id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.208 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.20041221.2 Arrest- Rolnummer: 208-2004;2830 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-01-14 Raadplegingen: 227 - laatst gezien 2026-07-04 02:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt het beroep onder voorbehoud van de interpretatie in B.12.
- Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 357 en 362 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 2003, ingesteld door de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg en anderen. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 357 Gerechtelijk Wetboek - 362 Wet - 22-04-2003 - 35 ELI link Pub nr 2003009408 Tekst van de beslissing Rolnummer 2830 Arrest nr. 208/2004 van 21 december 2004 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 357 en 362 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 2003, ingesteld door de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 november 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 november 2003, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 357 en 362 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 22 april 2003 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 mei 2003, eerste editie), door de v.z.w. het Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Poelaertplein 3, J. Geysen, wonende te 1020 Brussel, Neerleest 4, K. Brys, wonende te 1740 Ternat, Van Cauwelaertstraat 91, K. Carlens, wonende te 1080 Brussel, Mettewielaan 93, T. Freyne, wonende te 3191 Hever, Stationsstraat 143, I. Soenen, wonende te 1150 Brussel, Van der Meerschenlaan 91, G. Van den Bossche, wonende te 1731 Relegem-Asse, Poverstraat 33, M. Van den Bossche, wonende te 1730 Zellik-Asse, Brusselsesteenweg 818, M. Bosmans, wonende te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Volsemstraat 17, M. Debaere, wonende te 3000 Leuven, Arnould Nobelstraat 19, M. De Grève, wonende te 1420 Eigenbrakel, avenue du Cadre Noir 5, G. Deneulin, wonende te 1673 Beert, Kapellestraat 12, S. Gadeyne, wonende te 1050 Brussel, Kroonlaan 214, B. Lybeer, wonende te 1640 Sint-Genesius-Rode, Oude Eigenbrakelsesteenweg 34, K. Moens, wonende te 1500 Halle, Kapittel 17, S. Raskin, wonende te 1081 Brussel, Belgische Onafhandelijkheidslaan 87, M. Van Brustem, wonende te 1560 Hoeilaart, Booglaan 2, en P. Van Lierde, wonende te 1300 Waver, avenue de la Warche
- De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 7 juli 2004 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 20 oktober 2004, na de Ministerraad te hebben verzocht, in een uiterlijk op 15 oktober 2004 in te dienen aanvullende memorie, teneinde het Hof te informeren over de juiste verhoudingen, - de kostprijs van de bestreden maatregel aan te tonen, zowel de effectieve kostprijs, op basis van het aantal magistraten dat thans reeds effectief aan de toekenningsvoorwaarden voldoet, als de mogelijke maximale kostprijs, op basis van het maximaal aantal magistraten dat in voorkomend geval de betwiste regeling kan genieten, rekening houdend met de huidige voorwaarden, waaronder het quotum; - de kostprijs te berekenen voor zover alle magistraten die het certificaat hebben behaald, de taalpremie zouden kunnen ontvangen, ongeacht het rechtscollege of het gebied waarin zij zijn benoemd; - de kostprijs te berekenen voor zover alle magistraten die het certificaat hebben behaald, in de rechtscolleges waar de taalwetgeving de kennis van een andere taal aan minstens één magistraat oplegt, de taalpremie zouden kunnen ontvangen. De Ministerraad heeft een aanvullende memorie ingediend. 3 Op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2004 : - zijn verschenen : . Mr. F. Judo loco Mr. D. Lindemans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Standpunt van de verzoekende partijen A.
- De verzoekende partijen zijn de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg, een aantal magistraten in en bij verschillende rechtscolleges en een gerechtelijk stagiaire, al dan niet tevens in de hoedanigheid van bestuurder van de voormelde vereniging zonder winstoogmerk. De vereniging zonder winstoogmerk, die volgens haar statuten tot doel heeft « middelen te zoeken om de rechtsbedeling doeltreffender te maken; de persoonlijke contacten en de solidariteit tussen de magistraten van eerste aanleg te verstevigen; hun morele en beroepsbelangen te verdedigen en te bevorderen », voert aan belang te hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, die duidelijk de belangen van magistraten van eerste aanleg schaden. Het louter verwijzen, door de Ministerraad, naar de rechtspraak van het Hof met betrekking tot het belang van een v.z.w. volstaat niet om haar belang te ontkennen : de maatregel betreft de organisatie van het gerecht en de verloning van de magistraten en heeft derhalve een weerslag, zowel op de beroepsbelangen van de magistraten als op de doeltreffendheid van de rechtsbedeling. De overige verzoekende partijen zijn allen houder van het wettelijk certificaat van de kennis van de tweede taal voor de magistratuur en staven hun belang door erop te wijzen dat de bestreden bepalingen hun huidige toestand betreffen of betrekking hebben op een mogelijk toekomstige ambtsvervulling. Voor de staving van hun belang is, anders dan de Ministerraad beweert, niet vereist dat zij zouden bewijzen dat zij met zekerheid van het genot van de betrokken premie zullen worden uitgesloten. Het volstaat dat zij door de maatregel rechtstreeks en ongunstig zouden kunnen worden geraakt. Zij merken bovendien op dat de Ministerraad niet betwist dat de bestreden bepalingen effectief op hen van toepassing zijn. Eén van hen behoort overigens tot een rechtscollege waar geen wettelijke regeling bestaat met betrekking tot het leveren van het bewijs van de kennis van meer dan één landstaal, zodat die partij in ieder geval rechtstreeks en ongunstig wordt geraakt door de maatregel. A.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 154, van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen ertoe leiden dat de toekenning van de zogenaamde taalpremie verbonden wordt aan randvoorwaarden, die op verschillende wijzen discriminatoir zijn, 4 terwijl de wetgever bij de uitoefening van de bevoegdheid die hem op grond van artikel 154 van de Grondwet toekomt, rekening dient te houden met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het middel is volgens de verzoekende partijen voldoende concreet ontwikkeld om niet onontvankelijk te kunnen worden verklaard, zoals de Ministerraad vraagt. A.
- Uit de tekst zelf van de toegevoegde paragraaf 4 van artikel 357 van het Gerechtelijk Wetboek en de toelichtende omzendbrief nr. 006 van de directeur-generaal van de rechterlijke organisatie blijkt dat bij de toekenning van de tweetaligheidspremie verschillende vormen van onderscheid worden ingesteld waarvan de criteria onder meer zijn : het rechtscollege waarin de magistraten, houders van het certificaat van taalkennis, zijn benoemd; het aantal reeds benoemde magistraten, houders van dat certificaat; de dienstanciënniteit van de betrokken magistraten. A.
- Zonder dieper in te gaan op de objectiviteit van het gemaakte onderscheid, beklemtonen de verzoekende partijen dat het verschil in behandeling onevenredige gevolgen heeft. Zo wordt er geen rekening gehouden met het effectieve aantal zaken dat in de andere landstaal wordt behandeld, worden tweetalige toegevoegde rechters en parketmagistraten uitgesloten, kunnen rechthebbende magistraten hun premie verliezen wanneer na hen een magistraat met grotere dienstanciënniteit het certificaat behaalt, en houdt men geen rekening met geslaagden die om één of andere reden - bijvoorbeeld delegatie - terechtkomen in een rechtscollege waar geen bewijs moet worden geleverd van kennis van meer dan één landstaal. De Raad van State heeft grondwettigheidsbezwaren geuit tegen verschillende van de thans door de verzoekende partijen aangeklaagde verschillen in behandeling zonder dat de wetgever daarop afdoende heeft geantwoord. Geldgebrek kan in geen geval worden aanvaard als argument om bepaalde categorieën van magistraten uit te sluiten van het genot van die premie. Het gehanteerde criterium van onderscheid is niet pertinent in het licht van de nagestreefde doelstelling. A.
- De verzoekende partijen zijn verbaasd te lezen dat het doel van de bestreden maatregel niet bestaat in het vergoeden van de tweetaligheid, maar in het aanmoedigen van magistraten tot deelname aan de taalexamens. Indien dat zo is, dan is het onderscheid niet pertinent vermits ook die magistraten die reeds voordien het certificaat behaalden, de premie kunnen genieten, terwijl, indien het quotum is bereikt, de premie kan worden geweigerd aan diegenen die het certificaat behaalden na de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen. Die vaststelling geldt in ieder geval ten aanzien van de uitsluiting van toegevoegde rechters en parketmagistraten, van magistraten die benoemd zijn in een rechtscollege waar geen bijzondere taalvereisten gelden en van tweetalige magistraten die wel benoemd zijn in een rechtscollege waar die bijzondere taalvereisten gelden, maar die tijdelijk elders worden ingezet. Die vaststelling geldt eveneens ten aanzien van de uitsluiting van magistraten die worden ingezet in een rechtscollege met bijzondere taalvereisten zonder dat zij daarin zijn benoemd en ten aanzien van magistraten die later, op gronden van dienstanciënniteit, worden uitgesloten. Het valt niet in te zien hoe het doel van de wetgever zinvol kan worden nagestreefd door het aantal magistraten dat een premie krijgt, op een of andere wijze te beperken. De maatregel zal veeleer ertoe leiden dat vele magistraten die onvoldoende zullen waarderen en bijgevolg niet zullen deelnemen aan de taalexamens. Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad betwist in hoofdorde de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging. De verzoekende v.z.w. voldoet niet aan alle voorwaarden die in de rechtspraak van het Hof zijn ontwikkeld opdat een dergelijke vereniging kan getuigen van het rechtens vereiste belang. In het bijzonder getuigt zij er niet van dat haar maatschappelijk doel werkelijk wordt nagestreefd, wat zou moeten worden aangetoond aan de hand van de concrete en duurzame werking van de vereniging in het verleden en het heden. Evenmin staat het volgens de Ministerraad vast dat die verzoekende partij voldoet aan alle wettelijke vereisten om als v.z.w. door het leven te gaan. Ook het belang van de andere verzoekende partijen is niet aangetoond, aangezien het volledig hypothetisch, minstens onvoldoende zeker is dat zij tot dat deel van het korps van de magistraten zullen behoren die de betrokken premie niet zullen krijgen. De loutere hoedanigheid van magistraat, houder van het wettelijk vereiste certificaat, is onvoldoende om het rechtens vereiste belang aan te tonen. 5 A.
- In ondergeschikte orde voert de Ministerraad allereerst aan dat het enige middel niet ontvankelijk is omdat de beweerde onevenredigheid van de maatregel onvoldoende wordt aangetoond. A.
- In nog meer ondergeschikte orde verwijst de Ministerraad naar de reden van de beperking van de begunstigden van de premie, namelijk het gebrek aan financiële middelen om een tweetaligheidspremie toe te kennen aan alle magistraten, houders van het certificaat, die in dienst zijn in een hof of een rechtbank waar de tweetaligheid wettelijk vereist is. De vereisten te beschikken over het taalkenniscertificaat en te behoren tot een tweetalig rechtscollege zijn objectieve criteria die pertinent zijn in het licht van het doel van de maatregel, namelijk het aantal tweetalige magistraten in de tweetalige rechtscolleges te verhogen. De maatregel heeft geen onevenredige gevolgen ten aanzien van de magistraten met een dergelijk certificaat die behoren tot rechtscolleges waar de tweetaligheid niet is vereist. Het al dan niet reeds bereikt zijn van het quotum, bepaald door de wet van 15 juli 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, is een objectief - want vooraf bepaald - criterium dat pertinent is om het doel te bereiken, namelijk een aanmoediging te bieden voor deelname aan de betrokken examens, en niet een vergoeding te verlenen voor het uitoefenen van een tweetalige functie. Ook dat onderscheid is niet discriminatoir. Het criterium van anciënniteit, ten slotte, is eveneens een objectief criterium dat geen onevenredige gevolgen teweegbrengt voor magistraten die niet over een voldoende anciënniteit beschikken aangezien het doel van de bepaling erin bestaat de aanvoer van tweetalige magistraten te verhogen, en niet de tweetaligheid op zich te vergoeden. A.
- Tot slot verwijst de Ministerraad naar verschillende uitspraken van het Hof waaruit kan worden afgeleid dat het rigide karakter van een regeling ingegeven door budgettaire redenen, niet noodzakelijk ertoe moet leiden de maatregel als discriminatoir te beschouwen. De budgettaire redenen opgegeven in de parlementaire voorbereiding dienen bij de beoordeling van de zaak mee in rekening te worden gebracht. -B- B.
- Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de artikelen 2 en 3 van de wet van 22 april 2003 tot wijziging van de artikelen 357 en 362 van het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad, 9 mei 2003, eerste editie). Artikel 2 luidt : « Artikel 357 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 1999 en gewijzigd bij de wetten van 28 maart 2000 en 15 juni 2001, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 2002, en bij de wet van 27 december 2002, wordt aangevuld met een § 4, luidende : ' §
- Een premie wordt toegekend aan de magistraten die de kennis hebben bewezen van een andere taal dan die waarin zij de examens van het doctoraat of van de licentie in de rechten hebben afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, voorzover zij benoemd zijn in een rechtscollege waar tenminste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal. 6 Per rechtscollege is het aantal magistraten aan wie een premie wordt toegekend beperkt, al naargelang van het geval, tot het minimumaantal of het aantal zoals voorgeschreven door de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De toekenning van de premie gebeurt op basis van de dienstanciënniteit van de magistraat binnen het betrokken rechtscollege. De premie is uitsluitend verschuldigd wanneer de in het eerste lid bedoelde magistraat zijn ambt daadwerkelijk uitoefent in het rechtscollege waar hij benoemd is of hij een opdracht vervult in een rechtscollege waar tenminste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal. Deze premie wordt eveneens toegekend aan de federale procureur en de federale magistraten die de kennis hebben bewezen van een andere taal dan die waarin zij de examens van het doctoraat of van de licentie in de rechten hebben afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Het maandbedrag van de premie wordt vastgesteld op : - 281,98 EUR voor de magistraten die het bewijs geleverd hebben van de actieve en passieve mondelinge en van de actieve en passieve schriftelijke kennis van de andere taal; - 216,91 EUR voor de magistraten die het bewijs geleverd hebben van de actieve en passieve mondelinge kennis en van de passieve schriftelijke kennis van de andere taal. De premie wordt tegelijk met de wedde vereffend. ' » Artikel 3 luidt : « In artikel 362, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 april 1999, worden de woorden ' §§ 2 en 3 ' vervangen door de woorden ' §§ 2 tot 4 '. » De verzoekende partijen vorderen slechts de vernietiging van het tweede en het derde lid van de toegevoegde paragraaf 4 van artikel 357 van het Gerechtelijk Wetboek en van de woorden « voorzover zij benoemd zijn in een rechtscollege waar tenminste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal » in het eerste lid van diezelfde paragraaf. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
- De Ministerraad werpt ten aanzien van de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg op dat zij niet voldoet aan de door het Hof gestelde 7 voorwaarden waaronder een dergelijke vereniging kan getuigen van het rechtens vereiste belang en dat zij zelfs niet wettelijk als v.z.w. kan optreden. Het door de andere verzoekende partijen aangevoerde belang als magistraten, houders van het wettelijk certificaat, is volgens de Ministerraad niet aangetoond omdat het hypothetisch en minstens onvoldoende zeker is. B.
- De verzoekers, andere dan de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg, behoren tot de categorie van magistraten, houders van het certificaat inzake taalkennis, die zich door de bestreden bepalingen benadeeld achten ten gevolge van de verschillende voorwaarden die worden gesteld aan de toekenning van een taalpremie. Zij doen blijken van het vereiste belang. B.
- Nu het belang van die verzoekers vaststaat, dient het Hof niet de exceptie te onderzoeken die de Ministerraad heeft opgeworpen ten aanzien van het beroep in zoverre het is ingesteld door de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 154, van de Grondwet, doordat de voorwaarden die in artikel 357, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek worden bepaald waaronder magistraten die de kennis hebben bewezen van een andere taal dan die waarin zij het examen van doctor of licentiaat in de rechten hebben afgelegd een premie (hierna : de taalpremie) kunnen ontvangen, op verschillende wijzen discriminatoir zijn. B.
- Tegen dat middel voert de Ministerraad de exceptie obscuri libelli aan. Zowel uit het verzoekschrift als uit de memories van de Ministerraad blijkt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van het middel bevat waardoor is voldaan aan de voorwaarde van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. 8 De exceptie wordt verworpen. B.
- Op grond van het bestreden artikel 357, § 4, wordt een taalpremie toegekend aan magistraten indien is voldaan aan de volgende, cumulatieve voorwaarden : het benoemd zijn in een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal; het behoren, op grond van dienstanciënniteit, tot het wettelijk vastgesteld quotum per rechtscollege; het daadwerkelijk uitoefenen van het ambt in het rechtscollege waar men benoemd is of het vervullen van een opdracht in een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal. Volgens de parlementaire voorbereiding betekent dat concreet dat « een taalpremie zal uitbetaald worden aan de magistraten van : - het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof; - de hoven van beroep en de arbeidshoven te Brussel en Luik en de parketten bij deze hoven; - het federaal parket; - de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel te Brussel en de parketten bij deze rechtbanken; - het parket van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg en het arbeidsauditoraat te Doornik; - het parket van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Bergen; - het parket van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Luik; - de rechtbank van eerste aanleg te Eupen en het parket bij deze rechtbank; - de arbeidsrechtbanken te Eupen en te Verviers en het arbeidsauditoraat bij deze rechtbanken; - de rechtbanken van koophandel te Eupen en te Verviers; - het parket van de procureur bij de rechtbank van eerste aanleg en het arbeidsauditoraat te Tongeren; 9 - het parket van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen; - de vredegerechten en de politierechtbanken die krachtens de taalwet het bewijs moeten leveren van de kennis van de andere taal » (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2310/001, p. 5). Met betrekking tot de eerste voorwaarde blijkt uit de parlementaire voorbereiding « dat toegevoegde rechters en substituten geen aanspraak zullen kunnen maken op een taalpremie. Zij zijn immers benoemd voor het rechtsgebied van een hof van beroep, ze zijn niet benoemd in een rechtscollege » (ibid., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2310/001, pp. 4-5). B.
- De toekenning van de taalpremie strekt ertoe magistraten met een financiële impuls te stimuleren om aan het taalexamen deel te nemen en er ook voor te slagen, zodat de benoeming van magistraten die de benoemingsvoorwaarden op taalgebied moeten vervullen, minder problematisch wordt dan thans - vooral in de rechtscolleges en de parketten te Brussel - het geval is (ibid., p. 4). Tijdens de parlementaire voorbereiding werd daaraan toegevoegd : « De doelstelling […] bestaat erin om de kandidaturen aan te moedigen voor de vacante plaatsen van magistraat voorbehouden aan kandidaten die het bewijs hebben geleverd van de kennis van een andere taal dan die van hun diploma ingevolge de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Het is dan ook verantwoord om deze premie uitsluitend toe te kennen aan magistraten die benoemd worden op plaatsen die voorbehouden zijn aan tweetalige kandidaten. » (ibid., pp. 5-6) B.
- Het criterium van benoeming in een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal en het criterium van daadwerkelijke uitoefening van het ambt in het rechtscollege waar men benoemd is of van vervulling van een opdracht in een dergelijk rechtscollege zijn objectieve criteria. Het verschil in behandeling op grond van die criteria is pertinent om de in B.8 vermelde doelstellingen te bereiken, vermits alleen in die rechtscolleges een problematische behoefte bestaat aan magistraten in ambten voorbehouden aan tweetalige kandidaten en derhalve mag worden verwacht dat die magistraten een dergelijk ambt ook daadwerkelijk uitoefenen of 10 vervullen om recht te hebben op de taalpremie. Gelet op de bestaande, specifieke behoefte en de omvang van de taalpremie is die maatregel ook niet onevenredig met de nagestreefde doelstelling. B.
- Op grond van de bestreden maatregel kunnen de toegevoegde rechters en substituten evenmin aanspraak maken op de taalpremie omdat die magistraten, wegens de specificiteit van het ambt, reeds een premie ontvangen die gelijk is aan de taalpremie voor de louter passieve schriftelijke kennis van de andere taal (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50- 2310/003, p. 4). De maatregel om aan die magistraten die weliswaar aan de overige voorwaarden kunnen voldoen, de taalpremie niet toe te kennen, is niet zonder redelijke verantwoording. De toegevoegde magistraten die het bewijs van kennis van een andere taal hebben geleverd, kunnen immers zonder financieel nadeel worden benoemd in ambten die zijn voorbehouden aan tweetalige kandidaten. B.
- Het criterium van een quotum per rechtscollege is eveneens een objectief criterium dat pertinent is ter verwezenlijking van de doelstellingen van de maatregel. Vanaf het ogenblik dat de personeelsformaties voor ambten die zijn voorbehouden aan tweetalige kandidaten zijn ingevuld, is er immers geen specifieke nood meer aan bijkomende kandidaten. De maatregel komt derhalve tegemoet aan het streven naar een volledige invulling van de personeelsformaties. Dat zodra die doelstelling is bereikt, de andere doelstelling, namelijk kandidaten ertoe aanzetten aan het taalexamen deel te nemen, niet langer wordt bevorderd door de maatregel, doet daaraan geen afbreuk. De wetgever vermocht rekening te houden met de beperktheid van de omvang van de budgettaire middelen die de vaststelling van ruimere toekenningsvoorwaarden in de weg stond (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2310/003, p. 6). B.12.
- De toekenning van de taalpremie is evenwel nog onderworpen aan een bijkomend criterium, namelijk de dienstanciënniteit van de magistraat binnen het betrokken rechtscollege. Volgens de verzoekende partijen leidt de maatregel ertoe dat indien een magistraat met een hogere dienstanciënniteit slaagt voor het taalexamen nadat het quotum is bereikt, de taalpremie wordt ontnomen aan een magistraat met beperktere dienstanciënniteit die voordien slaagde. 11 B.12.
- Naar luid van het bestreden artikel 357, § 4, tweede lid, tweede zin, van het Gerechtelijk Wetboek gebeurt de toekenning van de premie op basis van de dienstanciënniteit van de magistraat binnen het betrokken rechtscollege. Indien die maatregel daadwerkelijk zou leiden tot het door de verzoekende partijen aangehaalde gevolg, zou hij onevenredig zijn met de door de wetgever nagestreefde doelstelling omdat een financieel voordeel zou worden ontnomen aan een magistraat die eerder dan diens collega met hogere dienstanciënniteit binnen hetzelfde rechtscollege, heeft bijgedragen tot het bereiken van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. Die bepaling kan evenwel ook aldus worden uitgelegd dat het criterium van de dienstanciënniteit slechts geldt voor de toekenning van de premie, en niet voor het verdere behoud ervan. In die interpretatie kan het voordeel van de taalpremie, anders dan de verzoekende partijen beweren, niet worden ontnomen aan een magistraat wanneer een collega met hogere dienstanciënniteit slaagt voor het taalexamen nadat het quotum in het rechtscollege reeds is bereikt. De toekenning van de taalpremie op grond van de dienstanciënniteit is in die interpretatie een objectieve en redelijk verantwoorde maatregel, omdat hij rekening houdt met de concrete noden in het betrokken rechtscollege op het ogenblik waarop de premie wordt toegekend en geen daaropvolgende onredelijke gevolgen kan sorteren. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep onder voorbehoud van de interpretatie in B.12.
- Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 december
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.208 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.