die drankkartons produceren, rechtstreeks of indirect lid zijn. B.9.1. De Grondwet en de bijzondere wet
6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken
een belang.
het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.9.2. In hun hoedanigheid
vennootschappen die dranken of drankverpakkingen produceren of verdelen, overeenkomstig hun maatschappelijk doel, kunnen de verzoekende partijen in hun activiteiten rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door bepalingen die een heffing op de drankverpakkingen invoeren. Zij doen derhalve blijken
een belang om de vernietiging te vorderen
de bepalingen die deze heffing invoeren, alsook, daarbij aansluitend,
de bepalingen die de voorwaarden vaststellen om
die heffing te worden vrijgesteld. B.9.3. Teneinde onder meer het Hof in staat te stellen na te gaan of de beslissing om het beroep in te stellen door het bevoegde orgaan
de rechtspersoon is genomen, verplicht de wetgever overigens elke rechtspersoon die een beroep instelt of in een geding tussenkomt, op het eerste verzoek, het bewijs voor te leggen
de beslissing om het beroep in te stellen of voort te zetten of om tussen te komen en, wanneer haar statuten moeten worden bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, een kopie
die bekendmaking bij te voegen. 25 Uit de bij de verzoekschriften gevoegde stukken blijkt dat is voldaan aan die voorwaarden inzake ontvankelijkheid om in rechte te kunnen optreden. B.10.1. In hun memories
antwoord zijn de verzoekende partijen
mening dat zij hun belang bij het beroep behouden, wat de Ministerraad in zijn memorie
wederantwoord betwist, ondanks de wijzigingen die de programmawet
22 december 2003 in de bestreden bepalingen heeft aangebracht en meer bepaald de afschaffing, bij artikel 358
die programmawet,
af 1 april 2004,
een
de mogelijkheden om een vrijstelling
de verpakkingsheffing te genieten, namelijk het gebruik
verpakkingen die een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen bevatten, bepaald bij artikel 371, § 3, 3°,
de gewone wet
16 juli 1993, ingevoegd bij artikel 11
de bestreden wet
30 december
de gewone wet
16 juli 1993, bepaling die voorziet in een mogelijkheid om
de verpakkingsheffing te worden vrijgesteld, op 1 april 2003 in werking is getreden en het een grondslag heeft kunnen verlenen aan uitvoeringsbesluiten - besluiten die zijn opgeheven bij artikel 372
de programmawet
22 december 2003 -, heeft het, bij ontstentenis
inwerkingtreding
artikel 371, § 1,
dezelfde wet, dat het beginsel zelf
de inning
een verpakkingsheffing invoert, geen aanleiding kunnen geven tot een concrete toepassing op de particulieren. Hieruit vloeit voort dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging
die bepaling voor de periode die voorafgaat aan 1 april 2004, datum
inwerkingtreding
artikel 371, § 1,
de gewone wet
16 juli
de programmawet
22 december 2003 wordt vernietigd, de bepaling die het opheft echter opnieuw in werking treden en voor de particulieren rechtsgevolgen kunnen hebben, gelet op de inwerkingtreding
artikel 371, § 1,
de gewone wet
16 juli
de verzoekende partijen betreffende de vrijstellingsvoorwaarde verbonden aan een minimumgehalte aan gerecycleerde grondstoffen is dus weliswaar niet volkomen zonder voorwerp geworden, gelet op de invoeging
een artikel 371bis in de gewone wet
16 juli 1993 door artikel 359
de programmawet
22 december 2003, 26 maar het Hof merkt op dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 2766, 2794 en 2799 tegen geen enkele
de bepalingen
de programmawet
22 december 2003 die de bestreden wet
30 december 2002 wijzigen, een beroep tot vernietiging hebben ingesteld, en dat de wettelijke termijn voor het instellen
een beroep tot vernietiging tegen de programmawet
22 december 2003, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad
31 december 2003, op 30 juni 2004 is verstreken. Hieruit vloeit voort dat de beroepen in de zaken nrs. 2766, 2794 en 2799, in zoverre zij zijn gericht tegen artikel 371, § 3, 3°,
de gewone wet
16 juli 1993, ingevoegd bij artikel 11
de bestreden wet
30 december 2002 en opgeheven bij artikel 358
de programmawet
22 december 2003, sinds 1 april 2004 definitief zonder voorwerp zijn geworden. B.10.5. De verzoekende partijen in de zaak nr. 2746 hebben daarentegen een beroep ingesteld, ingeschreven onder rolnummer 3042, tegen de artikelen 356, 358, 359 en 361
de programmawet
22 december 2003. Het huidige beroep in de zaak nr. 2746, in zoverre het is gericht tegen artikel 371, § 3, 3°,
de gewone wet
16 juli 1993, ingevoegd bij artikel 11
de bestreden wet
30 december 2002 en opgeheven bij artikel 358
de programmawet
22 december 2003, zal bijgevolg pas definitief zonder voorwerp worden indien het beroep in de zaak nr. 3042 tegen artikel 358
de programmawet
22 december 2003 wordt verworpen. Het onderzoek
dat onderdeel
het huidige beroep zal derhalve enkel moeten worden voortgezet, indien het beroep in de zaak nr. 3042 tegen artikel 358
de programmawet
22 december 2003 gegrond wordt verklaard; in geval
verwerping zal dat onderdeel
het huidige beroep
de rol
het Hof worden geschrapt. De verzoekende partijen in de zaak nr. 2746 behouden derhalve hun belang bij de vernietiging
artikel 371, § 3, 3°,
de gewone wet
16 juli 1993, ingevoegd bij artikel 11
de wet
30 december 2002, indien het Hof het beroep in de zaak nr. 3042 gegrond zou verklaren. B.11. Wat de bestreden bepalingen betreft, vervangt de programmawet
9 juli 2004,
af de tiende dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad
15 juli 27 2004, de tekst
artikel 371, § 1,
de gewone wet
16 juli 1993, in werking getreden op 1 april 2004. Die wijziging heeft geen gevolgen voor het onderzoek
de huidige beroepen, aangezien de verzoekende partijen hun belang bij de vernietiging
de bestreden teksten behouden
af de inwerkingtreding ervan tot de afschaffing ervan. Ten gronde B.12. Het onderzoek
de overeenstemming
een bestreden bepaling met de bevoegdheidsregels moet aan het onderzoek
de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen
titel II
de Grondwet en met de artikelen 170, 172 en 191 ervan voorafgaan. Ten aanzien
de bevoegdheidverdelende regels B.13. Het tweede middel in de zaak nr. 2766 en het tweede middel in de zaak nr. 2794 voeren op identieke wijze de schending aan
de artikelen 39 en 170, § 2,
de Grondwet,
artikel 6, § 1, II, 1° en 2°,
de bijzondere wet
8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, alsook
het evenredigheidsbeginsel afgeleid uit de regels die de bevoegdheden
de Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen. Door een verpakkingsheffing in te voeren die een milieudoelstelling nastreeft, zou de federale wetgever afbreuk doen aan de gewestbevoegdheid inzake leefmilieu en afvalstoffenbeleid, met schending
het evenredigheidsbeginsel volgens hetwelk de niet-fiscale gevolgen
de belasting de uitoefening
bevoegdheden door een andere overheid niet onmogelijk of overdreven moeilijk mogen maken. B.14.1. Als belastingmaatregel moet de verpakkingsheffing worden onderzocht in het licht
de regels die op fiscaal gebied de respectieve bevoegdheden
de Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen, zoals die bij de totstandkoming
de bestreden wetsbepalingen bestonden. B.14.2. De verpakkingsheffing wordt geheven op de drankverpakkingen voor eenmalig gebruik bij de inverbruikstelling ervan. 28 De verpakkingsheffing blijkt geen vergoeding
een dienst die de overheid verleent ten gunste
de heffingsplichtige, individueel beschouwd; zij is dus geen retributie, maar een belasting. B.14.3. Die belasting wordt geheven door de Staat op grond
de eigen fiscale bevoegdheid die hem is toegewezen door artikel 170, § 1,
de Grondwet. Naar het voorbeeld
de milieutaks die is opgevat als « elke belasting
een voldoende hoog niveau om het gebruik of het verbruik
milieubelastende producten aanzienlijk te beperken » (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558-1, p. 8), beoogt de verpakkingsheffing een milieudoelstelling « die erin bestaat het hergebruik
verpakkingen te bevorderen om de afvalberg te verminderen » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1912/001, p. 18), door het prijsverschil kleiner te maken tussen de verpakkingen waarop zij
toepassing is en andere voor het milieu minder schadelijk geachte verpakkingen, die een vrijstelling
die heffing genieten - of kunnen genieten -, teneinde die laatste voor de verbruiker aantrekkelijker te maken. Uit de parlementaire voorbereiding
de bestreden bepalingen blijkt aldus dat de doelstelling
de federale wetgever erin bestond het gedrag
de producenten en de verbruikers te wijzigen in het voordeel
het hergebruik
de verpakkingen en dus een beleid inzake leefmilieu en afvalstoffen te voeren. De bestreden maatregelen hebben dus betrekking op bevoegdheden die bij artikel 6, § 1, II, 1° en 2°,
de bijzondere wet
8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet
8 augustus 1988, aan de gewesten zijn toegewezen. Aangezien met een dergelijke belasting doelstellingen worden beoogd die de gewesten krachtens de aan hen toegewezen materiële bevoegdheden kunnen nastreven, moet de federale wetgever erover waken dat hij de uitoefening
de gewestelijke bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.14.4. Indien elk gewest afzonderlijk heffingen zou invoeren met het oog op het aanmoedigen
het op de markt brengen
voor het milieu minder schadelijk geachte producten, zou daaruit kunnen voortvloeien dat de voorwaarden waaronder die producten gecommercialiseerd kunnen worden verschillen naargelang het gewest. Dergelijke 29 maatregelen zouden het vrije verkeer
die goederen kunnen belemmeren en de concurrentie vervalsen. Zij zouden aldus ingaan tegen artikel 6, § 1, VI, derde lid,
de bijzondere wet
8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet
8 augustus 1988, dat bepaalt : « In economische aangelegenheden oefenen de Gewesten hun bevoegdheden uit met inachtneming
de beginselen
het vrije verkeer
personen, goederen, diensten en kapitalen en
de vrijheid
handel en nijverheid, alsook met inachtneming
het algemeen normatief kader
de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen ». De noodzaak een uniform kader uit te tekenen dat beantwoordt aan de economische unie inzake productheffingen die een milieudoelstelling nastreven, verantwoordt dat de federale wetgever zijn fiscale bevoegdheid gebruikt. B.14.5. De milieutaksen zijn overigens hersteld in hun statuut
uitsluitend federale heffingen, aangezien zij krachtens artikel 6
de bijzondere wet
13 juli 2001 « tot herfinanciering
de gemeenschappen en uitbreiding
de fiscale bevoegdheden
de gewesten », dat artikel 4
de bijzondere wet
16 januari 1989 betreffende de financiering
de gemeenschappen en de gewesten wijzigt, niet langer als gewestbelastingen worden beschouwd, zoals dat voortvloeide uit artikel 128
de bijzondere wet
16 juli 1993 tot vervollediging
de federale staatsstructuur. Die exclusieve bevoegdheidstoewijzing aan de federale wetgever is, zo is gesteld, « aangewezen in deze bij uitstek erg mobiele belastingcategorie » en maakt het aldus mogelijk een « ongewenste fiscale migratie » te vermijden (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1183/001, p. 16). Dezelfde overweging kan worden gemaakt voor de verpakkingsheffing, belasting waarvan de doelstelling vergelijkbaar is met die
de milieutaks, die zij overigens vervangt wat de drankverpakkingen voor eenmalig gebruik betreft. B.14.6. Het optreden
de federale wetgever zou evenwel onevenredig zijn geweest indien het ertoe zou hebben geleid dat de gewesten bevoegdheden zouden worden ontzegd die hun door of krachtens de Grondwet zijn toegewezen. 30 Dat de invoering
een belasting en
een vrijstelling daarvan tot gevolg kan hebben dat er zich een wijziging voordoet in het gedragspatroon
een belastingplichtige is een mogelijk neveneffect
elke belasting of
elke belastingverhoging of -vermindering. De verpakkingsheffing, gekoppeld aan het zogeheten stelsel
de « ecobonussen » dat daarmee samengaat, is overigens
dien aard dat zij het gedrag
de verbruikers beïnvloedt volgens opties die de wetgever op het gebied
leefmilieu en afvalstoffen neemt. De weerslag
de bestreden maatregelen op het beleid inzake leefmilieu en afvalstoffen valt dus samen met de ratio legis ervan. De keuze
de federale wetgever om sommige vormen
drankverpakkingen, met name de herbruikbare verpakkingen, te bevoordelen door middel
fiscale maatregelen, belet de gewesten niet hun beleid inzake leefmilieu en afvalstoffen voort te zetten met andere middelen. Het blijkt overigens niet dat de door de federale wetgever genomen beleidsoptie de door de gewesten genomen beleidsopties doorkruist. De inspanningen die zij leveren om te komen tot een hoge graad
nuttige toepassing
niet-herbruikbare verpakkingen lijken veeleer complementair te zijn aan de federale beleidsoptie om hergebruik aan te moedigen, dan daarmee tegenstrijdig te zijn. Het blijkt derhalve niet dat de bestreden maatregelen de bevoegdheid
de gewesten op onevenredige wijze aantasten. B.14.7. Het middel is niet gegrond. Ten aanzien
de mogelijkheid voor de Koning om de tarieven
de accijnzen,
de B.T.W. en
de verpakkingsheffing aan te passen B.15.1. Artikel 401bis
de gewone wet
16 juli 1993, ingevoegd bij artikel 31
de bestreden wet
31 december 2002, bepaalt in het eerste lid ervan dat de Minister
Financiën de economische, milieu- en budgettaire gevolgen evalueert
de tarieven
de accijnzen,
de B.T.W. en
de verpakkingsheffing en het tweede lid
dat artikel maakt 31 het de Koning mogelijk om bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit dat door de wet moet worden bekrachtigd, die tarieven aan te passen. B.15.2. Het eerste middel in de zaak nr. 2746 is afgeleid uit de schending
de artikelen 10 en 11
de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen
de rechtszekerheid en de voorzienbaarheid
de belasting. Door het de Koning mogelijk te maken de belastingtarieven aan te passen, zou de bestreden bepaling motieven in verband met de budgettaire stabiliteit laten primeren op de milieudoelstelling en zou zij de drankproducenten aan een onzeker belastingstelsel onderwerpen, aangezien dat stelsel afhankelijk is
het gedrag
de andere producenten. B.15.3. Het derde middel in de zaak nr. 2746, afgeleid uit de schending
de artikelen 10, 11, 170 en 172, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 105,
de Grondwet, en, voor zover zij niet zonder voorwerp zijn geworden, het eerste middel in de zaak nr. 2766 en het eerste middel in de zaak nr. 2794, afgeleid uit de schending
de artikelen 170 en 172
de Grondwet en
de gelijkheid onder belastingplichtigen vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet, zijn gericht tegen die delegatie aan de Koning
de bevoegdheid om een aangelegenheid die de Grondwet aan de wet voorbehoudt, te wijzigen. De bestreden maatregel zou aldus een verschil in behandeling invoeren tussen de belastingplichtigen die de gewaarborgde wettigheid
de belasting genieten en diegenen die deze grondwettelijke waarborg worden ontzegd : de voorwaarden voor een delegatie aan de Koning, door middel
zogeheten « bijzonderemachtenwetten »,
de uitoefening
de wetgevende functie in aangelegenheden die de Grondwet aan de wet voorbehoudt, zouden immers te dezen niet zijn vervuld. B.16.1. Door de beslissing om een belasting in te voeren en om de essentiële elementen daarvan vast te stellen, aan de democratisch verkozen beraadslagende vergaderingen voor te behouden, vormt artikel 170
de Grondwet een essentiële waarborg die in beginsel niet zonder verantwoording aan bepaalde burgers kan worden ontzegd. Sinds de bijzondere wet
9 maart 2003 tot wijziging
de bijzondere wet
6 januari 1989 op het Arbitragehof is het Hof bevoegd om toe te zien op de naleving
het beginsel
32 de wettigheid
de belasting, gewaarborgd bij artikel 170
de Grondwet, zonder dat het in samenhang dient te worden gelezen met het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet. B.16.2. Zoals in B.14.2 is opgemerkt, is de verpakkingsheffing een belasting, die de waarborgen
artikel 170
de Grondwet moet genieten. Het bedrag
de belasting vormt een essentieel element
een belasting. Door de Koning toe te staan de tarieven
de accijnzen,
de B.T.W. en
de verpakkingsheffing aan te passen, bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit dat bij een wet moet worden bekrachtigd, draagt de bestreden bepaling aan de uitvoerende macht de bevoegdheid over om een essentieel element
de belasting vast te stellen. B.16.3. Aangezien de fiscale aangelegenheid een bevoegdheid is die bij de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden, is elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen
één
de essentiële elementen
de belasting in beginsel ongrondwettig. Wanneer de wetgever zich evenwel in de onmogelijkheid bevindt om zelf alle essentiële elementen
een belasting vast te stellen omdat de inachtneming
de parlementaire procedure hem niet in staat zou stellen om een doelstelling
algemeen belang te verwezenlijken, kan worden aanvaard dat hij de Koning ertoe machtigt om zulks te doen, op voorwaarde dat hij het onderwerp
die machtiging uitdrukkelijk en ondubbelzinnig vaststelt en dat de door de Koning genomen maatregelen door de wetgevende macht worden onderzocht binnen een relatief korte termijn, vastgesteld in de machtigingswet, en dat de aangenomen besluiten bij ontstentenis
bekrachtiging geen uitwerking hebben. B.16.4. Teneinde een « negatieve invloed […] op de federale openbare financiën » te voorkomen (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1912/001, p. 28), maakt de bestreden bepaling het mogelijk dat de Koning de tarieven
de accijnzen,
de B.T.W. en
de verpakkingsheffing aanpast « indien de Minister
Financiën zou vaststellen dat de nieuwe toegepaste tarieven een negatieve invloed zouden hebben op de Rijksmiddelenbegroting » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1912/001, p. 33). 33 Het door die bepaling nagestreefde doel
budgettaire stabiliteit vereist weliswaar een zekere spoed om die tarieven aan te passen, maar de bestaande verschillen tussen de procedures voor de aanneming
de wettelijke normen en de reglementaire normen volstaan op zich niet om te verantwoorden dat een aangelegenheid die de Grondwet aan de wet voorbehoudt, aan de uitvoerende macht wordt overgedragen. Bovendien wordt die machtiging toegekend zonder beperking in de tijd, zonder vermelding
uitzonderlijke omstandigheden die de uitoefening
die bevoegdheid door de Koning zouden vereisen en zonder dat wordt voorzien in een termijn voor de wettelijke bekrachtiging, zodat eventueel niet-bekrachtigde besluiten bij ontstentenis
bekrachtiging hun uitwerking zouden kunnen behouden. B.16.5. In zoverre zij de schending
artikel 170
de Grondwet aanvoeren, zijn de middelen gegrond. In het artikel 401bis
de gewone wet
16 juli 1993, zoals ingevoegd bij artikel 31
de wet
30 december 2002, dient derhalve het tweede lid te worden vernietigd. Dat lid luidt als volgt : « Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dat door de wet moet worden bekrachtigd, kan de Koning [d]e in het eerste lid bedoelde tarieven aanpassen. » B.16.6. De andere grieven dienen niet te worden onderzocht, aangezien zij niet tot een ruimere vernietiging zouden kunnen leiden. Ten aanzien
het toepassingsgebied
de verpakkingsheffing B.17.1. Het zesde middel in de zaak nr. 2746, afgeleid uit de schending
de artikelen 10 en 11
de Grondwet, en het derde middel in de zaak nr. 2766 en het vierde middel in de zaak nr. 2794, afgeleid uit de schending
de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet, zijn gericht tegen de invoering
een verpakkingsheffing op uitsluitend de drankverpakkingen voor eenmalig gebruik. Door uitsluitend voor de drankverpakkingen een verpakkingsheffing in te voeren, zonder de verpakkingen
andere producten te beogen, zouden de artikelen 9, 5°, en 11
de 34 bestreden wet
30 december 2002 een discriminerende behandeling teweegbrengen tussen de drankverpakkingen en de andere verpakkingen, die zich, ten aanzien
de milieudoelstelling die de wetgever nastreeft, in een wezenlijk vergelijkbare situatie zouden bevinden. B.17.2. Het komt de wetgever toe te beoordelen of en in welke mate de zorg voor milieubescherming verantwoordt dat aan de marktdeelnemers offers worden opgelegd. Uit de aard zelf
een belasting vloeit voort dat de belastingplichtigen op wie zij
toepassing is, anders worden behandeld dan de andere belastingplichtigen. Wanneer een belasting bovendien ertoe strekt de consumptiegewoonten te wijzigen met het oog op de bescherming
het leefmilieu, heeft zij noodzakelijk tot gevolg dat de producten waarvan de wetgever wil dat zij minder worden gebruikt, anders worden behandeld. Over het feit dat andere producten waarvan de samenstelling vergelijkbaar zou zijn met die
aan de verpakkingsheffing onderworpen verpakkingen, niet aan de heffing worden onderworpen, oordeelt de wetgever. De wetgever zou echter het grondwettelijk beginsel
gelijkheid en niet-discriminatie schenden, indien hij bij het vaststellen
degenen die de verpakkingsheffing verschuldigd zijn en degenen die ervan zijn vrijgesteld of bij het onderwerpen
de belastingschuldigen aan verschillende stelsels, een willekeurig of onredelijk onderscheid zou maken. B.17.3. Door uitsluitend voor de drankverpakkingen een verpakkingsheffing op te leggen, voert de bestreden wetgeving een verschil in behandeling in dat op een objectief criterium berust, namelijk de inhoud
de verpakking. Dat criterium kon de wetgever relevant lijken, rekening houdende met de verlaging
de accijnzen op de dranken die de invoering
de verpakkingsheffing moest compenseren teneinde « budgettair neutraal [te] blijven » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1912/008, p. 5). 35 De accijnzen op de alcoholhoudende dranken zijn weliswaar door de programmawet
22 december 2003 opnieuw op hun niveau
vóór de invoering
de verpakkingsheffing gebracht, teneinde budgettair neutraal te blijven, maar die overweging kan niet tot gevolg hebben dat de heffing op de drankverpakkingen volkomen onverantwoord is, rekening houdende met de grote hoeveelheid afvalstoffen die het aanzienlijke verbruik
die bepaalde categorie
verpakkingen met zich meebrengt, en die de wetgever wilde beperken. B.17.4. Bovendien, wanneer de wetgever de drankverpakkingen aan de milieutaks heeft onderworpen, heeft hij hiervoor gekozen omdat
dat soort verpakkingen, meer dan
die voor andere producten, nog een belangrijk gedeelte wordt hergebruikt (Parl. St., Kamer, 1992- 1993, nr. 897/1, p. 80). De beperking, tot uitsluitend de drankverpakkingen,
het toepassingsgebied
de verpakkingsheffing, die de milieutaks op de drankverpakkingen vervangt, kan bijgevolg op eenzelfde wijze worden verantwoord, in het bijzonder ten aanzien
de vrijstelling
de herbruikbare verpakkingen en de door de wetgever nagestreefde milieudoelstelling om de productie
afvalstoffen te beperken. B.17.5. De middelen zijn niet gegrond. Ten aanzien
de uitsluiting
melk en melkproducten B.18.1. Krachtens artikel 119, b),
de programmawet
8 april 2003 worden melk en melkproducten niet langer beschouwd als « dranken » die onder de toepassing
de gewone wet
16 juli 1993 vallen. Artikel 120, b),
de programmawet
8 april 2003 heft bijgevolg de vrijstelling
de verpakkingsheffing op voor de verpakkingen
melk en melkproducten. B.18.2. In het vijfde middel in de zaak nr. 2746, afgeleid uit de schending
de artikelen 10, 11 en 23
de Grondwet, en het derde middel in de zaak nr. 2794, afgeleid uit de schending
het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet, wordt aangevoerd dat de uitsluiting
melk en melkproducten
het toepassingsgebied
de verpakkingsheffing leidt tot een verschil in behandeling ten nadele
de andere dranken, 36 die aan de verpakkingsheffing zijn onderworpen, met schending
het recht op de bescherming
de gezondheid. B.19.1. De keuze
de producten die aan de verpakkingsheffing zijn onderworpen en de vaststelling
de belastingschuldigen die eraan ontsnappen, ressorteren onder de beoordelingsbevoegdheid
de wetgever. Het Hof zou die keuze maar kunnen censureren indien de wetgever daarbij een willekeurig of onredelijk onderscheid zou hebben gemaakt. B.19.2. De bijzondere aard
melk en
melkproducten heeft, wat betreft de heffingen die een milieudoelstelling nastreven, steeds een onderscheiden behandeling verantwoord. Aldus zou het heffen
een milieutaks op melk voor de verbruikers problemen hebben teweeggebracht, aangezien het vervangingsproduct (melk in aan statiegeld onderworpen flessen) toen bijna niet te vinden was op de markt (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 897/17, p. 110). Vóór de opheffing ervan bij de programmawet
8 april 2003 stelde artikel 371, § 3, 1°,
de gewone wet
16 juli 1993, ingevoegd bij de bestreden wet
30 december 2002, de verpakkingen
melk en
melkproducten
de verpakkingsheffing vrij. Die totale vrijstelling werd gerechtvaardigd « door de noodzaak de volksgezondheid te beschermen » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-1912/001, p. 26), alsook, enerzijds, ermee rekening houdende dat melk een noodzakelijk voedingsmiddel is en, anderzijds, doordat het onmogelijk is de ecobonus op die producten toe te passen, vermits deze producten « momenteel niet aan accijnzen zijn onderworpen en […] de B.T.W. op die producten 6 % bedraagt » (ibid., p. 27). De programmawet
8 april 2003 zet die logica voort door de vrijstelling
de verpakkingsheffing te vervangen door een uitsluiting
het toepassingsgebied
de heffing, aangezien zij melk en melkproducten schrapt
de lijst
« dranken » in de zin
de gewone wet
16 juli 1993, zodat « elke verwijzing naar die producten [diende] te verdwijnen uit de voorwaarden tot vrijstelling, gezien ze dus niet aan de verpakkingsbijdragen onderworpen werden » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2343/007, pp. 7-8). 37 B.19.3. De in B.19.2 vermelde overwegingen die de wetgever ertoe hebben aangezet verpakkingen
melk en melkproducten vrij te stellen
de verpakkingsheffing zijn
die aard dat zij die keuze in redelijkheid verantwoorden. B.19.4. De middelen zijn niet gegrond. Ten aanzien
het onderscheid tussen de producenten
drankkartons en de producenten
papier/karton dat voor andere doeleinden wordt gebruikt B.20. Het derde onderdeel
het enig middel in de zaak nr. 2799, afgeleid uit de schending
de artikelen 10 en 11
de Grondwet, voert een discriminatie aan tussen de producenten
drankkartons, die aan de verpakkingsheffing zijn onderworpen, en de producenten
papier/karton dat voor andere doeleinden wordt gebruikt, die
hun kant aan sectorakkoorden ter aanmoediging
het gebruik
gerecycleerd papier zouden zijn onderworpen. B.21.1. Het staat aan de wetgever te beoordelen welke het meest geschikte instrument is om de doelstelling op het vlak
de bescherming
het leefmilieu te bereiken. Hij heeft uit de ervaringen opgedaan met de regeling die werd ingevoerd met de wet
16 juli 1993, en die gewijzigd werd bij de wet
10 november 1997, kunnen besluiten dat een milieutaks op papier en karton niet het meest geschikte instrument was om de recyclage
oud papier en karton aan te moedigen en dat het gebruik
andere instrumenten, zoals het gebruik
sectorale overeenkomsten als bedoeld in artikel 6
de wet
21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering
duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming
het leefmilieu en de volksgezondheid, aangewezen leek. Het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit tussen producenten
drankkartons en producenten
papier en karton berust op een objectief criterium. Niet alleen bestaan drankkartons uit diverse materialen (naast karton ook polyethyleen, aluminium en polypropyleen), de markt
de drankkartons heeft ook andere karakteristieken dan de markt
papier en karton, die in zeer uiteenlopende toepassingen worden gebruikt, wat een eenvormige maatregel bijzonder moeilijk maakt. 38 De keuze
de wetgever om niet-herbruikbare drankverpakkingen aan de verpakkingsheffing te onderwerpen en om de milieutaks op papier en karton op te heffen, kan niet worden geacht zonder verantwoording te zijn. B.21.2. Het derde onderdeel
het middel is niet gegrond. Ten aanzien
de voorwaarden voor de vrijstelling
de verpakkingsheffing B.22.1. Zoals aangegeven in B.10.4 zijn de beroepen in de zaken nrs. 2766, 2794 en 2799 gedeeltelijk zonder voorwerp geworden, gelet op de wijziging
de bestreden wet
30 december 2002 door de programmawet
22 december 2003, die met name inzake de vrijstelling
de verpakkingsheffing de voorwaarde in verband met het gebruik
een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen opheft. Om die reden zijn het vijfde middel in de zaak nr. 2766, het zesde en zevende middel in de zaak nr. 2794 en het tweede onderdeel
het enig middel in de zaak nr. 2799 zonder voorwerp geworden. Bovendien zijn het eerste middel in de zaak nr. 2766 en het eerste middel in de zaak nr. 2794 zonder voorwerp geworden, in zoverre zij zijn gericht tegen de voorwaarde voor de vrijstelling
de verpakkingsheffing die is verbonden aan het gebruik
een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen. Het Hof zal zijn onderzoek
die middelen daartoe beperken. B.22.2. Het onderzoek
het tweede en vierde middel, alsook
het zevende, achtste, negende en tiende middel in de zaak nr. 2746, in zoverre zij betrekking hebben op de vrijstelling
de verpakkingsheffing op grond
een minimumhoeveelheid gerecycleerde grondstoffen, in die zaak zal overigens worden opgeschort in afwachting
het arrest in de zaak nr. 3042, zoals is aangegeven in B.10.5. Het Hof zal zijn onderzoek
die middelen daartoe beperken. 39 Ten aanzien
de inachtneming
het gelijkheidsbeginsel, in samenhang gelezen met beginselen
intern recht B.23.1. Het zevende middel in de zaak nr. 2746, dat het Hof onderzoekt in de mate zoals vermeld in B.22.2, is afgeleid uit de schending
de artikelen 10, 11 en 23
de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen
behoorlijk bestuur,
het behoedzaam en rationeel gebruik
de natuurlijke hulpbronnen (of zuinigheidsbeginsel),
de bestrijding, bij voorrang aan de bron,
milieuaantastingen,
evenredigheid, alsook
voorzorg. Door het hergebruik
de verpakkingen te bevoordelen, zonder voorafgaande evaluatie
de kosten en
de voordelen, op het vlak
het leefmilieu,
de techniek die hij wil aanmoedigen, zou de wetgever een regeling voor de vrijstelling
de verpakkingsheffing hebben ingevoerd die niet evenredig is met het aangekondigde doel
milieubescherming, aangezien het niet bewezen is dat het hergebruik voordelen inhoudt op het vlak
het leefmilieu. B.23.2. Het vierde middel in de zaak nr. 2766 en het vijfde middel in de zaak nr. 2794, afgeleid uit de schending
het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172
de Grondwet, en het eerste on
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.