id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.038 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050216.14 Arrest- Rolnummer: 38/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-11 Raadplegingen: 276 - laatst gezien 2026-07-02 08:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 171, 6°, tweede streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 171, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen. Tekst van de beslissing Rolnummer 3007 Arrest nr. 38/2005 van 16 februari 2005 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 171, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 21 april 2004 in zake G. Piette tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 28 mei 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 171, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (W.I.B.), doordat het voorziet in een afzonderlijke aanslag tegen de aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten voor de baten die gehaald zijn uit een vrij beroep en die door toedoen van een overheid niet tijdig zijn betaald, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, terwijl artikel 171, 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen voor de bezoldigingen van een werknemer die in dezelfde omstandigheden zijn ontvangen, in het voordeel van een afzonderlijke aanslag voorziet, tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad, wanneer de toepassing van artikel 171, 6°, van het W.I.B. tot een grotere belastingdruk leidt dan die welke voortvloeit uit de toepassing van artikel 171, 5°, van het W.I.B. ? » 2. « Schendt artikel 171, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het vereist dat, om het voordeel te verkrijgen van een afzonderlijke aanslag voor de baten die gehaald zijn uit een vrij beroep en die door toedoen van een overheid niet tijdig zijn betaald, aan drie bijkomende voorwaarden is voldaan, die niet gelden voor een belastingplichtige die in dezelfde omstandigheden als werknemer bezoldigingen heeft ontvangen ? » Memories zijn ingediend door : - G. Piette, wonende te 7060 Zinnik, place du Jeu de Balle 14 C; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 1 december 2004 : - zijn verschenen : . Mr. A. Roland, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. L. Tricart, advocaat bij de balie te Bergen, voor G. Piette; . Mr. F. Krenc, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Basselier, advocaat bij de balie te Charleroi, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In haar aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2001 heeft Géraldine Piette, die het beroep van advocaat uitoefent, een bedrag van 1.535.540 frank aangegeven als achterstallige honoraria waarvoor een afzonderlijke aanslagvoet geldt krachtens artikel 171, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (W.I.B. 1992). Dat bedrag werd haar in oktober 2000 uitbetaald door de Orde van advocaten van de balie te Doornik, voor prestaties die vóór juli 1999 waren verricht in het kader van de gratis rechtsbijstand. Krachtens artikel 346 van het W.I.B. 1992 heeft de belastingadministratie het bedrag dat als achterstallige honoraria was aangegeven, verminderd tot 109.512 frank. Géraldine Piette heeft bij de verwijzende rechter beroep ingesteld tegen de beslissing waarbij de belastingadministratie een bijkomende aanslag in de personenbelasting heeft gevestigd, op grond van de vermindering van het bedrag aan achterstallige honoraria waartoe aldus was beslist. Subsidiair bekritiseert zij de discriminerende aard van de in het geding zijnde bepalingen. De verwijzende rechter vergelijkt de bepalingen van artikel 171, 5° en 6°, van het W.I.B. 1992 en voert aan dat uit de gecombineerde lezing ervan kan worden afgeleid dat de wetgever het voordeel van een afzonderlijke aanslag aan meer beperkende voorwaarden heeft willen onderwerpen voor de baten uit een vrij beroep die door toedoen van de overheid niet tijdig zijn betaald (artikel 171, 6°), dan voor de bezoldigingen van een werknemer die in dezelfde omstandigheden betaald zijn (artikel 171, 5°), aangezien : 1° de baten betrekking moeten hebben op diensten die verricht zijn gedurende een periode van meer dan twaalf maanden; 2° zij in één keer moeten zijn uitbetaald; 3° de afzonderlijke aanslag alleen betrekking heeft op het evenredige deel dat een vergoeding van 12 maanden prestaties overschrijdt. Aangezien de verwijzende rechter van mening is dat die verschillende behandeling ter toetsing aan het Hof moet worden voorgelegd, heeft hij de twee bovenvermelde prejudiciële vragen gesteld. III. In rechte -A– A.1.1. Géraldine Piette licht de procedure toe voor vergoeding van de prestaties die een advocaat in het kader van de rechtsbijstand heeft verricht, en merkt op dat zij gespreid kunnen zijn over een periode van meer of van minder dan 12 maanden, maar dat de vergoedingen in de praktijk worden uitbetaald na het verstrijken van het belastbaar tijdperk waarop zij werkelijk betrekking hebben, aangezien het Ministerie van Justitie de nodige kredieten pas na verloop van één jaar vrijgeeft. A.1.2. Volgens G. Piette kunnen de twee verschillen in behandeling die in de prejudiciële vragen worden aangevoerd (aanslagvoet en voorwaarden voor het toestaan van de afzonderlijke aanslag), niet redelijk noch objectief worden verantwoord. Beide bepalingen (artikel 171, 5° en 6°, van het W.I.B. 1992) gaan immers uit van dezelfde bedoeling om in bepaalde situaties de nefaste gevolgen van de progressiviteit van de belasting te vermijden, namelijk wanneer de belastingplichtige de belastbare « inkomsten » ontvangt na het verstrijken van het belastbaar tijdperk waarop zij werkelijk betrekking hebben, met dien verstande dat de niet-tijdige betaling te wijten moet zijn aan de overheid. Terwijl een werknemer een voordeligere aanslag geniet wanneer hij, volgens de administratieve commentaar van het W.I.B. 1992, bewijst dat de in het geding zijnde inkomsten meer dan drie maanden na het indienen van de aanvraag tot terugbetaling zijn uitbetaald, geniet een zelfstandige die niet, zelfs niet wanneer de inkomsten met één jaar vertraging worden uitbetaald, zoals te dezen. 4 A.1.3. G. Piette voert verder nog aan dat de verwijzing van de wetgever naar het begrip « laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad » in elk geval bevestigt dat het de bedoeling van de wetgever was de werknemer te waarborgen dat de achterstallige bezoldigingen zouden worden belast tegen een aanslagvoet die voor die werknemer een normale jaarlijkse beroepswerkzaamheid weerspiegelt. De wetgever is ten onrechte minder gevoelig geweest voor de situatie van de zelfstandigen, en meer bepaald voor die van de vrije beroepen die in het kader van de rechtsbijstand diensten verrichten, aangezien de advocaten vergoedingen ontvangen als achterstallige honoraria met betrekking tot prestaties die gedurende verschillende jaren zijn verricht. Die vergoedingen worden echter belast tegen dezelfde aanslagvoet als de baten die « normaliter » gedurende hetzelfde belastbaar tijdperk worden verkregen, en die baten nemen - logischerwijs - toe naar gelang het aantal jaren van beroepsuitoefening. Met andere woorden, in plaats van een indexering te genieten van de vergoedingen die tot doel heeft de prestaties te vergoeden die over verschillende jaren zijn verricht, wordt de dienstverlener die zijn beroepsactiviteit uitbouwt, benadeeld omdat hij belast wordt tegen een gemiddelde aanslagvoet die beduidend hoger is dan de aanslagvoet die logischerwijs had moeten gelden op het ogenblik dat die prestaties werden verricht. Dat leidt tot een grotere belastingdruk. A.2.1. De Ministerraad herinnert aan de feiten van de zaak en geeft aan, wat de eerste prejudiciële vraag betreft, dat, volgens de parlementaire voorbereiding, artikel 171, 6°, tweede streepje, tot doel heeft een te hoge belasting - te wijten aan de progressiviteit van de belasting - te vermijden op de honoraria die betaald zijn onder de erin vermelde voorwaarden. Hij voert aan dat die achterstallen betrekking hebben op inkomsten waarvan de kenmerken fundamenteel verschillen van die van de achterstallige bezoldigingen bedoeld in artikel 171, 5°, b). Artikel 171, 6°, tweede streepje, heeft immers betrekking op de honoraria die in één keer zijn gestort en die betrekking hebben op een periode van meer dan twaalf maanden, terwijl artikel 171, 5°, b), slaat op bezoldigingen die zijn uitbetaald na het verstrijken van het belastbaar tijdperk waarop zij betrekking hebben, ongeacht het aantal maandlonen waarop die betaling betrekking heeft. Het eerste artikel is niet van toepassing op honoraria die betrekking hebben op prestaties die gedurende het jaar N verricht zijn over een periode van minder dan twaalf maanden maar die gedurende het jaar N+1 zijn gestort, terwijl het tweede artikel dan weer moet worden toegepast op alle bezoldigingen die betrekking hebben op het jaar N maar die door toedoen van de overheid gedurende het jaar N+1 zijn uitbetaald. A.2.2. Hij is dan ook van mening dat in de vraag ten onrechte situaties worden vergeleken die niet vergelijkbaar zijn; bovendien verschillen de twee activiteiten fundamenteel op het gebied van de regelmaat waarmee de inkomsten worden ontvangen en op dat van de gevolgen van beroepsinactiviteit, aangezien in dat geval alleen de werknemer belastbare beroepsinkomsten blijft ontvangen. Wat de werknemer betreft, is het verantwoord dat het laatste jaar waarin hij een « normale » beroepswerkzaamheid heeft gehad, in aanmerking wordt genomen om de afzonderlijke aanslagvoet te bepalen die moet worden toegepast op de « achterstallige bezoldigingen ». Dat refertejaar moet in principe meer belastbare inkomsten hebben opgebracht dan een jaar waarin de belastingplichtige gedurende een bepaalde periode inactief is geweest. Zulk een refertejaar kan niet worden bepaald voor een zelfstandige, die inkomsten ontvangt op veel onregelmatigere basis, en wiens periodes van onderbreking van de beroepswerkzaamheid moeilijk zijn vast te stellen. Aangezien hij niet in staat was een refertejaar te bepalen voor het vaststellen van de aanslagvoet voor de « achterstallige honoraria », heeft de wetgever een te hoge belasting, te wijten aan de progressiviteit van de belasting, willen vermijden door de toepassing van het « [belasting]tarief dat normaal toegepast zou worden voor een ereloon van twaalf maanden prestaties » (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 415/1, p. 34). Vanuit dat perspectief heeft hij, door te kiezen voor « de aanslagvoet die betrekking heeft op het geheel van de andere belastbare inkomsten » van de periode waarin de bedoelde achterstallen zijn ontvangen, de grondwettelijke grenzen die in acht moeten worden genomen bij het invoeren van een verschil in behandeling, niet overschreden. A.2.3. De Ministerraad betwist eveneens dat de aanslagvoet waarin artikel 171, 6°, voorziet, systematisch hoger zou zijn dan de aanslagvoet van artikel 171, 5°, aangezien het onmogelijk is « het laatste vorige jaar waarin (de zelfstandige) een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad » te bepalen. Rekening houdend met de rechtspraak van het Hof in verband met de vereenvoudigende categorieën, oordeelt de Ministerraad dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de middelen en het doel dat met de in het geding zijnde bepaling wordt nagestreefd. 5 A.3. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, onderstreept de Ministerraad dat het gebruik van het woord « ontvangsten » in artikel 27, tweede lid, 1°, van het W.I.B. 1992 impliceert dat baten (honoraria), in tegenstelling tot winst die belastbaar is zodra de schuldvordering zeker is, pas belastbaar zijn vanaf het ogenblik dat zij worden ontvangen; wat baten betreft, is het tijdstip van betaling van de verrichte prestaties echter over het algemeen alleen afhankelijk van de wil der partijen, zodat het ontvangen van baten na het verstrijken van het belastbaar tijdperk waarop zij betrekking hebben, eigenlijk niet afwijkend of uitzonderlijk is. Dat is daarentegen wel het geval wanneer een werknemer bezoldigingen ontvangt na het verstrijken van het belastbaar tijdperk waarop zij betrekking hebben. Daaruit volgt dat, in tegenstelling tot de bezoldigingen, de uitbetaling van baten na het verstrijken van het belastbaar tijdperk waarop zij werkelijk betrekking hebben, geen pertinent criterium is om te beoordelen of de vertraging die te wijten is aan de overheid kan rechtvaardigen dat een afzonderlijk aanslagstelsel wordt toegepast om de progressiviteit van de belasting te verminderen. De wetgever kon dan ook niet redelijkerwijs voor de baten een maatregel nemen die analoog is met de maatregel die geldt voor de bezoldigingen. Hij kon daarentegen op legitieme wijze ervan uitgaan dat, rekening houdend met het beginsel van annualiteit van de belasting, een te hoge belasting die te wijten is aan de progressiviteit van de belastingvoet moest worden vermeden voor zover de vertraging die te wijten was aan de overheid impliceerde dat baten die overeenkomen met prestaties gespreid over meer dan 12 maanden, aan eenzelfde belastbaar tijdperk (namelijk een periode van 12 maanden) waren verbonden; zulk een situatie doet zich echter alleen voor wanneer baten die betrekking hebben op prestaties die over een periode van meer dan 12 maanden zijn verricht, in één keer worden uitbetaald (dat wil zeggen wanneer de eerste twee « bijkomende voorwaarden » waarnaar de verwijzende rechter verwijst, zijn vervuld). Het is het bedrag van die betaling dat evenredig overeenstemt met de periode van prestaties boven de 12 maanden dat op onrechtvaardige wijze aan de progressiviteit van de belasting is onderworpen. Het is dus alleen voor dat evenredig bedrag dat een stelsel van afzonderlijke belasting verantwoord lijkt (dat wil zeggen wanneer voldaan is aan de derde « bijkomende voorwaarde » die de verwijzende rechter voor ogen heeft). -B- B.1. Artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna W.I.B. 1992), waarvan punt 6° het voorwerp is van de prejudiciële vragen en zoals het van toepassing was op het aanslagjaar 2001, bepaalde : « In afwijking van de artikelen 130 tot 168, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de evenvermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten : […] 5° tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad : […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.