id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.006 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050112.16 Arrest- Rolnummer: 6/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-06 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-07-02 04:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals van toepassing sinds de wijziging ervan bij de wet van 4 september 2002, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde verplicht blijft de belastingschuld van de gefailleerde inzake de personenbelasting en de aanvullende gemeentebelasting te betalen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals vervangen bij artikel 29 van de wet van 4 september 2002, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Tekst van de beslissing Rolnummer 2911 Arrest nr. 6/2005 van 12 januari 2005 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals vervangen bij artikel 29 van de wet van 4 september 2002, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 29 januari 2004 in zake K. Roelandt tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 6 februari 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals vervangen door artikel 29 van de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de echtgenoot van de gefailleerde, die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd is van die verplichting, terwijl de echtgenoot van de gefailleerde die krachtens een wettelijke bepaling met de gefailleerde hoofdelijk gehouden is tot betaling van een schuld van deze laatste ingevolge de verschoonbaarheid niet bevrijd is van die verplichting ? »
- « Schendt artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals vervangen door artikel 29 van de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de echtgenoot van de gefailleerde verplicht blijft de belastingschuld van de gefailleerde inzake onroerende voorheffing voor de gezinswoning of personenbelasting te betalen, terwijl de gefailleerde zelf niet meer verplicht is deze belastingschuld te betalen ? » K. Roelandt, wonende te 9240 Zele, Van Ackerwijk C 79, en de Ministerraad hebben ieder een memorie en een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 30 november 2004 : - zijn verschenen : . Mr. P. Missoul, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. B. De Donder, advocaat bij de balie te Dendermonde, en Mr. L. De Broeck, advocaat bij de balie te Brussel, voor K. Roelandt; . Mr. N. Weinstock loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In het kader van een fiscaal geschil tussen K. Roelandt en de Belgische Staat omtrent de invordering van de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor de aanslagjaren 1997 en 1998, is de vraag gerezen of de ontvanger van de directe belastingen kan overgaan tot de invordering van belastingschulden op de eisende partij voor de verwijzende rechter, K. Roelandt. De eisende partij voor de verwijzende rechter is immers gehuwd onder het wettelijk stelsel met L. Scholliers, die op 20 april 1998 failliet werd verklaard en op 19 juni 2000 definitief verschoonbaar werd verklaard. De eisende partij voor de verwijzende rechter beroept zich op een schending van het gelijkheidsbeginsel door artikel 82 van de faillissementswet. Daarop stelt de Rechtbank van eerste aanleg te Gent bovenvermelde prejudiciële vragen. III. Onderwerp van de in het geding zijnde bepaling Artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals gewijzigd bij artikel 29 van de wet van 4 september 2002 « tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen », bepaalt : « […] De echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting. De verschoonbaarheid heeft noch gevolgen voor de onderhoudschulden, noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft. » IV. In rechte -A- A.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat artikel 82 van de faillissementswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, omdat de echtgenoot fundamenteel verschillend wordt behandeld al naargelang het een schuld betreft waarvoor hij zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld (en waarvan hij door de verschoonbaarverklaring wel bevrijd wordt) of een schuld waarvoor hij zich niet persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld, maar waartoe hij overeenkomstig een wettelijke bepaling gehouden is (en waarvan hij door de verschoonbaarverklaring niet wordt bevrijd) (eerste prejudiciële vraag) of een belastingschuld (tweede prejudiciële vraag). Voor de verschillende behandeling bestaat, volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter, geen objectieve en redelijke verantwoording. A.2.
- Allereerst werpt de Ministerraad op dat de te vergelijken categorieën van echtgenoten niet voldoende vergelijkbaar zijn en dit om een dubbele reden. Enerzijds, omdat de beide categorieën van echtgenoten in volkomen andere hoedanigheden gehouden zijn tot betaling van de desbetreffende schuld. Anderzijds, omdat de eerste categorie van echtgenoten bewust heeft geopteerd voor het delen van een economisch risico, terwijl bij de tweede categorie de mede-gehoudenheid automatisch voortvloeit uit artikel 1408 van het Burgerlijk Wetboek. 4 A.2.
- Volgens de Ministerraad is de formulering van de tweede prejudiciële vraag duidelijk : de vraag is erop gericht te vernemen of een discriminatie bestaat tussen de categorie van personen die na faillissement verschoonbaar zijn verklaard en niet langer gehouden zijn hun schuld te betalen, en hun echtgenoten-medeschuldenaars, die wel gehouden zijn die schuld te betalen. De Ministerraad brengt de door de wetgever beoogde doelstelling in herinnering en is van oordeel dat het uitsluiten van niet-gefailleerden van de gunstmaatregel van verschoonbaarheid pertinent is met het oog op het bereiken van dat doel, namelijk de « fresh start ». Dat die regeling van de verschoonbaarheid niet werd uitgebreid tot de medeschuldenaars, en met name de echtgenoot van de gefailleerde, spreekt, volgens de Ministerraad, voor zich. « Hun situatie is immers als dusdanig niet het gevolg van het faillissement. » Volgens de Ministerraad houdt de regeling waarvoor de wetgever heeft geopteerd, op een evenwichtige manier het midden tussen het volledige uitwissen van de mogelijke negatieve gevolgen van het faillissement voor de gefailleerde en al degenen die door dat faillissement aangesproken zouden kunnen worden, enerzijds, en, anderzijds, het respect voor de aangegane verbintenissen en de rechten van de schuldeisers, die immers op een onevenredige manier zouden worden getroffen wanneer het voordeel van het tenietgaan van de schuld van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde zou worden uitgebreid tot zijn medeschuldenaars. A.2.
- In uiterst ondergeschikte orde meent de Ministerraad dat artikel 82 van de faillissementswet een interpretatie toestaat die impliceert dat de hoofdelijk met de gefailleerde verbonden schuldenaar na sluiting van het faillissement niet langer zou kunnen worden aangesproken voor die schulden. A.3.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat er geen wezenlijk verschil bestaat tussen de « vrijwillig gehouden » en « wettelijk gehouden » echtgenoot, noch wat betreft hun hoedanigheid, noch wat betreft hun gehoudenheid tot de schuld. A.3.
- De omstandigheid dat er geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor het aangeklaagde verschil in behandeling wordt, volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter, met zoveel woorden bevestigd in de parlementaire voorbereiding waarin wordt vermeld dat de bevrijdingsregeling die werd ingesteld ten aanzien van de echtgenoot van de gefailleerde, beperkt is tot de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schulden van de gefailleerde. De reden ligt in het feit dat volgens de parlementaire voorbereiding de bevrijdingsregels ten aanzien van de echtgenoot dienen te worden geïnterpreteerd alsof de bevrijding betrekking heeft op de echtgenoot van de gefailleerde die met zijn vermogen instaat voor de nadelige gevolgen die anderen ondergaan ten gevolge van een bepaalde handeling of voorval. A.3.
- Aangaande de tweede prejudiciële vraag merkt de eisende partij voor de verwijzende rechter op dat, in tegenstelling tot hetgeen wordt gesteld door de Ministerraad, het uitsluiten van niet-gefailleerden van de gunstmaatregel van verschoonbaarverklaring niet pertinent is, omdat een « fresh start » voor een gefailleerde echtgenoot, terwijl de andere echtgenoot de schulden dient te betalen, de facto niet realistisch is. Daarnaast is het tevens niet zo vanzelfsprekend dat de regeling van de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde niet wordt uitgebreid tot de medeschuldenaars. Ten gevolge van de verschoonbaarverklaring gaan de schulden van de gefailleerde immers teniet. Het tenietgaan van de schulden impliceert het uitdoven, het verdwijnen of het verval van iedere daarmee samenhangende verbintenis, niet alleen ten opzichte van de gefailleerde, maar ook ten aanzien van derden, al dan niet hoofdelijk verbonden met de gefailleerde. De beslagrechter te Leuven oordeelde reeds eerder dan ook terecht dat op basis van een grondwetsconforme interpretatie van artikel 82 van de faillissementswet de verschoonbaarheid van de gefailleerde tot gevolg heeft dat de personenbelasting niet tegen zijn echtgenoot kan worden verhaald. A.4.
- De Ministerraad herhaalt zijn memorie en bevestigt nogmaals dat de te vergelijken categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. A.4.
- In ondergeschikte orde voert de Ministerraad nogmaals aan dat artikel 82 van de faillissementswet grondwetsconform kan worden geïnterpreteerd. 5 -B- B.
- De eerste prejudiciële vraag luidt of het nieuwe artikel 82 van de faillissementswet discrimineert doordat de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor diens schuld, door de verschoonbaarverklaring bevrijd is van die schuld, terwijl de echtgenoot die krachtens een wettelijke bepaling hoofdelijk gehouden is met de gefailleerde, door de verschoonbaarverklaring niet bevrijd is van de verplichting tot betaling van die schuld. De tweede prejudiciële vraag luidt of het nieuwe artikel 82 discrimineert doordat de echtgenoot van de gefailleerde verplicht blijft de belastingschuld van de gefailleerde inzake « onroerende voorheffing voor de gezinswoning of personenbelasting » te betalen, terwijl de gefailleerde zelf niet meer verplicht is die belastingschuld te betalen. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de prejudiciële vragen enkel belastingschulden betreffen, meer bepaald de personenbelasting en de aanvullende gemeentebelasting. Het Hof zal zijn onderzoek aldus beperken. B.
- De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van de faillissementswetgeving die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers. De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, p. 35). In de parlementaire voorbereiding wordt gepreciseerd dat « verschoonbaarheid […] een gunst [is] die aan de handelspartner wordt gegeven inzoverre hij, naar redelijke verwachtingen, een betrouwbare tegenpartij zal zijn wiens handels- of industriële activiteit het algemeen belang zal dienen » (ibid., p. 36). De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel […] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het […] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als 6 gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (ibid., p. 29). Met de wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen heeft de wetgever beoogd met nog meer doeltreffendheid de oorspronkelijke doelstellingen te bereiken (Parl. St., Kamer, 2001-2002, nr. 1132/1, p. 1). B.
- De wetgever heeft, door de rechtbank de mogelijkheid te geven de gefailleerde verschoonbaar te verklaren, een maatregel genomen die in overeenstemming is met de vermelde doelstellingen. Bij de wet van 4 september 2002 heeft de wetgever een nieuwe voorwaarde ingevoerd : de gefailleerde kan enkel verschoonbaar worden verklaard wanneer hij ongelukkig en te goeder trouw is. Wanneer hij aan die voorwaarde voldoet, kan hem de verschoonbaarheid door de rechtbank slechts geweigerd worden « ingeval van gewichtige omstandigheden, met bijzondere redenen omkleed ». B.
- Nu de wet van 4 september 2002 niet alleen de gefailleerde maar ook de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van de gefailleerde, van hun verplichtingen bevrijdt, dient het Hof te onderzoeken of die maatregel geen discriminatie inhoudt ten aanzien van de echtgenoot die ertoe gehouden blijft belastingschulden van de gefailleerde te vereffenen. B.5.
- De regeling van de verschoonbaarheid slaat op de eigen schulden van de gefailleerde. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot van de gefailleerde die zich persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld voor de schuld van de gefailleerde, ligt in het verlengde van die regeling. De echtgenoot heeft weliswaar een eigen 7 verbintenis tot zekerheid aangegaan, doch die verbintenis betreft niet het betalen van een eigen schuld, maar het vereffenen van een schuld van de gefailleerde hoofdschuldenaar. B.5.
- In zoverre de wetgever op geen enkele wijze de rechter toestaat de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde van een belastingschuld van deze laatste te bevrijden, heeft hij een discriminatie laten bestaan. B.
- De prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals van toepassing sinds de wijziging ervan bij de wet van 4 september 2002, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde verplicht blijft de belastingschuld van de gefailleerde inzake de personenbelasting en de aanvullende gemeentebelasting te betalen. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 12 januari
- De griffier, De voorzitter, L. Potoms A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div