← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.033

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.033 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050209.11 Arrest- Rolnummer: 33/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-06 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-02 07:23 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vorderingen tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vorderingen tot schorsing van de artikelen 10 en 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, ingesteld door A. Geensen en anderen en door M. Roeland. Tekst van de beslissing Rolnummers 3185 en 3186 Arrest nr. 33/2005 van 9 februari 2005 In zake : de vorderingen tot schorsing van de artikelen 10 en 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, ingesteld door A. Geensen en anderen en door M. Roeland. Het Arbitragehof, samengesteld uit de rechters M. Bossuyt en P. Martens, waarnemend voorzitters, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van rechter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vorderingen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 december 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 december 2004, is een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 september 2004) door A. Geensen, wonende te 2900 Schoten, Fort Baan 11, en M.-C. Jackson, wonende te 9000 Gent, Koning Leopold II-laan

  1. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 december 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 december 2004, is een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 10 van voormeld decreet door M. Roeland, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Kriekerijstraat 42, G. Allegaert, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Victor Braeckmanlaan 261, O. Reynebeau, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Oscar Colbrandtstraat 93, J. Raes, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Jos Verdegemstraat 86, H. De Vos, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Joannes Hartmannlaan 19, en L. Raes, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, Klinkkouterstraat
  2. Bij dezelfde verzoekschriften vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde decretale bepaling. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3185 en 3186 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Op de openbare terechtzitting van 18 januari 2005 : - zijn verschenen : . Mr. P. Aerts en Mr. D. Vanheule, advocaten bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen; . Mr. B. Staelens, advocaat bij de balie te Brugge, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- A.
  3. Verzoekende partijen in de zaken nrs. 3185 en 3186 zijn leden van kerkfabrieken van respectievelijk anglicaanse en rooms-katholieke parochies. Zij stellen een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing in van de respectievelijke bepalingen in het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten naar luid waarvan een aangesteld of verkozen lid van de kerkraad van rechtswege ontslagnemend is wanneer dat lid de leeftijd van 75 jaar bereikt (artikelen 10 en 126 van voormeld decreet). Vijf van de acht verzoekende partijen hebben inmiddels die leeftijdsgrens bereikt zodat zij vanaf 1 maart 2005, datum van inwerkingtreding van het nieuwe decreet, niet meer kunnen worden aangesteld als lid van de kerkraad van hun parochie en, a fortiori, bij de eerste verkiezing na drie jaar, niet meer zullen kunnen worden verkozen. De verzoekende partijen voeren tegen de bestreden bepalingen drie middelen aan. A.
  4. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de vrijheid van eredienst bedoeld in de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen het zonder enige verantwoording - ondanks de uitdrukkelijke vraag daartoe vanwege de Raad van State - onmogelijk maken, enerzijds, voor kerkfabrieken om een beroep te doen op personen die de leeftijd van 75 jaar hebben bereikt om de functie van lid van de kerkraad op zich te nemen waarvan de vervulling noodzakelijk is voor de werking van de eredienst, en, anderzijds, voor personen vanaf die leeftijd, om zich als lid van de kerkraad nog verder in te zetten voor de organisatie van de eredienst van het geloof dat zij belijden, en die bepalingen aldus ingrijpen in de vrije organisatie van de erediensten. A.
  5. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van het politiek recht om een mandaat in een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid op te nemen, gewaarborgd door artikel 8 van de Grondwet, doordat de bestreden bepalingen personen die de leeftijd van 75 jaar hebben bereikt, het - als een politiek recht te beschouwen - recht ontzeggen om zich kandidaat te stellen of nog verder zitting te nemen als lid van het beraadslagend orgaan van een dergelijke instelling, die moet worden beschouwd als een bestuursrechtelijke lokale overheid. A.
  6. Het derde middel is afgeleid uit de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die de vrijheid van eredienst waarborgen, en met artikel 8 van de Grondwet en artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, die het recht waarborgen om mandaten in publiekrechtelijke instellingen op te nemen, doordat de bestreden bepalingen, zonder enige redelijke verantwoording, tussen gelovigen van eenzelfde parochie een verschil in behandeling in het leven roepen dat enkel steunt op de leeftijd. Dat geldt a fortiori met betrekking tot de uitoefening van de fundamentele rechten en vrijheden die in het middel worden opgesomd. A.
  7. Volgens de verzoekende partijen die de leeftijd van 75 jaar hebben bereikt en thans lid zijn van de kerkraad, bestaat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel erin dat zij na 1 maart 2005 hun functie niet langer zullen kunnen opnemen, waardoor zij worden aangetast in hun fundamentele vrijheid om zelf actief mee te werken aan de inrichting van hun eredienst en in hun politieke rechten, wat op zich reeds het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt. De gemiste periode van bestuur, gedurende welke de continuïteit niet is gewaarborgd - ondanks verschillende andere maatregelen in het bestreden decreet die de continuïteit juist beogen - kan door een eventuele vernietiging niet worden goedgemaakt. Door hun leeftijd zijn de verzoekende partijen niet verzekerd van een blijvende goede gezondheid en evenmin is het zeker dat zij een dergelijke functie nog zouden kunnen opnemen na een vernietiging van die bepaling en de noodzakelijke maar tijdrovende nieuwe samenstelling van de kerkraden. 4 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.
  8. De verzoekende partijen vorderen de schorsing van de artikelen 10 en 126 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten. De artikelen 10 en 126 van dat decreet bepalen : « Een aangesteld of verkozen lid is van rechtswege ontslagnemend wanneer het de leeftijd van 75 jaar bereikt. » Ten aanzien van de voorwaarden tot schorsing B.
  9. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  10. Een schorsing door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat een ernstig nadeel voor de verzoekende partijen voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de aangevochten norm, een nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een eventuele vernietiging. 5 B.
  11. Tot staving van het feit dat de aangevochten bepalingen hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen, voeren de verzoekende partijen, althans voor zover zij reeds de leeftijdsgrens van 75 jaar hebben bereikt, aan dat zij worden aangetast in de uitoefening van hun recht op medewerking aan de inrichting van hun eredienst en van hun politieke rechten, dat de continuïteit van de werking van het bestuur niet kan worden gewaarborgd en door een vernietigingsarrest niet zal kunnen worden hersteld en dat hun mogelijke toekomstige gezondheidstoestand niet dermate kan worden gewaarborgd dat zij in het kader van een tijdrovende nieuwe samenstelling van de kerkraad nog opnieuw zouden kunnen kandideren en een functie zouden kunnen opnemen. B.5.
  12. Anders dan de verzoekende partijen beweren, kan niet worden aangenomen dat iedere schending van een grondrecht ipso facto het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 oplevert. Immers, zelfs wanneer het nadeel ernstig zou zijn, dan nog zou dienen te worden aangetoond dat dit nadeel moeilijk herstelbaar is. B.5.
  13. Zonder dat het te dezen noodzakelijk is na te gaan of de aangevoerde aantasting van een grondrecht een ernstig nadeel oplevert, staat het vast dat het eventuele nadeel kan worden hersteld door een nieuwe aanstelling of verkiezing van de leden van de kerkraad indien het Hof de bestreden bepalingen zou vernietigen. De aanstelling of de verkiezing van de leden van de kerkraad is immers een handeling die integraal opnieuw kan plaatsvinden en derhalve het karakter van herstelbaarheid heeft. De wijze waarop de samenstelling van de kerkraden is geregeld is bovendien niet van die aard dat de nieuwe aanstelling of verkiezing buitensporige kosten en inspanningen zou meebrengen. Het argument dat de verzoekende partijen op dat ogenblik misschien niet meer beschikken over dezelfde goede gezondheid, is een hypothetisch nadeel dat bezwaarlijk het door de wet vereiste ernstige nadeel kan uitmaken. B.5.
  14. De verzoekende partijen tonen evenmin in concreto aan dat de continuïteit in de organisatie en de werking van de erkende erediensten door de bekritiseerde maatregel in gevaar wordt gebracht. B.5.
  15. Het aangevoerde nadeel kan niet worden beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 6 B.
  16. Aangezien een van de vereiste voorwaarden niet is vervuld, dienen de vorderingen tot schorsing te worden verworpen. 7 Om die redenen, het Hof verwerpt de vorderingen tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 9 februari
  17. De griffier, De wnd. voorzitter, L. Potoms M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.033 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.