← België

ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.203

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.203 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20041221.3 Arrest- Rolnummer: 2003-2004;2676;2682 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-07-04 02:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 57, ,§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt niet de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191, van de Grondwet. Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 57, ,§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik en door het Arbeidshof te Luik. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57,§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Wet - 22-12-1999 - 14 - 39 ELI link Pub nr 1999000985 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 23 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 191 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 2676 en 2682 Arrest nr. 203/2004 van 21 december 2004 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik en door het Arbeidshof te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 18 maart 2003 in zake F. Gyebi tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Luik en de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 26 maart 2003, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996 en bij de arresten die het Arbitragehof op 22 april 1998, 21 oktober 1998 en 30 juni 1999 heeft gewezen, al dan niet de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de Belgische Grondwet, in zoverre het in die zin zou worden geïnterpreteerd dat het een verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, de vreemdelingen die gevraagd hebben als vluchteling te worden erkend, wier aanvraag werd verworpen en die het bevel hebben gekregen het grondgebied te verlaten, zolang de beroepen die zij voor de Raad van State hebben ingesteld tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, genomen met toepassing van artikel 63.3 van de wet van 15 december 1980, of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet werden beslecht, en, anderzijds, de vreemdelingen die het voorwerp zijn geweest van een negatieve beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken na een aanvraag tot regularisatie op grond van de wet van 22 december 1999 en die tegen die beslissing beroep bij de Raad van State hebben ingesteld, waarbij de wet van 22 december 1999 in die zin wordt geïnterpreteerd dat gedurende het onderzoek van de aanvraag tot regularisatie, artikel 14 de toepassing van artikel 57, § 2, belet ? » b. Bij arrest van 1 april 2003 in zake het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Welkenraedt tegen M. Islami, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 4 april 2003, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, in samenhang gelezen met artikel 14 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, beide in die zin geïnterpreteerd dat zij aan de vreemdeling die een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend, het recht op maatschappelijke dienstverlening toekennen, zolang de bevoegde minister over die aanvraag geen beslissing heeft genomen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, alsook eventueel met de artikelen 6 en 13 van het Verdrag van Rome van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met artikel 2, lid 3, a), van het Internationaal Verdrag van New York van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre de vreemdeling wiens aanvraag tot regularisatie werd afgewezen, geen maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend gedurende de beroepsprocedure voor de Raad van State en bijgevolg het recht op daadwerkelijke rechtshulp wordt ontzegd, terwijl de vreemdeling wiens asielaanvraag werd afgewezen en die bij de Raad van State beroep heeft ingesteld, precies op grond van het recht op daadwerkelijke rechtshulp maatschappelijke dienstverlening kan blijven genieten ? » Die zaken, ingeschreven onder de nummers 2676 en 2682 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 3 Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad; - het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Luik, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 4000 Luik, place Saint-Jacques 13; - F. Gyebi, wonende te 4000 Luik, rue Général Bertrand

  1. F. Gyebi heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 9 juni 2004 : - zijn verschenen : . Mr. R. Lecomte, advocaat bij de balie te Luik, voor F. Gyebi; . Mr. M. Delhaye, advocaat bij de balie te Luik, voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Luik; . Mr. P. Schaffner loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de rechtspleging die heeft geleid tot de zaak nr. 2676 betwist F. Gyebi de beslissing van het O.C.M.W. van Luik om de aan hem eerder toegekende maatschappelijke dienstverlening te schrappen, nadat de Minister van Binnenlandse Zaken zijn aanvraag tot regularisatie heeft verworpen; F. Gyebi heeft voor de Raad van State de schorsing en nietigverklaring van die beslissing tot verwerping gevorderd. Na te hebben gewezen op, enerzijds, de rechtspraak ter zake van het Arbitragehof en van het Hof van Cassatie en, anderzijds, de vergelijkbaarheid van de situatie van de asiel- en regularisatieaanvragers die voor de Raad van State een negatieve beslissing betreffende hun aanvraag betwisten, stelt de verwijzende rechter de eerste bovenvermelde vraag. In de rechtspleging die heeft geleid tot de zaak nr. 2682 stelt het O.C.M.W. van Welkenraedt hoger beroep in tegen een vonnis waarmee de arbeidsrechtbank heeft beslist dat M. Islami het recht had de maatschappelijke dienstverlening te blijven genieten gedurende het onderzoek van zijn aanvraag tot regularisatie, met inbegrip van de duur van het onderzoek, door de Raad van State, van het beroep tegen een beslissing tot verwerping van die aanvraag. Na in zijn motieven op beide voormelde elementen te hebben gewezen, alsook op de weerslag van het recht op daadwerkelijke rechtshulp, stelt de verwijzende rechter de tweede bovenvermelde prejudiciële vraag. 4 III. In rechte -A- Standpunt van de Ministerraad A.
  2. De Ministerraad herinnert in de eerste plaats aan de twee prejudiciële vragen en aan de voorgeschiedenis ervan, en onderstreept daarbij dat de verwijzende rechter in beide gevallen uitgaat van de interpretatie volgens welke de regularisatieaanvragers gedurende het onderzoek van hun aanvraag het recht op maatschappelijke dienstverlening genieten. A.
  3. In de memorie wordt vervolgens de draagwijdte uiteengezet die aan artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 dient te worden gegeven na het arrest nr. 43/98 van het Hof; er wordt onderstreept dat in dat arrest slechts van de vaststelling van grondwettigheid van artikel 57, § 2, is afgeweken in zoverre de bij die bepaling voorgeschreven beperking van de maatschappelijke dienstverlening van toepassing zou zijn op de asielaanvragers die voor de Raad van State een beslissing tot weigering van hun aanvraag hebben betwist; die beperking van de maatschappelijke dienstverlening is daarentegen verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel, in zoverre zij van toepassing is op andere categorieën van vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven. De Ministerraad is van mening dat die interpretatie wordt bevestigd in de latere arresten nrs. 108/98, 80/99 en 57/2000 van het Hof. A.3.
  4. De Ministerraad onderzoekt vervolgens de invloed, op dat gebied, van de goedkeuring van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, alsook de arresten die het Hof naar aanleiding van die wet heeft gewezen. A.3.
  5. De Ministerraad merkt op dat de wet van 22 december 1999 haar oorsprong vindt in het koninklijk besluit van 6 oktober 1999 en betoogt dat artikel 14 van die wet - aangevoerd om gedurende de regularisatieprocedure aanspraak te maken op het recht op maatschappelijke dienstverlening -, moet worden geïnterpreteerd overeenkomstig artikel 5 van het voormelde besluit, dat bepaalde dat de aanvraag geen invloed had op de toestand van de aanvrager wat de sociale hulpverlening betreft; in de parlementaire voorbereiding zou die interpretatie uitdrukkelijk zijn bevestigd. Hieruit volgt dat artikel 14 van de wet van 22 december 1999 uitsluitend tot gevolg heeft dat de uitzetting van de vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend, verboden is, aangezien het bevel om het grondgebied te verlaten - dat weliswaar behouden blijft - echter niet is uitgevoerd. Die aanvragers vallen derhalve onder het toepassingsgebied van het voormelde artikel 57, §
  6. A.3.
  7. De Ministerraad zet vervolgens het arrest nr. 131/2001 van het Hof uiteen, waarbij hij de motieven ervan vrijwel integraal overneemt, arrest dat de grondwettigheid heeft aanvaard van de voormelde interpretatie, volgens welke artikel 57, § 2, op de regularisatieaanvragers van toepassing is; de Ministerraad merkt op dat die rechtspraak is bevestigd in de arresten nrs. 14/2002 tot 17/2002 van het Hof. A.4.
  8. De Ministerraad vervolgt dat het Hof van Cassatie die wil, die de wetgever duidelijk heeft geuit en die door de voormelde rechtspraak van het Hof is gevalideerd, echter terzijde heeft gelaten. In zijn arrest van 17 juni 2002, bevestigd door dat van 7 oktober 2002, heeft het Hof van Cassatie immers beslist dat artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 niet op de regularisatieaanvragers van toepassing was. De Ministerraad bekritiseert het motief dat het Hof van Cassatie aanvoert om de rechtspraak van het Hof niet in acht te nemen en onderstreept vervolgens dat « die beslissing van het Hof van Cassatie niet alleen overduidelijk tegengesteld is aan de wil van de wetgever, maar bovendien, door op de regularisatieaanvragers artikel 57, § 1, van de wet van 8 juli 1976 toe te passen, binnen de interne rechtsorde discriminerende situaties doet ontstaan ». De Ministerraad merkt immers op dat de andere vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven, enerzijds, en de vreemdelingen die legaal op het grondgebied verblijven, anderzijds, gediscrimineerd worden ten opzichte van de regularisatieaanvragers : ten opzichte van de regularisatieaanvragers worden de eerstgenoemden immers anders en de laatstgenoemden gelijk behandeld, in beide gevallen zonder verantwoording. A.4.
  9. Volgens de Ministerraad is de in de prejudiciële vragen gevolgde interpretatie derhalve niet alleen « tegengesteld aan de wil van de wetgever, maar tevens in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, terwijl 5 het Arbitragehof reeds heeft kunnen vaststellen dat de interpretatie volgens welke artikel 57, § 2, op die personen moest worden toegepast, niet discriminerend was ». A.4.
  10. Aangezien de prejudiciële vragen volgens de Ministerraad berusten op een onjuiste lezing van de in het geding zijnde bepalingen, zou de rechtspraak van het Hof (arresten nrs. 82/2001 en 1/2002) volgens diezelfde partij het Hof ertoe moeten brengen te oordelen dat die vragen geen antwoord behoeven. Een dergelijke oplossing zou bovendien steun vinden in het arrest nr. 17/2002 van 17 januari 2002 van het Hof : in dat arrest heeft het Hof, in B.8 ervan, immers geweigerd de hypothese van de toepassing van artikel 57, § 1, op de regularisatieaanvragers te onderzoeken, waarbij het vaststelt dat « uit wat voorafgaat en uit het voormelde arrest nr. 131/2001 volgt dat het tweede gedeelte van de prejudiciële vraag niet moet worden beantwoord ». Hetzelfde zou moeten gebeuren voor de onderhavige prejudiciële vragen « die berusten op dezelfde interpretatiefout die het Hof in zijn arrest nr. 17/2002 van 17 januari 2002 heeft vastgesteld ». Standpunt van het O.C.M.W. van Luik, verwerende partij voor de verwijzende rechter (zaak nr. 2676) A.
  11. Na te hebben herinnerd aan de feiten die tot die prejudiciële vraag aanleiding hebben gegeven en aan de in het geding zijnde bepalingen onderstreept het O.C.M.W. van Luik dat de prejudiciële vraag berust op de interpretatie volgens welke artikel 14 van de wet van 22 december 1999, tot de ministeriële beslissing met betrekking tot de aanvraag tot regularisatie, de toepassing van artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 zou verhinderen; de regularisatieaanvrager zou met andere woorden gedurende die periode de maatschappelijke dienstverlening genieten. Die interpretatie, die steunt op de rechtspraak van het Hof van Cassatie sinds zijn arrest van 17 juni 2002, zou te dezen evenwel niet van toepassing zijn, aangezien de minister, in het aan de verwijzende rechter voorgelegde geval, de aanvraag tot regularisatie heeft verworpen, waarbij die verwerping voor de Raad van State wordt betwist. Aan het Hof worden bijgevolg de verschillende situaties voorgelegd waarin de asiel- en regularisatieaanvragers die een beslissing tot weigering betwisten, worden geplaatst. In dat verband verwijst de memorie naar de verschillende arresten nrs. 43/98, 57/2000, 21/2000, 131/2001, 17/2002 en 89/2002 van het Hof, waarvan de voornaamste argumenten in de memorie worden overgenomen teneinde te besluiten tot de grondwettigheid van het voormelde verschil, betreffende artikel 57, § 2, tussen de asielaanvragers en de regularisatieaanvragers. Standpunt van F. Gyebi, verzoekende partij voor de verwijzende rechter (zaak nr. 2676) A.
  12. Na aan de feiten te hebben herinnerd, onderstreept die partij, zoals het O.C.M.W. van Luik, in haar memorie dat de prejudiciële vraag berust op de interpretatie volgens welke het voordeel van de maatschappelijke dienstverlening zou zijn gewaarborgd tot de ministeriële beslissing met betrekking tot de aanvraag tot regularisatie, maar na die beslissing zou worden geschrapt, aangezien artikel 14 van de wet van 22 december 1999 in dat geval niet langer belet dat artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli 1976 wordt toegepast. Volgens die partij « verkeert zij, wanneer de maatschappelijke dienstverlening wordt geschrapt, in een situatie van onzekerheid en wordt haar terzelfder tijd haar recht op daadwerkelijke rechtshulp in de zin van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ontzegd, aangezien men haar belet tijdens die rechtshulp te overleven, met schending van dat laatste artikel en van artikel 3 van datzelfde Verdrag ». Volgens de memorie zou die afschaffing van het recht op daadwerkelijke rechtshulp discriminerend moeten worden verklaard ten aanzien van de situatie waarin, in dat verband, de asielaanvragers worden geplaatst na het arrest nr. 43/98 van het Hof. Er wordt met name opgemerkt dat, terwijl artikel 57, § 2, is goedgekeurd « teneinde de vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven, ertoe aan te zetten het Rijk zo snel mogelijk te verlaten, de aanwezigheid van F. Gyebi op het grondgebied vereist is indien de Raad van State de negatieve beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken nietig zou verklaren, overeenkomstig de voorwaarden die de wet van 22 december 1999 aan de regularisatieprocedure verbindt ». A.
  13. In zijn tweede memorie antwoordt F. Gyebi achtereenvolgens op de argumentatie van het O.C.M.W. van Luik en op die van de Ministerraad. A.8.
  14. In verband met de argumentatie van het O.C.M.W. van Luik onderstreept F. Gyebi in de eerste plaats dat de situatie van beide met elkaar vergeleken categorieën van vreemdelingen volkomen vergelijkbaar is, ten 6 aanzien van zowel de ingestelde beroepen, als het rechtscollege waar de zaken aanhangig zijn gemaakt, of nog, hun verblijfssituatie. Voor beide gelden overigens dezelfde internationale verplichtingen, namelijk die welke voorzien in het recht op daadwerkelijke rechtshulp. Ten slotte zou het onjuist zijn om uit te sluiten dat er, onder de regularisatieaanvragers, vreemdelingen zijn voor wie de terugkeer naar het land van herkomst een gevaar kan inhouden. A.8.
  15. In verband met de verwijzing naar de in A.5 genoemde arresten van het Hof wordt gesteld dat « de categorieën van vreemdelingen bedoeld in de in die zaken aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen volkomen verschillend zijn van die welke in de onderhavige zaak in het geding zijn ». De arresten nrs. 131/2001 en 17/2002 verwijzen overigens naar een interpretatie die verschilt van die welke te dezen wordt aangevoerd en dateren van vóór de arresten van het Hof van Cassatie van juni en oktober 2002, zodat de verwijzing ernaar niet relevant zou zijn. A.9.
  16. In antwoord op de memorie van de Ministerraad betwist F. Gyebi in de eerste plaats de lezing van het arrest nr. 43/98 en de algemene vaststelling van grondwettigheid van artikel 57, § 2, waartoe het Hof zou hebben besloten; zowel het arrest nr. 80/99 als het feit dat de wet van 22 december 1999 dateert van na het arrest nr. 43/98 zouden een dergelijke lezing tegenspreken. In verband met de verwijzing naar het arrest nr. 51/94 wordt in de memorie gesteld dat het aanzetten tot het verlaten van het grondgebied, waartoe artikel 57, § 2, zou strekken, niet langer als onevenredig zou kunnen worden beschouwd, in zoverre de aanvrager, indien de Raad van State de weigering van een aanvraag tot regularisatie nietig verklaart, zou moeten voldoen aan verschillende procedureverplichtingen waarin de wet van 22 december 1999 voorziet, waaronder verplichtingen tot verschijning, waaraan per definitie niet zou kunnen worden voldaan indien hij het grondgebied zou hebben verlaten. In verband met de verwijzing naar het arrest nr. 108/98 zou het dictum ervan in zijn geheel de beperkende draagwijdte die de Ministerraad aan het arrest nr. 43/98 van het Hof wil geven, tegenspreken. A.9.
  17. In verband met de wijze waarop het Hof rekening zou moeten houden met de rechtspraak van het Hof van Cassatie waarop de verwijzende rechter steunt, voert F. Gyebi aan dat « het niet tot de bevoegdheden van het Arbitragehof behoort, zoals de wetgever die heeft vastgelegd, een arrest van het Hof van Cassatie af te keuren, noch zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een bepaling van intern recht met een norm van internationaal recht. Het staat evenwel aan het Arbitragehof na te gaan of de in het geding zijnde bepaling niet discriminerend is, in zoverre zij, ten koste van een categorie van personen, afbreuk zou doen aan sommige fundamentele rechten en met name het recht op maatschappelijke dienstverlening en het recht op de daadwerkelijke uitoefening van een jurisdictioneel beroep. De verwijzende rechters hebben het Arbitragehof aldus eveneens gevraagd de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang te lezen met onder meer artikel 23 van de Belgische Grondwet en artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ». A.9.
  18. Ten slotte zou niet kunnen worden beschouwd dat het Hof van Cassatie, door zijn voormelde rechtspraak, artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, namelijk het gezag van gewijsde van de arresten van het Hof, heeft geschonden. Het Hof van Cassatie zou het Hof in het verleden immers alleen hebben ondervraagd over een mogelijke interpretatie van artikel 57, § 2, van de wet van 8 juli
  19. A.9.
  20. In de memorie van antwoord wordt ten slotte gesteld dat de discriminaties die de Ministerraad ziet in het feit dat artikel 57, § 2, niet op de regularisatieaanvragers toepasbaar is, niet kunnen worden aanvaard. De gelijke behandeling tussen de laatstgenoemden en de vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven, zou geen zin hebben, aangezien « een van die categorieën van vreemdelingen enigerlei nadeel zou moeten kunnen aanvoeren, opdat van discriminatie sprake kan zijn ». Ten aanzien van de discriminatie die zou bestaan binnen de categorie van de vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven - tussen diegenen die een asielaanvraag hebben ingediend en de anderen -, wordt in de memorie gesteld dat het gaat om een uit de lucht gegrepen hypothetische discriminatie, die steunt op de toetsing van de letter van artikel 57, § 2, aan een hypothese waarin die bepaling wordt toegepast. Er zouden bijgevolg « in die ongerijmde hypothese geen twee concrete specifieke categorieën van vreemdelingen zijn en het is bijgevolg onmogelijk daaruit enigerlei discriminatie af te leiden ». 7 -B- De in het geding zijnde bepalingen B.1.
  21. Volgens artikel 57, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de O.C.M.W.-wet) heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. De dienstverlening is niet noodzakelijk geldelijk, doch kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn. B.1.
  22. Artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet bepaalt dat in afwijking van de andere bepalingen van die wet, de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt is tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden. Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, verblijft volgens diezelfde bepaling illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend. De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten. Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft; deze termijn mag in geen geval een maand overschrijden. 8 B.1.
  23. De prejudiciële vragen hebben alle betrekking op personen die een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend op grond van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. B.1.
  24. Artikel 2 van die wet bepaalt : « Onverminderd de toepassing van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is deze wet van toepassing op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag : 1° hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar; deze termijn wordt teruggebracht tot drie jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in België verbleven op 1 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om naar school te gaan; 2° hetzij om redenen onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze vóór hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar hun land van herkomst, noch naar het land waarvan ze de nationaliteit hebben; 3° hetzij ernstig ziek zijn; 4° hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land hebben ontwikkeld. » B.1.
  25. Artikel 14 van de wet van 22 december 1999 bepaalt : « Behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale veiligheid, of tenzij de aanvraag kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9, zal er niet feitelijk worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen met toepassing van artikel
  26. » Ten gronde B.
  27. De verwijzende rechters vragen het Hof of artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere grondwetsbepalingen of bepalingen van internationaal recht, in zoverre het in die zin zou worden geïnterpreteerd dat het een verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, de 9 vreemdelingen die gevraagd hebben als vluchteling te worden erkend, wier aanvraag werd verworpen en die het bevel hebben gekregen het grondgebied te verlaten, zolang de beroepen die zij voor de Raad van State hebben ingesteld tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, genomen met toepassing van artikel 63.3 van de wet van 15 december 1980, of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet werden beslecht, en, anderzijds, de vreemdelingen die het voorwerp zijn geweest van een negatieve beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken na een aanvraag tot regularisatie te hebben ingediend op grond van de wet van 22 december 1999 en die tegen die beslissing beroep bij de Raad van State hebben ingesteld, waarbij de wet van 22 december 1999 in die zin wordt geïnterpreteerd dat gedurende het onderzoek van de aanvraag tot regularisatie, artikel 14 van die wet de toepassing van artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet belet. B.3.
  28. De Ministerraad betwist de interpretatie dat de vreemdelingen die op grond van de wet van 22 december 1999 een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend, recht zouden hebben op volledige maatschappelijke dienstverlening tijdens de procedure tot onderzoek van hun aanvraag. Die interpretatie druist volgens de Ministerraad in tegen de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever. B.3.
  29. In beginsel gaat het Hof bij de beantwoording van prejudiciële vragen uit van de ter toetsing voorgelegde norm in de interpretatie van de verwijzende rechter. In casu echter heeft het Hof reeds eerder uitspraak gedaan over de in het geding zijnde bepalingen, zo geïnterpreteerd dat, tijdens de procedure tot onderzoek van hun aanvraag, de maatschappelijke dienstverlening aan regularisatieaanvragers die hierop op andere gronden geen recht hebben, wordt beperkt tot dringende medische hulp. B.4.
  30. In de arresten nrs. 106/2000 en 32/2001 heeft het Hof uitspraak gedaan over een vordering tot schorsing en een beroep tot vernietiging van artikel 14 van de wet van 22 december
  31. Volgens de verzoekende partij in die zaak had de wetgever die bepaling moeten aanvullen met een bepaling volgens welke de betrokken vreemdeling niet valt onder de toepassing van artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet. Door niet een dergelijke bepaling toe te 10 voegen, zou de wetgever volgens de verzoekende partij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben geschonden. B.4.
  32. In het arrest nr. 106/2000 heeft het Hof overwogen : « In dezelfde parlementaire voorbereiding rees de vraag of de personen die een aanvraag tot regularisatie indienen recht hebben op maatschappelijke bijstand. De zienswijze dat de aanvraag tot regularisatie de rechtspositie van de aanvrager niet wijzigt en hem bijgevolg geen recht op maatschappelijke bijstand geeft, werd in de parlementaire voorbereiding meermaals bevestigd (Parl. St., Kamer, 1999-2000, Verslag, doc 50, 0234/005, p. 60; Hand., Kamer, 1999-2000, 24 november 1999, HA 50 plen. 017, pp. 7, 8, 18 en 31-32; Parl. St., Senaat, 1999-2000, verslag, nr. 2-202/3, p. 23). » (overweging B.4.2) In het arrest nr. 32/2001 heeft het Hof overwogen : « In dezelfde parlementaire voorbereiding rees de vraag of de personen die een aanvraag tot regularisatie indienen recht hebben op maatschappelijke dienstverlening. De zienswijze dat een aanvraag tot regularisatie geen recht op maatschappelijke dienstverlening geeft, werd in de parlementaire voorbereiding meermaals uitgedrukt, zonder het voorwerp uit te maken van een wetsbepaling (Parl. St., Kamer, 1999-2000, verslag, doc. 50, 0234/005, p. 60; Hand., Kamer, 1999-2000, 24 november 1999, HA 50 plen 017, pp. 7, 8, 18 en 31-32; Parl. St., Senaat, 1999-2000, verslag, nr. 2-202/3, p. 23). » (overweging B.3.2) In beide arresten besloot het Hof : « In zoverre de verzoekende partij de wetgever verwijt dat hij aan artikel 14 van de wet van 22 december 1999 geen bepaling tot wijziging of tot aanvulling van het voormelde artikel 57, § 2, heeft ingevoegd, vraagt zij aan het Hof te oordelen over een weigering van de wetgever om een norm te wijzigen die een ander onderwerp heeft dan die van de bestreden norm. » (arrest nr. 106/2000, B.6, en arrest nr. 32/2001, B.5) B.5.
  33. In de arresten nrs. 131/2001, 14/2002, 15/2002, 16/2002 en 17/2002 heeft het Hof uitspraak gedaan over een reeks prejudiciële vragen betreffende de grondwettigheid van artikel 57 van de O.C.M.W.-wet, door de verwijzende rechters voorgelegd in de interpretatie dat die bepaling aan de regularisatieaanvragers tijdens de procedure tot onderzoek van hun aanvraag, geen volledige maatschappelijke dienstverlening verleent, doch enkel dringende medische hulp. 11 B.5.
  34. In de lijn van de arresten nrs. 106/2000 en 32/2001 heeft het Hof vastgesteld dat de door de verwijzende rechters voorgelegde interpretatie steun vond in de tekst en in de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december
  35. Het Hof heeft beslist dat artikel 57 van de O.C.M.W.-wet, zo geïnterpreteerd dat, tijdens de procedure tot onderzoek van hun aanvraag, de maatschappelijke dienstverlening aan regularisatieaanvragers die hierop op andere gronden geen recht hebben, wordt beperkt tot dringende medische hulp, niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.6.
  36. De wet van 22 december 1999 bepaalt niets betreffende de maatschappelijke dienstverlening aan de regularisatieaanvragers. Artikel 57 van de O.C.M.W.-wet maakt inzake maatschappelijke dienstverlening een onderscheid tussen vreemdelingen naargelang zij al dan niet legaal op het grondgebied verblijven. Sinds de wet van 30 december 1992 verduidelijkt artikel 57, § 2, dat de maatschappelijke dienstverlening aan illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen wordt beperkt tot dringende medische hulp. Die maatregel strekt ertoe de wetgeving betreffende het verblijfsstatuut van de vreemdelingen en diegene betreffende de maatschappelijke dienstverlening beter op elkaar af te stemmen. B.6.
  37. In zijn advies omtrent het ontwerp van wet dat heeft geleid tot de wet van 22 december 1999 heeft de Raad van State de vraag gesteld of artikel 14 van de wet van 22 december 1999, dat bepaalt dat in beginsel tijdens de regularisatieprocedure niet feitelijk zal worden overgegaan tot verwijdering van het grondgebied, niet gepaard moest gaan met een afwijking van artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet, die zou gelden voor de duur van de regularisatieprocedure en die het mogelijk zou maken aan de betrokken vreemdelingen het recht op maatschappelijke dienstverlening te verlenen. De Raad van State ging derhalve ervan uit dat het illegaal karakter van hun verblijf behouden bleef, zo niet was de vraag niet nuttig. B.6.
  38. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet antwoordt de Regering daarop : « Om tegemoet te komen aan de bemerkingen van de Raad van State dient gepreciseerd te worden dat deze wet niet de bedoeling heeft het recht op sociale uitkeringen te doen ontstaan voor wie er anders geen zou hebben. Er wordt enkel een uitzonderlijke mogelijkheid in het leven geroepen om een wettig verblijf te verkrijgen. Het louter indienen van een verzoek daartoe opent geen recht op maatschappelijke dienstverlening en houdt dan ook geen discriminatie in ten aanzien van mensen die wettig in België verblijven en schendt derhalve 12 het gelijkheidsbeginsel van artikel 10 van de Grondwet niet. » (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0234/001, p. 5) B.6.
  39. In de parlementaire voorbereiding wordt daarna meermaals beklemtoond dat een aanvraag tot regularisatie niet de juridische verblijfsstatus van de betrokkenen wijzigt en als dusdanig geen recht op maatschappelijke dienstverlening doet ontstaan. Artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet werd daarom ongewijzigd behouden (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0234/001, p. 5, en DOC 50-0234/005, p. 60; Hand., Kamer, 1999-2000, 24 november 1999, HA 50 plen. 017, pp. 7, 8, 18, 31 en 32; Parl. St., Senaat, 1999-2000, nr. 2-202/3, p. 23). B.6.
  40. Uit de parlementaire voorbereiding van dezelfde wet blijkt dat werd gestreefd naar een evenwicht tussen, enerzijds, de bekommernis om een humane en definitieve oplossing te vinden voor een grote groep vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verbleven en, anderzijds, de bekommernis te waken over de beheersbaarheid van de aanvragen met het oog op het welslagen van die grootschalige operatie (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0234/001, pp. 3-10, en DOC 50-0234/005, pp. 5-16). B.6.
  41. De wetgever heeft niet gekozen voor een automatische regularisatie, doch wel voor een procedure waarbij van geval tot geval wordt onderzocht of aan de door de wet gestelde vereisten is voldaan. Door niet erin te voorzien dat het indienen van een regularisatieaanvraag op zich een recht op maatschappelijke dienstverlening zou doen ontstaan, heeft de wetgever de financiële aantrekkingskracht van de regularisatieaanvraag willen voorkomen om onterechte aanvragen, ingediend met de enkele bedoeling maatschappelijke dienstverlening te verkrijgen, te weren en om bijkomende illegale immigratie tegen te gaan (zie : Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0234/001, p. 10, en DOC 50-0234/005, pp. 13, 60 en 65; Hand., Kamer, 1999-2000, 24 november 1999, HA 50 plen. 017, pp. 31 en 32; Parl. St., Senaat, 1999-2000, nr. 2-202/3, pp. 4 en 6). B.7.
  42. Volgens artikel 14 van de wet van 22 december 1999 zal, behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale veiligheid, of tenzij de aanvraag kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9, er niet feitelijk worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de 13 aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen met toepassing van artikel
  43. B.7.
  44. In de parlementaire voorbereiding van voormeld artikel 14 wordt de draagwijdte van die bepaling als volgt toegelicht : « Dit artikel bekrachtigt het principe volgens hetwelk er niet zal worden overgegaan tot een effectieve verwijdering van de aanvragers tijdens de onderzoeksperiode van hun aanvraag. M.a.w. wanneer een verwijderingsmaatregel beslist werd, blijft deze bestaan maar er wordt over gewaakt dat deze materieel niet wordt uitgevoerd tot op de dag van de eventuele negatieve beslissing. » (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0234/001, p. 18) B.7.
  45. Artikel 14 van de wet van 22 december 1999 heeft tot gevolg dat de vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend, gedurende die procedure op het grondgebied worden gedoogd, zonder aan diegenen onder hen die illegaal op het grondgebied verblijven een verblijfsvergunning te verlenen. Indien voorheen aan de betrokkenen het bevel was gegeven het grondgebied te verlaten, blijft dat bevel gelden, ook al wordt niet effectief tot gedwongen uitvoering overgegaan (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0234/001, p. 18). B.7.
  46. Het ware niet redelijk geweest illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen, die vaak clandestien op het grondgebied verblijven, uit te nodigen om zich bekend te maken door een regularisatieaanvraag in te dienen, zonder hun de waarborg te geven dat zij niet « feitelijk » zouden worden verwijderd. Het is echter al evenmin redelijk te stellen dat het verlenen van die waarborg grondwettelijk slechts mogelijk zou zijn, indien het gepaard zou gaan met het verlenen van een recht op maatschappelijke dienstverlening, ook al is niet uitgemaakt dat zij aan de voorwaarden voor regularisatie voldoen. Om in aanmerking te komen voor regularisatie op grond van de wet van 22 december 1999 dient de vreemdeling trouwens in de meeste gevallen reeds geruime tijd op het grondgebied te hebben verbleven, zonder ook toen recht te hebben gehad op andere maatschappelijke dienstverlening dan dringende medische hulp. 14 De wetgever heeft derhalve aan artikel 14 niet het verlenen van maatschappelijke dienstverlening willen verbinden en heeft daarom artikel 57 van de O.C.M.W.-wet niet gewijzigd. B.8.
  47. De bedoeling van de wetgever om hangende de procedure geen O.C.M.W.-steun te verlenen, werd na de totstandkoming van de voormelde wet van 22 december 1999 opnieuw uitdrukkelijk bevestigd door de Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie : « De regularisatieaanvraag verandert in beginsel niets aan het recht op maatschappelijke dienstverlening. […] Het feit dat de regularisatie wordt aangevraagd, geeft evenmin recht op maatschappelijke dienstverlening. » (Hand., Kamer, 1999-2000, 23 maart 2000, HA 50 plen. 049, p. 12) (eigen vertaling) B.8.
  48. Hetzelfde standpunt werd ingenomen door de Minister van Binnenlandse Zaken : « Die wet is duidelijk. Ik herinner eraan dat de mogelijkheid tot regularisatie een gunst vanwege de Staat is : de regularisatieaanvraag wijzigt op zich niet de rechtstoestand van de regularisatieaanvragers op het vlak van maatschappelijke dienstverlening. Zodra zij geregulariseerd zullen zijn, zullen zij vanzelfsprekend volledige maatschappelijke dienstverlening krijgen. Dat is de wet en die moet worden toegepast. Ik kan daaraan niets toevoegen. » (Hand., Kamer, 1999-2000, 6 april 2000, HA 50 plen. 051, p. 19) (eigen vertaling) B.
  49. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de interpretatie dat, tijdens de procedure tot onderzoek van de aanvraag, de maatschappelijke dienstverlening aan regularisatieaanvragers die hierop op andere gronden geen recht hebben, wordt beperkt tot dringende medische hulp, steunt op de ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 57 van de O.C.M.W.-wet, dat ter zake in geen uitzondering voor die categorie van vreemdelingen voorziet en bevestigd wordt door een eenduidige parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december
  50. B.
  51. De verwijzende rechters leggen echter artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet voor in de interpretatie volgens welke die bepaling niet van toepassing is op een vreemdeling die tijdens de procedure tot onderzoek van zijn aanvraag tot regularisatie niet feitelijk van het grondgebied zal worden verwijderd op grond van artikel 14 van de wet van 22 december
  52. 15 B.11.
  53. Te dien aanzien dient te worden opgemerkt dat artikel 57 van de O.C.M.W.-wet inzake maatschappelijke dienstverlening een onderscheid maakt tussen vreemdelingen naargelang zij al dan niet legaal op het grondgebied verblijven. B.11.
  54. Het komt de wetgever toe een beleid betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te voeren en daaromtrent, met inachtneming van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, in de nodige maatregelen te voorzien die betrekking hebben op onder meer het vaststellen van de voorwaarden volgens welke het verblijf van een vreemdeling al dan niet wettig is. B.11.
  55. Hoewel in de interpretatie van de verwijzende rechters artikel 14 van de wet van 22 december 1999 de toepassing verhindert van artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet, kan uit die interpretatie niet worden afgeleid dat de betrokken vreemdelingen niet illegaal op het grondgebied zouden verblijven. Niet alleen heeft de wetgever bij de totstandkoming van de wet van 22 december 1999 uitdrukkelijk gesteld dat de aanvraag tot regularisatie niet de verblijfsstatus van de betrokken personen wijzigt (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0234/005, p. 60, en Parl. St., Senaat, 1999-2000, nr. 2-202/3, pp. 36 en 58), maar de regularisatie is juist bedoeld om de betrokkenen een wettig verblijfsstatuut te geven indien zij beantwoorden aan de door de wet gestelde vereisten, zodat niet staande kan worden gehouden dat ze reeds vooraleer over hun aanvraag is beslist legaal zouden zijn. B.11.
  56. De wetgever heeft immers niet gekozen voor een automatische regularisatie, doch wel voor een procedure waarbij van geval tot geval wordt onderzocht of aan de door de wet gestelde vereisten is voldaan. Pas wanneer de aanvraag grondig is onderzocht, zal blijken of de betrokken vreemdeling voor regularisatie in aanmerking komt en dus een wettige verblijfsstatus kan verwerven. B.11.
  57. De beperking van de maatschappelijke dienstverlening tot dringende medische hulp is niet alleen gemotiveerd door het oogmerk de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen ertoe aan te sporen het grondgebied te verlaten, maar ook door het feit dat de Staat niet dezelfde verplichtingen op zich dient te nemen ten aanzien van de noden van wie illegaal op het grondgebied verblijft als ten aanzien van wie er op wettige wijze verblijft. 16 B.12.
  58. De interpretatie voorgelegd door de verwijzende rechters, dat artikel 14 niet alleen tot gevolg zou hebben dat de betrokkenen tijdens het onderzoek van hun aanvraag niet feitelijk van het grondgebied kunnen worden verwijderd maar bovendien ook tot gevolg zou hebben dat de regularisatieaanvragers recht krijgen op volledige maatschappelijke dienstverlening, impliceert dat, zonder een uitdrukkelijke wettelijke bepaling, voor één categorie van vreemdelingen wordt afgeweken van de basisbeginselen vervat in artikel 57 van de O.C.M.W.-wet, dat het verlenen van volledige O.C.M.W.-hulp verbindt aan het hebben van een legaal verblijfsstatuut of aan het zich bevinden in een voor de bevoegde instanties hangende asielprocedure en dat aan personen die illegaal op het grondgebied verblijven, enkel dringende medische hulp waarborgt. B.12.
  59. In die interpretatie wordt onder de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen een onderscheid gemaakt tussen de vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend, voor wie volgens de prejudiciële vragen het voormelde artikel 14 de toepassing van artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet zou verhinderen, en de andere illegale vreemdelingen, voor wie die in dat artikel besloten beperking onverkort geldt. In die interpretatie volstaat het louter indienen van een aanvraag tot regularisatie op basis van de wet van 22 december 1999 om volledige maatschappelijke dienstverlening te verkrijgen, ook al bevinden de betrokkenen zich niet in de voorwaarden om voor regularisatie in aanmerking te komen. B.13.
  60. Bij de beoordeling van het al dan niet gerechtvaardigd karakter van de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie van de verwijzende rechters dient voor ogen te worden gehouden dat inzake maatschappelijke dienstverlening, binnen de groep van regularisatieaanvragers, een onderscheid moet worden gemaakt. Sommige regularisatieaanvragers genoten op basis van andere juridische gronden reeds maatschappelijke dienstverlening vóór de totstandkoming van de wet van 22 december 1999 en behouden dat recht tijdens de procedure. De uitbreiding van de maatschappelijke dienstverlening die het gevolg is van de interpretatie van de verwijzende rechters heeft dus enkel betrekking op regularisatieaanvragers die zich niet hebben gedragen overeenkomstig de bestaande verblijfsreglementering en zich door hun eigen toedoen in een onwettige verblijfssituatie bevinden, hetzij doordat zij zich zonder toestemming toegang tot het grondgebied hadden verschaft en in de clandestiniteit waren gebleven, hetzij doordat zij op het grondgebied verblijven na het verstrijken van de periode waarvoor zij de vereiste 17 toestemming hadden verkregen, hetzij doordat zij, na een asielaanvraag te hebben ingediend, uitgeprocedeerd waren en geen gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten. B.13.
  61. Aannemen dat louter door het indienen van een regularisatieaanvraag, zonder dat is uitgemaakt of de betrokkene effectief voor regularisatie in aanmerking komt, een recht ontstaat op maatschappelijke dienstverlening, houdt in dat ook personen die weten dat zij in geen enkel opzicht voor regularisatie in aanmerking kunnen komen, te kwader trouw een aanvraag zouden kunnen indienen, waarvan het gevolg zou zijn dat ze een recht zouden krijgen op volledige maatschappelijke dienstverlening. In die interpretatie zouden de betrokken vreemdelingen ten onrechte worden bevoordeeld ten aanzien van de illegale vreemdelingen die, omdat zij meenden niet voor regularisatie in aanmerking te komen, geen aanvraag hebben ingediend, voor wie artikel 14 van de wet van 22 december 1999 niet verhindert dat zij van het grondgebied kunnen worden verwijderd en ten aanzien van wie niet wordt betwist dat ze geen recht hebben op volledige maatschappelijke dienstverlening. B.13.
  62. Zoals het Hof in het arrest nr. 131/2001 heeft gesteld, is de situatie van regularisatieaanvragers objectief verschillend van de situatie van degenen die, vóór de totstandkoming van de wet van 22 december 1999, op grond van de daartoe geëigende procedures, een wettige verblijfsstatus hadden verkregen of voor de bevoegde instanties nog een asielaanvraag hangende hadden. Gelet op dat verschil, is er in de gegeven omstandigheden geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voorhanden om die categorieën op dezelfde wijze te behandelen bij het verlenen van maatschappelijke dienstverlening en zonder een daartoe strekkende wettelijke bepaling af te wijken van de beginselen die aan de basis liggen van artikel 57 van de O.C.M.W.-wet. B.13.
  63. Ten slotte zou artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet in de voorgelegde interpretatie ook een niet-gerechtvaardigd onderscheid in behandeling instellen tussen regularisatieaanvragers en kandidaat-vluchtelingen, nu aan de eerste categorie tijdens het onderzoek van hun aanvraag geldelijke dienstverlening zou kunnen worden verstrekt, terwijl de maatschappelijke dienstverlening aan de tweede categorie overeenkomstig artikel 57ter van die wet, ingevoegd bij de wet van 2 januari 2001, beperkt wordt tot dienstverlening in 18 natura in een opvangcentrum waar de betrokkenen verplicht zijn ingeschreven, alhoewel zij, in tegenstelling tot de eerste categorie, de bescherming genieten die wordt geboden door het Internationaal Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. B.13.
  64. In zijn arrest nr. 32/2001, waarmee het beroep tegen artikel 14 van de wet van 22 december 1999 werd verworpen, heeft het Hof overigens impliciet maar zeker geoordeeld dat dat artikel het voormelde artikel 57, § 2, niet had gewijzigd. B.13.
  65. Krachtens artikel 9, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 kan het Hof bijgevolg geen rekening houden met de interpretatie die aan het Hof wordt voorgelegd, nu zij onbestaanbaar is met wat het Hof in het arrest nr. 32/2001 heeft geoordeeld. B.
  66. Aangezien de wetgever niet heeft voorzien in een automatische regularisatie, maar wel in een procedure waarbij van geval tot geval moet worden onderzocht of de betrokkenen voor regularisatie in aanmerking komen, kan artikel 57, §§ 1 en 2, van de O.C.M.W.-wet niet in die zin worden geïnterpreteerd dat de betrokkenen louter door het indienen van hun aanvraag, en voordat die aanvraag is onderzocht en hun verblijf wordt geregulariseerd, recht zouden hebben op volledige maatschappelijke dienstverlening. B.
  67. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van de wet van 22 december 1999, door de verwijzende rechters zo moet worden geïnterpreteerd dat het de vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie indienen, zolang hun verblijfsstatus niet is geregulariseerd, enkel dringende medische hulp waarborgt. B.
  68. De twee in de prejudiciële vragen met elkaar vergeleken categorieën van personen zijn derhalve : enerzijds, de vreemdelingen die hebben gevraagd als vluchteling te worden erkend, wier aanvraag is afgewezen en die het bevel hebben gekregen het grondgebied te verlaten, terwijl de beroepen niet zijn beslecht die zij bij de Raad van State hebben ingesteld tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, genomen met toepassing van artikel 63.3 van de wet van 15 december 1980, of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; anderzijds, de vreemdelingen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een negatieve beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, na een regularisatieaanvraag te hebben ingediend op grond van de wet 19 van 22 december 1999, en die tegen die beslissing beroep hebben ingesteld bij de Raad van State, waarbij de wet van 22 december 1999 in die zin wordt geïnterpreteerd dat, tijdens het onderzoek van de regularisatieaanvraag, artikel 14 van die wet de toepassing van artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet niet in de weg staat. B.
  69. Die twee categorieën van personen zijn objectief verschillend, zoals het Hof heeft vastgesteld in het arrest nr. 131/2001, niet alleen wat hun persoonlijke situatie betreft, maar ook vanuit het oogpunt van de verplichtingen die te hunnen opzichte op de overheid rusten. B.
  70. De procedure tot erkenning van de status van vluchteling past in het kader van internationale verplichtingen die de Staat op zich heeft genomen. De regularisatieprocedure daarentegen is een maatregel die tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Belgische overheid behoort. Ook dat verschil verantwoordt dat op de Staat ten aanzien van beide categorieën van vreemdelingen niet dezelfde verplichtingen rusten. B.
  71. De regularisatie biedt de betrokken vreemdelingen een kans om, ondanks hun clandestien verblijf of de uitputting van de voorheen bestaande procedures, alsnog een legaal verblijfsstatuut te verkrijgen, en aldus ook het recht op maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig artikel 57, § 1, van de O.C.M.W.-wet te verwerven. Ondertussen is hun dringende medische hulp gewaarborgd. Zij kunnen bovendien, op grond van de omzendbrief van 6 april 2000 betreffende de voorlopige arbeidsvergunningen voor de buitenlandse onderdanen die een aanvraag tot regularisatie van het verblijf hebben ingediend, zoals gewijzigd bij omzendbrief van 6 februari 2001, een voorlopige arbeidsvergunning verkrijgen en aldus in hun onderhoud voorzien. B.
  72. Rekening houdend met het bovenstaande, is het niet onverantwoord dat, in afwachting van de afronding van de regularisatieprocedure, en zolang derhalve niet vaststaat dat aan de voorwaarden voor regularisatie is voldaan, de aan de regularisatieaanvragers gewaarborgde maatschappelijke dienstverlening beperkt blijft tot dringende medische hulp. B.
  73. Hieruit volgt dat het verschil in behandeling tussen beide in de prejudiciële vragen beschreven categorieën van personen niet discriminerend is. B.
  74. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 20 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt niet de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191, van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 december
  75. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.203 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.