← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.022 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050126.14 Arrest- Rolnummer: 22/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-06 Raadplegingen: 221 - laatst gezien 2026-07-02 07:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het enkel de groepsverzekeringscontracten gesloten ten voordele van de loontrekkenden van de onderneming beoogt. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 en gewijzigd bij de wetten van 30 december 1988 en 22 december 1989, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Aarlen. Tekst van de beslissing Rolnummer 2951 Arrest nr. 22/2005 van 26 januari 2005 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 en gewijzigd bij de wetten van 30 december 1988 en 22 december 1989, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Aarlen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 17 maart 2004 in zake M. Vermaelen en anderen tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 19 maart 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Aarlen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten, dat in dat Wetboek is ingevoegd bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 dat aan de Koning bepaalde bijzondere machten toekent, en gewijzigd is bij artikel 195 van de wet van 30 december 1988 en bij artikel 214 van de wet van 22 december 1989, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het enkel de groepsverzekeringscontracten gesloten ten voordele van de loontrekkenden van een onderneming beoogt, met uitsluiting van de contracten gesloten ten voordele van de bedrijfsleiders ? » Memories zijn ingediend door : - M. Vermaelen en C. Delhaye, wonende te 6700 Aarlen, rue Godefroid Kurth 31, en V. Delhaye, wonende te 6700 Aarlen, rue de la Mardelle 19; - de Ministerraad. Bij beschikking van 9 november 2004 heeft het Hof, na de partijen te hebben uitgenodigd hun standpunt over de kwestie van zijn bevoegdheid te kennen te geven in een uiterlijk op 25 november 2004 in te dienen aanvullende memorie, de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 1 december

  1. M. Vermaelen, C. Delhaye en V. Delhaye hebben een aanvullende memorie ingediend. De Ministerraad heeft bij brief van 23 november 2004 geantwoord. Op de openbare terechtzitting van 1 december 2004 : - zijn verschenen : . Mr. C. Janssens, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Seutin, advocaat bij de balie te Luik, voor M. Vermaelen en anderen; . Mr. A. Jourez, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. J. Saussez, advocaat bij de balie te Aarlen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij het overlijden van J. Delhaye heeft zijn weduwe een kapitaal ontvangen ter uitvoering van een groepsverzekeringscontract gesloten ten gunste van de overledene door de coöperatieve vennootschap waarvan hij de enige zaakvoerder was. Zij heeft dat bedrag niet aangegeven bij de activa van de nalatenschap. De belastingadministratie was van mening dat het kapitaal dat zij krachtens die verzekeringsovereenkomst had ontvangen, voor de helft diende te worden onderworpen aan de successierechten krachtens artikel 8, eerste, tweede en vierde lid, van het Wetboek der successierechten, en heeft een dwangbevel uitgevaardigd met betrekking tot die rechten. Voor de Rechtbank van eerste aanleg te Aarlen beweren de erfgenamen van J. Delhaye dat het bij het zesde lid, 3°, van die bepaling ingestelde verschil in behandeling tussen de loontrekkenden, die zijn vrijgesteld van de betaling van die rechten, en de bedrijfsleiders, die dat niet zijn, thans niet meer kan worden verantwoord. Bijgevolg stelt de Rechtbank aan het Hof de voormelde vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.
  2. De erfgenamen van J. Delhaye zijn van mening dat het Hof niet bevoegd is om van de prejudiciële vraag kennis te nemen en dat de feitenrechter derhalve zelf, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, uitspraak moet doen over de grondwettigheid van de betwiste bepaling. A.
  3. De Ministerraad gedraagt zich naar het oordeel van het Hof wat het bevoegdheidsprobleem betreft. Ten gronde Standpunt van de erfgenamen van J. Delhaye A.
  4. De verzoekende partijen voor de Rechtbank van eerste aanleg stellen dat artikel 8, eerste lid, van het Wetboek der successierechten een fictie bevat volgens welke de bedragen ontvangen door een erfgenaam krachtens een beding ten behoeve van een derde in een contract gesloten door de overledene, worden geacht deel uit te maken van het actief van de nalatenschap, terwijl zij nooit deel hebben uitgemaakt van het patrimonium van de de cujus. Zij voeren aan dat, volgens de parlementaire voorbereiding, de verantwoording van de uitsluiting van de erfgenamen van de bedrijfsleiders in de zin van artikel 32 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van de vrijstelling van de kapitalen van een levensverzekering, een economisch karakter heeft : in het geval van de bedrijfsleiders wordt de werkelijke last van de betaling van de premies niet gedragen door een derde, namelijk de vennootschap, maar indirect door de bedrijfsleider zelf. A.
  5. Zij doen opmerken dat er tal van gevallen zijn waarin, zowel in personenvennootschappen als in kapitaalvennootschappen, sommige bezoldigde bedrijfsleiders, die al dan niet een mandaat uitoefenen, misschien geen vennoot of aandeelhouder zijn van de vennootschap, en dat zij derhalve, zelfs indirect, niet de werkelijke economische last van de betaling van de premies dragen. A.
  6. Zij voegen eraan toe dat in het licht van het vennootschapsrecht en van de evolutie ervan, de economische verantwoording van het verschil in behandeling thans nog minder gegrond is, enerzijds, omdat de huidige wetgeving, zowel wat het vennootschapsrecht als wat het fiscaal recht betreft, het onderscheid dat vroeger werd gemaakt tussen de personenvennootschappen en de kapitaalvennootschappen heeft afgeschaft, en, anderzijds, en voornamelijk, omdat de evolutie in de wetgeving betreffende de pensioenen uiting geeft aan de wil van de wetgever om de fiscale regeling voor bedrijfsleiders, die worden verondersteld zelfstandig te zijn, af te stemmen op die van de loontrekkenden. Zij merken in dat verband op dat de formulering van artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten moet worden beoordeeld rekening houdend met het feit dat, bij de invoering van die bepaling, de wetgeving inzake verzekeringen niet voorzag in de mogelijkheid voor een onderneming om groepsverzekeringscontracten af te sluiten ten voordele van haar bedrijfsleiders. Voorts wijzen 4 zij erop dat, per definitie, een groepsverzekering door een onderneming wordt aangegaan ten voordele van een open categorie van bezoldigde of zelfstandige personen, en dat inzake de vennootschapsbelasting het Ministerie van Financiën heeft ingestemd met de aftrekbaarheid van de groepsverzekeringspremies in het kader van een polis aangegaan ten voordele van één enkele persoon in het geval van een b.v.b.a. Standpunt van de Ministerraad A.
  7. De Ministerraad voert aan dat uit het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het koninklijk besluit van 31 maart 1936 tot invoering van het Wetboek der successierechten blijkt dat het feit dat de erfgenamen van de bedrijfsleiders worden uitgesloten van de vrijstelling van de rechten op het kapitaal dat zij ontvangen ter uitvoering van een groepsverzekeringscontract, niet voortvloeit uit een economische overweging maar wel degelijk uit een overweging van sociale bescherming : op het vlak van de successierechten heeft de wetgever willen verzekeren dat de personen die worden geacht de laagste beroepsinkomsten te hebben genoten, een ouderdomspensioen zouden krijgen, en hij heeft de band van ondergeschiktheid als criterium van onderscheid genomen om die doelstelling te bereiken. Hij preciseert dat de fiscale bescherming die uitgaat van de in het geding zijnde bepaling, berust op de overweging dat een zelfstandige bedrijfsleider gemakkelijker in een ouderdomspensioen kan voorzien en kan sparen. Hij is van oordeel dat, zelfs indien thans de sociale kloof tussen de loontrekkenden en de zelfstandige bedrijfsleiders kleiner is geworden, het onbetwistbaar zo is dat zij nog steeds niet op voet van gelijkheid staan inzake de toegang tot de verschillende spaarvormen en de pensioenverzekering, en dat het in het geding zijnde onderscheid dus objectief en relevant blijft. A.
  8. De Ministerraad voert ook nog aan dat de evolutie in de wetgeving waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, op zich alleen geen inbreuk kan maken op de objectiviteit en de pertinentie van de norm, want zij doet de redenen die eraan ten grondslag liggen, niet verdwijnen. De Ministerraad beklemtoont bovendien dat die evolutie enkel heeft plaatsgehad op het gebied van de verzekeringen, en niet inzake vennootschappen noch inzake inkomstenbelastingen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.
  9. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten, vervangen bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 tot wijziging van het Wetboek der successierechten, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en van het Wetboek der zegelrechten. De eerste vijf leden van dat artikel 8 bepalen dat verschillende sommen, renten of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen op grond van een door de overledene gesloten contract, worden geacht als legaat te zijn verkregen en dat zij bijgevolg aan successierechten zijn onderworpen. Het zesde lid van dat artikel bepaalt dat het niet van toepassing is : « […] 3° op de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de overledene werden gevestigd ten behoeve van de overlevende echtgenoot van de overledene of, bij 5 gebreke, ten behoeve van zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering hetzij van een groepsverzekeringscontract onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming en beantwoordende aan de voorwaarden gesteld door de reglementering betreffende de controle van zulke contracten, hetzij van het bindend reglement van een voorzorgsfonds opgericht ten behoeve van het personeel van de onderneming; […] ». Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof B.2.
  10. Het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967, genomen krachtens de wet van 31 maart 1967 « tot toekenning van bepaalde machten aan de Koning ten einde de economische heropleving, de bespoediging van de regionale reconversie en de stabilisatie van het begrotingsevenwicht te verzekeren », is niet bij wet bekrachtigd. De wetgever heeft evenwel de in het geding zijnde bepaling tweemaal gewijzigd : enerzijds, bij artikel 195 van de programmawet van 30 december 1988, waarbij de woorden « de weduwe van de overledene » zijn vervangen door de woorden « de overlevende echtgenoot van de overledene », en, anderzijds, bij artikel 214 van de wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen, waarbij de woorden « minderjarige kinderen » zijn vervangen door de woorden « kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt ». B.2.
  11. Door het voordeel van de vrijstellingsmaatregel waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, uit te breiden tot de overlevende echtgenoot, ongeacht diens geslacht, heeft de wet van 30 december 1988 een bepaling op de weduwnaars van toepassing gemaakt die tot dan toe alleen op de weduwen van toepassing was. B.2.
  12. Door het voordeel van de vrijstelling te behouden voor de kinderen van de overledene die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, heeft de wet van 22 december 1989 belet dat hun dat voordeel zou worden ontzegd door de werking van de wet van 19 januari 1990 die de leeftijd van de wettelijke meerderjarigheid tot achttien jaar verlaagt. B.2.
  13. Hoewel die wijzigingen zijn ingegeven door de zorg om, wat de ene betreft, rekening te houden met de nieuwe leeftijd van de wettelijke meerderjarigheid en, wat de 6 andere betreft, de in het geding zijnde bepaling in overeenstemming te brengen met « de gelijkheid tussen man en vrouw inzake pensioenen » (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 609/1, p. 98), hebben zij het toepassingsgebied van die bepaling niettemin grondig beïnvloed. B.2.
  14. Dergelijke wijzigingen beperken zich niet tot een louter vormelijke aanpassing van een fiscale bepaling aan andere bepalingen. Zij houden in dat de wetgever zich, om die te behouden of die uit te breiden, de normatieve inhoud van het 3° van artikel 8, zesde lid, van het Wetboek der successierechten heeft toegeëigend. Die bepaling dient derhalve te worden beschouwd als een « wet » in de zin van artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. B.2.
  15. Het Hof is bevoegd om van de prejudiciële vraag kennis te nemen. Ten gronde B.
  16. Artikel 8 van het Wetboek der successierechten roept een fictie in het leven volgens welke de sommen, renten of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen, bij het overlijden van de overledene, ingevolge een contract dat een door de overledene of door een derde ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen, en derhalve deel uitmaken van het actief van de nalatenschap. Op die sommen zijn bijgevolg rechten verschuldigd. Luidens het zesde lid van die bepaling is zij niet van toepassing op sommige sommen, renten en kapitalen, waaronder de kapitalen en renten gevestigd door toedoen van de werkgever van de overledene ten behoeve van diens echtgenoot of kinderen ingevolge een bindend reglement van de onderneming. B.
  17. De in het geding zijnde bepaling voert dus een onderscheid in tussen de erfgenamen van de werknemers, die de vrijstelling genieten, en de erfgenamen van de bedrijfsleiders die niet het statuut van werknemer hebben, die de vrijstelling niet genieten. 7 B.
  18. Het verslag aan de Koning betreffende het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 verklaart de uitsluiting van de erfgenamen van de bedrijfsleiders die niet het statuut van werknemer hebben, van de vrijstelling van de rechten als volgt : « Er werd […] vastgesteld dat sommige familievennootschappen levensverzekeringen afsluiten, soms voor grote bedragen, ten bate van de vennoten-zaakvoerders, die practisch enige eigenaars zijn van de onderneming of nog dat andere vennootschappen belangrijke levensverzekeringen afsluiten, op het leven van de leden van het hoger kaderpersoneel ten bate van de weduwen, kinderen of andere familieleden van die personen. Alhoewel de premies in die gevallen betaald worden door de vennootschap, is het in werkelijkheid de persoon, op wiens leven de verzekering afgesloten wordt, die economisch de premies afdraagt. Omwille van de verdelende rechtvaardigheid dienen al de hierboven uiteengezette situaties, die economisch gelijkstaan met die welke thans door artikel 8 van het Wetboek der successierechten voorzien zijn, onder de toepassing van dat artikel te worden gebracht. » (koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 tot wijziging van het Wetboek der successierechten, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en van het Wetboek der zegelrechten, Verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad, 20 april 1967) B.
  19. Gelet op het fiscaal doel van de wetgever is het niet onredelijk dat hij op de sommen betaald krachtens een verzekering waarvan de premies zijn betaald met fondsen die rechtstreeks of indirect tot het vermogen van de overledene behoren, successierechten heft en dat hij de sommen betaald krachtens een verzekering waarvan de premies zijn betaald door een derde, te dezen de werkgever van de overledene, die daartoe door het reglement van de onderneming is verplicht, van dezelfde rechten vrijstelt. De bedrijfsleider die niet het statuut van werknemer heeft, bevindt zich immers ten aanzien van de onderneming, de beslissingen die zij neemt en het kapitaal waarover zij beschikt, in een situatie die verschilt van die van de werknemer van de onderneming. In tegenstelling tot de bedrijfsleider die een statuut van zelfstandige heeft, beschikt de werknemer in de regel over geen enkele bevoegdheid om deel te nemen aan de beslissingen waarvoor de werkgever renten en kapitalen vormt ten behoeve van de werknemer of diens erfgenamen. Vanuit dat oogpunt vertonen de renten en kapitalen verkregen bij zijn overlijden door zijn echtgenoot of zijn kinderen geen analogie met de sommen die, op grond van artikel 8 van het Wetboek der successierechten, worden geacht als legaat te zijn verkregen. B.
  20. Het verschil in behandeling berust derhalve op een criterium van onderscheid dat objectief en relevant is ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel. 8 De in het geding zijnde maatregel is niet onevenredig nu de betrokken partijen bij vaststelling of wijziging van de beloningsvoorwaarden van de bedrijfsleider onderhandeld hebben met kennis van die maatregel en dienvolgens ook rekening ermee hebben kunnen houden. B.
  21. De vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der Successierechten schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het enkel de groepsverzekeringscontracten gesloten ten voordele van de loontrekkenden van de onderneming beoogt. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 26 januari
  22. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.022 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.