← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 26 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.023 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050126.17 Arrest- Rolnummer: 23/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-10 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-07-02 05:21 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 51 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 51 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Gent. Tekst van de beslissing Rolnummer 2956 Arrest nr. 23/2005 van 26 januari 2005 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 51 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Gent. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 26 februari 2004 in zake de n.v. Buwacom, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 maart 2004, heeft de Rechtbank van Koophandel te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld :

  1. « Schendt artikel 51 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de curatoren de verplichting oplegt, onder sanctie van de aanrekening van verwijlintresten, om de gelden afkomstig van verkopen en inning van vorderingen te storten bij de Deposito- en Consignatiekas, daar waar andere personen die geroepen zijn om gelden van derden te beheren als een goed huisvader, zoals de notarissen (onder andere artikel 34 van de wet van 6 [lees : 16] maart 1803), de voogden van minderjarigen (artikel 407, § 1, 4°, van het Burgerlijk Wetboek), de voogden van in staat van verlengde minderjarigheid verklaarde personen (artikel 487octies van het Burgerlijk Wetboek), de voorlopige bewindvoerders (artikel 488bis, f, van het Burgerlijk Wetboek) de voogden van onbekwaamverklaarden (artikel 489 van het Burgerlijk Wetboek) en de schuldbemiddelaars (artikelen 1675/2 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek), deze verplichting niet hebben en kunnen kiezen voor het beheer van de hun toevertrouwde gelden tussen de Deposito- en Consignatiekas - waar nochtans specifieke intrestvoeten voorzien zijn voor gelden van minderjarigen, onbekwaamverklaarden en krankzinnigen, onderscheiden van de intrestvoet inzake faillissementsgelden - en een kredietinstelling in de zin van de wet van 22 maart 1993 ? »
  2. « Schendt artikel 51 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het aan de curatoren een meer dan louter indemniserende vergoedingsplicht oplegt, terwijl de vergoedingsplicht die op andere burgers rust daarentegen wel louter indemniserend van aard is ? » Memories zijn ingediend door : - J. De Buck, curator van het faillissement van de n.v. Buwacom, kantoor houdend te 9000 Gent, Recollettenlei 43; - de Ministerraad. J. De Buck en de Ministerraad hebben ieder een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 1 december 2004 : - zijn verschenen : . Mr. G. Martens, advocaat bij de balie te Brugge, Mr. J. Malherbe en Mr. I. Vos loco Mr. D. D’Hooghe, advocaten bij de balie te Brussel, voor J. De Buck; . Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil J. De Buck is aangesteld als curator over het faillissement van de n.v. Buwacom. Wanneer hij vaststelt dat het faillissement klaar is voor afsluiting dient hij een verzoekschrift in tot begroting van zijn ereloon en kosten. De rechter-commissaris die over dat verzoek advies uitbrengt, merkt op dat de curator de gelden afkomstig van de verkopingen en invorderingen laattijdig aan de Deposito- en Consignatiekas heeft overgemaakt, hetgeen voor de failliete boedel een belangrijk nadeel zou betekenen. Hij berekent de in artikel 51, § 3, van de faillissementswet als sanctie voorgeschreven intresten op een bedrag van 42.915,20 euro. Zelfs indien die strenge sanctie niet zou worden toegepast, is de rechter-commissaris van oordeel dat de curator aan de massa van de schuldeisers 11.820,48 euro dient te betalen, zijnde het verschil tussen de intresten die de gelden op de rubriekrekening hebben opgebracht en de intresten die de gelden op de Deposito- en Consignatiekas zouden hebben opgebracht. De curator deelt het standpunt van de rechter-commissaris niet. Het geschil wordt ter beoordeling voorgelegd aan de rechter, die vaststelt dat de feiten zich onder de gelding van het oorspronkelijke artikel 51 van de faillissementswet hebben voorgedaan. Op verzoek van de curator stelt de rechter de hiervoor aangehaalde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.
  3. De Ministerraad is van oordeel dat geen vergelijking kan worden gemaakt tussen de situatie van een voogd of een voorlopig bewindvoerder en die van een curator. De opdracht van de curator heeft als voorwerp de vereffening van het vermogen, met als doel de uitdeling van het vermogen aan de schuldeisers, terwijl de opdracht van de voogd of de voorlopige bewindvoerder het beheer van het vermogen van een bepaalde fysieke persoon betreft, die wegens zijn leeftijd, gezondheidstoestand of geestesgesteldheid dat vermogen niet zelf kan beheren. In het eerste geval gaat het om het collectief belang van de schuldeisers, in het tweede geval gaat het om het individueel belang van de titularis van het vermogen. Ook de regels waaronder de verschillende categorieën hun opdracht vervullen, verschillen grondig. Een vergelijking tussen de opdrachten van de curator en de schuldbemiddelaar is volgens de Ministerraad evenmin pertinent. De schuldbemiddelaar heeft in de regel geen vereffeningsopdracht maar louter een opdracht van herverdeling van de uit de periodieke inkomsten van de schuldenaar genomen gelden onder zijn schuldeisers. De collectieve schuldenregeling voorziet slechts uitzonderlijk in de realisatie van vermogensbestanddelen en de schuldenaar blijft aan het hoofd van zijn vermogen. Ten slotte zou de prejudiciële vraag eveneens verkeerdelijk ervan uitgaan dat de notarissen en de curatoren zich in een soortgelijke situatie zouden bevinden. De notaris stelt in de regel zelden daden van beheer of van vereffening voor rekening van derden. De Ministerraad verwijst in dat verband naar de regelgeving inzake het beheer van de geldsommen die de notaris in het kader van zijn opdracht voor rekening van een ander heeft ontvangen. 4 A.1.
  4. J. De Buck wijst erop dat bepaalde verschillen niet verhinderen dat het gaat om vergelijkbare gevallen en dat men verschil en niet-vergelijkbaarheid niet mag verwarren. De opdracht van de curator verschilt weliswaar van de opdracht die door de andere categorieën van personen wordt vervuld, maar zij dienen allen in de uitoefening van hun functie gelden van derden te beheren. Ook de curator moet het faillissement beheren als een goed huisvader, onder toezicht van de rechter-commissaris. De curator heeft daarbij twee gezichten : enerzijds, neemt hij tijdelijk de plaats in van de gefailleerde en, anderzijds, vertegenwoordigt hij de gezamenlijke chirografaire schuldeisers. Het is in de eerstgenoemde hoedanigheid dat de curator als beheerder van het actief overgaat tot invordering van de bedragen en de goederen die derden nog aan de gefailleerde verschuldigd waren. Terwijl de curator verplicht is de gelden te storten bij de Deposito- en Consignatiekas, kunnen de vergelijkbare categorieën kiezen tussen de storting bij de Deposito- en Consignatiekas of bij een kredietinstelling in de zin van de wet van 22 maart
  5. Voor het overige merkt J. De Buck op dat de curator wel degelijk optreedt in het belang van de gefailleerde en dat de som van de individuele belangen van de schuldeisers niet met het algemeen belang kan worden gelijkgesteld. Ten slotte zou ook de schuldbemiddelaar voor de schuldeisers optreden en zouden de schuldbemiddelaar en de notaris in het kader van hun opdracht eveneens tot vereffening van activa kunnen overgaan. A.2.
  6. Ook ten gronde verschillen de partijen van mening. Volgens de Ministerraad is de principiële verplichting voor de curator om de geïnde fondsen te storten bij de Deposito- en Consignatiekas evenredig met het nagestreefde doel. Volgens J. De Buck is dat niet het geval. A.2.
  7. De Ministerraad leidt uit de parlementaire voorbereiding af dat verschillende beschouwingen ten grondslag liggen aan de keuze om het monopolie van de Deposito- en Consignatiekas te behouden. In de eerste plaats werden de bijzondere zekerheids- en solvabiliteitswaarborgen die de instelling biedt als verantwoording aangevoerd. J. De Buck wijst die verantwoording van de hand. Hij merkt op dat de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen in tal van waarborgen voorziet inzake veiligheid en stabiliteit van de kredietinstellingen. A.2.
  8. Volgens de Ministerraad werd de opportuniteit om het monopolie van de Deposito- en Consignatiekas te handhaven ook beoordeeld in het licht van de aanzienlijke inspanningen die zij de laatste jaren had geleverd om haar werkwijze af te stemmen op de noden van de curatoren. Naar het oordeel van J. De Buck kan dit hoogstens verantwoorden dat een eventuele mogelijkheid om de derdengelden bij die instelling onder te brengen niet wordt afgeschaft. Het zou evenwel geen doel op zich betreffen dat de ongelijke behandeling kan verantwoorden. A.2.
  9. Vervolgens zouden ook budgettaire beschouwingen in aanmerking zijn genomen om de centrale rol van de Deposito- en Consignatiekas in de ontvangst van de fondsen van de gefailleerde te handhaven. J. De Buck antwoordt daarop dat het verlies voor de Schatkist en de mogelijke verstoring van het financiële evenwicht van de Deposito- en Consignatiekas het behoud van een monopolie in strijd met de Europese regelgeving en het gelijkheidsbeginsel niet kunnen verantwoorden. A.2.
  10. De Ministerraad haalt ook de voordelen aan inzake centralisatie van het beheer van de faillissementsfondsen in de handen van dezelfde instelling (historische knowhow, gelijke behandeling van de verschillende faillissementen en schuldeisers, enz.) en inzake bescherming van de curator. Die mogelijkheden bieden voor J. De Buck geen afdoende verantwoording. Het aanleggen van een centraal gegevensbestand zou volstaan om het eerste voordeel te genieten. Ook de bescherming van de curator tegen het verwijt niet de beste financiële instelling te hebben gekozen, zowel inzake rente als inzake dienstverlening, biedt geen verantwoording : waarom zouden immers de overige beheerders van derdengelden die bescherming niet mogen genieten ? A.2.
  11. Ten slotte zou het verschil in behandeling volgens de Ministerraad kunnen worden verantwoord door het feit dat faillissementsfondsen bij de Deposito- en Consignatiekas niet vatbaar zijn voor beslag. 5 J. De Buck meent evenwel dat ook derdengelden op een kwaliteitsrekening bij een kredietinstelling in de zin van de wet van 22 maart 1993 in beginsel niet vatbaar zijn voor beslag. De Ministerraad betwist die stelling. A.2.
  12. Het feit dat voor de lopende verrichtingen een gewone bankrekening wordt aanvaard, is voor de Ministerraad een element dat tot de evenredigheid van de maatregel doet besluiten, terwijl het voor J. De Buck het standpunt bevestigt dat de aangehaalde motieven niet volstaan om het monopolie van de Deposito- en Consignatiekas en de schending van het gelijkheidsbeginsel te verantwoorden. A.2.
  13. Meer algemeen merkt de Ministerraad ten slotte op dat het Hof zich beperkt tot een analyse van de interne evenredigheid tussen het door de wetgever beoogde doel en het door hem aangewende middel, zijnde de rechtsnorm, en dat het bij de beoordeling van dat verband slechts marginaal toetst, door na te gaan of de rechtsnorm niet het resultaat is van een kennelijk verkeerde beoordeling. A.3.
  14. J. De Buck besluit niet alleen tot een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij meent bovendien dat de in het geding zijnde bepaling een monopoliepositie doet ontstaan die strijdig is met artikel 86, juncto artikel 82, van het E.G.-Verdrag. Wanneer een onderneming die over een dominante positie beschikt niet in staat is om tegemoet te komen aan de bestaande vraag op de markt, wordt dit als een misbruik van machtspositie beschouwd. In casu zou de Deposito- en Consignatiekas niet in staat zijn te voldoen aan de vraag van de curatoren. Zij dienen immers te kunnen beschikken over een snelle en efficiënte dienstverlening van de instelling waar zij de gelden afkomstig van de verkopingen en invorderingen deponeren. Anderzijds belet de in het geding zijnde bepaling de curatoren een beroep te doen op diensten van kredietinstellingen die in andere lidstaten van de Europese Unie gevestigd zijn en worden omgekeerd de buitenlandse kredietinstellingen belemmerd zich in België te vestigen, wat strijdig zou zijn met de artikelen 49 (vrij verkeer van diensten) en 43 (vrijheid van vestiging) van het E.G.-Verdrag. A.3.
  15. De Ministerraad merkt op dat de prejudiciële vraag slechts ertoe strekt van het Hof te vernemen of de verplichting om de betrokken geldsommen aan de Deposito- en Consignatiekas te storten een discriminatie inhoudt tussen de curatoren en de andere beheerders van andermans vermogen. Zij strekt zich niet uit tot de vraag of de in het geding zijnde bepaling een discriminatie inhoudt tussen financiële instellingen onderling, bijvoorbeeld vanuit het oogpunt van de vrijheid van handel en nijverheid, de vrijheid van vestiging, de vrijheid van dienstverlening of de concurrentiële positie op de markt. De vraag naar de conformiteit van de monopoliepositie van de Deposito- en Consignatiekas met het gelijkheidsbeginsel, in samenhang gelezen met de Europese regelgeving, werd niet door de verwijzende rechter gesteld, zodat J. De Buck die vraag niet op ontvankelijke wijze voor het Hof zou kunnen brengen. In ieder geval meent de Ministerraad dat de aangevoerde verdragsbepalingen niet zijn geschonden. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.4.
  16. De Ministerraad is van oordeel dat de door de verwijzende rechter onderscheiden categorieën niet voldoende vergelijkbaar zijn. De curator heeft een bijzondere opdracht, die hij uitvoert in het belang van de schuldeisers van de gefailleerde en van de maatschappij. Hij beheert gelden van derden in het kader van een opdracht die de openbare orde raakt en zou bijgevolg niet vergelijkbaar zijn met « de andere burgers ». A.4.
  17. J. De Buck is van mening dat de curator wel degelijk vergelijkbaar is met de door de verwijzende rechter aangehaalde « burger » vanuit het oogpunt van de omvang van de schadeloosstelling. De graad van professionaliteit zou in het schadevergoedingscontentieux hoogstens een rol spelen op het niveau van het aantonen van de fout en de schending van de zorgvuldigheidsnorm, doch niet op het niveau van de omvang van de schadeloosstelling. Hoewel de hoedanigheid van professioneel faillissementsbeheerder dus sneller tot aansprakelijkheid kan leiden, heeft dit geen invloed op de omvang van de schadeloosstelling. A.5.
  18. Ook ten gronde verschillen de partijen van mening. Volgens de Ministerraad zou de in het geding zijnde regeling niet zo uitzonderlijk zijn. Hij verwijst in dat verband naar de artikelen 1378 en 1153 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens J. De Buck is de verwijzing naar artikel 1378 van het Burgerlijk Wetboek niet pertinent aangezien er in casu geen sprake is van kwade trouw, noch van onverschuldigde betalingen. Wat artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek betreft, wijst hij bovendien op het nieuwe vijfde lid daarvan, dat bepaalt dat de rechter ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar de intrest die bedongen werd als schadevergoeding wegens 6 vertraging in de uitvoering kan verminderen indien de bedongen intrest kennelijk de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven gaat. A.5.
  19. De in het geding zijnde maatregel, zo vervolgt de Ministerraad, vertoont niet louter een vergoedend karakter, maar is ook een wettelijke sanctie ten aanzien van de curator die zijn wettelijke verplichting om de voor rekening van de schuldeisers geïnde geldsommen bij de Deposito- en Consignatiekas te storten niet heeft nageleefd. J. De Buck plaatst de maatregel evenwel in zijn historische context. Het feit dat de curatoren aanvankelijk de intrest zoals in handelszaken dienden te betalen op de niet aan de Deposito- en Consignatiekas doorgestorte sommen was in 1851 gebaseerd op het idee dat, zolang dit niet was gebeurd, de curatoren zichzelf krediet verschaften. Het betrof geen buitensporige sanctie aangezien anno 1851 zowel de conventionele als de wettelijke intrest aan banden was gelegd. Bij wet van 5 mei 1865 werd de conventionele intrest overgelaten aan de wil van de partijen en die wet is nog steeds van toepassing, met dien verstande dat bij wet van 30 juni 1970 de wettelijke intrestvoet zowel in burgerlijke als in handelszaken werd gelijkgeschakeld en sinds 1 september 1996 ongewijzigd 7 percent per jaar bedraagt. Het is volgens J. De Buck pas in die constellatie dat het aanrekenen van de wettelijke intrestvoet een buitensporige sanctie dreigt te worden, zoals ook zou blijken uit de feiten van het geschil voor de verwijzende rechter. Het verschil tussen de bankintrest en de intrest verschaft door de Deposito- en Consignatiekas bedraagt volgens de berekening van de rechter-commissaris 11.820,48 euro, terwijl de strikte toepassing van de in het geding zijnde bepaling tot een sanctie van 42.915,20 euro zou leiden. De Ministerraad merkt in dat verband wel nog op dat de wettelijke intrest niet verschuldigd is bovenop maar in de plaats van de op de gewone bankrekening opgebrachte intrest. -B- B.1.
  20. Artikel 51 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals van toepassing op het geschil voor de verwijzende rechter, bepaalde : « Alle schuldvorderingen of geldsommen die aan de gefailleerde verschuldigd zijn, worden door de curators opgespoord en tegen kwijting geïnd. De gelden afkomstig van verkopingen en invorderingen door de curators gedaan, worden binnen acht dagen na ontvangst in de Deposito- en Consignatiekas gestort. De rechter-commissaris kan evenwel op verzoekschrift de curators machtigen een beperkt bedrag op een bankrekening te bewaren, dienstig voor de lopende verrichtingen. In de beschikking bepaalt de rechter-commissaris het maximumbedrag dat de curators op die rekening mogen bewaren. Bij nalatigheid zijn de curators interest zoals in handelszaken verschuldigd voor de sommen die zij niet hebben gestort, onverminderd de toepassing van artikel
  21. » B.1.
  22. Dezelfde bepaling, zoals vervangen bij de wet van 4 september 2002, bepaalt : « Alle schuldvorderingen of geldsommen die aan de gefailleerde verschuldigd zijn, worden door de curators opgespoord en tegen kwijting geïnd. 7 De gelden afkomstig van verkopingen en invorderingen door de curators gedaan, worden binnen een maand na ontvangst aan de Deposito- en Consignatiekas gestort. De curator kan een beperkt bedrag op een per faillissement geïndividualiseerde bankrekening bewaren, dienstig voor de lopende verrichtingen, onder toezicht van de rechter-commissaris die daarvan het maximumbedrag bepaalt. Bij nalatigheid zijn de curators verwijlintresten, gelijk aan de wettelijke intrest, verschuldigd voor de sommen die zij niet hebben gestort, onverminderd toepassing van artikel
  23. » Die wetswijziging heeft geen invloed op de draagwijdte van de prejudiciële vragen. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
  24. De verwijzende rechter wenst in de eerste plaats van het Hof te vernemen of de voormelde bepaling de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie schendt doordat zij de curatoren verplicht om de gelden afkomstig van de verkopingen en invorderingen te storten bij de Deposito- en Consignatiekas, terwijl andere personen die gelden van derden beheren, zoals notarissen, voogden van minderjarigen of in staat van verlengde minderjarigheid verklaarde personen, voorlopige bewindvoerders, voogden van onbekwaamverklaarden en schuldbemiddelaars, de keuze hebben tussen de Deposito- en Consignatiekas en een kredietinstelling in de zin van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. B.
  25. De in het bodemgeschil betrokken curator verzoekt het Hof ook bepaalde artikelen van het E.G.-Verdrag in zijn onderzoek te betrekken omdat de in het geding zijnde bepaling een monopoliepositie zou doen ontstaan en het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging zou belemmeren. De partijen vermogen evenwel de draagwijdte van de prejudiciële vraag niet te wijzigen of uit te breiden. B.
  26. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 8 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.5.
  27. De Ministerraad werpt op dat de situatie van de curatoren niet kan worden vergeleken met de situatie van de andere in de prejudiciële vraag vermelde personen die gelden van derden beheren. B.5.
  28. De bewering volgens welke de situaties niet voldoende vergelijkbaar zijn kan niet ertoe strekken dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet worden toegepast. Zij kan enkel tot gevolg hebben dat de bewijsvoering van een bestaanbaarheid met die bepalingen wordt ingekort wanneer de situaties dermate verschillend zijn dat het onmiddellijk duidelijk is dat geen vaststelling van discriminatie zou kunnen voortvloeien uit de nauwgezette vergelijking ervan. B.5.
  29. Bij het vonnis van faillietverklaring benoemt de rechtbank van koophandel onder haar leden een rechter-commissaris en stelt zij één of meer curatoren aan. De opdracht van de curator bestaat onder meer erin het actief van de gefailleerde te gelde te maken en de opbrengst daarvan onder de schuldeisers te verdelen. De curator is een gerechtelijk lasthebber die de bij de wet bepaalde machten uitoefent in het belang zowel van de gezamenlijke schuldeisers als van de gefailleerde. Hij dient het faillissement als een goed huisvader te beheren, onder toezicht van de rechter-commissaris. B.5.
  30. Uit de parlementaire voorbereiding van de in B.1.1 en B.1.2 geciteerde wetten blijkt dat de wetgever, zowel in 1997 als in 2002, de verplichting heeft onderzocht die aan de curator wordt opgelegd om de faillissementsgelden aan de Deposito- en Consignatiekas te storten, dat hij de gunstige en ongunstige argumenten heeft afgewogen, die nu eens waren afgeleid uit bijzondere belangen, dan weer uit het algemeen belang en die alle het voorwerp hebben uitgemaakt van besprekingen, opmerkingen en amendementen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 26 en 27; nr. 631/4, pp. 9 en 10; nr. 631/8, p. 4; Parl. St., Kamer, 9 1994-1995, nr. 631/13, pp. 67, 76, 110, 119, 122, 144 en 276; Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 330/7, pp. 11 en 12; nr. 330/10, pp. 4 en 5; nr. 330/23, p. 4; nr. 330/24, p. 14; Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 329/17, pp. 145 en 146; Parl. St., Senaat, 1996-1997, nr. 1-498/11, pp. 130 tot 133, 221 en 222; nr. 1-499/4, pp. 6 en 7; nr. 1-499/5, pp. 13 en 14; nr. 1-499/8, p. 3). Hij heeft ervoor gekozen die verplichting te handhaven, waarbij tegelijk de mogelijkheid voor de curator om de voor de financiering van de lopende verrichtingen vereiste bedragen op een geïndividualiseerde bankrekening te bewaren, is versoepeld (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1132/003, pp. 4 en 5; DOC 50-1132/008, pp. 14 en 15; DOC 50-1132/010, p. 9; DOC 50-1132/013, pp. 68 tot 81, 141 en 146). B.5.
  31. Wanneer de wetgever, in het bijzonder in een aangelegenheid die uiteenlopende economische belangen betreft, tweemaal de oplossing heeft gekozen die hij het meest gunstig heeft geacht voor het algemeen belang en voor dat van de schuldeisers in het bijzonder, zou het Hof die keuze alleen kunnen afkeuren wanneer die op kennelijk onevenredige wijze afbreuk zou doen aan de belangen van een categorie van personen. B.5.
  32. Gelet op de in het geding zijnde belangen, kan de keuze van de wetgever om de gelden afkomstig van verkopingen en invorderingen bij de Deposito- en Consignatiekas te doen storten niet als klaarblijkelijk onredelijk worden beschouwd, onder meer rekening ermee houdende dat de gestorte gelden er een staatswaarborg genieten. Weliswaar zou de wetgever de opdracht van de curatoren kunnen vereenvoudigen indien zij de ontvangen gelden op een geïndividualiseerde bankrekening zouden kunnen storten, doch hij vermag, in het kader van de doelstelling van de faillissementswetgeving, die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers, dat belang van de curatoren ondergeschikt te achten aan de andere in het geding zijnde belangen. B.5.
  33. De curator oefent immers een wettelijke opdracht uit waarvan de gevolgen voor de situatie van de gefailleerde, voor die van de schuldeisers, voor de werkgelegenheid en voor de algemene economie vaak van dien omvang zijn dat zij niet in alle opzichten kan worden vergeleken met die welke is toevertrouwd aan de in de prejudiciële vraag genoemde categorieën van personen. De curator is, door artikel 51 van de faillissementswet, duidelijk op 10 de hoogte van de verplichting die op hem rust en van de maatregel die de niet-naleving ervan bestraft. B.5.
  34. Daaruit blijkt dat artikel 51 van de faillissementswet niet los kan worden gezien van de regeling waarvan het deel uitmaakt, en dat het verschil in behandeling tussen de curatoren en de andere in de prejudiciële vraag vermelde personen, zonder dat die categorieën nauwgezet dienen te worden vergeleken, op een objectief en pertinent criterium berust. Nu de in het geding zijnde bepaling de curator toestaat - zij het, vóór de wetswijziging van 4 september 2002, slechts na uitdrukkelijke machtiging door de rechter-commissaris - een beperkt bedrag op een per faillissement geïndividualiseerde bankrekening te bewaren, dienstig voor de lopende verrichtingen, onder toezicht van de rechter-commissaris die daarvan het maximumbedrag bepaalt, kan zij niet worden geacht onevenredige gevolgen te sorteren. B.
  35. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
  36. De verwijzende rechter wenst in de tweede plaats van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat zij de curatoren « een meer dan louter indemniserende vergoedingsplicht oplegt, terwijl de vergoedingsplicht die op andere burgers rust daarentegen wel louter indemniserend van aard is ». B.
  37. Met de « meer dan louter indemniserende vergoedingsplicht » refereert de rechter aan de verplichting van de curatoren, krachtens de in het geding zijnde bepaling, tot het betalen van verwijlintresten, gelijk aan de wettelijke intrest, op de sommen die zij niet of niet tijdig hebben gestort bij de Deposito- en Consignatiekas. Met de « louter indemniserende vergoedingsplicht » verwijst de rechter naar de gemeenrechtelijke - contractuele of buitencontractuele - vergoedingsplicht die zich maximaal zou uitstrekken tot de vergoeding 11 van de daadwerkelijk geleden schade of het daadwerkelijk geleden verlies en de gederfde winst. B.
  38. De verplichting tot het betalen van de wettelijke intrest beoogt de curatoren aan te zetten tot het naleven van de verplichting de gelden afkomstig van de verkopingen en invorderingen te storten bij de Deposito- en Consignatiekas. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever een sanctie te verbinden aan de niet-naleving van een verplichting die hij oplegt. Zonder dat de situatie van de curatoren nauwgezet moet worden vergeleken met die van de andere burgers, kan de ontradende aard van de maatregel het voorgelegde verschil in behandeling verantwoorden. Bovendien kan de verplichting tot het betalen van de wettelijke intrest niet als een kennelijk onevenredige sanctie worden beschouwd. B.
  39. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 51 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 26 januari
  40. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.023 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.