id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.012 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050119.9 Arrest- Rolnummer: 12/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-06 Raadplegingen: 262 - laatst gezien 2026-07-02 07:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen » (wijziging, in het bijzonder, van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering), gewijzigd bij artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Brussel, de Correctionele Rechtbank te Turnhout, het Hof van Beroep te Antwerpen, de Correctionele Rechtbank te Brugge, de Correctionele Rechtbank te Kortrijk, het Hof van Cassatie, de Correctionele Rechtbank te Brussel en het Hof van Beroep te Brussel. Tekst van de beslissing Rolnummers 2887, 2888, 2915, 2941, 2958, 2975, 2976, 2980 en 2983 Arrest nr. 12/2005 van 19 januari 2005 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet- correctionaliseerbare misdaden te verlengen » (wijziging, in het bijzonder, van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering), gewijzigd bij artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Brussel, de Correctionele Rechtbank te Turnhout, het Hof van Beroep te Antwerpen, de Correctionele Rechtbank te Brugge, de Correctionele Rechtbank te Kortrijk, het Hof van Cassatie, de Correctionele Rechtbank te Brussel en het Hof van Beroep te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij twee vonnissen van 18 december 2003 in zake de arbeidsauditeur tegen A.-M. S. en J. D.K. en in zake het openbaar ministerie en de n.v. KBC Bank tegen P.C. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 16 januari 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waarbij artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 [tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen] wordt gewijzigd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het tot gevolg heeft dat op dit ogenblik twee verschillende procedureregelingen van toepassing zijn op grond waarvan twee categorieën van beklaagden gelijktijdig onderworpen zijn aan verschillende verjaringsregelingen van de strafvordering naargelang de - mogelijkerwijs soortgelijke - feiten die aan die beklaagden ten laste zijn gelegd, vóór 1 september 2003 of vanaf die datum zouden zijn gepleegd ? » b. Bij vonnis van 6 februari 2004 in zake het openbaar ministerie tegen R.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 12 februari 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Turnhout de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de wet van 17 [lees : 16] juli 2002 waarbij artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering werd gewijzigd, zoals gewijzigd bij de wet van 5 augustus 2003, artikel 11 Gerechtelijk Wetboek [lees : van de Grondwet] en het gelijkheidsbeginsel, in zoverre het een verjaringsregime instelt dat niet zonder onderscheid van toepassing is op alle nog niet verjaarde misdrijven, en tot gevolg heeft dat de verjaring van de strafvordering wegens een nog niet verjaard misdrijf dat gepleegd werd vóór 1 september 2003 geschorst wordt vanaf de inleidingszitting, terwijl de verjaring van de strafvordering wegens een zelfde nog niet verjaard misdrijf dat gepleegd werd na 1 september 2003 niet zal worden geschorst vanaf de inleidingszitting ? » c. Bij arrest van 3 maart 2004 in zake het openbaar ministerie tegen M. M.J. en anderen en in zake het openbaar ministerie en het Ministerie van Financiën tegen E. V.d.V. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 9 maart 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 3 en 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 (zoals gewijzigd bij artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003), waarbij artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering werd gewijzigd en waarbij de schorsing van de verjaring vanaf de inleidingszitting, zoals ingevoerd bij wet van 11 december 1998, werd afgeschaft, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre deze artikelen een verjaringsregime instellen zonder onderscheid van toepassing zijnde op, enerzijds, de categorie van vervolgden voor een nog niet verjaard misdrijf (wanbedrijf of gecorrectionaliseerde misdaad), gepleegd zijnde voor 1 september 2003 en, anderzijds, de categorie van vervolgden voor een nog niet verjaard misdrijf (wanbedrijf of gecorrectionaliseerde misdaad) gepleegd zijnde na 1 september 2003, waarbij de verjaring van de strafvordering jegens de eerste categorie wordt beoordeeld overeenkomstig het regime van de wet van 11 december 1998 en ten aanzien van wie de verjaring derhalve wordt geschorst vanaf de inleidingszitting voor het vonnisgerecht, terwijl de desbetreffende 3 schorsingsgronden wat de verjaring van de strafvordering betreft niet gelden ten aanzien van de tweede categorie ? » d. Bij vonnis van 27 februari 2004 in zake het openbaar ministerie tegen M. D'H. en G.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 25 maart 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Brugge de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waarbij de wetgever in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 invoerde dat de schorsingsgrond van de verjaring van de strafvordering, ingevoerd door de securitaswet van 11 december 1998, opnieuw afgevoerd wordt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het een verschil in behandeling instelt tussen de burger, die een misdrijf pleegt vóór 1 september 2003, en aldus langer zal vervolgd worden, en de burger, die een misdrijf pleegt na 1 september 2003, en aldus korter zal vervolgd worden ? » e. Bij vonnis van 6 april 2004 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen F.R. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 13 april 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Kortrijk de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, waarbij artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering werd vervangen, in samenlezing met artikel 5, 2), van diezelfde wet zoals gewijzigd door artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, artikel 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verjaringsregime instelt dat niet zonder onderscheid van toepassing is op alle nog niet verjaarde misdrijven en tot gevolg heeft dat de verjaring van de strafvordering wegens een nog niet verjaard misdrijf dat gepleegd werd voor 2 september 2003 geschorst wordt vanaf de zitting van het vonnisgerecht waarop de zaak wordt ingeleid, terwijl de verjaring van de strafvordering wegens eenzelfde nog niet verjaard misdrijf dat gepleegd werd na de datum van 1 september 2003 niet wordt geschorst vanaf de zitting waarop de zaak voor het vonnisgerecht wordt ingeleid ? » f. Bij arrest van 30 maart 2004 in zake J.S. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 13 april 2004, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 3 en 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet- correctionaliseerbare misdaden te verlengen, zoals aangevuld door artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre deze bepalingen inhouden dat de verjaring van de strafvordering wegens een misdrijf dat gepleegd werd tot 1 september 2003 geschorst wordt vanaf de inleidingszitting ingevolge artikel 24, 1°, van het Wetboek van Strafvordering, zoals bepaald bij artikel 3 van de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, terwijl de verjaring van de strafvordering wegens eenzelfde misdrijf dat gepleegd werd na 1 september 2003 niet wordt geschorst vanaf de inleidingszitting ? » 4 g. Bij vonnis van 1 april 2004 in zake het openbaar ministerie tegen R. V.d.P., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 14 april 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het artikel 5 van de wet van 16 juli 2002 wijzigt op het vlak van de inwerkingtreding van artikel 3 van de wet van 16 juli 2002, waardoor twee verschillende procedureregelingen terzelfder tijd van toepassing zijn op beklaagden die gelijktijdig worden berecht door mogelijk dezelfde rechter en mogelijk voor op identieke wijze gekwalificeerde feiten, naargelang die feiten vóór of na 1 september 2003 zijn gepleegd ? » h. Bij arrest van 21 april 2004 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen F.G., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 april 2004, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waarbij artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 wordt gewijzigd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het tot gevolg heeft dat op dit ogenblik twee verschillende verjaringsregimes van toepassing zijn op grond waarvan twee categorieën van beklaagden gelijktijdig onderworpen zijn aan verschillende verjaringsregelingen van de strafvordering naargelang de - mogelijkerwijze soortgelijke - misdrijven die aan die beklaagde ten laste worden gelegd, vóór 1 september 2003 of vanaf die datum zouden zijn gepleegd ? » Die zaken, ingeschreven onder de nummers 2887 en 2888 (a), 2915 (b), 2941 (c), 2958 (d), 2975 (e), 2976 (f), 2980 (
- g)en 2983 (
- h)van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - J. D.K., wonende te 1780 Wemmel, F. Robbrechtsstraat 255, in de zaak nr. 2887; - R.B., wonende te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 251, in de zaak nr. 2915; - M.S., wonende te 2350 Vosselaar, Boskant 109, in de zaak nr. 2915; - D.V., wonende te 9820 Merelbeke, Zwijnaardsesteenweg 91, en de n.v. Transport Van Driessche, waarvan de maatschappelijke zetel ook is gevestigd te 9820 Merelbeke, Zwijnaardsesteenweg 91, in de zaak nr. 2941; - E. V.d.V., wonende te 2970 Schilde, Mastendreef 4, P.V., wonende te 3140 Keerbergen, Fazantendreef 2, T.S., wonende te 2070 Zwijndrecht, Polderstraat 162, M. D.K., wonende te 9000 Gent, Jan van Aelbroecklaan 44, en de n.v. V.V.S. International, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 2060 Antwerpen, Van Aerdstraat 3/5, in de zaak nr. 2941; - E.W., wonende te 9080 Lochristi, Denen 24, in de zaak nr. 2975; - J.S., wonende te 2500 Lier, Fortweg 22, in de zaak nr. 2976; 5 - de Ministerraad, in alle zaken. J. D.K., R.B., D.V. en de n.v. Transport Van Driessche, E.W. en de Ministerraad, in de zaken nrs. 2941, 2975 en 2976, hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 30 november 2004 : - zijn verschenen : . Mr. A. Lombart, advocaat bij de balie te Brussel, voor J. D.K., in de zaak nr. 2887; . Mr. P. Helsen, advocaat bij de balie te Hasselt, voor R.B., in de zaak nr. 2915; . Mr. R. Vanhulsel, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. H. Rieder, advocaat bij de balie te Gent, en Mr. P. Missoul, loco Mr. F. Soetaert, advocaten bij de balie te Brussel, voor D.V. en voor de n.v. Transport Van Driessche, in de zaak nr. 2941; . Mr. H. Van Outryve loco Mr. F. Marck, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor E. V.d.V. en anderen, in de zaak nr. 2941; . Mr. J. Meese loco Mr. W. Van Steenbrugge, advocaten bij de balie te Gent, voor E.W., in de zaak nr. 2975; . Mr. H. Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel, voor J.S., in de zaak nr. 2976; . Mr. E. Jacubowitz loco Mr. D. Gérard en Mr. M. Mareschal, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Alle zaken hebben betrekking op personen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens feiten gepleegd vóór 1 september 2003. In de zaken nrs. 2887 en 2888 In de eerste zaak zou de allerlaatste daad van stuiting van de verjaring die binnen de eerste verjaringstermijn van de strafvordering is gesteld, voor de J. D.K. ten laste gelegde feiten teruggaan tot 6 februari 1998. Op 3 januari 2002 verdaagt de Correctionele Rechtbank te Brussel, waarvoor J. D.K. gedagvaard wordt om te verschijnen, het onderzoek van de zaak een eerste maal tot de terechtzitting van 30 mei 2002, met het oog op de ingereedheidbrenging van het dossier, op verzoek van de beklaagde. Het onderzoek van dat dossier wordt vervolgens vier maal door de Rechtbank verdaagd om verschillende redenen (overbelasting 6 van de rol, zoekgeraakt dossier, noodzaak om de raadsman van een andere beklaagde in staat te stellen het dossier te bestuderen). De zaak is uiteindelijk op de terechtzitting van 21 november 2003 in beraad genomen in verband met de enkele vraag van de verjaring. In de tweede zaak zou de allerlaatste daad van stuiting van de verjaring, gesteld binnen de eerste verjaringstermijn, voor de aan de beklaagden ten laste gelegde feiten teruggaan tot 10 februari 1998. Op 23 februari 2001 verdaagt de Correctionele Rechtbank te Brussel, waarvoor laatstgenoemden gedagvaard zijn om te verschijnen, de voortzetting van de debatten naar de terechtzitting van 6 april 2001, teneinde de burgerlijke partijen in staat te stellen over te gaan tot één of meer rechtstreekse dagvaardingen van de niet verschijnende beklaagden. Het onderzoek van de zaak is vervolgens meermaals om verscheidene redenen uitgesteld, waaronder de noodzaak om niet verschijnende beklaagden opnieuw te dagvaarden of om een vertaling te verkrijgen. De zaak is uiteindelijk in beraad genomen in verband met de enkele vraag van de verjaring, op de terechtzitting van 19 november 2003. In die beide zaken merkt de Rechtbank op dat de toepassing van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen bij de wet van 16 juli 2002, haar zou verplichten vast te stellen dat de strafvordering vervallen is. Zij stelt echter vast dat artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waarbij artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 wordt gewijzigd, de toepassing van het voormelde artikel 24, zoals gewijzigd in 2002, voorbehoudt aan de misdrijven die zijn gepleegd na 1 september 2003. Zij leidt daaruit af dat zij op de feiten van de zaak de vroegere versie van artikel 24 moet toepassen die met name voorziet in een schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering die bij de wet van 16 juli 2002 is opgeheven. De Rechtbank, die opmerkt dat, volgens het Hof van Cassatie, een nieuwe procedureregel per definitie onmiddellijk van toepassing is op alle hangende gedingen, vraagt naar de bestaanbaarheid van het voormelde artikel 33 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling, binnen de categorie van de beklaagden die gelijktijdig worden berecht, een onderscheid maakt tussen diegenen die een misdrijf hebben gepleegd vóór 1 september 2003 en diegenen die een misdrijf hebben gepleegd na die datum, aangezien aan eerstgenoemden het voordeel wordt ontzegd van de hervorming van 2002 waarbij een schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering wordt opgeheven. In de zaak nr. 2915 De laatste daad van stuiting van de verjaring van de strafvordering in verband met de valse eed die R.B. ten laste wordt gelegd, is gesteld op 21 april 1998. Op 11 februari 2003 verwerpt het Hof van Cassatie de door R.B. ingestelde voorziening in cassatie tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 7 maart 2002 waarbij wordt beslist tot zijn verwijzing naar de Rechtbank. De Correctionele Rechtbank te Turnhout, die van oordeel is dat die voorziening de verjaring van de strafvordering heeft geschorst, stelt vast dat die strafvordering niet verjaard was op 20 juni 2003, dag van de inleidingszitting welke die verjaring heeft geschorst. Op voorstel van R.B. stelt de Rechtbank aan het Hof de hiervoor weergegeven vraag. Op 13 augustus 2004 richt zij aan het Arbitragehof een verbeterend vonnis waarbij in het beschikkend gedeelte van het vonnis van 6 februari 2004 de woorden « Gerechtelijk Wetboek » worden vervangen door « Grondwet ». In de zaak nr. 2941 De laatste daad van stuiting van de verjaring van de strafvordering in verband met de feiten die met name ten laste worden gelegd aan P.V., E. V.d.V., T.S., M. D.K. en D.V., is gesteld op 24 oktober 1997. Die zaak - in het raam waarvan de n.v. Transport Van Driessche, onder anderen, wordt gedagvaard als burgerlijk aansprakelijke partij - is ingeleid op de terechtzitting van 15 november 2002 van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen. Tegen het vonnis uitgesproken op 2 mei 2002 is meermaals hoger beroep ingesteld. De zaak is ingeleid op de terechtzitting van het Hof van Beroep te Antwerpen op 6 februari 2003. Het Hof van Beroep, dat zich vragen stelt bij de verjaring van de strafvordering, willigt bij de verwijzingsbeslissing het op de terechtzitting van 10 december 2003 door de partijen D.V. en de n.v. Transport Van Driessche geformuleerde verzoek in om een prejudiciële vraag te stellen. 7 In de zaak nr. 2958 G.B. wordt gedagvaard om op 30 januari 2003 te verschijnen voor de Politierechtbank te Brugge wegens feiten gepleegd op 24 mei 2001. Op 10 april 2003 wordt hij met name veroordeeld wegens twee overtredingen. De Correctionele Rechtbank te Brugge, waarbij G.B. hoger beroep heeft ingesteld, onderzoekt de zaak voor de eerste maal op 5 september 2003. De Rechtbank, die opmerkt dat artikel 33 van de programmawet een minder gunstige verjaringsregeling laat voortbestaan voor de personen die een misdrijf hebben gepleegd vóór 1 september 2003, wat een uitzondering vormt op het beginsel dat wetten op de rechtspleging onmiddellijk toepasbaar zijn op de hangende rechtsgedingen, beslist, op verzoek van G.B., die kwestie voor te leggen aan het Arbitragehof en stelt de hiervoor weergegeven vraag. In de zaak nr. 2975 De laatste daad van stuiting van de verjaring van de strafvordering in verband met de feiten die verantwoorden dat E.W., samen met anderen, wordt gedagvaard om op 8 december 2003 te verschijnen voor de Correctionele Rechtbank te Kortrijk, is gesteld op 31 december 1998. Na onderzoek van de zaak op de terechtzitting van 9 maart 2004 merkt de Rechtbank op dat de verjaringsregeling van de strafvordering die van toepassing is op de onderzochte feiten, aan de inleidingszitting van 8 december 2003 een schorsende werking van de verjaring verleent, terwijl de Rechtbank zou moeten vaststellen dat de strafvordering sinds 31 december 2003 is verjaard, indien de feiten zouden zijn gepleegd vóór 1 september 2003. De Rechtbank volgt de argumentering van E.W. waarin hij stelt dat dit verschil in behandeling, dat is gebaseerd op de datum van de gepleegde feiten, discriminerend is, en stelt aan het Hof de voormelde vraag. In de zaak nr. 2976 De laatste daad van stuiting van de verjaring van de strafvordering in verband met de feiten gepleegd door J.S. is gesteld op 23 december 1997. Na dagvaarding om samen met andere personen te verschijnen op 5 april 2001 wordt hij op 11 april 2002 veroordeeld door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen. De zaak wordt vervolgens op 6 november 2002 ingeleid voor het Hof van Beroep te Antwerpen waarbij verscheidene beroepen zijn ingesteld die tegen dat vonnis gericht zijn. Op 3 december 2003 beslist het Hof van Beroep dat de strafvordering waarin J.S. wordt beoogd niet door verjaring is vervallen, nadat het had vastgesteld dat de inleidende zittingen van 5 april 2001 en van 6 november 2002, met toepassing van artikel 24, 1°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, dat van toepassing is op de feiten gepleegd vóór 1 september 2003, de loop van de verjaring hadden geschorst. De beklaagde stelt tegen dat arrest van het Hof van Beroep een voorziening in cassatie in waarin hij met name aanvoert dat de regel volgens welke de inleidende zitting de verjaring van de strafvordering enkel schorst voor de feiten gepleegd na 1 september 2003 discriminerend is. Het Hof van Cassatie, dat door de eiser in cassatie wordt verzocht aan het Arbitragehof hieromtrent een vraag voor te leggen, stelt de hiervoor weergegeven vraag. In de zaak nr. 2980 De laatste daad van stuiting van de verjaring van de strafvordering in verband met de feiten die R. V.d.P. ten laste worden gelegd, is gesteld op 11 maart 1998. Laatstgenoemde werd gedagvaard om op 22 december 2000 voor de Correctionele Rechtbank te Brussel te verschijnen. Tijdens die terechtzitting werd het onderzoek van de zaak verdaagd naar 1 juni 2001 teneinde de zaak in gereedheid te brengen. Nadat de zaak om verscheidene redenen meermaals opnieuw was uitgesteld (overbelasting van de rol, ziekte van de beklaagde, nieuwe samenstelling van de zetel en noodzaak om de beklaagde en de burgerlijke partij opnieuw te dagvaarden), is de zaak uiteindelijk in beraad genomen op 29 mei 2002 en de uitspraak van het vonnis verdaagd naar 20 juni 2002. 8 Die uitspraak is opnieuw tweemaal verdaagd, eerst wegens een andere samenstelling van de zetel en vervolgens wegens opneming in het ziekenhuis van de rechter. Naar aanleiding van het overlijden van laatstgenoemde, werd het onderzoek van de zaak uiteindelijk door een andere zetel ab initio hervat op de terechtzitting van 18 december 2002. Op 16 januari 2003 werden de debatten heropend. R. V.d.P. werd bij verstek veroordeeld op 24 april 2003. Op de terechtzitting van 26 november 2003 heeft de Rechtbank zijn verzet van 18 november 2003 ingewilligd en de debatten ten gronde naar de terechtzitting van 15 januari 2004 verdaagd. Het onderzoek van de zaak werd nog tweemaal verdaagd vooraleer ze in beraad werd genomen op 3 maart 2004. De Rechtbank, die vaststelt dat, zonder artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, de strafvordering verjaard was sinds 10 maart 2003, terwijl de toepassing ervan tot gevolg heeft dat de datum van de verjaring wordt uitgesteld tot 21 juli 2005, vraagt zich af of die bepaling in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en stelt de hiervoor weergegeven vraag. In de zaak nr. 2983 De laatste daad van stuiting van de verjaring van de strafvordering in verband met de feiten die F.G. ten laste worden gelegd, is gesteld op 29 oktober 1998. Na dagvaarding tot verschijning voor de Correctionele Rechtbank te Brussel op 29 januari 2003 wordt zij veroordeeld bij vonnis van 8 september 2003. Naar aanleiding van de hogere beroepen ingesteld op 19 en 23 september 2003 wordt de zaak ingeleid voor het Hof van Beroep te Brussel op de terechtzitting van 17 december 2003 en onderzocht op de terechtzitting van 17 februari 2004, alvorens in beraad te worden genomen. Aangezien de beklaagde ter zitting de verjaring opwerpt, beslist het Hof van Beroep ambtshalve om aan het Arbitragehof de hiervoor weergegeven vraag te stellen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag in de zaak nr. 2915 A.1.1. De Ministerraad merkt op dat het Arbitragehof niet bevoegd is om uitspraak te doen over de schending door een wet van artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek. Daaruit wordt afgeleid dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is, in zoverre zij die toetsing beoogt. A.1.2. R.B. is van oordeel dat de vermelding van die bepaling in de prejudiciële vraag voortvloeit uit een materiële vergissing die voortkomt uit een slecht begrip van de afkorting gebruikt in de conclusies die hij voor de verwijzende rechter heeft neergelegd. Met de verwijzing naar « artikel 11 G.W. », werd in het voorstel van prejudiciële vraag, geformuleerd in die conclusies, niet het Gerechtelijk Wetboek maar de Grondwet bedoeld. Volgens R.B., die het arrest nr. 60/95 citeert, kan het Hof geen enkel gevolg hechten aan die vergissing, die het Hof overigens vermag te verbeteren. Hij verwijst bovendien naar het verbeterend vonnis dat door de Correctionele Rechtbank te Turnhout is uitgesproken op 28 juli 2004. R.B., die de rechtspraak van de Raad van State aanhaalt in verband met materiële vergissingen die betrekking hebben op een regel waarvan de schending voor die Raad wordt aangevoerd, onderstreept bovendien dat de Ministerraad te dezen niet kon worden misleid, rekening houdend, enerzijds, met het expliciete verband dat in de verwijzingsbeslissing wordt aangetoond tussen artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek en het gelijkheidsbeginsel en, anderzijds, met het onderwerp van die bepaling, dat volkomen vreemd is aan dat beginsel. Hij merkt ten slotte op dat de Ministerraad partij is in twee andere samengevoegde zaken die eerder op de rol van het Hof zijn ingeschreven, die betrekking hebben op een nagenoeg identiek onderwerp en waarin wel degelijk wordt verwezen naar artikel 11 van de Grondwet en niet naar artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek. 9 Ten aanzien van de inhoud van de door de Ministerraad ingediende memories A.2.1. In de memorie ingediend in de zaak nr. 2915 is de Ministerraad van oordeel dat de prejudiciële vraag soortgelijk is met de vragen gesteld in de zaken nrs. 2887 en 2888 en verwijst hij naar de argumentering in de memorie die eerder in die twee zaken is ingediend. In de memorie die aan het Hof is gericht in de samengevoegde zaken nrs. 2941, 2958, 2975, 2976 en 2983 merkt de Ministerraad op dat in de memories die hij reeds heeft ingediend in de samengevoegde zaken nrs. 2887 en 2888 en in de samengevoegde zaken nrs. 2940 en 2954, hij identieke prejudiciële vragen heeft onderzocht en beantwoord. Na te hebben verwezen naar de argumentatie in die memories, stelt hij daarvan een « bondige samenvatting » voor, die de essentie van die argumentatie bevat. De aan het Hof gerichte memorie in de zaak nr. 2980 is, enkele details niet te na gesproken, identiek met de memorie in de zaken nrs. 2887 en 2888. A.2.2. E.W. merkt op dat, in zoverre de Ministerraad in zijn memorie verwijst naar memories ingediend in andere samengevoegde zaken die betrekking hebben op identieke vragen, hij zich niet in die argumentatie kan vinden, vermits hij die memories niet kent. Ten aanzien van de vergelijking A.3.1. De Ministerraad betoogt in hoofdorde dat de vragen geen antwoord behoeven vanwege het gebrek aan pertinentie van de door de verwijzende rechters gemaakte vergelijkingen van situaties die worden geregeld in bepalingen die van toepassing zijn op verschillende tijdstippen en vanwege het onvoldoende vergelijkbare karakter van die beide categorieën. De Ministerraad, die de arresten nrs. 91/99 en 7/2000 aanhaalt, voert aan dat, op gevaar af elke wetswijziging onmogelijk te maken, het verschil in behandeling van beklaagden naargelang hun situatie in ogenschouw wordt genomen onder de gelding van de vroegere wet (indien de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd vóór 1 september 2003) of onder de gelding van de nieuwe wet (indien de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd na 1 september 2003), geen verschil in behandeling is dat moet worden onderzocht teneinde na te gaan of een wetsbepaling in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij voegt daaraan toe dat het verschil in behandeling voortvloeit uit de enkele wijziging van de wet en dat de onmogelijkheid om twee personen die een zelfde misdrijf hebben gepleegd op een verschillend tijdstip, verschillend te behandelen erop neerkomt dat iedere wetswijziging wordt tegengehouden. A.3.2. J. D.K. is van mening dat in de in de zaak nr. 2887 gestelde prejudiciële vraag het Hof niet wordt verzocht de situatie van een beklaagde onder de gelding van de huidige wetgeving te vergelijken met zijn situatie onder de gelding van de vroegere wet. Hij merkt op dat men twee groepen van beklaagden met elkaar wil vergelijken die in de overgangsregeling van de nieuwe wet op verschillende wijze worden behandeld naar gelang van de datum van de feiten die hun ten laste worden gelegd : enerzijds, diegenen wier strafbare toestand een einde heeft genomen na 1 september 2003 en, anderzijds, diegenen voor wie die toestand een einde heeft genomen vóór die datum, waarbij enkel laatstgenoemden het onderzoek van de zaak, door het vonnisgerecht, moeten ondergaan als schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering, zelfs wanneer ze op hetzelfde ogenblik als de beklaagden van de eerste categorie worden berecht wegens mogelijkerwijze soortgelijke feiten. Volgens J. D.K. is de verwijzing naar het arrest nr. 91/99 bijgevolg niet relevant en is de voorgestelde vergelijking pertinent. A.3.3. R.B. voert aan dat de wet van 5 augustus 2003 de gelijke behandeling waarin de wet van 16 juli 2002 voorzag voor alle betichten van een misdrijf, heeft verbroken door artikel 24, eerste lid, 1°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering volledig op te heffen. Hij onderstreept dat, voor de eerste maal, de wetgever een verjaringswet aanneemt die, op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, niet van toepassing is op alle nog niet verjaarde misdrijven en dat de betichten van een misdrijf dat uiterlijk op 1 september 2003 is gepleegd, vergelijkbaar zijn met de betichten van een zelfde misdrijf dat op een latere datum is gepleegd. 10 A.3.4. M.S., burgerlijke partij voor de Correctionele Rechtbank te Turnhout, merkt op dat de in de zaak nr. 2915 gestelde vraag uitgaat van de optiek van de beklaagde en dat, voor het slachtoffer van een misdrijf gepleegd na 1 september 2003, de verjaringsregeling nadeliger zou zijn dan voordien. Zij merkt bovendien op dat, aangezien elke wet discriminaties in het leven roept, het merkwaardig is dat de verwijzende rechter zich geen vragen stelt bij de wet van 11 december 1998 maar zijn vraag beperkt tot de twee wijzigingswetten van 2002 en 2003. Zij citeert bij wijze van voorbeeld andere discriminaties : diegene waarmee de beklaagden worden geconfronteerd naar gelang van de snelheid waarmee de zaak voor de rechtbank wordt gebracht, de snelheid waarmee het vonnisgerecht uitspraak doet, of het feit of het openbaar ministerie in de gedragingen van de beklaagde al dan niet een eenheid van opzet ziet; alsmede diegene in verband met de burgerlijke partijen die, vanuit hun standpunt, worden bevoordeeld wanneer de beklaagde dat niet wordt. A.3.5. D.V. en de n.v. Transport Van Driessche preciseren dat het vergelijkbare karakter van de categorieën van personen die worden beschreven in de in de zaak nr. 2941 gestelde prejudiciële vraag voortvloeit uit het feit dat die beide zijn samengesteld uit personen die worden vervolgd wegens een nog niet verjaard misdrijf op datum van 1 september 2003, dat op dezelfde wijze kan worden gekwalificeerd en tot de uitspraak van een zelfde strafmaat kan leiden. Zij voegen daaraan toe dat het antwoord van het Hof een andere analyse vergt dan diegene die in het arrest nr. 91/99 werd gemaakt, omdat het, te dezen, niet erom gaat de situatie van een persoon onder de gelding van de vroegere wet te vergelijken met zijn situatie zoals die voortvloeit uit de toepassing van de nieuwe wet, of om situaties te vergelijken die zich voordoen op verschillende tijdstippen en die geregeld worden door bepalingen die op verschillende tijdstippen van toepassing zijn. De onderzochte vergelijking betreft de situatie van rechtsonderhorigen onder de gelding van één zelfde wet op één zelfde ogenblik, een wet die een verschil in behandeling in het leven roept onder individuen wier situatie op hetzelfde moment wordt beoordeeld, namelijk de berechting na 1 september 2003. A.3.6. E.W. acht de verwijzing naar de arresten nrs. 91/99 en 7/2000, waarbij de vergelijking wordt gemaakt tussen een persoon die reeds werd berecht en een andere persoon die op hetzelfde ogenblik een misdrijf heeft gepleegd, maar die nog niet definitief is berecht, evenmin relevant. Hij onderstreept dat in de te dezen gestelde prejudiciële vragen daarentegen wordt verzocht personen met elkaar te vergelijken die op hetzelfde ogenblik zijn berecht - na 1 september 2003 -, waarbij de enen rekening moeten houden met een schorsing van de verjaring van één jaar per aanleg, doordat de zaak is ingeleid voor het vonnisgerecht, terwijl die schorsing niet geldt voor de anderen. Bovendien merkt hij op dat de voorgelegde vergelijking de wetgever vrijlaat de wet te wijzigen, maar dat zodoende hij plichtsbewust moet zijn en het gelijkheidsbeginsel moet respecteren, wat niet het geval is wanneer hij een andere verjaringsregeling invoert voor personen die op hetzelfde ogenblik worden berecht. A.3.7. J.S. is van oordeel dat de situatie van de persoon die een misdrijf heeft gepleegd op 1 september 2003 of vóór die datum volkomen vergelijkbaar is met die van de persoon die een zelfde misdrijf heeft gepleegd na 1 september 2003. Ten aanzien van de redelijke verantwoording A.4.1. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het criterium van onderscheid niet alleen objectief is maar ook redelijkerwijze verantwoord en in verband staat met het nagestreefde doel. Hieromtrent betoogt hij in de eerste plaats dat, teneinde een goede rechtsbedeling te verzekeren, de wetgever in 2002 had moeten onderkennen welke gevolgen zouden worden teweeggebracht door de opheffing van de door hem in 1998 ingevoerde schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering, in het bijzonder de gevolgen van die inkorting van de verjaringstermijn voor de hangende zaken. Hij brengt in herinnering dat de betwiste overgangsregeling, die is aangenomen in overleg met de gerechtelijke wereld, tot wettig doel heeft, enerzijds, te vermijden dat de inkorting van de verjaringstermijn de parketten in de materiële onmogelijkheid zou plaatsen om de verjaring van een groot aantal zaken te verhinderen en, anderzijds, de rechters toe te staan zich te organiseren om uitspraak te doen in zaken die verjaard zouden zijn indien, zonder overgang, rekening werd gehouden met de voormelde inkorting. 11 De Ministerraad merkt vervolgens op dat die doelstelling aansluit bij de in 1993 en in 2002 doorgevoerde hervormingen van de verjaringsregeling van de strafvordering, die ertoe strekten de systematische verjaring te vermijden van zaken waarvan het ingewikkelde karakter een langere periode van ingereedheidbrenging en van behandeling ter terechtzitting tot gevolg had. De Ministerraad is verder van mening dat de uitgestelde inwerkingtreding van het nieuwe stelsel van schorsingsgronden voor de verjaring van de strafvordering geen onevenredige gevolgen heeft ten opzichte van het nagestreefde doel. Hij erkent dat artikel 33 van de wet van 5 augustus 2003 sommige beklaagden belet de verjaring aan te voeren in verband met feiten die het voorwerp van een onderzoek uitmaakten ten tijde van de inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2002 - waarbij het nieuwe stelsel van schorsingsgronden voor de verjaring is ingevoerd - waarvan de toepassing het die beklaagden mogelijk had gemaakt de verjaring te genieten. Hij is echter van oordeel dat, in het licht van de arresten nrs. 91/99 en 7/2000, de wetgever niet kan worden verweten dat hij in een overgangsregeling heeft voorzien die verhindert dat het nieuwe stelsel van schorsingsgronden voor de verjaring van de strafvordering onmiddellijk wordt toegepast op alle hangende zaken. Hij merkt verder op dat de hoop voor de beklaagde om de verjaring te genieten ingevolge de wet van 16 juli 2002, te dezen is ontstaan na het plegen van de feiten en dat men de wetgever niet kan verwijten geen rekening te hebben gehouden met die verwachtingen. De Ministerraad leidt daaruit af dat de rechtsonzekerheid die voortvloeit uit het feit dat een misdrijf dat strafbaar is op het ogenblik waarop het wordt gepleegd na het verstrijken van de verhoopte verjaringstermijn - te dezen door de aanneming van de wet van 16 juli 2002 - nog steeds kan worden bestraft met dezelfde straffen, verantwoord is, rekening houdend met de nagestreefde doelstelling. A.4.2. J. D.K. onderstreept dat de bedoeling van de bepaling niet erin bestaat de verjaringsregeling van de strafvordering coherenter te maken maar te vermijden dat enkele zware dossiers onherroepelijk verjaren vanaf de inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2002, doordat die de in het voormelde artikel 24, 1°, vervatte schorsingsgrond afschaft. Hij leidt uit de parlementaire voorbereiding van de artikelen 33 en 34 van de wet van 5 augustus 2003 af dat de doelstelling van de wetgever erin bestond te vermijden dat mensenhandelaars, fraudeurs en drugsbaronnen een nooit gezien cadeau zouden krijgen. J. D.K. is bijgevolg van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling onevenredig is, vermits alle beklaagden aan wie een misdrijf ten laste wordt gelegd van vóór 1 september 2003 - en niet alleen diegenen die betrokken waren bij de door de wetgever beoogde dossiers - aan dezelfde regeling worden onderworpen. Het merendeel van de beklaagden zou dus het voordeel van de nieuwe verjaringsregels worden ontzegd teneinde de wens van sommige parketten te vervullen om bepaalde zaken van verjaring te « redden ». J. D.K. voegt daaraan toe dat het aangeklaagde verschil in behandeling niet alleen betrekking heeft op beklaagden wier door een nieuwe wet opgewekte verwachtingen worden gedwarsboomd door het behoud van de toepassing van de vroegere wet, maar ook de beklaagden die de nieuwe regeling genieten tegenover diegenen plaatst wier verwachtingen effectief zijn gedwarsboomd door het behoud van de vroegere wet. A.4.3.1. R.B. voert aan dat het door de wet van 16 juli 2002 nagestreefde doel wettig is. De integrale opheffing van dat voormelde artikel 24, eerste lid, 1°, beantwoordt aan de kritiek waarbij die bepaling als onleesbaar en moeilijk toe te passen wordt beschouwd en houdt de afschaffing in van een regel die onbestaanbaar is met de ratio legis van de schorsing van de verjaring van de strafvordering, rekening houdend met het feit dat de inleiding van de zaak voor het vonnisgerecht geen geval van onmogelijkheid vormt om de procedure voort te zetten. R.B. betwist daarentegen de wettigheid van het doel van de wet van 5 augustus 2003. De wetgever zou overigens zelf erkennen dat het zijn bedoeling was om het probleem te verdoezelen dat was gerezen bij de logische toepassing van de opheffing van het voormelde artikel 24, eerste lid, 1°. R.B. is van mening dat een wet niet mag worden aangewend om een probleem te verdoezelen en zeker niet om de gevolgen van een andere recente wet te verdoezelen. De herinvoering, voor sommige misdrijven, van een wetsbepaling die de wetgever recent onaanvaardbaar en onbestaanbaar met de ratio legis van de reglementering heeft geacht, zou neerkomen op een oneigenlijk en onwettig gebruik van de wetgevingstechniek. A.4.3.2. R.B. ziet vier redenen waarom artikel 33 van de wet van 5 augustus 2003 als een maatregel moet worden beschouwd die in verregaande mate onevenredig is met het beoogde doel. 12 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat hij een duidelijke inbreuk vormt op het beginsel van rechtszekerheid dat vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De wetgever zou geen blijk hebben gegeven van de zorgvuldigheid die vereist is, wil men bij de invoering of de opheffing van een regelgeving die de verwachtingen van de burgers doorkruist, dat beginsel in acht nemen. Het antwoord op de vraag of de inleidingszitting al dan niet een schorsende werking heeft, zou vier maal zijn gewijzigd in vijf jaar. Ten tweede is bij de wet van 5 augustus 2003, teneinde de voormelde doelstelling te bereiken, voor de misdrijven gepleegd op uiterlijk 1 september 2003, opnieuw een bepaling ingevoerd die de wetgever op 16 juli 2002 had opgeheven, omdat zij onaanvaardbaar en moeilijk leesbaar was. Ten derde beklemtoont R.B. het feit dat het de wet van 11 december 1998 is die, in het Belgisch recht, de inleiding van de zaak voor het vonnisgerecht als grond voor schorsing van de verjaring heeft ingevoerd. Gezien de snelle opheffing van die schorsingsgrond - minder dan vier jaar nadien -, kan er dus geen sprake zijn van een lange rechtstraditie die tot gevolg zou hebben dat de toepassing van die schorsingsgrond een strafrechtelijke rechtspraktijk van de vervolgende instanties en de rechtbanken zou zijn. R.B. merkt bovendien op dat de wetgever reeds bij de aanneming van de wet van 16 juli 2002 zich bewust was van de noodzaak van een overgangsperiode waarin de vervolgende instanties en de rechtbanken zich zouden kunnen voorbereiden op de opheffing van het voormelde artikel 24, eerste lid, 1°, wat hem destijds, na raadpleging van de parketten- generaal, ertoe heeft gebracht de inwerkingtreding van die opheffing uit te stellen tot 1 september 2003. R.B. leidt daaruit af dat de herinvoering, bij wijze van overgangsperiode, van die schorsingsgrond, bij de wet van 5 augustus 2003, niet noodzakelijk was, vermits de wet van 16 juli 2002 reeds in een dergelijke periode van meer dan één jaar voorzag. Als vierde reden ter staving van het onevenredige karakter van de in het geding zijnde maatregel voert R.B. aan dat de wetgever zijn doelstelling op een minder verstrekkende wijze had kunnen bereiken door de herinvoering van artikel 24, eerste lid, 1°, te beperken tot de door hem beoogde categorieën van zware misdrijven, namelijk de misdrijven gepleegd door de mensenhandelaars, fraudeurs en drugsbaronnen. A.4.4. Volgens M.S. is de overgangsregeling die, voor de feiten gepleegd vóór 1 september 2003, de vroegere en toekomstige gevolgen van de schorsing handhaaft, niet discriminatoir. Zij merkt op dat de wet van 11 december 1998 waarbij de voormelde schorsingsgrond werd ingevoerd, was opgevat ten voordele van de slachtoffers, de burgerlijke partijen, maar dat de betere begeleiding van de slachtoffers sindsdien en de klaarblijkelijke wegwerking van de dramatische achterstand het klimaat dermate hebben gewijzigd dat het voor de wetgever van 2002 mogelijk was geworden die nieuwe schorsingsgrond van de verjaring op te heffen. De handelwijze van de wetgever van 2002 en 2003 was derhalve objectief verantwoord en redelijk. M.S. preciseert dat de wetgever, na waarschuwing vanuit de gerechtelijke wereld dat de strafvordering in verband met talrijke misdrijven waarschijnlijk zou verjaren krachtens de wet van 16 juli 2002, in extremis een herstelwet heeft aangenomen en daarbij preciseerde dat de opheffing van de schorsingsgrond zou gelden voor de misdrijven gepleegd na 1 september 2003. De wetgever zou bovendien ongetwijfeld de bedoeling hebben gehad om een einde te maken aan de verwarring in verband met de schorsingsgronden of de duurtijd ervan. M.S. voert met name de controversen aan in verband met het al dan niet schorsende karakter van een cassatieberoep gericht tegen een verwijzingsarrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, in verband met de duurtijd van die schorsing in geval van een positief antwoord of nog in verband met de schorsing van de verjaring tussen het vonnis in eerste aanleg en de dag van de inleiding van de zaak in hoger beroep. Zij besluit dat het bij de wetten van 16 juli 2002 en 5 augustus 2003 onder de beklaagden ingevoerde verschil in behandeling redelijkerwijze verantwoord is. A.4.5. E. V.d.V., P.V., T.S., M. D.K. en de n.v. V.V.S. International onderstrepen dat de retroactiviteit die artikel 33 van de wet van 5 augustus 2003 kenmerkt tot gevolg heeft dat strafrechtelijke feiten die verjaard waren, plots en met terugwerkende kracht opnieuw vervolgbaar werden. Bovendien merken zij op dat de memorie van toelichting in verband met dat artikel preciseert dat de voorgestelde tekst tot doel heeft een probleem te « verdoezelen » en uit de definitie van dat woord leiden zij de ontstentenis van een objectieve verantwoording voor de in het geding zijnde maatregel af. 13 De Ministerraad reageert daarop door te stellen dat een ongelukkige woordkeuze (« verdoezelen » in plaats van « verhelpen ») niet volstaat om het nagestreefde doel - vermijden dat de inwerkingtreding van de opheffing van een schorsingsgrond de verjaring van talrijke misdrijven teweegbrengt - zijn wettig karakter te ontnemen. A.4.6.1. D.V. en de n.v. Transport Van Driessche merken op dat de in het geding zijnde maatregel ertoe strekt te vermijden dat bepaalde categorieën van beklaagden de verjaring kunnen genieten, maar dat het ingevoerde verschil in behandeling ook andere categorieën van beklaagden treft. De Ministerraad repliceert dat de bijzondere categorieën van beklaagden waarvan sprake is in de parlementaire voorbereiding (mensenhandelaars, fraudeurs en drugsbaronnen) slechts bij wijze van voorbeeld worden geciteerd en dat de opsomming niet limitatief is. De in het geding zijnde maatregel kan bijgevolg niet zo worden beschouwd dat hij verder reikt dan de bedoeling van de wetgever. A.4.6.2. D.V. en de n.v. Transport Van Driessche voegen daaraan toe dat die maatregel de beklaagden die een misdrijf hebben gepleegd vóór 1 september 2003 de legitieme doelstellingen van de wet van 16 juli 2002 ontzegt. Daaruit zou een verschil in behandeling blijken onder beklaagden in een zelfde zaak, naargelang hetzelfde misdrijf, dat hun ten laste wordt gelegd, al dan niet dateert van vóór 1 september 2003. A.4.6.3. D.V. en de n.v. Transport Van Driessche oordelen overigens dat de in het geding zijnde maatregel niet kan worden verantwoord door de bekommernis om de parketten en de rechtbanken de nodige tijd te laten, vermits de wetgever van 16 juli 2002 daarvoor reeds oog had gehad. De Ministerraad antwoordt dat het bestaan van een overgangsmaatregel in de wet van 16 juli 2002 de in het geding zijnde maatregel niet ongrondwettig maakt. Niets zou de wetgever immers verhinderen vast te stellen dat die eerste overgangsmaatregel niet voldoende was en die bijgevolg te verruimen teneinde te beletten dat een groot aantal al dan niet belangrijke zaken zouden verjaren. A.4.6.4. D.V. en de n.v. Transport Van Driessche zijn vervolgens van mening dat de door de wetgever aangevoerde verantwoording des te minder redelijk en objectief is daar zij verwijst naar welbepaalde categorieën van beklaagden (mensenhandelaars, fraudeurs en drugsbaronnen) die slechts een beperkt deel van de beklaagden uitmaken; dat de wetgever, rekening houdend met het feit dat hij enkele dossiers voor ogen had die zouden zijn verjaard indien de wet van 16 juli 2002 in werking was getreden op 1 september 2003, geen redelijke verantwoording geeft voor het verschil in behandeling tussen personen die worden vervolgd voor een misdrijf gepleegd op 31 augustus 2003 en diegenen die worden vervolgd voor een zelfde misdrijf gepleegd op 1 september 2003, en evenmin een redelijke verantwoording geeft voor de verschillende behandeling van twee beklaagden in een zelfde zaak, naar gelang van de datum van het gepleegde misdrijf (vóór of na 1 september 2003). D.V. en de n.v. Transport Van Driessche besluiten daaruit dat er geen redelijke verantwoording voorhanden is en dat het criterium van onderscheid louter willekeurig is. Zij voegen daaraan toe dat het verschil in behandeling onevenredig is ten aanzien van het nagestreefde doel - vermijden dat de voormelde delinquenten een nooit gezien cadeau zouden krijgen - en dat het des te meer onredelijk is, daar het tot gevolg heeft dat het de doelstelling van de wet van 16 juli 2002 teniet doet, die erin bestaat het systeem van de schorsing van de verjaring op een meer coherente manier te regelen. De Ministerraad is van oordeel dat dat standpunt berust op een interpretatie van de wet van 16 juli 2002 die volkomen voorbijgaat aan het feit dat die tekst die schorsingsgrond niet volledig en voor iedereen heeft opgeheven maar de inwerkingtreding van die opheffing uitstelt tot 1 september 2003. De Ministerraad doet opmerken dat de wet van 5 augustus 2003, zoals de wet van 16 juli 2002, ertoe strekt aan de parketten en de rechtbanken de nodige tijd te laten om zich voor te bereiden teneinde te vermijden dat een groot aantal zaken plots zouden verjaren, en is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling in het verlengde ligt van artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002, dat ze aanvult en waarvan ze de doelstellingen niet teniet doet. A.4.7.1. E.W. begint met een opsomming van een aantal gevolgen van de in het geding zijnde maatregel. In dat verband merkt hij op dat die maatregel tot gevolg heeft dat misdrijven die ouder zijn nog niet verjaard zullen zijn wanneer recenter gepleegde identieke feiten wel reeds verjaard zullen zijn, wat uiteraard niet bestaanbaar is met de finaliteit van de verjaring; dat de verlenging van de verjaring ten gevolge van de schorsingsgrond die op de oudere feiten zal worden toegepast aanzienlijk is; dat de ongelijkheid ertoe leidt dat 14 op een zelfde ogenblik twee versies van het voormelde artikel 24 bestaan die naar gelang van de gevallen zullen worden toegepast, wat niet verenigbaar is met het bestaan van één Wetboek van Strafvordering. Wat dat laatste punt betreft, repliceert de Ministerraad dat het gelijktijdig bestaan van twee versies van een zelfde wettelijke bepaling niet automatisch onverenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel, aangezien het gaat om het gevolg dat eigen is aan een overgangsmaatregel. E.W. merkt bovendien op dat in het verleden de verlenging van de verjaring van de strafvordering, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, van toepassing was op iedereen en niet enkel op de personen die vanaf de inwerkingtreding van die verlenging een strafbaar feit pleegden. Aan alle in het verleden doorgevoerde wetswijzigingen inzake de verjaring van de strafvordering die minder gunstig waren voor een beklaagde, werd een retroactieve werking verleend, terwijl een wijziging die gunstiger uitvalt klaarblijkelijk geen retroactieve werking zou hebben. A.4.7.2. E.W. wijst vervolgens op twee absurde en onaanvaardbare situaties die het gevolg zouden zijn van de in het geding zijnde maatregel. De persoon die een strafbaar feit heeft gepleegd op 30 augustus 2003 zou, volgens E.W., belang erbij hebben om na 1 september 2003 een ander strafbaar feit te plegen dat met eenheid van opzet aan het eerste feit verbonden is, teneinde een gunstigere verjaringsregeling te kunnen genieten die de schorsing van dat laatste feit uitsluit vanaf de inleidingszitting. De Ministerraad repliceert dat, indien de verjaringstermijn slechts begint te lopen vanaf het laatste feit dat met een zelfde misdadig opzet is gepleegd, dat zo is krachtens de artikelen 21 en 22 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en niet krachtens de in het geding zijnde wet. Hij betwijfelt overigens dat een nieuw feit gepleegd teneinde een gunstigere verjaringsregeling te kunnen genieten zo kan worden beschouwd dat het met eenheid van opzet verbonden is aan het eerder gepleegde feit. In verband met een persoon die net vóór 1 september 2003 uit een criminele organisatie stapt, doet E.W. opmerken dat die een eventuele schorsing van de verjaring zou moeten worden opgelegd tijdens de inleidingszitting, terwijl de andere leden van diezelfde organisatie die nog andere feiten pleegden na die datum de gunstigere verjaringsregeling zouden genieten. De Ministerraad acht die hypothese onjuist. Hij citeert de rechtspraak van het Hof van Cassatie in verband met de draagwijdte van een wettelijk beletsel waarbij de verjaring wordt geschorst voor andere nauw met elkaar verbonden misdrijven die door een andere beklaagde zijn gepleegd, en repliceert dat de toepasbaarheid van de schorsingsgrond die voortvloeit uit de inleiding van de zaak voor de rechtbank op dezelfde wijze zal worden onderzocht voor alle daders van feiten die door een zelfde opzet met elkaar verbonden zijn, zodat het door E.W. beschreven verschil in behandeling niet bestaat. A.4.7.3. E.W. onderstreept dat de doelstelling van de wet van 16 juli 2002 erin bestaat een einde te maken aan een door iedereen verguisde schorsingsgrond van de verjaring, omdat die complex, ondoorzichtig, moeilijk toepasbaar en onbestaanbaar was met de ratio legis van de schorsing en omdat het ging om een gelegenheidswetgeving in verband met een concrete zaak. Hij stelt bovendien vast dat de wetgever, met de in het geding zijnde maatregel, de verjaring heeft willen vermijden in een aantal hangende zaken, terwijl de wet van 16 juli 2002 reeds voorzag in een overgangsperiode van één jaar, en die slechts ontoereikend is gebleken in bepaalde gerechtelijke arrondissementen. Hij voegt daaraan toe dat in die context de wetgever die overgangsperiode van een jaar perfect had kunnen verlengen in plaats van een ongelijkheid in te voeren op basis van de datum van de feiten, dat hij die weg had moeten kiezen en dat hij de vereiste van een goede rechtsbedeling niet kan aanvoeren ter verantwoording van de in het geding zijnde maatregel. Wat dat laatste punt betreft, verwijst de Ministerraad naar de arresten nrs. 8/97 en 42/97, waaruit zou blijken dat de ongrondwettigheid van het door de wetgever aangewende middel niet kan voortvloeien uit het louter bestaan van een ander middel om hetzelfde doel te bereiken. Hij voegt daaraan toe dat dit des te meer zo is daar niet wordt aangetoond dat met het gekozen middel - de overgangsperiode uitbreiden tot de feiten gepleegd vóór 1 september 2003 - het beoogde doel niet kan worden bereikt of dat dit middel onredelijke gevolgen zou hebben die het andere voorgestelde middel niet teweeg zou brengen. Met verwijzing naar het arrest nr. 70/95, merkt de Ministerraad in verband met dat laatste aspect op dat het Hof slechts een marginale toetsing uitoefent. E.W. merkt bovendien op dat bij elke verlenging van de verjaringstermijn steeds is aangenomen dat die een retroactieve werking diende te hebben, wat nadelig was voor de beklaagde. Hij leidt daaruit af dat een zelfde retroactieve werking moet worden toegekend aan wetgeving die de verjaring verkort. Hij stelt echter vast dat de wetgever, precies met het oog op het voorkomen van die de facto kortere verjaringstermijn die, vanaf 15 1 september 2003, moest voortvloeien uit de toepassing van de opheffing van de bekritiseerde schorsingsgrond, plots alles in het werk heeft gesteld om de retroactiviteit te vermijden. E.W. klaagt eveneens een schending van de scheiding der machten aan die voortvloeit uit het feit dat onder meer op basis van het advies van de « raadsheren van het Hof van Beroep » de wetgever in de memorie van toelichting heeft vastgesteld dat de onmiddellijke toepassing van de in de wet van 16 juli 2002 vervatte opheffing een risico inhield. E.W. voegt daaraan toe dat hij noch een mensenhandelaar, noch een fraudeur, noch een drugsbaron is, dat hij de verjaring evenmin als een cadeau beschouwt maar veeleer als het logische gevolg van het jarenlange stilzitten van de gerechtelijke overheden. De Ministerraad repliceert hierop dat de wetgever niet enkel dat type van misdadigers voor ogen had (A.4.6.1). A.4.7.4. E.W. zet bovendien uiteen dat het verschil in behandeling onevenredig is met het nagestreefde doel. Het gelijkheidsbeginsel zou zich volgens hem ertegen verzetten dat, tijdens een zelfde terechtzitting, een vonnisgerecht in één zaak de schorsing van de verjaring moet vaststellen omdat de zaak bij dat gerecht werd ingeleid, en in een andere zaak geen rekening dient te houden met een dergelijke schorsing omdat de beklaagde zijn laatste feit heeft gepleegd net na 1 september 2003. E.W. brengt in dit verband in herinnering dat bij vroegere wijzigingen van de verjaringsregeling hetzelfde systeem van toepassing was voor iedereen op een zelfde ogenblik. E.W. betoogt vervolgens dat, rekening houdend met de overgangsperiode van één jaar bedoeld in de wet van 16 juli 2002 die het reeds mogelijk maakte te anticiperen op de opheffing van de voormelde schorsingsgrond, het onderzochte verschil in behandeling niet noodzakelijk was om een verjaring van de hangende zaken te vermijden. Volgens de Ministerraad stond het de wetgever vrij om die overgangsmaatregel te verruimen (A.4.6.3). E.W. voegt daaraan toe dat de wetgever, teneinde een verschil in behandeling te vermijden dat van een redelijke verantwoording verstoken is, net zo goed de inwerkingtreding van die opheffing met één jaar had kunnen uitstellen. Hij legt verder de nadruk op het feit dat de wetgever geen enkel onderscheid maakt naar gelang van de aard of de ernst van de feiten gepleegd vóór 2 september 2003, terwijl hij mensenhandelaars, fraudeurs en drugsbaronnen op het oog had, wat de Ministerraad betwist (A.4.6.1). A.4.7.5. E.W. onderstreept ten slotte dat de vaststelling volgens welke feiten die langer geleden gepleegd zijn langer vervolgbaar blijven dan identieke feiten die recenter zijn gepleegd, niet bestaanbaar is met de ratio legis van de verjaringsregeling die hij in herinnering brengt : rekening houden met de negatieve gevolgen die het verstrijken van de tijd teweegbrengt voor de kwaliteit van het bewijs; het feit in aanmerking nemen dat het uitoefenen van de rechten van de verdediging, het leveren van bewijzen « à décharge » en het aannemelijk maken van de aanwezigheid van verschoningsgronden of rechtvaardigingsgronden, moeilijker en zo niet onmogelijk wordt gemaakt naarmate de tijd verstrijkt; de rechtsonzekerheid vermijden waarin de rechtsonderhorige te lang moet leven; de nalatigheid van de overheid bestraffen. E.W. preciseert in dat verband dat, krachtens de in het geding zijnde maatregel, de rechters nog gedurende enkele decennia rekening zullen moeten houden met de opgeheven schorsingsgrond, terwijl de bepaling waarbij die is ingevoerd in 2002 als slechte wetgeving is aangemerkt. De Ministerraad betwist de vermeende onverenigbaarheid van de in het geding zijnde maatregel met de bestaansredenen van de verjaring. Hij merkt daarentegen op dat de in het geding zijnde schorsingsgrond niet strookt met het algemene verjaringsstelsel en dat die onder meer om die reden werd opgeheven door de wet van 16 juli 2002. De Ministerraad ziet niet in hoe de in het geding zijnde maatregel niet verenigbaar zou zijn met de bestaansredenen van de verjaring, terwijl de in de voormelde wet bedoelde overgangsmaatregel - waarbij de schorsingsgrond meer dan één jaar van kracht bleef en die geen van de partijen hebben bekritiseerd - dat wel zou zijn. Hij merkt vervolgens op dat de twee achtereenvolgens aangenomen voorlopige maatregelen hetzelfde doel nastreven - de onevenredige gevolgen van de opheffing van de schorsingsgrond vermijden - en dat niet is aangetoond dat, na onderzoek ervan in hun context, zij dergelijke gevolgen zouden hebben. De Ministerraad citeert de arresten nrs. 91/99 en 7/2000 en merkt in dit verband op dat een schorsing van de verjaring niet gelijk is aan een verlenging van de verjaringstermijn. De overwegingen die uitgaan van een beweerdelijk langere verjaringstermijn voor personen die een misdrijf hebben gepleegd vóór 1 september 2003 zouden dus niet gegrond zijn. 16 De Ministerraad merkt ten slotte op dat in de zaak nr. 2976, het Hof van Cassatie voor recht heeft gezegd dat een wet vóór haar inwerkingtreding geen rechten verleent en bijgevolg niet als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid geldt, die bij de burger gerechtvaardigde verwachtingen zou kunnen opwekken, en dat bijgevolg artikel 33 van de wet van 5 augustus 2003 het algemeen rechtsbeginsel van het recht op rechtszekerheid niet schendt. A.4.8.1. J.S. onderstreept dat de twee motieven die aan de basis liggen van de opheffing van artikel 24, eerste lid, 1°, door de wet van 16 juli 2002 - enerzijds, de onleesbaarheid en de moeilijke toepasbaarheid van die bepaling en, anderzijds, de noodzaak om de ratio legis van de schorsing van de verjaring in acht te nemen - wettig zijn. Vervolgens leidt hij uit de parlementaire voorbereiding van artikel 33 van de wet van 5 augustus 2003 af dat de doelstelling van de wetgever erin bestaat de gevolgen te verdoezelen van de logische toepassing van de opheffing van het voormelde artikel 24, eerste lid, 1°, en van de bepaling die de inwerkingtreding ervan regelt en dat hij voor personen die een misdrijf hebben gepleegd uiterlijk op 1 september 2003, opnieuw een reglementering invoert die hijzelf één jaar eerder ontoepasbaar had geacht. J.S. besluit daaruit dat, rekening houdend met het algemeen rechtsbeginsel van het recht op rechtszekerheid - dat een coherente wetgeving met een algemene draagwijdte vereist - het met de in het geding zijnde norm nagestreefde doel kennelijk onwettig is. De Ministerraad antwoordt dat een ongelukkige woordkeuze niet volstaat om te oordelen dat de nagestreefde doelstelling - vermijden dat de inwerkingtreding van de opheffing van een schorsingsgrond de verjaring van een aantal misdrijven teweegbrengt - niet wettig is (A.4.5). Hij voegt daaraan toe dat een overgangsmaatregel en de uitbreiding daarvan niet noodzakelijk tot gevolg hebben dat de hoofddoelstelling van een wet onwerkzaam wordt gemaakt en dat het loutere uitstel - een eerste maal voor een bepaalde periode en vervolgens voor bepaalde feiten gepleegd vóór een bepaalde periode - niet een opgeheven maatregel opnieuw kan invoeren. Hij leidt daaruit af dat de in het geding zijnde maatregel niet strijdig is met de doelstelling van de wet van 16 juli 2002. A.4.8.2. J.S. is verder van mening dat het voormelde artikel 33 in verregaande mate onevenredig is met het beoogde doel dat erin bestaat het probleem te verdoezelen dat op 1 september 2003 is ontstaan ten gevolge van de mogelijke verjaring van de strafvordering in een aantal strafdossiers, en die door de wetgever werd beschouwd als een « nooit gezien cadeau voor mensenhandelaars, fraudeurs en drugbaronnen allerhande ». Volgens J.S. schendt die bepaling klaarblijkelijk het algemeen rechtsbeginsel van het recht op rechtszekerheid dat van de wetgever vereist dat hij bij het invoeren of het opheffen van regelgeving de nodige zorgvuldigheid aan de dag legt. De omstandigheid dat de voormelde wet van 16 juli 2002, die in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, nog niet in werking was getreden, doet geen afbreuk aan het feit dat ten aanzien van de burger verwachtingen werden opgewekt. J.S. brengt vervolgens in herinnering dat in vijf jaar tijd de verjaringsregeling in verband met bepaalde feiten waarvoor hij wordt vervolgd vier keer is gewijzigd, de laatste keer teneinde voor één categorie van beklaagden de toepassing te verlengen van een schorsingsgrond die één jaar eerder nog als moeilijk leesbaar en onwerkzaam werd beschouwd. Dat zou eveneens aantonen dat de nieuwe wet kennelijk onevenredig is ten aanzien van het beoogde doel. J.S. merkt op dat die doelstelling overigens reeds in aanmerking was genomen bij de vaststelling van de datum van de inwerkingtreding van de wijziging die in het voormelde artikel 24 is aangebracht bij de wet van 16 juli 2002, en dat de in die wet bedoelde overgangsperiode, die de parketten en de rechtbanken in staat moest stellen zich voor te bereiden op de opheffing van de ontoepasbare schorsingsgrond, reeds tot doel had te vermijden dat de verjaring zou intreden in een aantal gevoelige dossiers. Dat zou een bijkomend motief vormen om te oordelen dat de herroeping van de voormelde opheffing voor één welbepaalde categorie van rechtsonderhorigen - diegenen die worden vervolgd voor feiten gepleegd uiterlijk op 1 september 2003 - volstrekt onevenredig is met het nagestreefde doel. 17 -B- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag in de zaak nr. 2915 B.1.1. In de prejudiciële vraag, zoals ze is geformuleerd in het vonnis van 6 februari 2004, wordt het Hof verzocht uitspraak te doen over een schending van het gelijkheidsbeginsel en van artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek. B.1.2. Artikel 142 van de Grondwet verleent aan het Hof geen bevoegdheid om uitspraak te doen over de schending van die bepaling van het Gerechtelijk Wetboek. Zowel het in de vraag aangevoerde verschil in behandeling als de motieven van het voormelde vonnis zijn vreemd aan artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek. In het bericht dat de griffie heeft laten bekendmaken in het Belgisch Staatsblad van 26 maart 2004 ter uitvoering van artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, verzocht zij « van de Grondwet » te lezen in plaats van « van het Gerechtelijk Wetboek ». Bij vonnis van 28 juli 2004 waarvan de expeditie ter griffie is ingekomen op 16 augustus 2004 heeft de verwijzende rechter de bewoordingen van de voormelde prejudiciële vraag verbeterd door de woorden « Gerechtelijk Wetboek » te vervangen door het woord « Grondwet ». B.1.3. Uit wat voorafgaat blijkt dat in de verwijzingsbeslissing de referentie aan het Gerechtelijk Wetboek voortvloeit uit een materiële vergissing. De prejudiciële vraag is ontvankelijk. 18 Ten aanzien van de memorie neergelegd door de Ministerraad in de zaak nr. 2975 B.2. Het contradictoire karakter van de rechtspleging is te dezen niet in gevaar gebracht doordat in die memorie wordt verwezen naar de argumenten die zijn geformuleerd in memories die eerder door de Ministerraad zijn neergelegd in andere samengevoegde zaken. De door de Ministerraad voorgestelde « bondige samenvatting » van die argumenten is immers de weergave van de essentie van de in die vroegere memories vervatte uiteenzettingen. De tussenkomende partijen konden overigens, krachtens artikel 103 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, van die memories inzage nemen ter griffie gedurende de periode die de terechtzitting voorafgaat waarop de partijen bovendien gemachtigd waren om, krachtens artikel 106 van die wet, mondelinge opmerkingen hieromtrent voor te dragen. Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.3.1. Artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij artikel 3 van de wet van 11 december 1998 « tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering » en gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 4 juli 2001 « tot aanvulling van artikel 447 van het Strafwetboek en tot wijziging van artikel 24, 3°, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering » bepaalt : « De verjaring van de strafvordering is geschorst ten aanzien van alle partijen : 1° vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid. De verjaring begint evenwel opnieuw te lopen : - vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak onbepaald uit te stellen, tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat; 19 - vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat; - vanaf de verklaring van hoger beroep bedoeld in artikel 203, of de betekening van het hoger beroep bedoeld in artikel 205, tot op de dag waarop het hoger beroep op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid, indien het hoger beroep tegen de uitspraak over de strafvordering enkel uitgaat van het openbaar ministerie; - vanaf het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van de dag van de zitting waarop, naar gelang van het geval, de strafvordering bij het vonnisgerecht in eerste aanleg of bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid of dit laatste vonnisgerecht beslist uitspraak te doen over de strafvordering, tot op de dag van de uitspraak over de strafvordering door het desbetreffende vonnisgerecht; 2° in geval van verwijzing tot beslissing van een prejudicieel geschil; 3° in de gevallen bepaald bij artikel 447, derde en vijfde lid, van het Strafwetboek; 4° gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst. » B.3.2. Artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen » vervangt dat artikel 24 door de volgende bepaling : « De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert. Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst. » Door die wijziging van artikel 24 heft de wetgever voor de verjaring van de strafvordering enkel de eerste schorsingsgrond op zoals daarin is voorzien in de in B.3.1 vermelde tekst, aangezien de nieuwe tekst nog steeds de drie andere schorsingsgronden beoogt (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1625/002, pp. 2-4). 20 Artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 preciseert dat dat artikel 3 « in werking [treedt] op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Ten gevolge van de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad van 5 september 2002, is artikel 3 - en de erin vervatte nieuwe tekst van artikel 24 - in werking getreden op 1 september 2003. B.3.3. Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 voegt aan het voormelde artikel 5, 2), na de woorden « in het Belgisch Staatsblad » de woorden « en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum » toe. Het Hof dient zich in deze zaken niet uit te spreken over de draagwijdte van het verschil tussen de Nederlandse versie (« na deze datum ») en de Franse versie (« à partir de cette date ») van deze bepaling. Die wijziging, die in werking is getreden op 1 september 2003 krachtens artikel 34 van de voormelde programmawet, heeft tot gevolg dat de in de wet van 16 juli 2002 vervatte tekst van artikel 24 - eveneens in werking getreden op 1 september 2003 - enkel van toepassing is op de strafvorderingen in verband met misdrijven die - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) die datum zijn gepleegd. De verjaring van de strafvordering in verband met andere misdrijven blijft aldus geregeld door het voormelde artikel 24, dat in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is ingevoegd bij de wet van 11 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 4 juli 2001. B.3.4. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen en de motieven van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat het Hof wordt verzocht om, ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het verschil in behandeling te onderzoeken tussen twee categorieën van rechtzoekenden die worden beoordeeld na 1 september 2003 : enerzijds, diegenen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens misdrijven gepleegd tot aan die datum en voor wie de verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag van de terechtzitting waarop die vordering wordt ingeleid voor het vonnisgerecht en, anderzijds, diegenen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens later gepleegde misdrijven en voor wie de verjaring van de strafvordering om die reden niet kan worden geschorst. 21 Daaruit blijkt dat de toetsing van het Hof dient te worden beperkt tot artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003. Ten aanzien van de inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet B.4. Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 vloeit voort uit een vaststelling die is gedaan op basis van informatie die door verschillende parketten en parketten-generaal aan de bevoegde minister werd bezorgd : de inwerkingtreding van artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 waarbij het systeem van de schorsing van de verjaring van de strafvordering vanaf de inleidingszitting wordt afgeschaft, dreigde, in het rechtsgebied van sommige hoven van beroep, op 1 september 2003 tot de onherroepelijke verjaring te leiden van « een heleboel, vooral zware zaken (drugs, mensenhandel, eco-fin zaken, B.T.W.-carrousels, bankbreuken, enz.) » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0102/001, p. 22; ibid., DOC 51-0102/013, p. 6; Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-137/5, pp. 2-3, 6-7). De in het geding zijnde bepaling wordt gemotiveerd door de bekommernis om met name mensenhandelaars, fraudeurs en drugsbaronnen niet het « nooit geziene cadeau » te geven dat, in die omstandigheden, de onmiddellijke toepasbaarheid van het voormelde artikel 3 zou zijn (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0102/001, p. 22; ibid., DOC 51-0102/013, pp. 3 en 6; Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-137/5, pp. 2-7). B.5.1. Met artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 heeft de wetgever zich ertoe beperkt de regeling van de schorsingsgronden voor de verjaring van de strafvordering te wijzigen. Hij heeft geen nieuw misdrijf in het leven geroepen, noch het stelsel van de straffen gewijzigd, noch een nieuwe verjaringstermijn ingevoerd. B.5.2. Met de opheffing van de schorsingsgrond bedoeld in artikel 24, 1°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoerd bij de wet van 11 december 1998, heeft de wetgever willen reageren op de moeilijkheden die de toepassing van die regel had doen ontstaan (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1625/002, pp. 2 en 3; ibid., DOC 50-1625/005, p. 10). 22 B.6.1. Het komt de wetgever toe de inwerkingtreding van de wet te regelen en al dan niet overgangsmaatregelen aan te nemen. Artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet overigens uitdrukkelijk in de mogelijkheid om af te wijken van de regel volgens welke de wetten op de rechtspleging van toepassing zijn op de hangende rechtsgedingen op het moment van de inwerkingtreding ervan. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden enkel worden geschonden indien de overgangsmaatregelen een verschil in behandeling in het leven zouden roepen waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. B.6.2. Door de regel af te schaffen volgens welke de verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de inleiding ervan voor het vonnisgerecht, heeft de wetgever een - voor de beklaagden gunstige - maatregel aangenomen, waarvan hij, met toepassing van het voormelde artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, de inwerkingtreding vermocht vast te stellen op de eerste dag van de twaalfde maand na die van de bekendmaking van de nieuwe bepaling, zoals daarin is voorzien in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002. B.6.3. De personen die een misdrijf hadden gepleegd vóór de bekendmaking van artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 vermochten de hoop te koesteren de nieuwe regel te genieten, mits zij na 1 september 2003 zouden worden berecht. Zij hebben echter niet daarvan kunnen profiteren, aangezien de wetgever, met de aanneming van die bepaling, beslist heeft dat de nieuwe regel enkel van toepassing zou zijn op de misdrijven die - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) die datum zijn gepleegd. B.6.4. Het staat niet aan het Hof de wijze te beoordelen waarop de wetgever, van 1998 tot 2003, vier opeenvolgende wijzigingen inzake de verjaringsregeling van de strafvordering heeft doorgevoerd. De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen hebben uitsluitend betrekking op de discriminaties die de wijziging van een overgangsmaatregel zou kunnen teweegbrengen. B.6.5. De in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 vervatte overgangsmaatregel heeft niet het in B.6.3 aangehaalde verhoopte gevolg gehad wegens de wijziging ervan bij de in het geding zijnde bepaling. De rechtzoekenden, die hadden gehoopt dat gevolg te kunnen genieten, werden door die bepaling misschien teleurgesteld in hun verwachtingen, maar ze heeft niet twee categorieën van personen in het leven geroepen waarop twee opeenvolgende 23 overgangsregelingen van toepassing zouden zijn, aangezien dat gevolg van de eerste overgangsregeling zich nooit heeft voorgedaan. B.7. Het Hof dient nog het verschil in behandeling te onderzoeken dat voortvloeit uit de overgangsbepaling vervat in artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003. B.8. Het is eigen aan een overgangsregeling dat ze de gelijktijdige toepassing van een nieuwe wet en een vroegere wet mogelijk maakt. Door te beslissen dat de nieuwe regel enkel van toepassing zal zijn op misdrijven gepleegd - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) 1 september 2003, heeft de wetgever een maatregel genomen die in redelijkheid is verantwoord ten aanzien van het in B.4 beschreven doel. Ofschoon hij, met artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, de overgangsmaatregel heeft gewijzigd die hij had vastgesteld in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002, heeft hij zodoende het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De wetgever kan immers op een eerdere keuze terugkomen. B.9. In zoverre de in het geding zijnde maatregel ook strafvorderingen zou beogen in verband met feiten die niets te maken hebben met de criminaliteit waarvan sprake in de parlementaire voorbereiding, kan hij evenmin worden beschouwd als onevenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. Hoewel tijdens de parlementaire voorbereiding vermeld in B.4 sommige vormen van criminaliteit meer in het bijzonder zijn vermeld, had de doelstelling van de wetgever niet uitsluitend daarop betrekking. De gegeven voorbeelden beoogden de aandacht te vestigen op de zwaarste misdrijven die zouden verjaren, maar niet een exhaustieve lijst daarvan te geven. B.10. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de wetgever, door de toepassingssfeer van het nieuwe artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering te beperken tot de misdrijven bedoeld in artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, geen onverantwoord verschil in behandeling in het leven heeft geroepen. 24 B.11. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 25 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 19 januari 2005. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.012 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div