← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.011

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.011 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050118.27 Arrest- Rolnummer: 11/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-04 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-02 07:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de artikelen 3, 4 en 9 van het decreet van het Waalse Gewest van 15 mei 2003 « houdende wijziging van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning »; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot 31 december 2005. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 3, 4 en 9 van het decreet van het Waalse Gewest van 15 mei 2003 « houdende wijziging van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning », ingesteld door de v.z.w. Inter-Environnement Wallonie. Tekst van de beslissing Rolnummer 2871 Arrest nr. 11/2005 van 19 januari 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 3, 4 en 9 van het decreet van het Waalse Gewest van 15 mei 2003 « houdende wijziging van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning », ingesteld door de v.z.w. Inter-Environnement Wallonie. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 december 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 december 2003, heeft de v.z.w. Inter-Environnement Wallonie, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 5000 Namen, boulevard du Nord 6, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3, 4 en 9 van het decreet van het Waalse Gewest van 15 mei 2003 « houdende wijziging van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 juni 2003). De Waalse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 30 november 2004 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sambon, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. F. Haumont, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Wat het belang van de verzoekende partij betreft A.1.1. De vereniging zonder winstoogmerk Inter-Environnement Wallonie beweert dat zij een van de belangrijkste verenigingen is op het gebied van bescherming van het leefmilieu op het grondgebied van het Waalse Gewest. Haar optreden bij de uitwerking van decretale en verordenende teksten inzake ruimtelijke ordening of bescherming van het leefmilieu, alsook haar deelname aan diverse raden, commissies en comités, zouden getuigen van het engagement van de vereniging voor de bescherming van het leefmilieu. A.1.2. Volgens de Waalse Regering zou het verzoekschrift geen enkel element aanreiken waaruit blijkt dat de verzoekende partij persoonlijk en op rechtstreekse en ongunstige wijze in haar situatie zou worden geraakt 3 door de bepalingen die zij aanvecht. Bovendien zou zij niet gemachtigd zijn om de beweerde discriminaties onder burgers op abstracte wijze aan te klagen, zonder dat hieruit een aantasting van het leefmilieu zou voortvloeien. A.1.3. In antwoord op de Waalse Regering herinnert de verzoekende partij aan haar maatschappelijk doel om aan te tonen dat zij een persoonlijk belang heeft om in rechte te treden, aangezien de bestreden bepalingen betrekking hebben op procedures voor milieueffectbeoordeling die de kern vormen van het preventiebeginsel en die bijgevolg ten grondslag liggen aan het hele milieurecht. Zij vestigt eveneens de aandacht van het Hof op het feit dat het Waalse Gewest haar heeft betrokken bij de uitwerking van het decreet van 11 maart 1999 wegens de specifieke aard van haar actie, en dat het bijgevolg niet logisch zou zijn dat het Gewest haar het recht zou ontzeggen in rechte te treden voor de verdediging van haar maatschappelijk doel. A.1.4. In haar memorie van wederantwoord beweert de Waalse Regering dat het niet voldoende is dat de wetgeving betrekking heeft op de aangelegenheid van leefmilieu om als verzoekende partij een verschil in behandeling tussen burgers te kunnen aanvoeren. Zij voert aan dat de arresten van de Raad van State die de verzoekende partij heeft aangehaald om aan te tonen dat zij een belang heeft om in rechte te treden, irrelevant zijn, en citeert het arrest nr. 59.817 van 29 mei 1996 waarin de Raad van State het beroep van de verzoekende partij onontvankelijk heeft verklaard om reden dat de omstandigheid dat een bepaling het maatschappelijk doel van een vereniging volgens haar eigen mening niet voldoende bevordert, haar geen rechtstreeks belang toekent om die bepaling aan te vechten. Ten gronde A.2.1. De verzoekende partij voert een enkel middel aan dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met artikel 23 ervan en met de artikelen 1 tot 6 van de richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, en uit de rechtstreekse schending van artikel 23 van de Grondwet. Volgens haar zou ingevolge de artikelen 4 en 9 van het decreet een onderscheid ontstaan tussen de projecten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu en die zijn opgenomen in de gesloten lijst van projecten die aan een milieueffectrapportering moeten worden onderworpen, en de projecten die niet voorkomen in die lijst en bijgevolg niet aan een milieueffectrapportering moeten worden onderworpen terwijl de milieueffecten aanzienlijk kunnen zijn. Hierdoor zouden de bestuurden die met de laatstvermelde projecten te maken hebben, niet de procedurele en materiële waarborgen genieten die worden toegekend aan de bestuurden die te maken hebben met een project dat wel in de gesloten lijst is opgenomen, in dit geval de voorafgaande raadpleging van het publiek, het optreden van een erkend studiebureau en het uitvoeren van een wetenschappelijke studie. A.2.2. Het stelsel waarin het decreet voorziet, zou bijgevolg voor een categorie van burgers op discriminerende wijze afbreuk doen aan het recht op bescherming van een gezond leefmilieu. Bovendien zou het een achteruitgang betekenen op het gebied van de rechtsbescherming van het leefmilieu, en hierdoor afbreuk doen aan het standstill-beginsel dat is vastgelegd bij artikel 23 van de Grondwet. Memorie van de Waalse Regering A.3.1. Na een beschrijving van de normatieve context van de bestreden norm, voert de Waalse Regering aan dat de verzoekende partij geen enkel belang zou hebben bij de vernietiging van artikel 9 van het decreet van 15 mei 2003 in zijn geheel. Zo zou geen enkel bezwaar zijn geuit tegen de eerste paragraaf van de voormelde bepaling en zou, door de vernietiging ervan, artikel 14, § 1, van het decreet van 11 september 1985 opnieuw moeten worden toegepast terwijl die bepaling aanleiding zou hebben gegeven tot controversen die het systeem van openbaar onderzoek onuitvoerbaar maakten. Het bestreden decreet zou precies tot doel hebben elke twijfel weg te nemen over het feit of een project dat aan een evaluatienota onderworpen is, al dan niet aan een openbaar onderzoek moet worden onderworpen terwijl die projecten geen aanzienlijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben. De Waalse Regering wijst eveneens erop dat de verplichting om bepaalde projecten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu, aan de procedure van de evaluatienota te onderwerpen, is 4 vastgelegd in het decreet van 4 juli 2002, zodat de vernietiging van het aangevochten decreet geen enkele invloed zou hebben op die procedure. A.3.2.1. Wat de grond van de zaak betreft, zou het bestaan van gradaties in het ernstig karakter van de milieueffecten die projecten kunnen hebben, een verschillende behandeling van die projecten kunnen verantwoorden. Richtlijn 85/337/EEG zou zelf een onderscheid maken tussen twee categorieën van projecten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu, in dit geval de projecten die ambtshalve als dusdanig worden erkend wegens intrinsieke factoren, en de bescheidenere projecten, waarvoor de lidstaten kunnen beoordelen of zij aanzienlijke milieueffecten hebben. Bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden bovendien de installaties en activiteiten in drie klassen onderverdeeld, naar gelang van de gevolgen ervan voor mens en milieu en in dalende volgorde. Alleen voor de activiteiten van de klassen 1 en 2 moet een vergunning worden aangevraagd, terwijl voor die van klasse 3 een soepeler systeem van mededeling geldt. De projecten van klasse 1 en die welke aan een milieueffectrapport zijn onderworpen, zouden volledig samenvallen, terwijl de projecten van klasse 2 aan een evaluatienota zouden zijn onderworpen en, afhankelijk van uitwendige factoren, aanzienlijke milieueffecten zouden kunnen hebben. Het bestreden decreet zou de eisen voor die laatste projecten hebben verscherpt door de verplichting het advies van de « Conseil wallon de l’environnement pour le développement durable » in te winnen en een openbaar onderzoek van vijftien dagen te organiseren. De Waalse Regering preciseert voorts nog dat, aangezien de lijst van de projecten die aan een milieueffectrapportering moeten worden onderworpen, uitgebreider is dan in de vroegere wetgeving, de projecten die aan die rapportering kunnen ontsnappen en die reeds zeldzaam waren onder de vroegere wetgeving, minder talrijk zullen zijn. A.3.2.2. Wat de toepassing van het standstill-beginsel betreft, verwijst de Waalse Regering naar het arrest nr. 169/2002 van het Hof om te stellen dat dit beginsel de particulier niet zozeer een recht op het behoud van de norm toekent, maar hem het behoud van een vergelijkwaardige bescherming waarborgt. Er wordt aangevoerd dat het opmaken van een milieueffectrapport geen essentiële waarborg is. Binnen het systeem van milieueffectbeoordeling in het Europees recht dat, volgens de bewoordingen van artikel 175 van het E.G.-Verdrag, « een hoog niveau van bescherming van het leefmilieu » waarborgt, is immers niet steeds de uitvoering van een wetenschappelijke studie, noch het optreden van een erkend studiebureau vereist. Er wordt eveneens beweerd dat de inhoud van de nieuwe evaluatienota beter is uitgewerkt dan die van het vroegere milieueffectrapport. Het nieuwe systeem van milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest dat is ingevoerd bij het decreet van 11 maart 1999 en gewijzigd bij de decreten van 4 juli 2002 en 15 mei 2003, zou de bescherming van het leefmilieu verhogen via de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, zowel uit het oogpunt van de procedurele waarborgen als uit dat van de vereisten met betrekking tot het beoordelingssysteem in zijn geheel. Ten slotte beweert de Waalse Regering dat geenszins zou zijn aangetoond dat een termijn van vijftien dagen in plaats van dertig het de bestuurden moeilijker zou maken om hun rechten uit te oefenen. Memorie van antwoord van de verzoekende partij A.4.1. De verzoekende partij onderstreept dat, in tegenstelling tot hetgeen de Waalse Regering beweert, er sprake is van een fundamentele en substantiële wijziging van het stelsel dat voordien van toepassing was vanaf het ogenblik dat twee verschillende beoordelingsdocumenten, in dit geval het rapport en de nota, kunnen worden gebruikt voor projecten die aanzienlijke gevolgen hebben voor het leefmilieu. Zij legt eveneens de nadruk op het feit dat er in het huidige stelsel, net zoals in het oorspronkelijke decreet, projecten zijn die in een lijst zijn opgenomen en die aanzienlijke gevolgen zouden kunnen hebben voor het 5 leefmilieu, maar ook, en dat in tegenstelling tot het oorspronkelijke decreet, projecten die niet voorkomen in de lijst en waarvan geweten is dat ze aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu maar die niet langer onderworpen moeten worden aan hetzelfde stelsel als de projecten van de lijst en waarvan wordt aangenomen dat zij aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu. A.4.2. Wat het belang van de verzoekende partij betreft bij de vernietiging van artikel 9 in zijn geheel, voert zij aan dat de Waalse Regering niet aantoont welk gedeelte van artikel 9 niet door het Hof zou moeten worden getoetst. Wat het argument betreft volgens hetwelk het aangevochten stelsel het resultaat zou zijn van de wijzigingen aangebracht bij het decreet van 4 juli 2002, voert de verzoekende partij aan dat het wel degelijk artikel 3 van het bestreden decreet is dat de gesloten lijst beperkt tot de projecten die aan een milieueffectrapport moeten worden onderworpen, met dien verstande dat andere projecten, die niet in die lijst zijn opgenomen, eveneens aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu. A.4.3. Volgens de verzoekende partij bepaalt de richtlijn 85/337/EEG dat de projecten bedoeld in bijlage I van de richtlijn moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling terwijl, voor de projecten bedoeld in bijlage II, de lidstaten een beoordelingsbevoegdheid hebben met betrekking tot het feit of zij al dan niet aan zulk een beoordeling moeten worden onderworpen. Het onderscheid dat de Waalse wetgever maakt, zou echter niet berusten op een precies, objectief en controleerbaar criterium van onderscheid tussen projecten die allemaal aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor het leefmilieu, waarbij de ene groep ambtshalve aan een milieueffectrapport wordt onderworpen en de andere groep alleen aan een evaluatienota. Met betrekking tot de bewering dat de projecten die aan een evaluatienota zijn onderworpen zeldzaam zouden zijn, antwoordt de verzoekende partij dat men niet kan vooruitlopen op de toepassing van het decreet. De verzoekende partij weerlegt eveneens het argument volgens hetwelk het ondenkbaar zou zijn een milieueffectrapport op te leggen voor de projecten die niet in de gesloten lijst voorkomen omdat de bedoeling van die lijst voorspelbaarheid is, om de auteur van het project in staat te stellen om hetzij een rapportering te laten uitvoeren, hetzij de evaluatienota uit te werken voordat hij een vergunningsaanvraag indient, dus vóór de beoordeling door de bevoegde overheid. Zij voert aan dat zowel artikel 20 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning als artikel 8, § 4, van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest voorzien in de mogelijkheid een milieueffectrapportering uit te voeren terwijl de vergunningsaanvraag wordt onderzocht, die oorspronkelijk samen met een evaluatienota werd ingediend. A.4.4. Wat het standstill-beginsel betreft, citeert de verzoekende partij de rechtsleer, het arrest van het Hof nr. 169/2002 en verschillende adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State over ontwerp-decreten op het gebied van leefmilieu om te stellen dat artikel 23 van de Grondwet zich verzet tegen maatregelen die het niveau van bescherming van de rechten die het erkent, verminderen. De adviezen die de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft gegeven in het kader van de procedures tot milieueffectbeoordeling die in het Waalse Gewest van toepassing zijn, zouden aantonen dat het stelsel van milieueffectrapport een van de belangrijke waarborgen is waarvan de afschaffing zou leiden tot een schending van artikel 23 van de Grondwet. De Waalse wetgever zou zelf het belang hebben erkend van de procedurele waarborgen die een milieueffectrapport kenmerken ten opzichte van de andere methodes van milieueffectbeoordeling, in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 18 juli 2002 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (W.W.R.O.S.P.). Artikel 8, § 4, van het decreet van 11 september 1985 zoals gewijzigd bij de decreten van 11 maart 1999, 4 juli 2002 en 13 mei 2003 zou eveneens het belang van het mechanisme van milieueffectrapportering bevestigen door te voorzien in een mechanisme van vrijstelling van dat rapport, omdat voor bepaalde projecten een evaluatienota voldoende is. Er wordt immers aangevoerd dat dit mechanisme geen enkele zin zou hebben indien er geen enkel verschil zou zijn, wat de aard betreft, tussen beide procedures. De verzoekende partij citeert ter ondersteuning van haar stelling het arrest van de Raad van State nr. 44.022 van 15 september 1993 waarbij de procedure van milieueffectrapportering wordt vergeleken met een procedure van deskundigenonderzoek. De verzoekende partij beweert voorts nog dat, in tegenstelling tot hetgeen de Waalse Regering aanvoert, de uitbreiding van het toepassingsgebied van het stelsel van milieuvergunning in geen enkel opzicht het toepassingsgebied wijzigt van de projecten die aan de richtlijn 85/337/EEG onderworpen zijn. De inhoud van de 6 nieuwe evaluatienota zou evenmin aanzienlijk zijn uitgebreid door het bestreden decreet. Alleen punt 5° van artikel 9, § 3, van het decreet van 11 september 1985, gewijzigd bij het decreet van 4 juli 2002, zou als nieuw worden beschouwd zonder echter bijkomende materiële gegevens in te houden, aangezien dat punt betrekking heeft op een niet-technische samenvatting van de eerste vier punten. De verzoekende partij voegt er nog aan toe dat de evaluatienota in het huidige stelsel geen specifiek document is, maar samengesteld is uit het dossier van de vergunningsaanvraag in zijn geheel. Ten slotte wijst de verzoekende partij op de verschillende behandeling, wat betreft de termijn van openbaar onderzoek die voor beide types van procedures is vastgelegd, zonder dat dit verschil op geldige wijze kan worden verantwoord. Memorie van wederantwoord van de Waalse Regering A.5.1. De Waalse Regering beweert dat de verzoekende partij de vernietiging vordert van bepalingen die uitsluitend verbeteringen inhouden voor de bescherming van het leefmilieu. Volgens haar zijn het vroegere decreten die onrechtstreeks door het verzoekschrift worden beoogd, zodat het middel onontvankelijk zou moeten worden verklaard. A.5.2. Zij beklemtoont het feit dat er gradaties bestaan in het ernstig karakter van de milieueffecten, die een gedifferentieerde behandeling kunnen verantwoorden wat de procedures betreft voor de beoordeling van die milieueffecten. In de richtlijn zelf zou dat onderscheid gemaakt worden door middel van twee lijsten van projecten in de bijlagen I en II. Het feit dat de nationale wetgever nuances aanbrengt bij het toepassen van de richtlijn door twee verschillende uitvoeringswijzen in te voeren voor zover het minimale stramien in acht wordt genomen, zou behoren tot de beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken bij het omzetten van een richtlijn in de interne rechtsorde. De Waalse Regering beklemtoont ook nog dat slechts weinig projecten nog individueel zullen moeten worden beoordeeld omdat de lijst van de projecten die aan een milieueffectrapport moeten worden onderworpen, werd uitgebreid. Volgens haar zou het in het decreet aangewende criterium van onderscheid berusten op het vermoeden van aanzienlijke gevolgen voor het leefmilieu dat a priori op regelmatige wijze is vastgesteld. Dat criterium zou objectief zijn omdat het materieel gezien mogelijk is dat vermoeden vast te stellen, bij gebreke waarvan het project het voorwerp zal zijn van de procedure van de evaluatienota. Dat criterium is bij decreet vastgelegd en de actiemiddelen om dat vermoeden vast te stellen zijn eveneens decretaal bepaald. De Waalse Regering besluit dat de Waalse wetgever een objectieve en redelijke maatregel heeft genomen waarmee een hoog beschermingsniveau van het leefmilieu kan worden gewaarborgd, door een gesloten lijst goed te keuren van projecten die aan een milieueffectrapport zullen moeten worden onderworpen, door de projectontwikkelaars die niet in de lijst zijn opgenomen te waarborgen dat, indien bij een individueel onderzoek blijkt dat het project aanzienlijke gevolgen dreigt te hebben voor het leefmilieu, hun niet zal worden gevraagd de hele procedure opnieuw te beginnen, maar wel de « Conseil wallon de l’environnement pour le développement durable » te raadplegen en het project aan een openbaar onderzoek te onderwerpen. A.5.3. Wat het standstill-beginsel betreft, houdt de Waalse Regering staande dat de uitvoering van een milieueffectrapportering geen essentiële waarborg is voor de bescherming van het leefmilieu. Volgens het Europees recht is die niet vereist, terwijl artikel 175 van het E.G.-Verdrag in een hoog niveau van bescherming van het leefmilieu voorziet. Het nieuwe systeem van milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest zou daarentegen in zijn geheel leiden tot een grotere bescherming van het leefmilieu via de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, hetzij door de wijze waarop het is opgevat, door de procedurele waarborgen, het toepassingsgebied ervan of de inhoud van de documenten. De Regering wijst op het feit dat de evaluatienota in de nieuwe wetgeving dezelfde inhoud heeft als het vroegere milieueffectrapport. Wat ten slotte de wijziging betreft van de termijn voor het openbaar onderzoek, die van dertig dagen tot vijftien dagen is verminderd, geeft de Waalse Regering nogmaals aan dat zij niet inziet in welk opzicht de bestuurden, door de nieuwe termijn, hun rechten moeilijker zouden kunnen uitoefenen. 7 -B- Wat de bestreden bepalingen betreft B.1. Het beroep is gericht tegen de artikelen 3, 4 en 9 van het decreet van het Waalse Gewest van 15 mei 2003 houdende wijziging van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning. Artikel 3 van het decreet bepaalt : « Artikel 8 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 11 maart 1999 en het decreet van 4 juli 2002, wordt gewijzigd als volgt : 1. Paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : ‘ § 2. De Regering bepaalt de lijst van de projecten die vanwege hun aard, omvang of lokalisatie aan een milieueffectonderzoek [lees : milieueffectrapport] onderworpen moeten worden. Bij de bepaling van de aan een milieueffectonderzoek [lees : milieueffectrapportering] te onderwerpen projecten, houdt de Regering rekening met de relevante selectiecriteria bedoeld in de bijlage bij dit decreet.’ 2. Paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : ‘ § 3. De volgende aanvragen worden onderworpen aan een milieueffectrapportering [lees : evaluatienota] : 1° de vergunningsaanvragen betreffende projecten die niet vermeld worden in § 2; 2° de in § 2 bedoelde aanvragen die voldoen aan de voorwaarden vermeld in § 4, eerste lid; 3° de vergunningsaanvragen betreffende projecten die vermeld worden in § 2 en die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 26, § 4, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen. ’ 3. Paragraaf 4 wordt vervangen als volgt : ‘ § 4. Als de vergunningsaanvraag voldoet aan de voorschriften van een plan van aanleg dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een effectonderzoek [lees : milieueffectrapportering] overeenkomstig de artikelen 42 of 50 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, eist de overheid die nagaat of het aanvraagdossier volledig is, geen effectonderzoek [lees : milieueffectrapport] overeenkomstig dit decreet voorzover het 8 effectonderzoek [lees : milieueffectrapport] voorafgaand aan de goedkeuring van het plan de vereiste gegevens bevat. Als niet voldaan wordt aan de voorwaarden van het eerste lid, kan het effectonderzoek [lees : milieueffectrapport] betreffende de vergunningsaanvraag uitgaan van de nuttige gegevens die ingezameld werden bij het (

  1. de)effectonderzoek(
  2. en)[lees : het of de milieueffectrapport(en)] of de effectrapportering uitgevoerd vóór de goedkeuring van een plan van aanleg, een gemeentelijk plan van aanleg, een gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan of een gemeentelijk structuurplan. ’ » Artikel 4 van het decreet bepaalt het volgende : « In hetzelfde decreet wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidend als volgt : ‘ Art. 9bis. Als een vergunningsaanvraag het voorwerp uitmaakt van een milieueffectrapportering [lees : evaluatienota], onderzoekt de overheid die nagaat of het aanvraagdossier volledig is, op grond van die rapportering [lees : nota] en rekening houdende met de relevante selectiecriteria bedoeld in de bijlage bij dit decreet of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Als ze vaststelt dat zulks het geval is, geeft ze de aanvrager kennis daarvan wanneer ze hem meedeelt dat het dossier volledig is. Tegelijkertijd geeft ze de “ Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable ” kennis daarvan en laat ze hem weten dat hij inzage kan nemen van het aanvraagdossier en dat zijn advies als gunstig wordt beschouwd als het niet binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving bij ter post aangetekend schrijven of tegen ontvangbewijs toegezonden wordt. ’ » Artikel 9, ten slotte, luidt als volgt : « Artikel 14 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 11 maart 1999 en het decreet van 4 juli 2002, wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 14. § 1. De vergunningsaanvragen waarvoor een effectonderzoek [lees : milieueffectrapport] wordt geëist, worden aan een openbaar onderzoek onderworpen. § 2. De vergunningsaanvragen waarvoor een milieueffectrapportering [lees : evaluatienota] wordt geëist, worden aan een openbaar onderzoek onderworpen : 1° als de overheid die nagaat of het aanvraagdossier volledig is, overeenkomstig artikel 9bis vaststelt dat het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben; 2° in de andere gevallen, als de desbetreffende wetgeving het oplegt. § 3. Bij het uitvoeren van de openbare onderzoeken bedoeld in de §§ 1 en 2 worden hoe dan ook de volgende principes in acht genomen : 9 1° het dossier van de vergunningsaanvraag, de niet-technische samenvatting, de milieueffectrapportering [lees : evaluatienota] of het effectonderzoek [lees : milieueffectrapport] wordt openbaar gemaakt; 2° het openbaar onderzoek duurt vijftien dagen voor projecten onderworpen aan een effectrapportering [lees : evaluatienota] en dertig dagen voor projecten onderworpen aan een effectonderzoek [lees : milieueffectrapport]; 3° het openbaar onderzoek wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus. Voor de aan een milieueffectrapport onderworpen projecten kan de Regering, naast de bij andere wetten, decreten of besluiten bepaalde regels betreffende een openbaar onderzoek, bijkomende regels opleggen. De Regering kan regels voor de organisatie van het openbaar onderzoek opleggen als de overheid die voor de organisatie instaat, haar verplichtingen niet nakomt. ’ » Wat het belang van de verzoekende partij betreft B.2.1. De Waalse Regering betwist het belang van de verzoekende v.z.w. om in rechte te reden omdat zij door de bestreden bepalingen niet rechtstreeks en ongunstig in haar situatie zou worden geraakt. Er zou immers niet zijn aangetoond dat de in het geding zijnde bepalingen, doordat zij voorzien in twee verschillende procedures voor deelname van de burger aan de milieueffectbeoordeling, zouden raken aan de bescherming van het leefmilieu. B.2.2. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk zich op een collectief belang beroept, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat het collectief belang niet tot de individuele belangen van de leden is beperkt; dat het maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat het maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.2.3. Volgens artikel 4 van haar statuten, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 oktober 2002, heeft de v.z.w. Inter-Environnement Wallonie « tot doel de integriteit en diversiteit van het leefmilieu te beschermen en een leefmilieu van hoge kwaliteit te bevorderen; bovendien wordt zij door haar leden gemachtigd hun belangen te verdedigen in 10 elk geschil waarbij de kwaliteit van het leefmilieu en de duurzame ontwikkeling op lokaal, gewestelijk, federaal, Europees en internationaal niveau in gevaar zijn ». Artikel 7 van die statuten bepaalt dat de effectieve leden van « Inter-Environnement Wallonie » verenigingen zijn en natuurlijke personen die gemachtigd zijn door een groepering van natuurlijke personen, die hun activiteiten volledig of gedeeltelijk in Wallonië uitoefenen en waarvan de werking bijdraagt tot de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel. Bij de artikelen 3, 4 en 9 van het bestreden decreet worden verschillende bepalingen gewijzigd van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest. Wat de projecten betreft die aanzienlijke milieueffecten zouden kunnen hebben, wordt voortaan een onderscheid gemaakt tussen de projecten bedoeld in de door de Regering vastgestelde gesloten lijst, die aan een milieueffectrapport moeten worden onderworpen, en de projecten die niet in die lijst zijn vermeld en die moeten worden onderworpen aan een evaluatienota. Volgens de verzoekende partij zouden de personen die betrokken zijn bij een project dat aanzienlijke milieueffecten zou kunnen hebben maar dat niet is opgenomen in de gesloten lijst, op die manier belangrijke procedurele waarborgen verliezen, met name de voorafgaande raadpleging van de bevolking, het optreden van een erkend studiebureau dat onafhankelijk en onpartijdig is en, ten slotte, een openbaar onderzoek dat langer duurt dan het openbaar onderzoek waarin is voorzien in het kader van een project dat onderworpen is aan een nota. B.2.4. De in het geding zijnde bepalingen, waarbij verschillende procedures voor milieueffectbeoordeling worden geregeld, staan niet los van het maatschappelijk doel van de verzoekende vereniging. Door te bepalen dat projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, aan verschillende procedures zullen worden onderworpen, zou het in het geding zijnde decreet een rechtstreekse en ongunstige weerslag kunnen hebben op het recht op een leefmilieu van hoge kwaliteit dat door de verzoekende v.z.w. wordt verdedigd en aan eenieder wordt toegekend indien het Hof zou vaststellen dat één van die procedures, zonder redelijke verantwoording, geringere procedurele waarborgen biedt aan een categorie van burgers. 11 B.3. Voor zulk een vaststelling dienen de draagwijdte van de aangevochten bepalingen en de gevolgen die zij kunnen hebben te worden onderzocht. Het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep dat de verzoekende vereniging heeft ingesteld, valt samen met het onderzoek ten gronde. Ten gronde B.4. De verzoekende v.z.w. leidt één enkel middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan, en met de artikelen 1 tot 6 van de richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, en uit de schending van artikel 23 van de Grondwet. In een eerste onderdeel van het middel wordt kritiek geleverd op het feit dat artikel 3 van het decreet van 15 mei 2003 voorschrijft dat de Regering een gesloten lijst van projecten opstelt die, doordat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, aan een milieueffectrapportering onderworpen zijn, terwijl artikel 4 van hetzelfde decreet bepaalt dat de projecten die niet in de gesloten lijst zijn opgenomen maar die eveneens aanzienlijke gevolgen zouden kunnen hebben voor het leefmilieu, aan een procedure voor bijkomende gegevens worden onderworpen, waarvan de nadere regels verschillen van die van het milieueffectrapport. In een tweede onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat de decreetgever, door te verzaken aan essentiële waarborgen inzake bescherming van het leefmilieu, eveneens zou hebben geraakt aan het standstill-effect dat voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet en dat elke achteruitgang op het gebied van rechtsbescherming van het leefmilieu verbiedt. B.5.1. Met de in het geding zijnde bepalingen wilde de Waalse decreetgever een regeling treffen voor de projecten die onderworpen zijn aan een evaluatienota en « die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben », om het systeem in overeenstemming te brengen met het gemeenschapsrecht (Parl. St., Waals Parlement, 2002-2003, nr. 469/1, pp. 2 en 3). Het was de bedoeling de projecten die moeten worden beoordeeld, in slechts twee categorieën onder te brengen : 12 « de eerste categorie groepeert de projecten die aan een milieueffectrapport zijn onderworpen omdat zij ‘ aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben ’; de tweede categorie omvat de andere projecten, namelijk de projecten die aan een evaluatienota zijn onderworpen. » Die indeling werd als volgt verduidelijkt : « De projecten van de eerste categorie worden steeds aan raadplegingen en aan een openbaar onderzoek onderworpen. Opdat het systeem dat geldt voor de projecten van de tweede categorie met de richtlijn zou overeenstemmen, moet worden bepaald dat, wanneer die projecten ‘ aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben ’, zij aan raadplegingen en aan een openbaar onderzoek worden onderworpen » (ibid., pp. 3-4). B.5.2. Bij artikel 8, § 2, van het decreet van 11 september 1985, gewijzigd bij artikel 3 van het bestreden decreet, wordt de Regering belast met het bepalen van de lijst van de projecten die aan een milieueffectrapportering moeten worden onderworpen. De wetgever preciseert dat « de Regering [daartoe] rekening houdt met de relevante selectiecriteria bedoeld in de bijlage bij dit decreet ». Wat betreft de projecten die het voorwerp zijn van een evaluatienota, bepaalt artikel 9bis van het decreet van 11 september 1985, ingevoegd bij artikel 4 van het bestreden decreet, dat de bevoegde overheid ermee belast is te onderzoeken of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben en daarbij eveneens rekening houdt met de relevante selectiecriteria bedoeld in de bijlage bij het decreet. Indien de overheid vaststelt dat zulks het geval is, verzoekt zij de « Conseil wallon de l’environnement pour le développement durable » binnen de dertig dagen een advies uit te brengen, en onderwerpt zij het project aan een openbaar onderzoek. Om de milieueffecten van de projecten te bepalen, zijn in de bijlage bij het decreet drie criteria vastgelegd die overeenstemmen met de criteria van bijlage III van de voormelde richtlijn. Het eerste criterium heeft betrekking op de kenmerken van de projecten die aan een milieueffectbeoordeling onderworpen zijn. Die kenmerken hebben betrekking op de omvang 13 van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de afvalproductie, de verontreiniging, de hinder en het gevaar voor ongevallen. De lokalisatie van de projecten, dit wil zeggen de ecologische gevoeligheid van de geografische zones waar het project schade zou kunnen veroorzaken, het gebruik van de bestaande gronden, de relatieve rijkdom, de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van de zone alsook de ecologische draagkracht van het natuurlijke milieu vormen het tweede criterium. Het derde criterium betreft ten slotte de potentiële impact van het project op het leefmilieu, rekening houdend met de geografische zone en het aantal betrokken inwoners, de grensoverschrijdende aard van de impact, de omvang, de complexiteit en de waarschijnlijkheid ervan en, ten slotte, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van de impact. B.5.3. Het systeem voor de beoordeling van de milieueffecten van projecten is beschreven in titel II van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, gewijzigd bij het decreet van 15 mei 2003. Bij artikel 9, §§ 1 en 2, van het decreet wordt de Regering gemachtigd de vorm en de minimale inhoud te bepalen van de evaluatienota en van het milieueffectrapport. Een voor beide procedures gemeenschappelijke minimuminhoud ligt vast in paragraaf 3 van de voormelde bepaling. Wat de eigenlijke procedure betreft, blijkt uit de combinatie van artikel 1, 6°, en artikel 11 van het decreet dat de natuurlijke personen of rechtspersonen die belast zijn met het opstellen van de milieueffectrapporten, een wetenschappelijk onderzoek uitvoeren en door de Regering moeten worden erkend, volgens de criteria en een procedure die zij vaststelt. De nota wordt opgesteld door de auteur van het project zelf, zoals blijkt uit de definitie ervan in artikel 1, 5°, van het decreet van 11 september 1985 en uit de bijlage bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest. 14 B.5.4. Twee andere elementen onderscheiden de procedure van het milieueffectrapport van die van de evaluatienota. Terwijl, voor de projecten die aan een milieueffectrapport onderworpen zijn, de bevolking wordt geraadpleegd vóór de indiening van de vergunningsaanvraag, « om te wijzen op specifieke punten die zouden kunnen worden aangesneden in het effectonderzoek, en om alternatieven voor te leggen die de auteur van het project redelijkerwijs in overweging zou kunnen nemen bij de uitvoering van het effectonderzoek » (artikel 12 van het decreet), ontbreekt zulk een raadpleging in de procedure van de evaluatienota. Indien ten slotte de vergunningsaanvragen aan een openbaar onderzoek moeten worden onderworpen, ongeacht of dat ambtshalve gebeurt wanneer het gaat om een project dat is opgenomen in de gesloten lijst van de Regering, dan wel op verzoek van de administratieve overheid wanneer die van mening is dat het project dat niet in de lijst is opgenomen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, verschilt de duur van het openbaar onderzoek naar gelang van de procedure. Artikel 14, § 3, 2°, van het decreet bepaalt immers dat het openbaar onderzoek vijftien dagen duurt voor projecten onderworpen aan een evaluatienota en dertig dagen voor projecten onderworpen aan een milieueffectrapport. B.5.5. Ook al heeft de Waalse decreetgever zich willen conformeren aan het Europees recht door alle projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben aan een openbaar onderzoek te onderwerpen, toch heeft hij geen reden aangevoerd ter verantwoording van het feit dat, wanneer wordt vastgesteld dat die milieueffecten aanzienlijk zijn, de projecten aan dermate verschillende beoordelingsprocedures worden onderworpen naargelang zij al dan niet zijn opgenomen in de lijst die de Regering heeft vastgesteld in haar besluit van 4 juli 2002. Hoewel in principe kan worden aangenomen dat het onmogelijk is een exhaustieve lijst op te stellen van de projecten die ambtshalve aan een milieueffectrapport moeten worden onderworpen (Parl. St., Waals Parlement, 2002-2003, nrs. 435/2 en 469/5, p. 5, en Hand. 2002-2003, nr. 28, p. 88), heeft de decreetgever het gelijkheidsbeginsel geschonden door twee categorieën van procedures vast te stellen waarvan één onvoldoende waarborgen biedt op het vlak van raadpleging en onpartijdigheid. 15 B.6. Het eerste onderdeel van het middel is gegrond. B.7. Aangezien het tweede onderdeel van het middel niet tot een ruimere vernietiging kan leiden, dient het niet door het Hof te worden onderzocht. B.8. Om de rechtsonzekerheid die kan voortvloeien uit de terugwerking van de vernietiging, te vermijden, meer bepaald voor de personen die op grond van de bekritiseerde reglementering een vergunningsaanvraag hebben ingediend, en om de decreetgever in staat te stellen een nieuwe reglementering aan te nemen, dienen, met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te worden gehandhaafd tot 31 december 2005. 16 Om die redenen, het Hof - vernietigt de artikelen 3, 4 en 9 van het decreet van het Waalse Gewest van 15 mei 2003 « houdende wijziging van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning »; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepalingen tot 31 december 2005. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 19 januari 2005. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.011 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.