← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 02 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.025 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050202.1 Arrest- Rolnummer: 25-2005;3063;3078 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-02 06:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt, in zoverre het van toepassing is op de kalenderjaren voorafgaand aan 2004, artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 " houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, wat betreft het groenestroomcertificatensysteem, en tot interpretatie van artikel 37, ,§ 2, van ditzelfde decreet ". Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 " houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, wat betreft het groenestroomcertificatensysteem, en tot interpretatie van artikel 37, ,§ 2, van ditzelfde decreet ", ingesteld door de n.v. Sourcepower.net (in vereffening) en door de opdrachthoudende vereniging IVEKA en anderen. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 07-05-2004 - 5 - 55 ELI link Pub nr 2004035856 Tekst van de beslissing Rolnummers 3063 en 3078 Arrest nr. 25/2005 van 2 februari 2005 In zake : de beroepen tot vernietiging van artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, wat betreft het groenestroomcertificatensysteem, en tot interpretatie van artikel 37, § 2, van ditzelfde decreet », ingesteld door de n.v. Sourcepower.net (in vereffening) en door de opdrachthoudende vereniging IVEKA en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 juli 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 juli 2004, heeft de n.v. Sourcepower.net (in vereffening), met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Warmoesberg 17, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, wat betreft het groenestroomcertificatensysteem, en tot interpretatie van artikel 37, § 2, van ditzelfde decreet » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 2004). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 september 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 september 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, wat betreft het groenestroomcertificatensysteem, en tot interpretatie van artikel 37, § 2, van ditzelfde decreet » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 2004), door de opdrachthoudende vereniging IVEKA, met maatschappelijke zetel te 2390 Westmalle, Antwerpsesteenweg 246, de opdrachthoudende vereniging INTERGEM, met maatschappelijke zetel te 9200 Dendermonde, Franz Courtensstraat 11, de opdrachthoudende vereniging IMEWO, met maatschappelijke zetel te 9900 Eeklo, Markt 34, de c.v.b.a. GASELWEST, met maatschappelijke zetel te 8800 Roeselare, stadhuis, de c.v.b.a. INTERMOSANE, met maatschappelijke zetel te 4000 Luik, place du Marché 2, de opdrachthoudende vereniging IVERLEK, met maatschappelijke zetel te 3012 Wilsele-Leuven, Aarschotsesteenweg 58, de opdrachthoudende vereniging IMEA, met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Grote Markt, en de c.v.b.a. SIBELGAS, met maatschappelijke zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, gemeentehuis. Bij hetzelfde verzoekschrift is eveneens een vordering tot schorsing ingesteld van voormelde decretale bepaling. Bij het arrest nr. 193/2004 van 24 november 2004 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 november 2004) heeft het Hof die decreetsbepaling geschorst. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3063 en 3078 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Vlaamse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 18 januari 2005 : - zijn verschenen : . Mr. G. Block en Mr. G. Walravens, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3063; . Mr. K. Peetermans, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 3078; . Mr. S. Vernaillen, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de Vlaamse Regering; 3 - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Standpunt van de verzoekende partijen A.

  1. De verzoekende partij in de zaak nr. 3063 is een onderneming in vereffening die van januari 2002 tot en met september 2002 elektriciteit leverde op de Vlaamse elektriciteitsmarkt. De verzoekende partijen in de zaak nr. 3078 zijn gemengde opdrachthoudende en intercommunale verenigingen die als distributienetbeheerder instaan voor de elektriciteitsvoorziening in de gebieden waarvoor zij bevoegd zijn. De verzoekende partijen waren gedurende een bepaalde periode onderworpen aan de verplichting tot het voorleggen van groenestroomcertificaten. Zij hebben de administratieve geldboetes die hun door de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt (hierna : VREG) werden opgelegd wegens niet-naleving van die verplichting aangevochten voor de Raad van State en de rechtbank van eerste aanleg. A.
  2. Krachtens de bestreden bepaling dient in artikel 37, § 2, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt het woord « onverminderd » te worden begrepen als « met uitsluiting van ». Volgens de verzoekende partijen schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het principe van de scheiding der machten, doordat zij als enig doel heeft de Raad van State en de rechtbank van eerste aanleg te verhinderen zich uit te spreken over de aanhangig gemaakte vorderingen (eerste onderdeel) en doordat de terugwerkende kracht ervan tot gevolg heeft dat de afloop van die gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed ten nadele van de verzoekers, zonder dat uitzonderlijke omstandigheden het optreden van de decreetgever verantwoorden (tweede onderdeel). De verzoekende partijen zouden op die manier de jurisdictionele waarborgen worden ontnomen waarover eenieder beschikt, namelijk het recht op toegang tot een rechter, het recht om te worden gehoord en het recht op een eerlijk proces. A.
  3. Volgens de rechtspraak van het Hof, zo betogen de verzoekende partijen, is de terugwerkende kracht die verbonden is aan een interpretatieve bepaling enkel gerechtvaardigd in zoverre de geïnterpreteerde bepaling niet anders kon worden begrepen dan is aangegeven in de interpretatieve bepaling. Dat laatste zou in casu niet het geval zijn. Zowel vanuit taalkundig als vanuit « juridisch-historisch » perspectief is het uitgesloten om « onverminderd » in de zin van « met uitsluiting van » te interpreteren. In alle wetteksten waarin het woord « onverminderd » voorkomt, wordt dit begrepen in de zin van « zonder afbreuk te doen aan ». Ook de afdeling wetgeving van de Raad van State volgt die interpretatie in haar aanbevelingen en formules inzake wetgevingstechniek. De verzoekende partijen besluiten daaruit dat de interpretatieve bepaling enkel werd ingegeven door de wens van de decreetgever om de uitkomst van de hangende rechtsgedingen te beïnvloeden. A.
  4. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepaling een zuiver retroactieve bepaling is die niet kan worden verantwoord door een doelstelling van algemeen belang. Het opleggen van administratieve boeten heeft immers geen invloed op de bescherming van het leefmilieu wanneer het structureel onmogelijk blijkt meer groene energie te produceren. Er zouden geen uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn die de inmenging in hangende gedingen kunnen rechtvaardigen. Bovendien zouden de inbreuk op de rechten van de 4 verdediging en de schending van het gelijkheidsbeginsel worden versterkt door het strafrechtelijk karakter van de administratieve geldboeten. Standpunt van de Vlaamse Regering A.
  5. De Vlaamse Regering betwist allereerst het belang van de verzoekende partijen omdat het vermeende nadeel niet uit de bestreden bepaling maar uit artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000 zou voortvloeien. In zoverre de bestreden bepaling louter artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek bevestigt, zou de vernietiging ervan de verzoekende partij bovendien niets opleveren. Volgens de Vlaamse Regering moet het Hof bovendien voor elk van de verzoekende partijen in de zaak nr. 3078 nagaan of de door die verzoekende partijen voorgelegde beslissingen ertoe kunnen leiden dat het verzoekschrift ontvankelijk zou zijn wat de procesbevoegdheid betreft. A.
  6. Ten gronde verhindert de bestreden bepaling, volgens de Vlaamse Regering, de rechtbank van eerste aanleg en de Raad van State niet zich uit te spreken over de aanhangig gemaakte vorderingen. A.
  7. Ook ontkent de Vlaamse Regering dat de bestreden bepaling geen zuiver interpretatieve bepaling zou zijn. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de administratieve geldboeten waarin artikel 37, § 1, van het elektriciteitsdecreet voorziet, en diegene waarin artikel 37, § 2, van hetzelfde decreet voorziet. De administratieve geldboete opgelegd met toepassing van artikel 37, § 1, betreft de sanctie voor tenlasteleggingen die voor discussie vatbaar zijn en waaromtrent de VREG een appreciatiebevoegdheid uitoefent : volgens artikel 37, § 1, kan die geldboete worden opgelegd. Een administratieve geldboete opgelegd met toepassing van artikel 37, § 2, betreft de sanctie voor feiten die voor eenvoudige constatering vatbaar zijn, namelijk het tekort aan groenestroomcertificaten, waaromtrent de VREG geen enkele appreciatiebevoegdheid heeft : zodra het tekort is vastgesteld, moet de geldboete worden opgelegd. De bestreden bepaling beoogt dan ook elke onduidelijkheid omtrent de interpretatie van artikel 37, § 2, weg te nemen. In zoverre de bestreden bepaling niets toevoegt aan de oorspronkelijke bepaling en enkel de interpretatie bevestigt die er steeds had moeten zijn, gaat het hier wel degelijk om een interpretatief decreet. A.
  8. Indien het Hof zou oordelen dat desalniettemin een doel van algemeen belang en uitzonderlijke omstandigheden vereist zouden zijn, in zoverre de afloop van gerechtelijke procedures wordt beïnvloed, voert de Vlaamse Regering aan dat het systeem van de groenestroomcertificaten een doel van algemeen belang nastreeft, inzonderheid de bescherming van het leefmilieu tegen de emissie van broeikasgassen. Bovendien zijn er uitzonderlijke omstandigheden, aangezien, enerzijds, door de strategie van de verzoekende partijen de ganse werking van het groenestroomcertificatensysteem wordt ondermijnd, en, anderzijds, België zich in het kader van het Protocol van Kyoto ertoe verbond zijn broeikasgasemissies tussen 2008 en 2012 te verminderen met 7,5 pct. A.
  9. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de beweerde inbreuken op de rechten van verdediging nog zouden worden versterkt door het strafrechtelijk karakter van de administratieve geldboeten, voert de Vlaamse Regering aan dat de opgelegde administratieve geldboeten dat karakter niet bezitten. Het gaat om een louter administratieve sanctie. Memories van antwoord van de verzoekende partijen A.
  10. Wat hun belang betreft, voeren de verzoekende partij aan dat, in tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering beweert, zij geen nadeel ondervonden van artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet, vóór het werd geïnterpreteerd door de bestreden bepaling. Ook de verwijzing door de Vlaamse Regering naar artikel 7 van het Gerechtelijk Wetboek is te dezen niet dienend. Volgens die bepaling zijn de rechters gehouden zich naar de uitleggingswetten te gedragen in alle zaken waarin het rechtspunt niet definitief berecht is op het tijdstip waarop die wetten bindend worden. Volgens de verzoekende partijen houdt dit echter niet in dat uit de kwalificatie « interpretatieve wet » geen discriminatie kan voortvloeien. Het is bijgevolg wel degelijk de bestreden bepaling die een invloed heeft op de uitkomst van de door hen aangespannen rechtsgedingen, die hetzij onontvankelijk, hetzij ongegrond zullen worden verklaard. De verzoekende partijen doen dan ook blijken van het vereiste belang bij de vernietiging ervan. 5 A.
  11. Wat hun procesbevoegdheid betreft, verwijzen de verzoekende partijen in de zaak nr. 3078 naar de ingediende stukken, waaruit blijkt dat de bevoegde organen van die partijen op wettige wijze de beslissing hebben genomen om een verzoekschrift tot vernietiging in te dienen bij het Hof. A.
  12. Wat de grond van de zaak betreft, herhalen de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling niet als een interpretatieve bepaling kan worden beschouwd. Bovendien kan ze niet worden verantwoord door een doel van algemeen belang of door uitzonderlijke omstandigheden. Zo zou de Vlaamse Regering zich ten onrechte beroepen op de effectieve toepassing van het systeem van de groenestroomcertificaten, aangezien het geven van een appreciatiebevoegdheid aan een administratieve overheid, wat de verzoekende partijen bepleiten, geen vrijbrief inhoudt om overtredingen ongestraft te laten. A.
  13. De verzoekende partijen in de zaak nr. 3078 vragen dat de vernietiging van de bestreden bepaling niet zou worden beperkt tot de kalenderjaren voorafgaand aan 2004, maar dat ze ook voor de toekomst zou gelden. De decreetgever zou immers een ongeoorloofd verschil in behandeling creëren tussen rechtsonderhorigen die een boete opgelegd krijgen op grond van artikel 37, § 1, van het elektriciteitsdecreet en rechtsonderhorigen die beboet worden op basis van artikel 37, § 2, van dat decreet. De bestreden bepaling heeft immers tot gevolg dat rechtsonderhorigen die beboet worden op grond van artikel 37, § 2, geen recht hebben om te worden gehoord vóór het opleggen van de boete en zich niet tot een rechter met volle rechtsmacht kunnen wenden. Dat verschil in behandeling wordt aangescherpt door het strafrechtelijk karakter van de geldboetes. Memories van wederantwoord van de Vlaamse Regering A.
  14. Wat het belang van de verzoekende partijen betreft, herhaalt de Vlaamse Regering dat het vermeende nadeel niet uit de bestreden bepaling maar uit artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000 zou voortvloeien. In ieder geval hebben de verzoekende partijen, volgens de Vlaamse Regering, geen belang om ook de vernietiging voor de toekomst te vorderen, aangezien zij niet langer zijn onderworpen aan de verplichting groenestroomcertificaten in te leveren. A.
  15. Ten gronde voert de Vlaamse Regering aan dat de door de bestreden bepaling aangehouden interpretatie de enige mogelijke lezing inhoudt van het begrip « onverminderd » die niet in tegenspraak is met de tekst van artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, dat een stelsel instelt van bijzondere administratieve geldboeten die uitsluitend worden opgelegd in geval van een tekortkoming ten aanzien van de in artikel 23 van het elektriciteitsdecreet neergelegde verplichting. De door de verzoekende partijen voorgestelde interpretatie zou op praktische bezwaren stuiten. Zo zouden de in artikel 37, § 1, van het elektriciteitsdecreet neergelegde boetes onmogelijk kunnen worden toegepast op een tekort aan groenestroomcertificaten. -B- Situering van de bestreden bepaling B.
  16. Het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (hierna : elektriciteitsdecreet) heeft ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen een systeem van groenestroomcertificaten ingesteld. Een groenestroomcertificaat is een overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een producent in een bepaald jaar een bepaalde hoeveelheid elektriciteit heeft opgewekt door gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen. 6 B.
  17. De verzoekende partijen zijn, enerzijds, een elektriciteitsleverancier en, anderzijds, distributienetbeheerders die gedurende bepaalde tijd onderworpen waren aan de verplichting tot het voorleggen van groenestroomcertificaten. Zij hebben evenwel die verplichting niet nageleefd. B.
  18. Artikel 37 van het elektriciteitsdecreet bepaalt : « §
  19. Onverminderd de andere door dit decreet of in een uitvoeringsbesluit ervan bepaalde maatregelen, kan de reguleringsinstantie elke in het Vlaamse Gewest gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de door haar bepaalde termijn. Indien deze natuurlijke persoon of rechtspersoon bij het verstrijken van deze termijn in gebreke blijft, kan de reguleringsinstantie, op voorwaarde dat deze natuurlijke of rechtspersoon werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, een administratieve geldboete opleggen. Deze administratieve geldboete mag, per kalenderdag, niet lager zijn dan duizend tweehonderd vijftig euro, noch hoger zijn dan honderdduizend euro, noch, in totaal, hoger zijn dan twee miljoen euro of 3 procent van de omzet die de betrokken persoon heeft gerealiseerd op de Vlaamse elektriciteitsmarkt tijdens het laatste afgelopen boekjaar, indien dit laatste bedrag hoger is. Strafvervolging in de zin van artikel 36 sluit administratieve geldboete uit, voor wat betreft de vervolgde feiten, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid. §
  20. Onverminderd § 1, bedraagt het bedrag van de administratieve geldboete voor een overtreding van artikel 23, § 1, 75 euro per ontbrekend certificaat op 31 maart 2003 en 100 euro per ontbrekend certificaat op 31 maart
  21. Vanaf 31 maart 2005 wordt de boete bepaald op 125 euro per ontbrekend certificaat. […] ». B.
  22. Overeenkomstig artikel 37, § 2, besliste de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt (hierna : VREG) de verzoekende partij in de zaak nr. 3063 een administratieve boete op te leggen van 177.825 euro. Op grond van diezelfde bepaling legde de VREG de verzoekende partijen in de zaak nr. 3078 een administratieve geldboete op van 75 euro per ontbrekend groenestroomcertificaat, namelijk in totaal ongeveer 8,5 miljoen euro. De VREG was van oordeel dat de voormelde bepaling haar ter zake geen appreciatieruimte verleent. 7 De verzoekende partijen hebben de beslissing van de VREG aangevochten voor de Raad van State en de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Zij zijn van oordeel dat artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet de uit artikel 37, § 1, afgeleide discretionaire bevoegdheid van de VREG om al dan niet een boete op te leggen onaangetast laat. Artikel 37, § 2, zou enkel het bedrag van de boete bepalen voor het niet-naleven van de verplichting een bepaalde hoeveelheid groenestroomcertificaten voor te leggen. De voormelde rechtscolleges hebben nog geen uitspraak gedaan. B.
  23. De thans bestreden bepaling luidt : « In artikel 37, § 2, van hetzelfde decreet wordt het woord ‘ onverminderd ’ uitgelegd als volgt : ‘ met uitsluiting van ’. » B.
  24. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering heeft aangevoerd, doen de verzoekende partijen blijken van het vereiste belang bij de vernietiging van een bepaling op grond waarvan aan hen geldboeten worden opgelegd voor een totaalbedrag van respectievelijk 177.825 euro en 8,5 miljoen euro. Ook de exceptie die is afgeleid uit het gebrek aan procesbevoegdheid stelt het Hof, na het onderzoek van de door de verzoekende partijen in de zaak nr. 3078 voorgelegde stukken, niet ertoe in staat tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep te besluiten. Wat het enige middel betreft B.
  25. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het principe van de scheiding der machten. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling geen interpretatieve bepaling is maar een retroactieve bepaling die ertoe strekt de uitkomst van hangende rechtsgedingen te beïnvloeden. B.8.
  26. Het behoort tot het wezen van een interpretatieve wet dat zij terugwerkt tot op de datum van inwerkingtreding van de wetsbepalingen die zij interpreteert. Een interpretatieve wet is immers een wet die een wetsbepaling die betekenis geeft die zij, volgens de wetgever, reeds bij de aanneming ervan zou moeten hebben gekregen. 8 B.8.
  27. De niet-retroactiviteit van wetten is een waarborg ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat eenieder in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Die waarborg zou niet kunnen worden omzeild door het enkele feit dat een wet met terugwerkende kracht als een interpretatieve wet zou worden voorgesteld. Het Hof zou zich dus niet ervan kunnen ontslaan te onderzoeken of een als interpretatief gekwalificeerde wet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.8.
  28. Onder voorbehoud van de in het strafrecht van toepassing zijnde regels en van de eerbied voor de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen, is de terugwerkende kracht die het gevolg is van een interpretatieve wetsbepaling gerechtvaardigd in zoverre de geïnterpreteerde bepaling vanaf haar oorsprong redelijkerwijze niet anders kon worden begrepen dan is aangegeven in de interpretatieve bepaling. B.8.
  29. Wanneer dit niet het geval is, is de zogenoemde interpretatieve bepaling in werkelijkheid een zuiver retroactieve bepaling. Bijgevolg kan de terugwerkende kracht ervan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, zoals de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst. Indien blijkt dat de terugwerkende kracht bovendien tot gevolg heeft dat de afloop van gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges verhinderd worden zich uit te spreken over een aanhangig gemaakte rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden een verantwoording bieden voor het optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden. B.
  30. In de parlementaire voorbereiding van het oorspronkelijke artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000 wordt de bedoeling ervan als volgt omschreven : « Artikel 37, § 2, regelt de oplegging van een administratieve geldboete, waarbij geen enkele appreciatiebevoegdheid wordt gegeven aan de overheid, aangezien de hoogte van de geldboete en de manier waarop deze wordt berekend, expliciet in het decreet wordt vermeld. Zodoende werd geen beroepsprocedure voorzien en staat beroep open bij de Raad van State, die deze beslissing dan al dan niet kan vernietigen. In voorkomend geval kan de opschorting 9 van de maatregel worden gevorderd. » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1999-2000, nr. 285/1, p. 29) B.
  31. De bestreden bepaling interpreteert het woord « onverminderd » in artikel 37, § 2, van het elektriciteitsdecreet als « met uitsluiting van ». De ware betekenis van « onverminderd », die gemeengoed is in juridische teksten, is evenwel « zonder afbreuk te doen aan ». De zin van een wetsbepaling kan niet worden omgebogen door verklaringen die aan de aanneming ervan zijn voorafgegaan, te laten voorgaan op de duidelijke tekst van die bepaling. Het Hof kan enkel vaststellen dat de bestreden bepaling aan de geïnterpreteerde bepaling een draagwijdte geeft die het tegenovergestelde inhoudt van haar oorspronkelijke betekenis, ook al stemt de nieuwe draagwijdte overeen met de oorspronkelijke bedoeling van de decreetgever, bedoeling die evenwel niet tot uitdrukking was gebracht in de tekst zelf van artikel 37, § 2, en daarmee zelfs in tegenspraak was. Zij kan redelijkerwijze niet als een interpretatieve bepaling worden beschouwd. Het zou overigens bevreemden indien hetzelfde woord in de paragrafen 1 en 2 van hetzelfde artikel 37 een verschillende betekenis zou hebben. B.
  32. De bestreden bepaling wordt door de decreetgever als volgt verantwoord : « Wanneer de VREG over geen gebonden bevoegdheid zou beschikken om al of niet een administratieve geldboete op te leggen, dan zou dat de rechtszekerheid verminderen, zou de efficiëntie van het systeem, noodzakelijk vanuit de opgenomen internationale verplichting, en aldus de doelstelling van het decreet ondermijnd worden en zou de stimulans tot de productie van groene stroom op de helling komen te staan. Dit zou geheel ingaan tegen de wil van de decreetgever en het opzet van het groenstroomcertificatensysteem zoals opgenomen in het Elektriciteitsdecreet. » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 2188/1, p. 9) B.
  33. De parlementaire voorbereiding geeft geen blijk van uitzonderlijke omstandigheden die kunnen verantwoorden dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk wordt gemaakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden. Te 10 dezen kan de intentie om een onnauwkeurigheid in de redactie van de oorspronkelijke bepaling recht te zetten niet als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid gelden. De appreciatiebevoegdheid die het oorspronkelijke artikel 37, § 2, aan de VREG verleende, hield voor laatstgenoemde overigens geen vrijbrief in om overtredingen van artikel 23, § 1, ongestraft te laten. Zij maakte het mogelijk om binnen de grenzen van het systeem van groenestroomcertificaten, ingesteld door het decreet, met concrete gegevens rekening te houden. B.
  34. In zoverre de bestreden bepaling terugwerkende kracht heeft zonder dat uitzonderlijke omstandigheden zulks verantwoorden, is zij onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
  35. In hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 3078 aan dat de vernietiging van de bestreden bepaling niet tot de kalenderjaren voorafgaand aan 2004 zou moeten worden beperkt, maar dat ze ook voor de toekomst zou moeten gelden, omdat de decreetgever een ongeoorloofd verschil in behandeling zou creëren tussen rechtsonderhorigen aan wie een boete wordt opgelegd op grond van artikel 37, § 1, van het elektriciteitsdecreet en rechtsonderhorigen aan wie beboet wordt op basis van artikel 37, § 2, van dat decreet. Deze laatsten zouden geen recht hebben om te worden gehoord vóór het opleggen van de boete en zouden zich niet tot een rechter met volle rechtsmacht kunnen wenden. Die grief houdt geen enkel verband met de terugwerkende kracht van de bestreden bepaling, op grond waarvan in het verzoekschrift de verzoekende partijen in de zaak nr. 3078 de schending aanvoeren van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Een bezwaar dat in een memorie van antwoord wordt aangebracht maar dat verschilt van datgene dat in het verzoekschrift is geformuleerd, blijkt een nieuw middel te zijn en is dus niet ontvankelijk. 11 Om die redenen, het Hof vernietigt, in zoverre het van toepassing is op de kalenderjaren voorafgaand aan 2004, artikel 5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000, wat betreft het groenestroomcertificatensysteem, en tot interpretatie van artikel 37, § 2, van ditzelfde decreet ». Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 2 februari
  36. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.025 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.