id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.042 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050223.9 Arrest- Rolnummer: 42/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-10 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-07-02 07:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 2, § 1, 3, 6, 6°, en 7 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2003 betreffende de toekenning van de vergunning van sportschutter, ingesteld door de v.z.w. Union nationale de l'armurerie, de la chasse et du tir en N. Demeyere. Tekst van de beslissing Rolnummer 3006 Arrest nr. 42/2005 van 23 februari 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, § 1, 3, 6, 6°, en 7 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2003 betreffende de toekenning van de vergunning van sportschutter, ingesteld door de v.z.w. Union nationale de l'armurerie, de la chasse et du tir en N. Demeyere. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 mei 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 24 mei 2004, hebben de v.z.w. Union nationale de l’armurerie, de la chasse et du tir, met maatschappelijke zetel te 3060 Bertem, Bosstraat 69, en N. Demeyere, wonende te 3060 Bertem, Bosstraat 69, beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2003 betreffende de toekenning van de vergunning van sportschutter (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 november 2003). De Vlaamse Regering, de Ministerraad en de Franse Gemeenschapsregering hebben ieder een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad en de Franse Gemeenschapsregering hebben ieder een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 26 januari 2005 : - zijn verschenen : . N. Demeyere, in eigen persoon, alsook voor de v.z.w. Union nationale de l’armurerie, de la chasse et du tir; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . Mr. P. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. O. Di Giacomo loco Mr. M. Uyttendaele en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.
- De eerste verzoekende partij is een vereniging zonder winstoogmerk die als statutair doel heeft « de verdediging en de behartiging van het particuliere wapenbezit in het algemeen, en de verdediging van de leden in het bijzonder. De vereniging verdedigt de belangen van de economische sector die verband houden met de fabricatie, in- en uitvoer, groot- en kleinhandel van en in wapens, munitie en toebehoren in de ruimste zin. De vereniging verdedigt en behartigt tevens de belangen van de particuliere wapenbezitters, ongeacht de activiteit die ze met hun wapens voeren (zoals sportschutters, recreatieve schutters, jagers, kleiduifschutters, verzamelaars, historische en folkloristische groepen, …) ». De tweede verzoeker is als recreatief schutter aangesloten bij twee schuttersverenigingen in het Franse taalgebied. Hij is houder van een aantal bezitsvergunningen. A.
- De Franse Gemeenschapsregering betwijfelt of de bestreden bepalingen afbreuk kunnen doen aan het maatschappelijk doel van de eerste verzoekende partij. Zij is daarentegen van oordeel dat de situatie van de sportschutters door de decretale regeling gunstiger is dan voorheen. Het feit dat andere wapenbezitters niet onder de regeling vallen en dus aan andere voorwaarden zijn onderworpen, zou niet relevant zijn om het belang van de verzoekende partij te beoordelen aangezien de Franse Gemeenschap niet bevoegd is ten aanzien van de andere wapenbezitters en ook niet de bedoeling heeft gehad hun situatie te wijzigen. Ten slotte meent de Franse Gemeenschapsregering dat niet is aangetoond dat de bestreden bepalingen een negatieve weerslag zouden hebben op de waarde van wapens waarmee geen sportschieten is toegestaan. Ten aanzien van de tweede verzoeker merkt de Franse Gemeenschapsregering op dat hij zichzelf als een « recreatief schutter » omschrijft, terwijl de bestreden bepalingen enkel op de « sportschutters » van toepassing zijn. Hij zou dus evenmin van een belang bij de vernietiging van de bestreden bepalingen doen blijken. A.
- De verzoekende partijen houden in hun memorie van antwoord vol dat zij door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt in de verwezenlijking van hun maatschappelijk doel of in het beoefenen van hun vrijetijdsbesteding. Zij preciseren dat werd beslist om niet de volledige vernietiging van het sportschuttersdecreet te vragen, doch enkel de vernietiging van de bepalingen die het decreet een te ruime draagwijdte kunnen geven, waardoor de activiteiten van andere wapenbezitters en de belangen van de betrokken economische sector in het gedrang komen. De tweede verzoeker merkt op dat, hoewel hij het schieten als een recreatieve activiteit beoefent, hij op grond van artikel 1, 5°, van het decreet onder het toepassingsgebied daarvan valt. A.
- In zoverre de eerste verzoekende partij verwijst naar de belangen van de wapenhandelaars, werpt de Franse Gemeenschapsregering op dat het belang van die verzoekende partij samenvalt met dat van haar leden. Bovendien zou de economische impact van de bestreden bepalingen niet zijn aangetoond. Wat de tweede verzoeker betreft, merkt de Franse Gemeenschapsregering op dat krachtens artikel 1, 4°, van het decreet enkel de natuurlijke persoon die via een kring bij een erkende schietfederatie is aangesloten als « sportschutter » kan worden beschouwd. Ten aanzien van het eerste middel van de verzoekende partijen A.
- In het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de artikelen 2, 3 en 7 van het decreet van 22 oktober 2003 betreffende de toekenning van de vergunning van sportschutter (hierna « sportschuttersdecreet ») een schending inhouden van artikel 127, § 1, eerste lid, 1°, van de Grondwet en van artikel 4, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, op grond waarvan de gemeenschappen bevoegd zijn inzake de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven. De verzoekende partijen merken op dat die bevoegdheid reeds werd toegekend door de wet van 21 juli 1971 betreffende de bevoegdheid en de werking van de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap 4 en voor de Franse cultuurgemeenschap. Uit de parlementaire voorbereiding van die wet zou blijken dat het begrip « sport » niet te ruim mag worden opgevat en dat daarvan met name is uitgesloten « de reglementering van de weddenschappen, de sportuitslagen, de wedstrijden en dopingpraktijk ». Ook zou tijdens de parlementaire voorbereiding zijn opgemerkt dat het niet de bedoeling is dat verschillende statuten voor de sportbeoefening worden uitgewerkt in de verschillende gemeenschappen en dat niet wordt opgelegd aan de sportfederaties om zich te splitsen op het niveau van de gemeenschappen. Voorts wijzen de verzoekende partijen erop dat de erkenning van schietstanden wordt geregeld door artikel 14ter van de wet van 3 januari 1933 « op de vervaardiging van, den handel in en het dragen van wapenen en op den handel in munitie » (hierna « de wapenwet »). Het koninklijk besluit van 13 juli 2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van de schietstanden voert die bepaling uit. De gemeenschappen zouden niet bevoegd zijn om, in afwijking van de federale wetgeving, toe te staan dat het schieten wordt beoefend in schietstanden die niet overeenkomstig de federale wetgeving zijn erkend. Artikel 3 van het sportschuttersdecreet zou bijgevolg de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap overschrijden. Ook artikel 7 van het sportschuttersdecreet, dat bepaalt op welke wijze sportschutters hun wapens en hun munitie moeten bewaren, houdt volgens de verzoekende partijen geen verband met de gemeenschapsbevoegdheid inzake sport. De wijze waarop wapens en munitie worden opgeslagen wordt geregeld door artikel 16 van de wapenwet en door het koninklijk besluit van 24 april 1997 tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden waaraan het opslaan, het in bewaring geven en het verzamelen van vuurwapens of munitie zijn onderworpen. Ten slotte leiden de verzoekende partijen uit artikel 2 van het sportschuttersdecreet af dat het toepassingsgebied van het decreet te ruim is, zodat het ook geldt voor tal van situaties die niets met sport te maken hebben. Die bepaling vereist immers dat iedereen die het schieten beoefent op een manier zoals daarin is voorzien in het kader van een discipline die door een sportfederatie wordt georganiseerd houder dient te zijn van een vergunning van sportschutter of een gelijkwaardig document. Derhalve zou ook een jager die een geweer inschiet op een afstand van 100 meter op een schijf die de afmetingen heeft van een wedstrijdschijf een vergunning dienen aan te vragen. Voor wie niet met de wereld van de schutterij vertrouwd is, maken de verzoekende partijen de volgende vergelijking. Veronderstel dat een decreet zou bepalen dat niemand het sportieve zwemmen zou mogen beoefenen zonder houder te zijn van een licentie van een erkende zwemfederatie en dat het sportieve zwemmen wordt gedefinieerd als het zwemmen van een discipline zoals erkend door een zwemfederatie, bijvoorbeeld 25 meter schoolslag. Dit zou betekenen dat elke bezoeker van een zwembad die van plan is om 25 meter schoolslag te zwemmen houder dient te zijn van een licentie van de zwemfederatie. A.
- De Franse Gemeenschapsregering gaat voor elk artikel afzonderlijk na of de decreetgever zijn bevoegdheid heeft overschreden. Wat artikel 3 van het sportschuttersdecreet betreft, merkt zij op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State ter zake geen opmerking heeft gemaakt. Zij is bovendien van oordeel dat artikel 14ter van de wapenwet, waarnaar de bestreden bepaling verwijst, zelf door bevoegdheidsoverschrijding is aangetast doordat het de uitoefening van de gemeenschapsbevoegdheid inzake sport onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. Aangezien de Franse Gemeenschap bevoegd is om de beoefening van het sportschieten te reglementeren, zou zij ook de plaatsen vermogen aan te duiden waarin die beoefening kan plaatsvinden. Artikel 7 van het sportschuttersdecreet zou volgens de Franse Gemeenschapsregering slechts de voorwaarden bepalen die vervuld moeten zijn om een vergunning van sportschutter te verkrijgen. Volgens de Raad van State mag de federale overheid zich niet met die voorwaarden inlaten. De bestreden bepaling zou overigens niet de bedoeling hebben de sportschutters te onttrekken aan de federale wapenwetgeving - de federale wetgever zou zijnerzijds wel die bedoeling hebben gehad -, zodat de regels inzake het bewaren van wapens en munitie voor het sportschieten tot de gemeenschapsbevoegdheid inzake sport behoren. Artikel 2 van het sportschuttersdecreet heeft naar het oordeel van de Franse Gemeenschapsregering niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan geven. Het somt slechts de documenten op waarover de beoefenaars van het sportschieten moeten beschikken, zonder te bepalen wat onder sportschieten moet worden verstaan. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, zou het niet tot gevolg hebben dat een jager die een geweer inschiet op een afstand van 100 meter op een schijf die de afmetingen heeft van een wedstrijdschijf een vergunning dient aan te vragen. Situaties die niets met sportschieten te maken hebben, zouden door andere bepalingen worden geregeld. 5 De Franse Gemeenschapsregering sluit zich ook aan bij de argumentatie van de Vlaamse Regering. A.
- Volgens de Vlaamse Regering heeft de bijzondere wetgever geen uitzonderingen gemaakt op de gemeenschapsbevoegdheid inzake de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven en moet die bevoegdheid, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, ruim worden begrepen. Zij verwijst in dat verband naar het arrest nr. 11/
- De Vlaamse Regering ziet niet in in welk opzicht de bestreden bepalingen niet tot de sport en dus tot de gemeenschapsbevoegdheid op dat stuk zouden behoren. Dit neemt naar het oordeel van de Vlaamse Regering niet weg dat de bestreden bepalingen in samenloop kunnen komen, althans wat het sportschieten met vuurwapens betreft, met regels die door de federale overheid zijn uitgevaardigd voor (het gebruik van) vuurwapens in het algemeen, zodat zij kans maken tegelijk met de federale vuurwapennormen te moeten worden toegepast. Dit zou evenwel geen onbevoegdheid impliceren van de één of de ander, a fortiori wanneer de cumulatieve toepassing van de federale en gemeenschapsnormen niet wordt gehinderd door onderlinge onverenigbaarheid en er dus geen sprake is van een wetsconflict. Overigens zouden de bestreden bepalingen het de federale wetgever niet moeilijk of onmogelijk maken zijn eigen bevoegdheden uit te oefenen, zodat het evenredigheidsbeginsel volgens de Vlaamse Regering niet is geschonden. A.
- Naar het oordeel van de Ministerraad gaat het verweer van de Franse Gemeenschapsregering met betrekking tot artikel 2 van het sportschuttersdecreet voorbij aan de definitie van het sportschieten in artikel 1, 5°, dat nochtans door de verzoekende partijen in samenhang met artikel 2, § 1, is aangevoerd. Doordat die definitie het heeft over alle disciplines bepaald door de schietfederaties - in plaats van georganiseerd door die federaties - zou elke beoefening van die disciplines, recreatief zowel als sportief, onder het toepassingsgebied van artikel 2 vallen, zodat die bepaling de in het middel aangevoerde bepalingen zou schenden. De Ministerraad volgt de verzoekende partijen niet in zoverre het middel artikel 3 van het sportschuttersdecreet betreft. Artikel 14ter van de wapenwet regelt enkel de uitbating van schietinstallaties en de organisatie van het sportschieten, en heeft geen betrekking op de plaatsen waar die activiteiten kunnen plaatsvinden. Zoals de Vlaamse Regering is de Ministerraad van oordeel dat de cumulatieve toepassing van federale en gemeenschapsnormen op dat vlak mogelijk is. Wat artikel 7 van het sportschuttersdecreet betreft, is het voor de Ministerraad duidelijk dat die bepaling van toepassing is op een plaats waar het sportschieten niet kan worden beoefend en dat het bewaren van wapens en munitie plaatsvindt op een moment waarop zij niet worden gebruikt. Hij leidt daaruit af dat er geen verband is tussen de verplichting uit artikel 7 en de sportbeoefening. Bovendien zou die bepaling strenger zijn dan de wapenwet en haar uitvoeringsbesluiten. Ten aanzien van het tweede middel van de verzoekende partijen A.
- In het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 7 van het sportschuttersdecreet artikel 127, § 2, van de Grondwet schendt doordat het territoriale toepassingsgebied van die bepaling niet tot het Franse taalgebied is beperkt. Een schutter uit het Duitse of het Nederlandse taalgebied die houder is van een vergunning van sportschutter uitgereikt door een door de Franse Gemeenschap erkende federatie dient een verklaring op eer af te leggen dat hij in zijn woonplaats (buiten het Franse taalgebied) de regels met betrekking tot het bewaren van wapens en munitie zal naleven. Een decreet van de Franse Gemeenschap zou evenwel geen normen kunnen opleggen buiten het Franse taalgebied. A.
- Het feit dat de bestreden bepaling bepaalde extraterritoriale gevolgen heeft, betekent volgens de Franse Gemeenschapsregering, daarbij refererend aan de rechtspraak van het Hof, niet dat artikel 127, § 2, van de Grondwet zou zijn geschonden. Zodra een sportschutter besluit zijn sport te beoefenen op het grondgebied van een gemeenschap, moet hij de wetgeving van die gemeenschap naleven en dus, te dezen, voldoen aan alle voorwaarden om een vergunning van sportschutter van die gemeenschap te verkrijgen. De Franse 6 Gemeenschapsregering zegt niet in te zien in welk opzicht het extraterritoriaal effect tot gevolg zou hebben het sportbeleid, inzonderheid dat inzake sportschieten, van de Vlaamse Gemeenschap te hinderen. A.
- Volgens de Vlaamse Regering mist het middel grondslag omdat uit de bestreden bepaling niet blijkt dat het verbod ook toepasselijk zou zijn buiten het Franse taalgebied. Decreten die geen enkel criterium bevatten met toepassing waarvan het onderwerp van hun regeling is gelokaliseerd, en dus hun territoriale werking in geen enkel opzicht zelf bepalen of preciseren, zouden op dit stuk bezwaarlijk door het Hof kunnen worden vernietigd. Zij zouden in samenhang moeten worden gelezen met de grondwettelijke afbakening van de territoriale bevoegdheid van de betrokken decreetgever. Alleen wanneer de normgever zelf bepaalt waar de door hem uitgevaardigde regel moet worden toegepast, kan zijn norm worden getoetst aan de bevoegdheidsregeling. Wanneer de normgever daarover daarentegen het stilzwijgen bewaart, is zijn norm zonder meer toepasselijk op zijn territoriaal bevoegdheidsgebied en per hypothese in overeenstemming met de territoriale bevoegdheidsregeling. De Vlaamse Regering verwijst in dat verband naar de arresten nrs. 72/96, 22/98 en 50/99 van het Hof. Uit artikel 127, § 2, van de Grondwet vloeit derhalve voort dat de bestreden bepaling slechts toepasselijk is op de woon- en verblijfplaatsen van de erkende sportschutters in het Franse taalgebied, minstens dat die bepaling in die grondwettige betekenis moet worden geïnterpreteerd. Weliswaar impliceert die bepaling ook voor andere sportschutters dat zij zich ertoe verbinden « bij zich thuis enkel munitie te bewaren die betrekking heeft op wapens gebruikt voor het sportschieten in een hoeveelheid die overeenstemt met zijn regelmatige sportpraktijk », zodat die bepaling effectief extraterritoriale werking geniet, maar dit gebeurt volgens de Vlaamse Regering niet gezagshalve, uit kracht van de eenzijdige wil van de decreetgever, maar op vrijwillige basis, door de instemming van de betrokken sportschutter. A.
- In tegenstelling tot de Vlaamse Regering meent de Ministerraad dat de bestreden bepaling wel een lokalisatiecriterium bevat, meer bepaald de woonplaats van de houder van de vergunning van sportschutter, hetgeen de grenzen gesteld door artikel 127, § 2, van de Grondwet te buiten zou gaan. In tegenstelling tot de Franse Gemeenschap is de Ministerraad van oordeel dat die grensoverschrijdende werking niet toelaatbaar is. Dat zou immers ertoe kunnen leiden dat drie verschillende wetgevers in dezelfde aangelegenheid verschillende normen zouden kunnen opleggen aan dezelfde personen en voor dezelfde plaatsen. Die normen kunnen elkaar tegenspreken en zouden een efficiënte controle onmogelijk kunnen maken. De Ministerraad betwist ten slotte ook de stelling dat er sprake zou zijn van vrijwillige onderwerping aan de bestreden bepaling. Ten aanzien van het derde middel van de verzoekende partijen A.
- In het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 2 van het sportschuttersdecreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat die bepaling geen onderscheid maakt naar gelang van het soort activiteit van de schutter. Wedstrijdschutters die deelnemen aan olympische disciplines moeten aan dezelfde voorwaarden voldoen als recreatieve schutters. Ook kunnen jagers en verzamelaars van wapens binnen het toepassingsgebied van het decreet vallen en het is volgens de verzoekende partijen zelfs niet uit te sluiten dat de politiediensten die oefenen op een schietstand houder dienen te zijn van een vergunning van sportschutter en zich bij een federatie dienen aan te sluiten. In het kader van de sportbeoefening is het pertinent dat een eigen statuut voor de sportschutter wordt uitgewerkt, waarbij een aantal voorwaarden inzake gezondheid en aansluiting bij een erkende federatie wordt opgelegd. Dit zou echter niet het geval zijn voor de andere gebruikers van een schietstand. Als de decreetgever een flexibel kader wil scheppen waarbinnen de sport kan worden uitgeoefend, kan men volgens de verzoekende partijen redelijkerwijze verwachten dat een dergelijke regeling enkel van toepassing is op de sportschutters sensu stricto. A.
- Zoals ten aanzien van het eerste middel is de Franse Gemeenschapsregering van oordeel dat artikel 2 van het sportschuttersdecreet niet de draagwijdte heeft die de verzoekende partijen eraan geven. Het somt slechts de documenten op waarover de beoefenaars van het sportschieten moeten beschikken, zonder te bepalen wat onder sportschieten moet worden verstaan. De bepaling zou derhalve geen enkele discriminatie in het leven roepen naar gelang van de activiteiten van de schutters. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt volgens de Franse Gemeenschapsregering dat de decreetgever enkel de sportschutters heeft beoogd en niet de recreatieve 7 schutters, de jagers en de wapenverzamelaars. Zij blijven onder het toepassingsgebied van de federale wapenwet. A.
- De Ministerraad verwijst in de eerste plaats naar zijn uiteenzetting ten aanzien van het eerste middel en meent dat het verweer van de Franse Gemeenschapsregering niet overtuigt doordat het voorbijgaat aan artikel 1, 5°, van het sportschuttersdecreet. De betekenis van de daarin vervatte omschrijving van het begrip sportschieten zou niet kunnen worden omgebogen door verklaringen die aan de aanneming ervan zijn voorafgegaan, te laten voorgaan op de duidelijke tekst van die bepaling. Ten aanzien van het nieuwe middel van de Ministerraad A.
- In het nieuwe middel voert de Ministerraad aan dat de artikelen 6, 5°, 8, 9, 11, 12, 13 en 14 van het sportschuttersdecreet een schending inhouden van de artikelen 10, 11 en 12, eerste lid, van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenhang gelezen met de artikelen 33, 115 en 121 van de Grondwet en met artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, doordat die bepalingen aan de erkende schietfederaties de bevoegdheid toekennen om de (voorlopige) vergunningen van sportschutter toe te kennen en in te trekken. Dat zou immers een regelgevende bevoegdheid betreffen, die enkel op de door de Grondwet bepaalde wijze kan worden uitgeoefend. Tot staving van zijn middel verwijst de Ministerraad naar het advies van de Raad van State bij het voorontwerp van decreet dat tot het sportschuttersdecreet heeft geleid. Artikel 8 van dat decreet zou naar het oordeel van de Ministerraad onvoldoende aan het bezwaar van de Raad van State tegemoet komen. De volledige tenuitvoerlegging met betrekking tot de toekenning van de vergunning van sportschutter zou in handen zijn gegeven van de twee door de Franse Gemeenschap erkende schietfederaties, terwijl die bevoegdheid door de Grondwet en de bijzondere wet tot hervorming der instellingen aan de Franse Gemeenschapsregering zou zijn voorbehouden. Daardoor zou een onverantwoord verschil in behandeling zijn ontstaan ten aanzien van de personen die aan de uitvoeringsbevoegdheid van een privaatrechtelijk persoon zijn onderworpen. A.
- De Franse Gemeenschapsregering is van oordeel dat de controle op de schietfederaties waarin artikel 8 van het decreet voorziet, gelet ook op de beperkte beoordelingsbevoegdheid waarover die federaties beschikken, voldoende tegemoet komt aan de opmerking van de Raad van State. De aangevochten delegatie zou derhalve niet buitensporig zijn. De Ministerraad zet volgens de Franse Gemeenschapsregering overigens niet uiteen hoe die delegatie de rechten van de sportschutters op onevenredige wijze zou beperken. A.
- De Vlaamse Regering voert aan dat het middel niet-ontvankelijk is omdat het gericht is tegen bepalingen die niet door de verzoekende partijen zijn aangevochten en derhalve niet het onderwerp van het beroep tot vernietiging uitmaken. Zij verwijst in dat verband naar de rechtspraak van het Hof. In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat het middel feitelijke grondslag mist omdat de geviseerde bepalingen geen reglementaire bevoegdheid hebben gedelegeerd aan de schietfederaties. Zij ziet niet in waarom een decreetgever niet de instructies of verplichtingen zou mogen erkennen die een vereniging aan haar leden oplegt en zelfs de betrokken verenigingen niet zou mogen opdragen instructies of verplichtingen op te leggen aan hun leden. Die regelingen zijn overigens « tuchtrecht » of « disciplinair recht » in de klassieke betekenis en het spreekt voor zich dat het bestaan daarvan geen afbreuk doet aan, laat staan onverzoenbaar is met de regelgevende bevoegdheid van de betrokken overheid, wat uiteraard niet wegneemt dat zij met de regelingen van de betrokken overheid niet strijdig mogen zijn, wat overigens in de betrokken bepalingen uitdrukkelijk wordt gezegd. 8 -B- Situering van de bestreden bepalingen B.
- Het decreet van 22 oktober 2003 betreffende de toekenning van de vergunning van sportschutter (verder « sportschuttersdecreet » genoemd) regelt, voor de Franse Gemeenschap, de beoefening van het sportschieten. Daaronder worden de schietdisciplines verstaan bepaald door de internationale schietfederaties en de door de Franse Gemeenschap erkende schietfederaties (artikel 1, 5°). Krachtens artikel 2, § 1, van het sportschuttersdecreet mag niemand het sportschieten beoefenen zonder dat hij over een (voorlopige) vergunning van sportschutter, uitgereikt door of namens de Franse Gemeenschapsregering, beschikt of over een gelijkwaardig document van de Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap of een lidstaat van de Europese Unie. Het sportschieten wordt beoefend in schietstanden erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden of, in afwijking daarvan, voor het schieten met wapens met een gladde loop, in daartoe ingerichte en door een erkende schietfederatie goedgekeurde plaatsen (artikel 3 van het sportschuttersdecreet). Om een vergunning van sportschutter te verkrijgen, moet men aan een aantal voorwaarden voldoen inzake leeftijd, praktische ervaring en theoretische kennis alsook een getuigschrift van goed zedelijk gedrag en een medisch getuigschrift voorleggen. Ten slotte moet men zich op eer ertoe verbinden de voorwaarden voor het bezit van wapens en munitie zoals bepaald in artikel 7 in acht te nemen (artikel 6 van het sportschuttersdecreet). Krachtens artikel 7 van het sportschuttersdecreet mag de houder van een vergunning van sportschutter in zijn woning enkel een hoeveelheid munitie voor wapens voor het sportschieten bewaren die overeenstemt met de regelmaat van zijn sportbeoefening. De munitie moet in een afgesloten kast worden bewaard, in een ander lokaal dan dat waarin de overeenstemmende wapens zijn opgeborgen. 9 Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.2.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekende partijen bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. Ten aanzien van de verzoekende vereniging voert zij in essentie aan dat de sportschutters niet ongunstig en de andere wapenbezitters niet rechtstreeks worden geraakt door de bestreden bepalingen en dat de negatieve impact ervan op de wapensector niet is bewezen. Ten aanzien van de particuliere verzoeker meent de Franse Gemeenschapsregering dat hij niet onder het toepassingsgebied van het decreet valt. B.2.
- Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk zich op een collectief belang beroept, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat het collectief belang niet tot de individuele belangen van de leden is beperkt; dat het maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat het maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.2.
- Artikel 2 van de statuten van de v.z.w. Union nationale de l’armurerie, de la chasse et du tir omschrijft haar maatschappelijk doel als volgt : « De vereniging heeft tot doel de verdediging en de behartiging van het particuliere wapenbezit in het algemeen, en de verdediging van de leden in het bijzonder. De vereniging verdedigt de belangen van de economische sector die verband houden met de fabricatie, in- en uitvoer, groot- en kleinhandel van en in wapens, munitie en toebehoren in de ruimste zin. De vereniging verdedigt en behartigt tevens de belangen van de particuliere wapenbezitters, ongeacht de activiteit die ze met hun wapens voeren (zoals sportschutters, recreatieve schutters, jagers, kleiduifschutters, verzamelaars, historische en folkloristische groepen, …). » B.2.
- Het kan niet ernstig worden betwist dat de bestreden bepalingen, die de beoefening van het sportschieten aan voorwaarden en beperkingen onderwerpen en de sportschutters regels opleggen, het maatschappelijk doel van de verzoekende vereniging kunnen raken. In weerwil van wat de Franse Gemeenschapsregering aanvoert, blijkt bovendien niet dat met het aldus geformuleerde collectieve belang slechts de belangen van bepaalde leden zouden worden nagestreefd. B.2.
- De exceptie ten aanzien van de eerste verzoekende partij wordt verworpen. 10 B.2.
- Nu één van beide verzoekende partijen doet blijken van een belang bij het beroep, is het niet nodig om na te gaan of ook de andere verzoekende partij daarvan doet blijken. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het nieuwe middel aangevoerd door de Ministerraad B.3.
- Volgens de Vlaamse Regering is het nieuwe middel van de Ministerraad niet ontvankelijk, aangezien het betrekking heeft op bepalingen die door de verzoekende partijen niet op ontvankelijke wijze zijn bestreden. B.3.
- Artikel 85, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof staat onder meer de Ministerraad toe een memorie in te dienen in een zaak betreffende een beroep tot vernietiging en daarin nieuwe middelen te formuleren. Een dergelijke tussenkomst vermag evenwel niet het beroep te wijzigen of uit te breiden. Dat zou het geval zijn wanneer een nieuw middel wordt aangevoerd tegen een bepaling die door de verzoekende partijen niet op ontvankelijke wijze voor het Hof werd bestreden. B.3.
- Het beroep van de verzoekende partijen is gericht tegen artikel 2, § 1, artikel 3, artikel 6, 6°, en artikel 7 van het sportschuttersdecreet. Het nieuwe middel van de Ministerraad heeft daarentegen betrekking op artikel 6, 5°, en de artikelen 8, 9, 11, 12, 13 en 14 van dat decreet. B.3.
- Het nieuwe middel aangevoerd door de Ministerraad is niet ontvankelijk. Ten aanzien van het eerste middel B.
- Het eerste middel is afgeleid uit een schending, door de artikelen 2, 3 en 7 van het sportschuttersdecreet, van artikel 127, § 1, eerste lid, 1°, van de Grondwet en van artikel 4, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. 11 B.
- Artikel 127, § 1, van de Grondwet bepaalt : « De Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet : 1° de culturele aangelegenheden; […]. Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt de in 1° vermelde culturele aangelegenheden […] vast. » Artikel 4, 9°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt : « De culturele aangelegenheden bedoeld in artikel [127, § 1, eerste lid, 1°] van de Grondwet zijn : […] 9° De lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven; […]. » B.
- Op grond van de voormelde bepalingen komt het de decreetgever toe de beoefening van de sport of van een bepaalde sporttak te reglementeren. Het behoort tot de kern van die bevoegdheid dat de decreetgever de sportbeoefening in het algemeen en de beoefening van bepaalde sporten in het bijzonder aan voorwaarden en beperkingen kan onderwerpen. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en gewesten overgedragen. B.7.
- De reglementering van een sport impliceert dat kan worden bepaald wat onder die sport moet worden verstaan en aan welke voorwaarden de beoefenaars van die sport moeten voldoen. 12 Door te bepalen dat niemand het sportschieten, waaronder de schietdisciplines worden verstaan bepaald door de internationale schietfederaties en de door de Franse Gemeenschap erkende schietfederaties, mag beoefenen zonder dat hij over een (voorlopige) vergunning van sportschutter, uitgereikt door of namens de Franse Gemeenschapsregering, beschikt of over een gelijkwaardig document van de Vlaamse of de Duitstalige Gemeenschap of een lidstaat van de Europese Unie (artikel 2, § 1, van het sportschuttersdecreet), heeft de decreetgever geen afbreuk gedaan aan de aangevoerde bevoegdheidverdelende bepalingen. B.7.
- De reglementering van een bepaalde sport impliceert eveneens dat, rekening houdend met de bepalingen inzake ruimtelijke ordening, kan worden bepaald op welke plaatsen die sport mag worden beoefend. Door te bepalen dat het sportschieten wordt beoefend in schietstanden erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden of, in afwijking daarvan, voor het schieten met wapens met een gladde loop, in daartoe ingerichte en door een erkende schietfederatie goedgekeurde plaatsen (artikel 3 van het sportschuttersdecreet), heeft de decreetgever evenmin afbreuk gedaan aan de aangevoerde bevoegdheidverdelende bepalingen. B.7.
- De reglementering van de sport houdt ten slotte ook in dat aan de beoefening ervan randvoorwaarden kunnen worden opgelegd die het imago en de faam van de sport in het algemeen en van bepaalde sporten in het bijzonder tot voordeel strekken. Door de houder van een vergunning van sportschutter regels op te leggen inzake het bewaren van zijn wapens en munitie voor het sportschieten (artikel 7 van het sportschuttersdecreet), beoogt de decreetgever de toegang tot die wapens en munitie tot een minimum te beperken teneinde te vermijden dat het oneigenlijke gebruik ervan de beoefening van het sportschieten in een slecht daglicht zou stellen. De decreetgever heeft aldus zijn bevoegdheid inzake sport uitgeoefend. B.7.
- De bestreden bepalingen behoren tot de bevoegdheid van de decreetgever : zij verhinderen de uitoefening van de federale of gewestelijke bevoegdheden inzake 13 respectievelijk wapens en jacht niet, noch zouden zij de uitoefening ervan onmogelijk of buitengewoon moeilijk kunnen maken. B.
- Het middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het tweede middel B.
- Het tweede middel is afgeleid uit een schending, door artikel 7 van het sportschuttersdecreet, van artikel 127, § 2, van de Grondwet doordat het territoriale toepassingsgebied van die bepaling niet tot het Franse taalgebied is beperkt. B.
- Artikel 127, § 2, van de Grondwet bepaalt : « Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap. » B.
- Artikel 7 van het sportschuttersdecreet legt de houder van een vergunning van sportschutter verplichtingen op inzake het bewaren van de wapens en de munitie die voor de beoefening van zijn sport zijn bestemd. Om een vergunning van sportschutter te verkrijgen, moet een kandidaat zich op eer ertoe verbinden die verplichtingen in acht te nemen (artikel 6, 6°). Nu die verbintenis op eer wordt afgelegd in de Franse Gemeenschap en bedoeld is om een vergunning te verkrijgen van de Franse Gemeenschap teneinde het sportschieten te mogen beoefenen in de Franse Gemeenschap, kan het verder niet als relevant worden beschouwd of de plaats waar de betrokken wapens en munitie die voor de beoefening van het sportschieten zijn bestemd zich bevinden, al dan niet in het Franse taalgebied gelegen is. Artikel 2, § 1, van het sportschuttersdecreet staat overigens de beoefening van het sportschieten in de Franse Gemeenschap ook toe indien men beschikt over een vergunning van de Vlaamse of de Duitstalige Gemeenschap. Daaruit blijkt dat het beleid van de andere gemeenschappen in geen geval door de bestreden bepaling kan worden gedwarsboomd. 14 B.
- Het middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het derde middel B.
- Het derde middel is afgeleid uit een schending, door artikel 2 van het sportschuttersdecreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat die bepaling geen onderscheid maakt naar gelang van het soort activiteit van de schutter. B.
- De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. B.
- Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever om, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid inzake de sport, het toepassingsgebied van het sportschuttersdecreet te bepalen. Artikel 1, 5°, van het decreet omschrijft het sportschieten als de schietdisciplines bepaald door de internationale schietfederaties en de erkende schietfederaties. B.
- Ten aanzien van de aangevochten maatregel kunnen degenen die het sportschieten in competitie beoefenen en degenen die het sportschieten recreatief beoefenen niet worden geacht zich in wezenlijk verschillende situaties te bevinden. B.
- Het middel kan niet worden aangenomen. Om die redenen, het Hof 15 verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 23 februari
- De griffier, De voorzitter, L. Potoms A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div