← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.001

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.001 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050112.11 Arrest- Rolnummer: 1/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-04 Raadplegingen: 237 - laatst gezien 2026-07-02 07:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 11 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre die bepaling artikel 191, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek heeft opgeheven; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 11 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek, ingesteld door de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummer 2852 Arrest nr. 1/2005 van 12 januari 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 11 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek, ingesteld door de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 december 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 december 2003, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 11 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 juni 2003) door de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Poelaertplein 3, J. Geysen, wonende te 1020 Brussel, Neerleest 4, R. Gabriels, wonende te 9700 Oudenaarde, Bevrijdingsstraat 19, K. Brys, wonende te 1740 Ternat, Dreef 21, K. Carlens, wonende te 1080 Brussel, Mettewielaan 93, C.-E. Clesse, wonende te 1450 Gentinnes, rue des Communes 99, K. Desaegher, wonende te 1090 Brussel, Fernande Volralstraat 25, F. Jodts, wonende te 8850 Ardooie, Polenplein 25, I. Soenen, wonende te 1150 Brussel, Van der Meerschenlaan 91, F. Vankoekelbergh, wonende te 1060 Brussel, Verbindingslaan 29 A, B. Backx, wonende te 2100 Deurne, Boekenberglei 235, B. Baeyens, wonende te 9620 Zottegem, Ten Ede 43, L. Bex, wonende te 3511 Kuringen, Kleine Negenbundersstraat 48, P. Bols, wonende te 2930 Brasschaat, de Caterslei 4, S. Boogers, wonende te 2300 Turnhout, de Mérodelei 157, A. Bruneel, wonende te 9870 Zulte, Paradijsstraat 18, T. Byl, wonende te 2880 Bornem, Sint- Amandsesteenweg 158, N. Caluwe, wonende te 2180 Ekeren, Foruinstraat 16, I. Camerlynck, wonende te 2600 Berchem, Waterloostraat 55, P. Carolus, wonende te 1030 Brussel, Herbert Hooverlaan 17, V. Cielen, wonende te 3730 Hoeselt, Kruisstraat 69, F. Claes, wonende te 2100 Deurne, Van Notenstraat 13, P. Clauw, wonende te 9500 Geraardsbergen, Voldersstraat 283, P. Coppieters, wonende te 2180 Ekeren, Poorthoflaan 22, A. De Cauwer, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Nieuwe Molenstraat 11, E. De Greef, wonende te 1501 Buizingen, Kluisbos 3, A. De Groof, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Gustaaf de Ridderstraat 11, A. De Schutter, wonende te 3700 Tongeren, Viséweg 336, S. De Schutter, wonende te 2610 Wilrijk, Peerboomveld 3, W. De Troy, wonende te 3360 Bierbeek, Merbeekstraat 13, I. De Vel, wonende te 2540 Hove, Dahliastraat 33, T. De Wolf, wonende te 1785 Merchtem, Mieregemstraat 149, J.-R. Dederen, wonende te 2840 Terhagen, Kardinaal Cardynstraat 17, C. Dederen, wonende te 2460 Mortsel, Antwerpsestraat 3/3, K. Dekoninck, wonende te 2100 Deurne, Boekenberglei 235, S. Deleu, wonende te 8550 Zwevegem, Engelandlaan 1, V. Delfosse, wonende te 1150 Brussel, Gerustheidsplein 17, S. Demars, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Pleinlaan 5, E. Dernicourt, wonende te 2800 Mechelen, Dijle 3, C. Desmet, wonende te 3020 Herent, Weggevoerdenstraat 39, A. Douchy, wonende te 3010 Kessel-Lo, Zavelstraat 52, B. Dufour, wonende te 1180 Brussel, Messidorlaan 40, J. Embrechts, wonende te 2650 Edegem, Andreas Vesaliuslaan 5, L. Festraets, wonende te 9250 Waasmunster, Wareslagedreef 17, N. Franco, wonende te 1400 Nijvel, avenue du Monde 51/3, P. Gerard, wonende te 1310 Terhulpen, avenue Ernest Solvay 28, L. Geys, wonende te 2800 Mechelen, Stuivenbergbaan 3, D. Goossens, wonende te 1390 Biez, rue de Cocrou 24, S. Gorré, wonende te 3511 Kuringen, Het Witveld 7, B. Herregodts, wonende te 2160 Wommelgem, Kempenlaan 69, E. Herreman, wonende te 2960 Sint-Job-in-´t-Goor, Brugstraat 180/3, V. Hoornaert, wonende te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 112, D. Jordens, wonende te 3660 Opglabbeek, Groenstraat 72, B. Lefebvre, wonende te 1200 Brussel, Van Goolenlaan 8, K. Lenaers, wonende te 3581 Beverlo, Genebroekstraat 48, O. Lins, wonende te 2000 Antwerpen, Stoofstraat 9, M. Lootens, wonende te 2640 Mortsel, Wouter Volcaertstraat 11, A. Martin, wonende te 1050 Brussel, Louizalaan 105, T. Muylle, wonende te 2900 Schoten, Churchilllaan 40, E. Natus, wonende te 1910 Kampenhout, Dorpsstraat 34, A. Neven, wonende te 2018 Antwerpen, Sanderusstraat 74, M. Nolet de Brauwere van Steenland, wonende te 1030 Brussel, Brabançonnelaan 125, H. Penne, wonende te 2018 Antwerpen, Marialei 56, 3 W. Quirynen, wonende te 1060 Brussel, Berchmansstraat 6, D. Reyniers, wonende te 2018 Antwerpen, Catharina Beersmansstraat 22, W. Roggen, wonende te 9400 Okegem, Fonteinstraat 33, V. Rogiest, wonende te 2620 Hemiksem, Groenenhoekweg 5, O. Ruysschaert, wonende te 9000 Gent, Maagdestraat 17, S. Sablon, wonende te 3000 Leuven, Sint-Geertruiabdij 3, B. Salembier, wonende te 8020 Oostkamp, Lieven Gevaertplein 5, G. Schoorens, wonende te 3001 Leuven, Tweekleinewegenstraat 12, M. Schoors, wonende te 3010 Kessel-Lo, Wielewaallaan 25, A. Simons, wonende te 2020 Antwerpen, Vuurkruisenplein 1, K. Smeets, wonende te 3620 Lanaken, Maastrichterweg 19, A. Snoeckx, wonende te 3665 As, Gommersstraat 8, L. Spaas, wonende te 2018 Antwerpen, De Beuckerstraat 46, L. Steenackers, wonende te 2850 Boom, ´s Herenbaan 303, S. Steylemans, wonende te 3000 Leuven, Arnould Nobelstraat 19, A. Stubbe, wonende te 9840 De Pinte, Pont-Zuid 19, W. Terrijn, wonende te 8570 Vichte, Olekenbosstraat 23, B. Theunis, wonende te 2650 Edegem, Oude-Godstraat 210/1, D. Torfs, wonende te 2140 Borgerhout, Baggenstraat 30, M. Ureel, wonende te 2800 Mechelen, Stuivenbergbaan 3, E. Valvekens, wonende te 2500 Lier, Zagerijstraat 6, P. Van De Peer, wonende te 2018 Antwerpen, Anselmostraat 72, K. Van Hecke, wonende te 2350 Vosselaar, Ketschehoef 10, A. Van Kelst, wonende te 2610 Wilrijk, Kouwerheide 13, F. Van Leeuw, wonende te 1083 Brussel, Opvoedingsstraat 5, P. Van Linthout, wonende te 3191 Hever, Stationsstraat 106, I. Van Orshaegen, wonende te 2570 Duffel, Nieuwstraat 44, L. Vandenhaute, wonende te 1080 Brussel, Jean Dubrucqlaan 77, S. Vanhoonacker, wonende te 1000 Brussel, Hoogstraat 113, F. Vanneste, wonende te 2000 Antwerpen, Schaliënstraat 41, W. Vanvelthoven, wonende te 3010 Leuven, Schoolbergenstraat 20, F. Vennekens, wonende te 2800 Mechelen, Europalaan 41, M. Verbruggen, wonende te 2801 Mechelen, Heidestraat 11, L. Verlinden, wonende te 1731 Zellik, Monseigneur Denayerstraat 25, G. Vermeiren, wonende te 2560 Nijlen, Steinenhofweg 7, E. Vermeulen, wonende te 2000 Antwerpen, Vlaamse Kaai 55, P. Verwimp, wonende te 2000 Antwerpen, Vlaamse Kaai 55, F. Vroman, wonende te 8540 Deerlijk, Pikkelstraat 65, P. Week, wonende te 8200 Brugge, Azalealaan 49, L. Wynands, wonende te 1170 Brussel, François Ruytinxstraat 27, F. Mahieu, wonende te 1180 Brussel, Horzelstraat 96, en M. Thomas, wonende te 1170 Brussel, E. Van Becelaerelaan 86. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2004 : - zijn verschenen : . Mr. F. Judo loco Mr. D. Lindemans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 4 - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Over de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging A.1. Het bestreden artikel 11 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek heft artikel 191 van het Gerechtelijk Wetboek op, dat de voorwaarden bepaalde voor de leden van het openbaar ministerie, benoemd na de korte stage, om te kunnen worden benoemd tot magistraat van de zetel. Na de indiening van het verzoekschrift werd bij de wet van 22 december 2003 houdende diverse bepalingen artikel 191, § 1, opnieuw ingevoerd omdat de afschaffing ervan op een vergissing berustte. A.2.1. De eerste verzoekende partij, de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg, stelt zich onder meer tot doel middelen te zoeken om de rechtsbedeling doeltreffender te maken, de persoonlijke contacten en de solidariteit tussen de magistraten van eerste aanleg te verstevigen en hun morele en beroepsbelangen te verdedigen en te bevorderen. Zij meent dat zij belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepaling die de belangen van de magistraten van eerste aanleg zou schaden en een negatieve weerslag zou kunnen hebben op de rechtsbedeling. A.2.2. De andere verzoekende partijen treden op in hun hoedanigheid van arbeidsauditeur, eerste substituut-procureur des Konings, substituut-procureur des Konings, toegevoegd substituut-procureur des Konings, substituut-krijgsauditeur, substituut-arbeidsauditeur en gerechtelijk stagiair. Zij werden in hun huidige functie benoemd na het volbrengen van de in artikel 259octies, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde korte stage, volbrengen die stage momenteel of bevinden zich in hun eerste stagejaar, zodat zij nog een keuze moeten maken tussen de korte en de lange stage, of werden in hun huidige functie benoemd krachtens het bekwaamheidsexamen bedoeld in artikel 259bis-9, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. Zij menen een belang te hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling, die hun de mogelijkheid zou ontzeggen om te worden benoemd tot magistraat van de zetel. A.2.3. De herinvoering van artikel 191, § 1, door artikel 6 van de wet van 22 december 2003 doet volgens de verzoekers hun belang niet verdwijnen, nu alle verzoekende partijen gedurende een periode van zes maanden niet de mogelijkheid hebben gehad op zinvolle wijze kandidaat te zijn voor een open verklaard ambt dat voor hen toegankelijk was. Minstens twee verzoekers werden effectief nadelig geraakt doordat hun, bij het stellen van hun kandidatuur, door de Hoge Raad voor de Justitie werd meegedeeld dat zij niet in aanmerking kwamen vanwege de afschaffing van artikel 191 van het Gerechtelijk Wetboek. A.2.4. Verscheidene verzoekers betogen ook dat zij hun belang behouden ten aanzien van de afschaffing van artikel 191, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, dat niet werd hersteld, nu zij als geslaagden voor het examen van beroepsbekwaamheid voor de magistratuur nog steeds het voorwerp zijn van discriminatie ten aanzien van hun collega’s die rechtstreeks in de zetel werden benoemd. A.3.1. Volgens de Ministerraad doet geen van de verzoekende partijen blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. Ten aanzien van de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg rijst de vraag of het beroep tot vernietiging niet beperkt is tot het individuele belang van de leden. Bovendien heeft de v.z.w. ook 5 geen persoonlijk, rechtstreeks en zeker belang, nu zij als rechtspersoon niet in aanmerking komt voor een benoeming in de magistratuur. Overigens blijkt uit de stukken die werden neergelegd ter griffie van het Hof niet of de vereniging voldoet aan de vereisten gesteld door de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen. Meer specifiek zou uit navraag bij de griffie van de Rechtbank van Koophandel te Brussel blijken dat niet voldaan is aan de vereisten inzake de neerlegging van een register der leden. Bijgevolg zou de v.z.w. geen rechtspersoonlijkheid bezitten, minstens is die niet tegenstelbaar aan derden, zodat haar vordering integraal onontvankelijk is. A.3.2. Ten aanzien van de andere verzoekers voert de Ministerraad aan dat artikel 191, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek slechts heeft opgehouden te bestaan gedurende de periode tussen 11 mei 2003 en 22 december 2003. Opdat de verzoekers nog een belang hebben, is vereist dat ze voldoen aan volgende cumulatieve voorwaarden : ze moeten een korte stage doorlopen hebben

(1), en, gedurende de periode tussen de inwerkingtreding van de bestreden bepaling en de opheffing ervan
(2), door de tijdelijke opheffing van artikel 191, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek de kans gemist hebben hun kandidatuur te kunnen indienen
(3), voor een voor hen toegankelijk ambt
(4), dat open werd verklaard
(5). Het komt de verzoekers toe aan de hand van concrete gegevens aan te tonen dat zij aan de voorwaarden voldoen. Door de herinvoering van de afgeschafte bepaling volstaat de hoedanigheid van parketmagistraat niet tot staving van hun belang. A.3.
  1. De afschaffing van artikel 191, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, dat niet werd hersteld, brengt geen negatieve gevolgen mee voor de verzoekers. Artikel 216bis van dat Wetboek, dat de toegang voor parketmagistraten tot de zittende magistratuur regelt, werd gewijzigd bij artikel 13 van de wet van 3 mei 2003, waardoor een gelijkschakeling werd beoogd van de stage voor de magistraten van het parket en van de zetel. Bovendien verliezen de verzoekende partijen uit het oog dat de toegang tot de functie van rechter voor de leden van het openbaar ministerie die geslaagd zijn voor het bekwaamheidsexamen, thans geregeld wordt door artikel 190, § 1, en § 2, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Ten gronde A.4.
  2. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 154, van de Grondwet. A.4.
  3. Door de afschaffing van artikel 191 van het Gerechtelijk Wetboek wordt zonder enige redelijke verantwoording een onderscheid in behandeling gemaakt tussen, enerzijds, de gerechtelijke stagiairs die gekozen hebben voor de korte stage, bedoeld in artikel 259octies, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, en de parketmagistraten die via die stage tot parketmagistraat werden benoemd in het effectieve of het toegevoegde kader, en, anderzijds, de magistraten die via het beroepsbekwaamheidsexamen en via de lange stage, bedoeld in artikel 259octies, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, tot parketmagistraat werden benoemd, doordat de eerstgenoemden niet en de laatstgenoemden wel nog kunnen worden benoemd tot magistraat van de zetel, na vijf jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie te hebben vervuld. A.4.
  4. De afschaffing van artikel 191, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek discrimineert bovendien parketmagistraten die via het examen inzake beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 259bis-9, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek werden benoemd, nu zij door die afschaffing opnieuw dat examen inzake beroepsbekwaamheid zouden moeten afleggen zodra de geldigheidsduur van zeven jaar is verstreken, om te kunnen worden benoemd tot magistraat van de zetel. A.4.
  5. Weliswaar is artikel 191, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek opnieuw ingevoerd door de wet van 22 december 2003, waaruit blijkt dat de eerdere afschaffing ervan niet redelijk was verantwoord. Doordat het herstel evenwel slechts ingaat voor de benoemingsprocedures die worden ingezet na de inwerkingtreding van die wet, blijft de discriminatie bestaan voor de periode die eraan voorafgaat. A.4.
  6. Bovendien wordt niet overgegaan tot herstel van artikel 191, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zodat het voortaan onmogelijk blijft voor parketmagistraten die hun benoeming hebben verkregen op grond van het bekwaamheidsexamen om, nadat de geldigheidsduur van zeven jaar, bedoeld in artikel 259bis-9, § 1, derde lid, verstreken is, een mutatiebenoeming naar de zittende magistratuur te verkrijgen. 6 A.5.
  7. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat het middel niet ontvankelijk is, omdat het een schending aanvoert van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 154, van de Grondwet - volgens hetwelk de wedden van de leden van de rechterlijke orde worden vastgesteld bij wet - nu die grondwetsbepaling geheel vreemd is aan de bestreden bepaling. Het feit dat de verwijzing naar artikel 154 van de Grondwet zou berusten op een materiële vergissing en in werkelijkheid artikel 151, § 4, van de Grondwet zou zijn bedoeld, zoals de verzoekers beweren, neemt de bezwaren van de Ministerraad niet weg. De verzoekers tonen niet aan hoe die bepaling, die erin voorziet dat de rechters worden benoemd na gemotiveerde voordracht van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie en na afweging van de bekwaamheid en geschiktheid, zou zijn geschonden. A.5.
  8. Subsidiair meent de Ministerraad dat door de herinvoering van artikel 191, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek de parketmagistraten benoemd na het vervullen van de korte stage, opnieuw in aanmerking komen voor een benoeming als magistraat van de zetel. Het enige verschil bestaat erin dat voor hoogstens twee van de verzoekende partijen, gedurende een periode van ongeveer zes maanden, een mogelijke kans op een benoeming verloren is gegaan. Voor het overige is het verzoekschrift sinds de totstandkoming van de wet van 22 december 2003 zonder voorwerp geworden. A.5.
  9. Aangaande de afschaffing van artikel 191, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, dat niet werd hersteld, herhaalt de Ministerraad ten gronde de argumenten uiteengezet ten aanzien van het belang. Zelfs indien wordt aangenomen dat een geslaagde voor het examen van beroepsbekwaamheid voor de magistratuur, na zeven jaar niet meer kandidaat kan zijn voor een functie van magistraat van de zetel, dan staat dit volledig los van de opheffing van artikel 191, §
  10. -B- Over de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging B.1.
  11. De Ministerraad voert aan dat de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg noch over de vereiste bekwaamheid, noch over het vereiste belang zou beschikken om in rechte te treden. Ten aanzien van alle andere verzoekers wordt het belang betwist. B.1.
  12. Het bestreden artikel 11 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek heft artikel 191 van het Gerechtelijk Wetboek op, dat luidde : « §
  13. Om tot rechter of toegevoegd rechter als bedoeld in artikel 191 te worden benoemd, moet het lid van het openbaar ministerie dat de bij artikel 259octies, § 3, voorgeschreven stage heeft doorgemaakt, ten minste 5 jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie hebben vervuld. §
  14. Om tot rechter of toegevoegd rechter als bedoeld in artikel 191 te worden benoemd, moet het lid van het openbaar ministerie benoemd met toepassing van artikel 194, § 2, ten minste 5 jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie hebben vervuld. » 7 B.1.
  15. Na de indiening van het beroep tot vernietiging werd bij de wet van 22 december 2003 houdende diverse bepalingen, artikel 191, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek opnieuw ingevoerd, omdat de afschaffing ervan op een vergissing berustte (Parl. St., Kamer, 2003- 2004, DOC 51-0473/001 en DOC 51-0474/001, p. 244). Het aldus herstelde artikel 191 is van toepassing op de vacatures die in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt na de inwerkingtreding van de wet van 22 december
  16. De herinvoering van artikel 191 van het Gerechtelijk Wetboek heeft niet tot gevolg dat het beroep tot vernietiging onontvankelijk is bij gebrek aan belang. Ingevolge de wetswijziging van 22 december 2003, die door de verzoekers niet voor het Hof werd betwist, heeft de opheffing van artikel 191, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek uitwerking gehad van 2 juni 2003 tot en met 10 januari
  17. B.1.
  18. Aangezien uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat verscheidene verzoekers in die periode voldeden aan de benoemingsvereisten gesteld door het afgeschafte artikel 191, § 1, en ten gevolge van die afschaffing een kans op benoeming hebben gemist, werden zij door de bestreden bepaling rechtstreeks en ongunstig geraakt. Nu het belang van die verzoekers vaststaat, dient het Hof niet de exceptie te onderzoeken die de Ministerraad heeft opgeworpen ten aanzien van het beroep, in zoverre het is ingesteld door de v.z.w. Nationaal Verbond van de magistraten van eerste aanleg. B.1.
  19. Wat de afschaffing door de bestreden bepaling van het vroegere artikel 191, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek betreft, moet worden opgemerkt dat de inhoud van die bepaling door artikel 10, 1°, van de wet van 3 mei 2003 werd overgenomen in artikel 190 van het Gerechtelijk Wetboek. De verzoekers hebben derhalve geen belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling in zoverre zij betrekking heeft op het opgeheven artikel 191, §
  20. Ten gronde B.2.
  21. Ten gevolge van de opheffing van artikel 191, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek bij de wet van 3 mei 2003 konden de leden van het openbaar ministerie, benoemd na de stage voorgeschreven bij artikel 259octies, § 3, van hetzelfde Wetboek, geen kandidaat meer zijn 8 om te worden benoemd als rechter of toegevoegd rechter in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de rechtbank van koophandel. Zoals vermeld in B.1.3 blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 2003 dat de afschaffing van artikel 191, § 1, op een vergissing berustte. B.2.
  22. De afschaffing, per vergissing, van een wetsbepaling, waardoor aan magistraten van het openbaar ministerie tijdelijk en zonder redelijke verantwoording de kans werd ontnomen om zich kandidaat te stellen voor een ambt in de zittende magistratuur, is strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.3.
  23. De Ministerraad heeft gevraagd om, in geval van vernietiging van de bestreden bepaling, toepassing te maken van artikel 8 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Wanneer het Hof de gevolgen aanwijst van de vernietigde bepaling die het handhaaft, dient het niet alleen rekening te houden met de belangen van de verzoekers, die een kans op een benoeming hebben gemist, maar eveneens met de vereisten van een goede rechtsbedeling en met het belang van de rechtzoekenden. In geval van niet-handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling zou de terugwerkende kracht van die vernietiging, overeenkomstig artikel 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, kunnen leiden tot de vernietiging van verschillende benoemingen die werden gedaan tussen 2 juni 2003 en 10 januari 2004, waardoor functies van rechter gedurende verscheidene maanden onvervuld zouden blijven. Bovendien had de in het geding zijnde bepaling uitsluitend tot gevolg dat personen die reeds waren benoemd als lid van het openbaar ministerie, gedurende zes maanden een kans op een benoeming tot rechter hebben gemist. De verzoekende partijen hebben hun beroep tot vernietiging ingediend de dag vóór het verstrijken van de termijn van zes maanden waarin artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 voorziet, zonder gebruik te maken van de mogelijkheid die hun bij artikel 21, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet wordt geboden, om binnen een termijn van drie maanden de schorsing te vorderen van de bepaling die hen benadeelt. De verzoekers hebben evenmin een beroep tot vernietiging ingesteld tegen de wet van 22 december 2003 waarbij artikel 191, § 1, met ingang van de datum van inwerkingtreding van die wet zonder terugwerkende kracht opnieuw werd ingevoerd. 9 Aangezien het duidelijk is dat het voordeel, voor bepaalde verzoekende partijen, van een terugwerkende kracht van de vernietiging buiten verhouding staat tot de verstoring die zij voor de openbare dienst van het gerecht zou veroorzaken, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling te worden gehandhaafd. 10 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 11 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre die bepaling artikel 191, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek heeft opgeheven; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 12 januari
  24. De griffier, De voorzitter, L. Potoms A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.001 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.