id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.043 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050223.10 Arrest- Rolnummer: 43/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-11 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-07-02 07:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1047, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1047, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het tweede kanton Charleroi. Tekst van de beslissing Rolnummer 2900 Arrest nr. 43/2005 van 23 februari 2005 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1047, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het tweede kanton Charleroi. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 januari 2004 in zake C. Bryssinck tegen M. Joniaux, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 29 januari 2004, heeft de vrederechter van het tweede kanton Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1047, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, doordat het eist dat een gerechtsdeurwaardersexploot wordt betekend om verzet te doen tegen een verstekvonnis gewezen in het kader van een vordering ingeleid bij een verzoekschrift op tegenspraak (te dezen met toepassing van de artikelen 203 van het Burgerlijk Wetboek, 1321 en 1034bis van het Gerechtelijk Wetboek), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de eiser op verzet meer moeilijkheden en kosten zou hebben om zijn beroep te formaliseren dan de oorspronkelijke eiser om zijn vordering in te stellen ? » De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 18 januari 2005 : - is verschenen : Mr. M. Mareschal, tevens loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 15 mei 2003 legt M. Joniaux ter griffie van het Vredegerecht van het tweede kanton Charleroi een verzoekschrift neer dat ertoe strekt, enerzijds, een verhoging te verkrijgen van de uitkering tot levensonderhoud die de vader van haar minderjarig kind betaalt om bij te dragen in de kosten bedoeld in artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, en, anderzijds, een indexering van die uitkering tot levensonderhoud, en, ten slotte, de in artikel 203ter van hetzelfde Wetboek bedoelde machtiging te verkrijgen. C. Bryssinck, vader van het kind, opgeroepen op dezelfde dag door de griffier van het Vredegerecht, overeenkomstig artikel 1321 van het Gerechtelijk Wetboek, verschijnt niet op de terechtzitting van 30 mei
- Tegen hem wordt verstek gevorderd. Op 11 juni 2003 legt hij ter griffie van dat Vredegerecht een verzoekschrift neer teneinde verzet te doen tegen het verstekvonnis van 30 mei 2003, dat de vordering van M. Joniaux gedeeltelijk inwilligt. De verweerster betwist de ontvankelijkheid van het bij verzoekschrift gedane verzet niet. Op de terechtzitting van 14 januari 2004, vastgesteld voor de pleidooien, vraagt de rechter zich niettemin ambtshalve af of het gebruik van het verzoekschrift om te dezen verzet te doen, wettig is. 3 Na in zijn vonnis van 28 januari 2004 te hebben vastgesteld dat geen enkele tekst het gebruik van het verzoekschrift op tegenspraak in een dergelijk geval toestaat, beslist de verwijzende rechter aan het Hof de hierboven vermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A– A.
- In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat zij geen nut heeft voor de oplossing van het geschil dat voor de verwijzende rechter hangende is. De Ministerraad merkt op dat het verstekvonnis waartegen verzet is gedaan bij middel van het verzoekschrift dat bij de verwijzende rechter is ingediend, een machtiging bevat zoals bedoeld in artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek. Hij voert aan dat, volgens die bepaling, de rechtspleging en de bevoegdheden van de rechter betreffende de vordering van een dergelijke machtiging onder meer worden geregeld bij artikel 1253quater, eerste lid, c), van het Gerechtelijk Wetboek, dat de partij die niet verschenen is, toestaat verzet te doen tegen een vonnis bij wege van verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank. A.2.
- In ondergeschikte orde beweert de Ministerraad dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hij onderzoekt het verschil in behandeling dat voortvloeit uit het feit dat het verzet tegen een verstekvonnis waarbij de partij die niet verschenen is, wordt veroordeeld om financieel bij te dragen in de kosten van opleiding en levensonderhoud van een kind op grond van artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek, een dagvaarding vereist terwijl de oorspronkelijke vordering, die in dat geval wordt ingesteld voor de rechter die bij verstek uitspraak doet, bij verzoekschrift kan worden ingeleid. A.2.
- De Ministerraad verwijst naar het arrest nr. 29/2002 van het Hof en voert, enerzijds, aan dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden op zich niet discriminerend is, maar het slechts is indien het de rechten van de betrokken personen op onevenredige wijze beperkt. Hij herinnert, anderzijds, aan het kader waarin het recht op toegang tot de rechter aan ontvankelijkheidsvoorwaarden kan worden onderworpen. Hij voegt eraan toe dat het Hof, met dat arrest, de wettigheid van de dagvaarding als manier om een rechtsmiddel aan te wenden, uitdrukkelijk heeft erkend. A.2.
- De Ministerraad is vervolgens van mening dat het Hof, met zijn arrest nr. 120/2002, de lering van het arrest nr. 29/2002 heeft bevestigd en bovendien de wettigheid heeft erkend van de doelstelling om de kosten van de rechtspleging te verminderen of het verloop ervan te versnellen. Hij is van mening dat die doelstelling de keuze voor een minder dure wijze om een geding in te leiden voor de geschillen die betrekking hebben op de verplichtingen die voortvloeien uit de afstamming, op wettige wijze kan verantwoorden. A.2.
- De Ministerraad herinnert ook eraan dat het de wetgever toekomt de wijze te bepalen waarop betwistingen voor de rechtbanken kunnen worden ingediend en dat het gebruik van de dagvaarding ter zake de regel vormt. Hij is de mening toegedaan dat de afwijking waarin is voorzien voor de oorspronkelijke vorderingen betreffende de toekenning van een uitkering tot levensonderhoud – die, krachtens de artikelen 1320 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, bij verzoekschrift kunnen worden ingeleid – objectief en redelijk verantwoord is. Volgens de Ministerraad ligt die verantwoording in de vermoedelijke staat van behoefte van de gerechtigde op uitkeringen tot onderhoud die de onderhoudsplichtige wordt geacht te kunnen voldoen. Hij merkt op dat de niet-vergoede onderhoudsgerechtigde die zich in een staat van behoefte bevindt, niet zonder middelen kan blijven ten overstaan van zijn onderhoudsplichtige, die een schuld moet vereffenen waarvan hij wordt verondersteld in staat te zijn ze te betalen, vermits het bedrag ervan zal zijn bepaald op grond van de concrete situatie van de onderhoudsplichtige. 4 De wetgever zou een dergelijke onderhoudsgerechtigde, die wordt geconfronteerd met een weerspannige onderhoudsplichtige, hebben toegestaan zijn vordering betreffende een uitkering tot levensonderhoud in te leiden bij middel van een verzoekschrift om de kosten betreffende die rechtsvordering zoveel mogelijk te beperken en om rekening te houden met het feit dat de behoeftige toestand van de onderhoudsgerechtigde in sommige gevallen bijzonder zwaar en moeilijk is. De Ministerraad is daarentegen van oordeel dat het niet noodzakelijk is de kosten te verminderen van de eiser in verzet die, als onderhoudsplichtige, wordt geacht in staat te zijn te voorzien in de behoeften van de onderhoudsgerechtigde en dat, derhalve, een afwijking van de algemene regel van het inleiden van het verzet bij dagvaarding niet kan worden verantwoord. A.2.
- Uit de arresten nr. 29/2002 en nr. 120/2002 leidt de Ministerraad overigens af dat de dagvaarding een manier is om vorderingen in te stellen die op zich niet discriminerend is. Vervolgens besluit hij dat de rechten van de eiser in verzet niet op een onevenredige manier worden beperkt vermits hij steeds de mogelijkheid behoudt zijn rechten te doen gelden. Hij merkt in dat verband op dat de vereiste betekening de toegang van de eiser in verzet tot de rechter niet bemoeilijkt en dat die eiser kan worden vrijgesteld van het betalen van de bijkomende kosten die de betekening met zich meebrengt, via het mechanisme van de rechtsbijstand die is georganiseerd bij de artikelen 664 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. A.2.
- Tot slot merkt de Ministerraad op dat de eventuele beslissing om van het verzoekschrift de algemene manier te maken om het geding in te leiden, een « opportuniteitskeuze » is die onder de bevoegdheid van de wetgever valt en niet door het Hof kan worden getoetst. -B– B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op het tweede lid van artikel 1047 van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt : « Tegen ieder verstekvonnis kan verzet worden gedaan, onverminderd de bij de wet bepaalde uitzonderingen. Het verzet wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot, dat dagvaarding inhoudt om te verschijnen voor de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen. Met instemming van de partijen kan hun vrijwillige verschijning die formaliteiten vervangen. De akte van verzet bevat, op straffe van nietigheid, de middelen van de eiser in verzet. Het verzet kan door de partij, haar raadsman of de voor de partij optredende gerechtsdeurwaarder worden ingeschreven in een register dat daartoe gehouden wordt ter griffie van het gerecht dat de beslissing heeft gewezen. De inschrijving omvat de namen van de partijen en hun raadslieden alsook de datum van de beslissing en van het verzet. » B.
- Uit de feiten van de zaak en uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de persoon die, op grond van artikel 1320 van het Gerechtelijk Wetboek, bij wege van een verzoekschrift, een in de 5 artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde vordering kan instellen en een vordering op grond van artikel 203ter van hetzelfde Wetboek eraan kan toevoegen en, anderzijds, de verweerder tegen wie die rechtsvordering is ingesteld, die niet verschenen is en die verzet doet tegen het verstekvonnis uitgesproken ten gevolge van dat verzoekschrift, zonder de instemming van de eiser te hebben gekregen voor een vrijwillige verschijning. Dat verschil in behandeling heeft betrekking op de formaliteiten die moeten worden vervuld om de behandeling van eenzelfde vordering opnieuw bij de rechter aanhangig te maken. Het vloeit voort uit het feit dat, in tegenstelling met de oorspronkelijke eiser, de eiser in verzet, krachtens de in het geding zijnde bepaling, de zaak niet bij wege van een verzoekschrift voor de rechter kan brengen, maar, behoudens vrijwillige verschijning van de partijen, een beroep moet doen op de diensten van een gerechtsdeurwaarder. B.3.
- Volgens de Ministerraad staat artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1253quater, eerste lid, c), van het Gerechtelijk Wetboek, de persoon die niet verschenen is toe verzet te doen tegen het verstekvonnis bij wege van een verzoekschrift, wanneer de oorspronkelijke vordering zowel op grond van artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek als op grond van artikel 203ter van dat Wetboek bij verzoekschrift is ingesteld. Die bewering komt erop neer de toepasselijkheid van artikel 1047, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek op de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten van de zaak te betwisten. B.3.
- In beginsel komt het aan de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil en die normen te interpreteren. De verwijzende rechter is te dezen van oordeel dat de door de Ministerraad aangevoerde bepalingen de toepassing van de in artikel 1047, tweede lid, geformuleerde regel op de bij hem aanhangig gemaakte zaak niet verhinderen. Het Hof dient de grondwettigheid ervan te onderzoeken. B.
- Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn indien het verschil 6 in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures gepaard zou gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen. B.
- Het verzet is een gewoon rechtsmiddel dat openstaat voor de partij die op regelmatige wijze werd verzocht te verschijnen en die bij verstek is veroordeeld, teneinde vanwege het rechtscollege dat bij verstek heeft geoordeeld, een nieuwe beslissing na een contradictoir debat te verkrijgen. B.
- Onder voorbehoud van wat in B.4 in fine is vermeld, behoort het tot de beleidskeuze van de wetgever de vormen te bepalen die in acht moeten worden genomen om een rechtsmiddel aan te wenden. Het verzet wordt in de regel betekend bij een gerechtsdeurwaardersexploot dat een dagvaarding om te verschijnen bevat. Om redenen van rechtszekerheid mag van het verzoekschrift slechts gebruik worden gemaakt indien de wet het toestaat. B.
- Wanneer gebruik wordt gemaakt van de dagvaarding liggen de kosten weliswaar hoger dan wanneer gebruik wordt gemaakt van het verzoekschrift, maar zulks is geen onevenredige inbreuk op de rechten van de rechtsonderhorige. B.
- Het Hof stelt bovendien vast dat de wetgever zou kunnen beslissen dat het verzet tegen een op verzoekschrift en niet op dagvaarding gewezen beslissing zou kunnen worden gedaan bij verzoekschrift. De beide mogelijkheden om verzet te doen, zijn niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1047, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 23 februari
- De griffier, De voorzitter, L. Potoms M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.043 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div