← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.028

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.028 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050209.1 Arrest- Rolnummer: 28-2005;2459 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-07-02 05:01 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Het Hof verwerpt het beroep. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 06-12-2001 - 2 - 56 ELI link Pub nr 2002027035 Tekst van de beslissing Rolnummer 2459 Arrest nr. 28/2005 van 9 februari 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 6 december 2001 betreffende de instandhouding van de Natura 2000-gebieden alsook van de wilde fauna en flora, ingesteld door H. Clerens en de b.v.b.a. Valkeniersgilde. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 juni 2002 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 25 juni 2002, hebben H. Clerens, wonende te 2990 Wuustwezel, Oud Gooreind 14, en de b.v.b.a. Valkeniersgilde, met maatschappelijke zetel te 2990 Wuustwezel, Oud Gooreind 14, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 6 december 2001 betreffende de instandhouding van de Natura 2000-gebieden alsook van de wilde fauna en flora (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 januari 2002, tweede uitgave). Bij het arrest nr. 163/2002 van 6 november 2002 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 februari 2003) heeft het Hof de vordering tot schorsing van dezelfde decretale bepaling verworpen. Bij het arrest nr. 139/2003 van 29 oktober 2003 heeft het Hof twee prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat erop heeft geantwoord bij beschikking van 1 oktober 2004. Bij beschikking van 23 november 2004 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 18 januari 2005, na de partijen verzocht te hebben te antwoorden in een aanvullende memorie op de hierna vermelde vragen : « Bevat artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 6 december 2001 betreffende de instandhouding van de Natura 2000-gebieden alsook van de wilde fauna en flora, in zoverre het van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels, bepalingen die te beschouwen zijn als maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 28 van het EG-verdrag ? Kunnen die maatregelen in voorkomend geval worden gerechtvaardigd op grond van artikel 30 EG-Verdrag ? Zijn er wetenschappelijke studies voorhanden zoals bedoeld in overweging 19 van de beschikking van het Hof van Justitie van 1 oktober 2004 in zaak C-480/03 ? Werd de aanneming van de Beschikking M

(99)9 van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie tot afschaffing en vervanging van de Beschikking M
(72)18 van 30 augustus 1972 met betrekking tot de bescherming van de vogelstand voorafgegaan door zodanige studies ? » De verzoekende partijen en de Waalse Regering hebben ieder een aanvullende memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 18 januari 2005 : - zijn verschenen : . Mr. M.-J. Kayijuka loco Mr. F. Clément de Cléty, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; 3 . Mr. A. Vandaele loco Mr. P. Peeters, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. V. Thiry en Mr. V. Wiame, advocaten bij de balie te Luik, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
  1. Bij zijn arrest nr. 139/2003 van 29 oktober 2003 heeft het Hof de omvang van het beroep tot vernietiging bepaald, de excepties van onontvankelijkheid in verband met de middelen van de verzoekende partijen verworpen, in verband met de memorie van de Ministerraad ten dele aangenomen, in verband met de procesbekwaamheid van de b.v.b.a. Valkeniersgilde aangenomen, in verband met het belang van de eerste verzoekende partij verworpen. Ten gronde heeft het Hof de middelen van de Ministerraad betreffende de mogelijke schending van de bevoegdheidverdelende regels verworpen. Ten aanzien van het eerste middel van de verzoekende partij, werd geoordeeld dat het middel niet gegrond was. Wat het tweede middel van de verzoekende partij betreft, werden door het Hof, met toepassing van artikel 234 van het E.G.-Verdrag, de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen : «
  2. Moet de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand in die zin worden geïnterpreteerd dat ze de Lid-Staten niet toestaat een regeling in te voeren die tevens van toepassing is op in gevangenschap geboren en gekweekte vogels, als bedoeld in bijlage I van die richtlijn ?
  3. Moet dezelfde richtlijn in die zin worden geïnterpreteerd dat ze de Lid-Staten enkel toestaat een beschermingsregeling in te stellen voor de in gevangenschap geboren en gekweekte vogels in zoverre die regeling alleen betrekking heeft op de verhandeling van die vogels of kan die regeling van toepassing zijn op alle verrichtingen die deel kunnen uitmaken van een verhandeling van vogels ? » A.
  4. Bij zijn beschikking van 1 oktober 2004 in de zaak C-480/03 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen het volgende antwoord gegeven : « Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand moet aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte volgens en dat de lidstaten derhalve, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, bevoegd blijven om dienaangaande een regeling te treffen, onverminderd de artikelen 28 EG tot en met 30 EG. » A.
  5. Bij zijn beschikking van 23 november 2004 heeft het Hof de partijen verzocht te antwoorden op de sub I vermelde vragen in een aanvullende memorie. 4 Een aanvullende memorie werd ingediend door de eerste verzoekende partij en de Waalse Regering. A.4.
  6. De eerste verzoekende partij beantwoordt de vragen niet, maar geeft een algemene verantwoording waarom, volgens haar, het verbod niet te rechtvaardigen is. De eerste verzoekende partij meent dat de Europese reglementering, te weten de richtlijn 79/409/EEG, niet van toepassing is op vogels geboren en opgekweekt in gevangenschap, dat artikel 28 van het E.G.-Verdrag, dat het vrij verkeer van goederen inhoudt, tevens van toepassing is op vogels geboren en opgekweekt in gevangenschap, en dat een afwijking op het vrij handelsverkeer enkel toegestaan is voor zover een lidstaat aantoont dat geen enkele andere oplossing bestaat voor een efficiënte bescherming van de soorten, zoals bedoeld in de richtlijn. De enige verantwoording om dergelijke maatregelen te nemen zou gelegen zijn in de vrees dat de handel een vorm van stroperij en het vangen van wilde populaties zou veroorzaken in strijd met de vogelrichtlijn. Volgens de verzoekende partij kan een handelsverbod niet worden verantwoord op grond van het feit dat sommigen een delinquent gedrag zouden vertonen. Bovendien wordt het feit dat vogels afkomstig zijn uit gevangenschap sinds lang en op doeltreffende wijze gewaarborgd door de CITES-certificaten, het gebruik van gesloten voetringen en door microchips. Overigens, wanneer een soort met uitsterven bedreigd is, kunnen de activiteiten van de vogelhandelaars ertoe bijdragen dat gekweekte exemplaren ter beschikking komen van herintroductiecentra. A.4.
  7. In ondergeschikte orde voert de eerste verzoeker nog aan dat hij geen handelaar is in vogels en dat hij een gepassioneerd valkenier is. Daarnaast merkt de verzoeker op dat ten aanzien van alle vogelsoorten die hij in zijn bezit heeft, geen enkele verantwoording kan worden gevonden waarom die soorten niet meer zouden mogen worden verhandeld, omdat zij ofwel niet bedreigd zijn, ofwel niet op het Belgisch grondgebied voorkomen. Meer nog, alle in zijn bezit zijnde soorten worden gekweekt door kwekers in alle Europese landen en de oorsprong ervan wordt aangetoond met een CITES-certificaat. A.5.
  8. De Waalse Regering antwoordt op de eerste vraag als volgt. De bedoelde verbodsbepalingen van artikel 2 van het decreet van het Waalse Gewest van 6 december 2001 betreffende de instandhouding van de Natura 2000-gebieden alsook van de wilde fauna en flora hebben geen betrekking op invoerverrichtingen, die luidens het laatste onderdeel van artikel 2, 4°, zijn uitgesloten, doch uitsluitend op de verrichtingen van het houden, aankopen en verkopen. De invoerbeperkingen kunnen bijgevolg hoogstens onrechtstreeks zijn. Het stelsel van verbodsbepalingen waarin het decreet voorziet, wordt vervolledigd door een stelsel van vergunningen overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 27 november 2003 tot vaststelling van de afwijkingen van de vogelbeschermingsmaatregelen. A.5.
  9. Voor zover het Hof, ondanks de uitdrukkelijke uitsluiting in artikel 2, 4°, van oordeel zou zijn dat die bepaling een maatregel van gelijke werking inhoudt, is de Waalse Regering van oordeel dat de bepaling gerechtvaardigd is op grond van artikel 30 van het E.G.-Verdrag, dat ook van toepassing is op de bescherming van dieren. Het besluit van de Waalse Regering van 27 november 2003 dat afwijkingen op de verbodsbepalingen vaststelt, strekt hoofdzakelijk ertoe middelen vast te stellen om de herkomst van de vogels te kunnen controleren. De huidige controlemiddelen zijn onvoldoende. Het CITES-certificaat betreft enkel niet-inheemse ingevoerde individuen en garandeert niet dat die individuen niet aan de natuur onttrokken zijn. De gesloten voetringen en microchips maken het evenmin mogelijk het risico op stroperij volledig uit te sluiten. De diefstal van eieren uit de nesten van roofvogels maakt het mogelijk dat het jong wordt uitgebroed bij de verzamelaar, die het misdrijf kan verhullen door het jong vervolgens te markeren. Wegens het voortbestaan van dat risico dient voor de meest kwetsbare soorten te gelden dat zij maar gehouden mogen worden met bijkomende controlemiddelen. De maatregel is geschikt om het nagestreefde doel te bereiken, meer nog, hij is daartoe onontbeerlijk, nu er geen andere maatregel denkbaar en uitvoerbaar is om te verzekeren dat alle in gevangenschap geboren en gekweekte beschermde soorten wel degelijk het resultaat van kweek zijn. Verificatie achteraf zou enkel via genetische tests op grote schaal kunnen gebeuren, wat tot disproportionele kosten zou leiden en tot handelsbelemmeringen, zonder dat de effectiviteit van de bescherming van de soorten in de natuur is gewaarborgd. A.5.
  10. Op de vraag of er wetenschappelijke studies voorhanden zijn, zoals bedoeld in overweging 19 van de beschikking van het Hof van Justitie van 1 oktober 2004 in de zaak C-480/03, antwoordt de Waalse Regering ontkennend. A.5.
  11. Eveneens erkent de Waalse Regering dat dergelijke studies de aanneming van de beschikking M
(99)9 van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 25 oktober 1999 tot afschaffing en vervanging 5 van de beschikking M
(72)18 van 30 augustus 1972 met betrekking tot de bescherming van de vogelstand niet zijn voorafgegaan. Evenwel wordt in de voorbereidende werkzaamheden melding gemaakt van een document dat door een werkgroep werd voorbereid en aan het advies van verschillende partijen werd voorgelegd, maar het is onwaarschijnlijk dat een voorafgaande wetenschappelijke studie werd uitgevoerd. -B- Ten aanzien van het tweede middel van de eerste verzoekende partij B.
  1. De verzoekende partij voert aan dat artikel 2 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 6 december 2001 betreffende de instandhouding van de Natura 2000-gebieden alsook van de wilde fauna en flora, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het een niet verantwoord verschil in behandeling instelt tussen de categorie van personen die zich bezighouden met het kweken van vogels en de categorie van personen die andere wilde dieren kweken, nu de beschermingsmaatregelen ten aanzien van de in gevangenschap geboren en gekweekte dieren enkel gelden voor vogels. B.
  2. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 139/2003 van 29 oktober 2003 geoordeeld dat voorafgaandelijk aan het onderzoek van het middel aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met toepassing van artikel 234 van het E.G.-Verdrag twee prejudiciële vragen dienden te worden gesteld. B.
  3. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (vijfde kamer) heeft bij beschikking van 1 oktober 2004 in de zaak C-480/03 als volgt op die vragen geantwoord : « Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand moet aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels en dat de lidstaten derhalve, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, bevoegd blijven om dienaangaande een regeling te treffen, onverminderd de artikelen 28 EG tot en met 30 EG. » B.
  4. Het Hof van Justitie komt tot dit besluit op grond van volgende overwegingen : «
  5. Om op de eerste vraag te antwoorden, zij eraan herinnerd dat het Hof in punt 2 van het dictum van zijn arrest van 8 februari 1996, Vergy (C-149/94, Jurispr. blz. I-299) voor 6 recht heeft verklaard dat richtlijn 79/409 niet van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels.
  6. Uit de punten 12 en 13 van het reeds aangehaalde arrest Vergy blijkt dat het Hof zich met name heeft gebaseerd op de overweging dat richtlijn 79/409 de bescherming van vogelpopulaties in hun natuurlijk milieu beoogt, en dat de uitbreiding van de beschermingsverplichtingen die krachtens deze richtlijn op de lidstaten rusten, niet in overeenstemming is met de door de richtlijn nagestreefde milieudoelstellingen.
  7. Wat de tweede vraag betreft, moet er eveneens aan worden herinnerd dat het Hof in punt 14 van het reeds aangehaalde arrest Vergy heeft geoordeeld dat, aangezien de gemeenschapswetgever de verhandeling van in gevangenschap geboren en opgekweekte vogelsoorten niet heeft geregeld, de lidstaten bevoegd blijven om dienaangaande een regeling te treffen, onverminderd de toepasselijkheid van de artikelen 28 EG en 30 EG op uit andere lidstaten ingevoerde vogels. Hetzelfde geldt voor de regelingen van de lidstaten inzake het houden van in gevangenschap geboren en opgekweekte vogelsoorten.
  8. Verder heeft het Hof in zijn arrest van 23 oktober 2001, Tridon (C-510/99, Jurispr. blz. I-7777, punten 46, 48 en 50) geoordeeld dat, voorzover een nationale dierenbeschermingsregeling van toepassing is op situaties die verband houden met het intracommunautaire handelsverkeer, onderzocht moet worden of deze regeling een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van artikel 28 EG vormt, en zo ja, of deze bepalingen mogelijkerwijs gerechtvaardigd zijn op grond van artikel 30 EG.
  9. Uit punt 58 van ditzelfde arrest Tridon volgt dat voor de beoordeling van de evenredigheid van een verhandelingsverbod en in het bijzonder van de omstandigheid of het beoogde doel kan worden bereikt met maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder belemmeren, een concrete analyse nodig is welke door de verwijzende rechter moet worden verricht, met name aan de hand van wetenschappelijke studies en van de feitelijke omstandigheden van de in hoofdzaak aan de orde zijnde situatie.
  10. Bijgevolg dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat richtlijn 79/409 aldus moet worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels en dat de lidstaten derhalve, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht, bevoegd blijven om dienaangaande een regeling te treffen, onverminderd de artikelen 28 EG tot en met 30 EG. » B.
  11. Artikel 2, § 2, 4°, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, vervangen bij artikel 2 van het voormelde decreet van 6 december 2001, stelt ten aanzien van de vogelsoorten bedoeld in artikel 2, § 1, in het Waalse Gewest een verbod in om die « vogels, hun eieren, hun broedsels of pluimen of enig deel van de vogel of enig gemakkelijk herkenbaar product dat uit deze vogel verkregen is of een product dat, volgens de verpakking of de reclame, specimens van één van de beschermde vogelsoorten bevat, in het bezit te hebben, af te staan, te koop aan te bieden, voor de koop te vragen, te verkopen, te kopen, te leveren, te vervoeren of door te voeren, voor het vervoer aan te bieden », met uitzondering 7 evenwel van de verrichtingen die een invoer, een uitvoer of een doorvoer van niet-inheemse vogels uitmaken. B.
  12. Dat principiële verhandelingsverbod is, in zoverre het van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels, van die aard dat het het intracommunautair handelsverkeer in dergelijke vogels, hun eieren of onderdelen, minstens onrechtstreeks en potentieel, kan belemmeren en dient bijgevolg te worden beschouwd als een bij artikel 28 van het E.G.-Verdrag in beginsel verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking. Onderzocht moet evenwel worden of het principiële verhandelingsverbod niet kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 30 van het E.G.-Verdrag. B.
  13. Met het principiële verhandelingsverbod in het Waalse Gewest van in gevangenschap geboren en opgekweekte beschermde vogelsoorten beoogt de Waalse decreetgever uitvoering te geven aan de beschikking M
(99)9 van 25 oktober 1999 van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie tot afschaffing en vervanging van de beschikking M
(72)18 van 30 augustus 1972 met betrekking tot de bescherming van de vogelstand, beschikking die luidens artikel 1.1 ervan van toepassing is op « al dan niet in gevangenschap geboren vogels ». De uitbreiding van het principiële verhandelingsverbod tot de in gevangenschap geboren en gekweekte vogels werd blijkens de toelichting bij die beschikking nodig geacht omdat het « op deze wijze […] mogelijk [is] het bezit van en de handel in gekweekte vogels aan voorwaarden te onderwerpen, teneinde de bescherming van hun in het wild levende soortgenoten beter te waarborgen » (punt 9 van de toelichting). Punt 3 van de toelichting verduidelijkt in dit verband : « Gelet op het belang van de vogelkweek in Nederland en België en met het oog op een efficiëntere bescherming van de in het wild levende vogels werd besloten een systeem op te zetten, dat het mogelijk maakt in gevangenschap geboren vogels van wilde vogelsoorten te onderscheiden. […] » B.
  1. De Waalse Regering kan luidens artikel 5 van de wet van 12 juli 1973, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 6 december 2001, afwijkingen toestaan 8 op de maatregelen met betrekking tot de bescherming van dier- en plantensoorten. Wat de soorten vogels betreft, mag de afwijking luidens artikel 5, § 2, enkel worden toegekend op voorwaarde dat er geen bevredigende oplossing bestaat en dat de afwijking de betrokken vogelpopulatie niet in het gevaar brengt. De afwijking mag enkel worden toegekend om een van de redenen vermeld in die bepaling, waaronder « de bescherming van wilde dier- of plantensoorten » en « om het vangen, het houden of elke andere oordeelkundige exploitatie van een beperkt aantal vogels mogelijk te maken onder strikt gecontroleerde voorwaarden en op selectieve wijze ». Artikel 5bis betreft de te volgen procedure voor het verkrijgen van een afwijkingsaanvraag en de voorwaarden waaronder de afwijkingsvergunning kan worden uitgereikt. Die bepaling machtigt de Waalse Regering onder meer de gepaste uitvoering te geven aan het bepaalde in artikel 4 van voormelde beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie, dat luidt : «
  2. De regeringen kunnen afwijkingen toestaan van het bepaalde in artikel 2 voor vogels waarvan kan worden aangetoond dat zij gekweekt zijn, alsmede voor hun eieren.
  3. Met uitzondering van mutanten van kanaries, dient voor de in lid 1 genoemde vogels een ringen- en registratiesysteem te gelden dat de mogelijkheid geeft de legale oorsprong van deze vogels vast te stellen. Voor de algemeen gehouden soorten kan een vrijstelling van de registratieverplichting door de Regeringen verleend worden.
  4. Over de uitvoering van dit artikel plegen de Regeringen onderling overleg. » De toelichting bij die bepaling verduidelijkt ze als volgt : «
  5. Deze bepaling slaat uitsluitend op gekweekte vogels en biedt de regeringen de mogelijkheid desgewenst van de verschillende verbodsbepalingen van artikel 2 dan wel uitsluitend van een aantal daarvan af te wijken ten gunste van gekweekte vogels en in voorkomend geval hun eieren.
  6. Is zulks het geval, dan verbinden de regeringen zich ertoe een ringen- en registratiesysteem voor de desbetreffende vogels te laten gelden, door middel waarvan hun wettige oorsprong kan worden aangetoond en waaromtrent een harmonisatie tussen de drie Beneluxlanden middels het in punt 2 bedoelde overleg zal worden nagestreefd.
  7. Het wordt nuttig geacht in de mogelijkheid van opheffing van de registratieplicht te voorzien voor vogels die behoren tot gewoonlijk gehouden soorten en die zich zonder moeite in gevangenschap voortplanten. De Regeringen kunnen ervoor kiezen voor deze vogels geen registratieplicht aan de kweker op te leggen. Een passend ringensysteem zoals het systeem dat 9 voorziet in het verplichte aanbrengen van een gesloten voetring bij de geboorte van de vogel, die naderhand niet meer kan worden verwijderd zonder deze door te snijden of de poot van de vogel te verwonden, lijkt in dit geval immers voldoende garanties te bieden omtrent de wettige oorsprong van de vogel. » De Waalse Regering heeft van die machtiging gebruik gemaakt door middel van het besluit van de Waalse Regering van 27 november 2003 tot vaststelling van de afwijkingen van de vogelbeschermingsmaatregelen (Belgisch Staatsblad, 23 februari 2004). B.
  8. Zoals de Waalse Regering in zijn aanvullende memorie aangeeft, dient het principiële verhandelingsverbod van in gevangenschap geboren en gekweekte beschermde vogelsoorten, waarop afwijkingen kunnen worden toegestaan onder de bij het decreet en door de Regering bepaalde voorwaarden, als noodzakelijk te worden beoordeeld om een doeltreffende bescherming te verzekeren van de in het wild levende beschermde vogelsoorten, inzonderheid van die soorten die het meest in hun voortbestaan zijn bedreigd. Een dergelijk verbod komt als noodzakelijk voor om elk risico van stroperij en diefstal van eieren van in het wild levende exemplaren uit te sluiten. Noch het CITES-certificaat, noch het systeem van de gesloten voetring of de microchip bieden op dat vlak voldoende waarborgen. Alternatieve maatregelen, zoals de verificatie achteraf door middel van genetische tests, zouden niet alleen tot buitensporige kosten leiden; zij zouden het intracommunautaire handelsverkeer ook niet minder belemmeren. Bijgevolg dient het principiële verhandelingsverbod als gerechtvaardigd te worden beschouwd op grond van artikel 30 van het E.G.-Verdrag. Het komt de gewone of administratieve rechter, naar gelang van het geval, toe te beoordelen of de wijze waarop de Waalse Regering nadere uitvoering heeft gegeven aan artikel 5 van de wet van 12 juli 1973 en aan artikel 4 van de voormelde Benelux-beschikking, de toets aan de voormelde bepalingen van het E.G.-Verdrag kan doorstaan. B.
  9. Mede gelet op de verantwoording van de voormelde Benelux-beschikking is het in het middel bekritiseerde verschil in behandeling tussen de kwekers van beschermde vogelsoorten en de kwekers van andere groepen van beschermde diersoorten niet zonder redelijke verantwoording. 10 B.
  10. Het middel kan niet worden aangenomen. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 9 februari
  11. De griffier, De voorzitter, L. Potoms A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.