← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.046

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.046 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050301.5 Arrest- Rolnummer: 46/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-10 Raadplegingen: 702 - laatst gezien 2026-07-04 02:41 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht :

  1. Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
  2. De prejudiciële vragen betreffende artikel 146, derde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals toegevoegd bij artikel 7 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 juni 2003, hebben geen voorwerp meer.
  3. Artikel 149, § 1, van hetzelfde decreet, zoals vervangen bij artikel 8, 1°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 juni 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de in B.18.1 en B.18.2 gegeven interpretatie, niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende : - de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen » (wijziging, in het bijzonder, van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering), gewijzigd bij artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, en - de artikelen 146, derde lid, en 149, § 1, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij de artikelen 7 en 8 van het decreet van 4 juni 2003, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen, het Hof van Beroep te Brussel en de Correctionele Rechtbank te Brussel. Tekst van de beslissing Rolnummers 2940, 2954, 2989, 2994, 2998 en 3026 Arrest nr. 46/2005 van 1 maart 2005 In zake : de prejudiciële vragen betreffende : - de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen » (wijziging, in het bijzonder, van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering), gewijzigd bij artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, en - de artikelen 146, derde lid, en 149, § 1, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij de artikelen 7 en 8 van het decreet van 4 juni 2003, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen, het Hof van Beroep te Brussel en de Correctionele Rechtbank te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de rechters M. Bossuyt en P. Martens, waarnemend voorzitters, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij arrest van 2 maart 2004 in zake het openbaar ministerie en S.V. tegen R.C. en M.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 5 maart 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld :
  4. « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waar het artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, aanvult met de bewoordingen ‘ en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat het voor feiten daterende voor 2 september 2003 leidt tot een langere verjaringstermijn van de strafvordering tegenover feiten begaan vanaf 2 september 2003, terwijl de maatschappelijke orde door verloop van tijd precies minder gediend is met een vervolging van of veroordeling voor oude feiten, en des te meer met vervolging en bestraffing van recente feiten ? »
  5. « Schendt artikel 146, derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (D.R.O.), zoals laatstelijk gewijzigd door artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft (Belgisch Staatsblad, 22 augustus 2003), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de miskenning van het legaliteitsbeginsel dat in strafzaken een precieze afbakening van de strafbare gedraging vergt, terwijl artikel 146, derde lid, D.R.O. als (een) subjectief criterium ter beoordeling van de strafbaarheid van het instandhouden van stedenbouwinbreuken de ‘ onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder (…) voor omwonenden ’ vooropstelt ? »
  6. « Schendt artikel 149, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (D.R.O.), zoals laatstelijk gewijzigd door artikel 8 van het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft (Belgisch Staatsblad, 22 augustus 2003), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het aan de strafrechter de opportuniteitsafweging overlaat om voor een bewezen fout die in oorzakelijk verband staat met schade (aan het stedenbouwkundig weefsel) al dan niet het herstel (in natura) te bevelen ? » b. Bij arrest van 17 maart 2004 in zake het openbaar ministerie tegen J.M. en A.V., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 22 maart 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld :
  7. « Schenden artikel 33 en 34 van de programmawet van 5 augustus 2003, waar het artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, aanvult met de bewoordingen ‘ en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat het op een zelfde ogenblik voor gelijkaardige misdrijven een andere verjaringsregeling oplegt naargelang betrokken misdrijven gepleegd zijn vóór dan wel na 2 september 2003 ? »
  8. « Schendt artikel 146, derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd door artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van 3 de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft (Belgisch Staatsblad, 22 augustus 2003), de artikelen 12 en 14 van de Grondwet door de miskenning van het legaliteitsbeginsel dat in strafzaken een precieze afbakening van de strafbare gedraging vergt, terwijl voormeld artikel 146, derde lid, als subjectieve criteria ter beoordeling van de strafbaarheid van het instandhouden van stedenbouwinbreuken vooropstelt ‘ onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder ’ en ‘ ernstige inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg ’ ? » c. Bij arrest van 28 april 2004 in zake het openbaar ministerie en de n.v. Legumex Convenience tegen R.V., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 30 april 2004, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waarbij artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 wordt gewijzigd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het tot gevolg heeft dat op dit ogenblik twee verschillende verjaringsregimes van toepassing zijn op grond waarvan twee categorieën van beklaagden gelijktijdig onderworpen zijn aan verschillende verjaringsregelingen van de strafvordering naargelang de – mogelijkerwijze soortgelijke – misdrijven die aan die beklaagden ten laste worden gelegd, vóór 1 september 2003 of vanaf die datum zouden zijn gepleegd ? » d. Bij arrest van 5 mei 2004 in zake het openbaar ministerie en de n.v. KBC Verzekeringen tegen E. D.N. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 mei 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waar het artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, aanvult met de woorden ‘ en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat het leidt tot het gelijktijdig bestaan van twee verschillende verjaringstermijnen van de strafvordering voor dezelfde misdrijven terwijl ze bij het plegen ervan de maatschappelijke orde op dezelfde wijze verstoren en in de mate dat het leidt tot een langere verjaringstermijn van de strafvordering voor misdrijven begaan tot en met 1 september 2003 tegenover misdrijven begaan vanaf 2 september 2003, terwijl de bestaansreden van de verjaring van de strafvordering juist hierin ligt dat met het voortschrijden van de jaren, de bewijsvoering van de misdrijven steeds moeilijker wordt en de maatschappelijke orde er steeds minder baat bij heeft ? » e. Bij vonnis van 6 mei 2004 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen E. D.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 14 mei 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 waarbij de wet van 16 juli 2002 wordt gewijzigd, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat, ingevolge dat artikel, voor de verjaring van de strafvordering twee verschillende stelsels naast elkaar bestaan naargelang de - mogelijkerwijs soortgelijke - feiten die bij de strafgerechten aanhangig zijn gemaakt, vóór of na 1 september 2003 zijn gepleegd ? » 4 f. Bij arrest van 16 juni 2004 in zake het openbaar ministerie tegen F.P. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 22 juni 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 149, § 1, van het decreet [van het Vlaamse Gewest] van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (D.R.O.), zoals laatstelijk gewijzigd door artikel 8 van het decreet van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft (Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2003), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het aan de strafrechter de opportuniteitsafweging overlaat om voor een bewezen fout die in oorzakelijk verband staat met schade (aan het stedenbouwkundig weefsel) al dan niet het herstel (in natura) te bevelen ? » Die zaken, ingeschreven onder de nummers 2940, 2954, 2989, 2994, 2998 en 3026 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - R.C. en M.B. (zaak nr. 2940); - J.M. en A.V. (zaak nr. 2954); - E. D.N. (zaak nr. 2994); - E. D.B. (zaak nr. 2998); - F.P., F.K. en H.P. (zaak nr. 3026); - P. V.C. (zaken nrs. 2940 en 2954); - de Vlaamse Regering (zaken nrs. 2940, 2954 en 3026); - de Ministerraad (zaken nrs. 2940, 2954, 2989, 2994 en 2998). Memories van antwoord zijn ingediend door : - R.C. en M.B.; - E. D.B.; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 18 januari 2005 : - zijn verschenen : . Mr. A. Beelen loco Mr. M. Boes, advocaten bij de balie te Hasselt, voor R.C. en M.B.; 5 . Mr. M. Vavedin loco Mr. K. Geelen, advocaten bij de balie te Hasselt, voor J. M. en A.V.; . Mr. C. Degrave loco Mr. E. Boigelot, advocaten bij de balie te Brussel, voor E. D.B.; . Mr. M. Schurmans loco Mr. B. Martens, advocaten bij de balie te Brussel, voor F.P., F.K. en H.P.; . Mr. P. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. M. Mareschal loco Mr. D. Gérard en Mr. P. Schaffner, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De bodemgeschillen betreffen strafprocedures voor de Correctionele Rechtbank te Brussel (zaak nr. 2998) en de Hoven van Beroep te Antwerpen (zaken nrs. 2940, 2954 en 2994) en te Brussel (zaak nr. 2989), met betrekking tot personen die ervan worden verdacht vóór 1 september 2003 misdrijven te hebben gepleegd. Op die misdrijven zou het verjaringsstelsel van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals het gold vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2002, van toepassing zijn ingevolge de artikelen 33 en 34 van de programmawet van 5 augustus
  9. Beklaagden voeren aan dat een verschil in behandeling ontstaat tussen personen die worden vervolgd en berecht voor identieke feiten na de inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2002, naargelang de feiten waarvan zij worden verdacht, zijn gepleegd vóór of vanaf 1 september 2003, een verschil in behandeling dat in strijd zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De voornoemde rechtscolleges hebben gemeend de bodemgeschillen slechts te kunnen beslechten na het antwoord van het Hof op de door de partijen gesuggereerde prejudiciële vragen met betrekking tot de artikelen 33 en 34 van de programmawet van 5 augustus
  10. In twee van de voormelde zaken (zaken nrs. 2940 en 2954) en in de zaak nr. 3026 worden de beklaagden vervolgd voor stedenbouwkundige misdrijven. In de zaken nrs. 2940 en 2954 wordt de schending aangevoerd van het legaliteitsbeginsel in strafzaken door artikel 146, derde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij artikel 7 van het decreet van 4 juni
  11. In de zaken nrs. 2940 en 3026 wordt de schending van het gelijkheidsbeginsel aangevoerd door artikel 149, § 1, van het voormelde decreet van 18 mei 1999, gewijzigd bij artikel 8 van het voormelde decreet van 4 juni 2003, omdat het aan de rechter de mogelijkheid zou bieden tot opportuniteitsafweging bij de beoordeling van de vordering tot herstel in natura. In die drie zaken zijn dan ook bijkomend specifieke vragen gesteld met betrekking tot de voormelde bepalingen van het decreet van 18 mei 1999, zoals gewijzigd bij het decreet van 4 juni
  12. 6 III. In rechte -A- Wat betreft de artikelen 33 en 34 van de programmawet van 5 augustus 2003 Standpunt van partijen in de bodemgeschillen A.
  13. In de zaak nr. 2940 stellen de geïntimeerden voor de verwijzende rechter vast dat twee stelsels van verjaring bestaan voor identieke feiten, naar gelang van het ogenblik waarop zij werden gepleegd, waarbij de vanaf 2 september 2003 gepleegde feiten volgens gunstigere procedureregels worden berecht, zonder dat voor dat verschil een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De feiten die, doordat zij vroeger werden gepleegd, thans moeten worden geacht de maatschappelijke orde minder ernstig te verstoren, zullen daardoor toch langer kunnen worden vervolgd. A.
  14. In de zaak nr. 2954 wijzen de geïntimeerden voor de verwijzende rechter erop dat de wetgever, voor het eerst, een verjaringswet creëert die niet van toepassing is op alle nog niet-verjaarde misdrijven. Aldus creëert hij een onderscheid tussen vergelijkbare categorieën op grond van het tijdscriterium van het plegen van de misdrijven. De afschaffing van de tot dan bestaande ingewikkelde schorsingsregeling is ingegeven door twee overwegingen, namelijk toepassingsproblemen en de inbreuk die ermee werd gemaakt op de ratio van de schorsing van de verjaring. De doelstelling van het in het geding zijnde artikel 33 van de programmawet, dat het toepassingsgebied bepaalt van die nieuwe regeling, berust op twee drogredenen, namelijk het verschaffen van duidelijkheid en het voorkomen van de verjaring van zware misdrijven. Die doelstelling is niet legitiem want zij is strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel. De wetgever heeft zelf erkend dat de vroegere schorsingsregeling van artikel 24, eerste lid, 1°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering onleesbaar is, moeilijk toepasbaar en strijdig met de ratio van een verjaringsregeling, zodat het voor de rechtsonderhorige onmogelijk is om de verjaringstermijn van misdrijven op een redelijke wijze te voorspellen. De wetgever vermocht niet, enerzijds, de rechtszekerheid te herstellen voor diegenen die misdrijven pleegden na 1 september 2003 en, anderzijds, de oude, door hemzelf bekritiseerde regeling verder te laten bestaan met betrekking tot de misdrijven gepleegd tot 1 september
  15. Het criterium van de datum is in ieder geval geen objectief criterium voor een specifieke categorie van misdrijven, namelijk de voortdurende misdrijven. De gevolgen zijn ook onredelijk voor de plegers van die categorie van misdrijven, door de combinatie van de verlenging van de verjaringstermijn door de programmawet van 5 augustus 2003 en de handhaving van de rechtsonzekerheid creërende schorsingsgrond. Zij wijzen trouwens erop dat de afschaffing van de schorsingsgrond niet onmiddellijk in werking trad, maar eerst na één jaar, zodat voor de parketten en rechtbanken reeds een overgangsperiode bestond om de verjaring van misdrijven tegen te gaan. Indien een uitzondering noodzakelijk was voor bepaalde categorieën van misdrijven (mensenhandel, fraude, drugsmisdrijven), dan had de wetgever hiervoor een specifieke maatregel moeten nemen. A.
  16. In de zaak nr. 2994 merkt de geïntimeerde voor de verwijzende rechter op dat het verschil in behandeling niet berust op een objectief criterium (de datum waarop het feit werd gepleegd) en zeker niet redelijk kan worden verantwoord. Verjaringswetten zijn immers procedurewetten die onmiddellijk van toepassing zijn op de hangende rechtsplegingen. Door de in het geding zijnde wetsbepaling hebben burgers niet meer dezelfde kansen op verweer en bewijsvoering voor identieke feiten waarvoor zij worden vervolgd. A.
  17. In de zaak nr. 2998 beklemtoont de beklaagde voor de verwijzende rechter eveneens dat twee categorieën van beklaagden gelijktijdig zullen worden beoordeeld volgens verschillende procedurestelsels, wat nog schrijnender zal zijn voor diegenen die beschuldigd worden van strafbare feiten die zij rond hetzelfde tijdstip van 1 september 2003 zouden hebben gepleegd, naargelang het vóór of na 1 september 2003 was en naargelang er tussen de feiten, indien er verschillende waren, eenheid van opzet was. De wetgever heeft met artikel 33 van de programmawet zelf de effecten verlengd van een situatie die hij zelf onaanvaardbaar achtte, reden waarom hij het stelsel van de verjaring ingrijpend heeft gewijzigd. Doordat aan een categorie van verdachten een voordeel wordt ontnomen, is de maatregel onevenredig met de beoogde doelstelling. 7 De arresten van het Hof nr. 91/99 en nr. 7/2000 kunnen te dezen niet worden toegepast want het betrof bepalingen die op twee verschillende ogenblikken van toepassing waren. Hier betreft het twee verjaringsstelsels die op hetzelfde ogenblik bestaan om dezelfde feiten te bestraffen, waarvan één door de wetgever zelf als inadequaat is bestempeld. Standpunt van de Ministerraad A.
  18. Volgens de Ministerraad kan de wetgever bij wet afwijken van het in artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek opgenomen beginsel van de onmiddellijke toepassing van procedureregels. Die bepaling voorziet overigens uitdrukkelijk in de mogelijkheid daartoe. De in het geding zijnde maatregel waardoor de oude schorsingsgronden nog gelden voor misdrijven gepleegd tot 1 september 2003 (datum vermeld in artikel 34 van de voormelde programmawet), is ingegeven door de zorg te vermijden dat het nieuwe stelsel van de verjaring van de strafvordering ongewenste negatieve effecten zou hebben op de lopende zaken. De Ministerraad verwijst naar de arresten van het Hof nr. 91/99 en nr. 7/2000 over het beginsel van de onmiddellijke toepassing van de verjaringsregeling ingevoerd bij de wet van 11 december
  19. Het verschil in behandeling dat hier in het geding is, vloeit, net als toen, louter voort uit een wijziging van de wet in de tijd. De verwijzende rechtscolleges vergelijken louter en alleen de situatie van twee identieke categorieën van rechtsonderhorigen naargelang zij onder toepassing van de oude, dan wel de nieuwe wet vallen. De stelling die erin bestaat dat twee personen die eenzelfde misdrijf op verschillende tijdstippen hebben gepleegd, niet verschillend zouden mogen worden behandeld, is van dien aard dat iedere wetswijziging wordt tegengehouden. De situaties zijn bijgevolg niet vergelijkbaar. Voor het geval dat het Hof toch tot toetsing zou overgaan, laat de Ministerraad het volgende gelden. A.
  20. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het ogenblik waarop het misdrijf is gepleegd. Het doel dat de wetgever zich stelde bij de wet van 16 juli 2002 waarbij de oorzaak van schorsing van de verjaring werd afgeschaft, namelijk te komen tot een meer coherent verjaringsstelsel, was rechtmatig, doch de wetgever had alle gevolgen van die afschaffing moeten inzien. Het uitstel van de inwerkingtreding bij de in het geding zijnde bepaling, ter vermijding van het plotse verjaren van misdrijven, is perfect samenhangend met het geheel van de recente hervormingen inzake de verjaring van de strafvordering. De ongelukkige woordkeuze bij het beschrijven van de doelstelling van de in het geding zijnde wet (« om dit probleem te verdoezelen ») doet geen afbreuk aan het legitiem karakter van de doelstelling. A.
  21. Bij de beoordeling van de pertinentie van het onderscheid doet het er niet toe of het al dan niet om een voortdurend misdrijf gaat, omdat ook dan slechts één datum bestaat die geldt als aanvang van de verjaringstermijn, namelijk die waarop het laatste misdrijf is gepleegd. Het criterium van de datum is derhalve objectief en redelijk verantwoord en staat in rechtstreeks verband met het doel van de wetgever. A.
  22. Er is geen sprake van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel, zoals sommige partijen beweren, doordat de wet van 16 juli 2002 bij hen de verwachting van een verjaring zou hebben opgewekt, die thans zou worden gedwarsboomd door het tijdelijke behoud van het oude verjaringsstelsel ingevolge de in het geding zijnde bepaling. In een arrest van 30 maart 2004 heeft het Hof van Cassatie reeds gesteld dat een wet vóór haar inwerkingtreding geen rechten verleent en niet als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid geldt die bij de burger gerechtvaardigde verwachtingen zou opwekken. Ook het Hof heeft reeds gesteld dat de onzekerheid die te maken heeft met het feit dat een misdrijf dat reeds strafbaar was op het ogenblik dat het werd begaan, nog met dezelfde straffen zou kunnen worden gestraft na het verstrijken van de verwachte termijn van verjaring, wel voor verantwoording vatbaar is (arrest nr. 7/2000, B.12.3). Door de in het geding zijnde bepaling wordt bovendien niet ipso facto de redelijke termijn van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens overschreden, vermits dat in concreto door de rechter moet worden beoordeeld. De maatregel is dan ook niet onevenredig. Overigens merkt de Ministerraad op dat die verwachtingen slechts ontstaan na het plegen van de strafbare feiten, en daarmee geen rekening dient te worden gehouden. A.
  23. De Ministerraad verzet zich eveneens tegen de stelling dat de in het geding zijnde bepaling de doelstellingen van de wet van 16 juli 2002 teniet zou doen. Het louter uitstellen - eerst voor een bepaalde periode, vervolgens voor feiten gepleegd vóór een bepaalde periode - is niet van dien aard dat de afgeschafte maatregel opnieuw wordt ingevoerd. Evenmin was het noodzakelijk dat de wetgever de overgangsmaatregel zou beperken tot bepaalde misdrijven. Het bestaan van een andere mogelijkheid maakt de maatregel daarom nog niet 8 ongrondwettig, terwijl die andere maatregel ook niet a fortiori in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel. De opsomming van misdrijven, ter verantwoording van de betwiste maatregel, is niet limitatief. Niets stond de verruiming van de overgangsmaatregel in de weg. De Ministerraad ziet ook niet in waarom de oorspronkelijke overgangsmaatregel het gelijkheidsbeginsel niet schendt, zoals blijkt uit het arrest nr. 7/2000, en de nieuwe overgangsmaatregel wel. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt trouwens dat de schorsing van de verjaring geenszins gelijkstaat met de verlenging van de verjaringstermijn. Wat betreft artikel 146, derde lid, van het Vlaamse decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003 Standpunt van de geïntimeerden in de bodemgeschillen A.
  24. In de zaak nr. 2940 verwijzen de geïntimeerden voor de verwijzende rechter naar het arrest van het Hof nr. 69/2003 om aan te tonen dat het begrip « onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder voor de omwonenden » te vaag is en het gelijkheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel in strafzaken schendt. Er kan wel geen afbreuk worden gedaan aan het basisidee waarvan de wetgever bij de redactie van de in het geding zijnde bepaling is uitgegaan, namelijk dat het in stand houden in principe niet (langer) strafbaar is. In hun memorie van antwoord verwijzen zij naar het arrest nr. 136/2004, waarin het Hof voor recht heeft gezegd dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet schendt. Zij verwerpen het standpunt van de Vlaamse Regering als zouden zij geen belang hebben bij een eventuele vaststelling van ongrondwettigheid van die bepaling. De bepaling blijft immers voortbestaan en het in stand houden van bouwmisdrijven is niet meer strafbaar tenzij het misdrijf is gepleegd in ruimtelijk kwetsbaar gebied, anders heeft het vierde lid van artikel 146, dat niet ongrondwettig werd verklaard, geen enkele zin meer. Het Hof heeft zich immers in de overwegingen enkel uitgesproken over de ongrondwettigheid van het tweede en het derde geval van het strafbaar in stand houden. Het was duidelijk de bedoeling van de decreetgever het in stand houden van stedenbouwkundige overtredingen niet meer als een misdrijf te beschouwen, doelstelling die in het eerste geval van artikel 146, derde lid, onverminderd overeind blijft. A.
  25. In de zaak nr. 2954 zijn de geïntimeerden voor de verwijzende rechter van oordeel dat er geen schending is van het legaliteitsbeginsel in strafzaken door de in het geding zijnde bepaling. Deze definieert overigens geen strafbare gedraging maar voert een verschoningsgrond in, waarop het legaliteitsbeginsel niet van toepassing is. Verscheidene schulduitsluitingsgronden, rechtvaardigingsgronden en verschoningsgronden zijn vaag en de concrete invulling ervan wordt gegeven door de rechtspraak. Zelfs indien zou worden geoordeeld dat de bepaling een constitutief bestanddeel van een misdrijf zou betreffen, quod non, dan nog is de aan de rechter overgelaten beoordelingsvrijheid verenigbaar met het vereiste van voorzienbaarheid. Het feit dat de rechter de strafwet interpreteert, betekent niet dat het legaliteitsbeginsel is geschonden. Bovendien zijn in de parlementaire voorbereiding voldoende aanwijzingen voor het begrip « onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder », met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake abnormale burenhinder. Standpunt van de Vlaamse Regering A.
  26. Volgens de Vlaamse Regering zijn de prejudiciële vragen met betrekking tot artikel 146, derde lid, niet pertinent, omdat de vaststelling van ongrondwettigheid van die bepaling de beklaagden niets oplevert. Er kan niet staande worden gehouden dat de decretaal bepaalde voorwaarde, waarvan de vervulling tot straffeloosheid leidt, geen voldoende normatieve inhoud zou hebben om het beoogde verlies van het karakter van misdrijf te kunnen definiëren. De bepaling doet immers het omgekeerde van een strafbaarstelling want zij ontneemt juist het strafbare karakter. Het legaliteitsbeginsel belet ook niet dat aan de strafrechter een discretionaire beoordelingsmarge wordt toegekend. Er bestaan talloze strafbepalingen waarmee aan de rechter een discretionaire bevoegdheid wordt toegekend bij de beoordeling van het bestaan en de kwalificatie van strafbare feiten, niet alleen met betrekking tot bepaalde criteria maar ook met betrekking tot elementaire beschrijvingen van strafbare gedragingen waarvan de beoordeling aan evolutie onderhevig is, wat niet tot gevolg heeft dat de rechter willekeurig mag optreden noch dat de rechtzoekende niet redelijkerwijze zou weten wat hem in voorkomend geval te wachten staat. A.
  27. In de memorie van antwoord verwijst de Vlaamse Regering naar de wijsheid van het Hof, dat in het arrest nr. 136/2004, de in het geding zijnde bepaling ongrondwettig heeft verklaard. Volgens de Vlaamse 9 Regering is het gehele derde lid van artikel 146 van het decreet van 18 mei 1999 ongrondwettig verklaard, wat duidelijk blijkt uit het beschikkend gedeelte. De instandhouding van alle stedenbouwmisdrijven blijft bijgevolg strafbaar, tot wanneer de decreetgever het opportuun acht om daarop (andermaal) terug te komen en daaraan al dan niet voorwaarden of modaliteiten te verbinden. De verwijzende rechters wordt het recht ontzegd het gehele derde lid nog toe te passen. Het ongrondwettig bevinden van de voorwaarden door het Hof heeft niet tot gevolg dat alleen de voorwaarden wegvallen, maar de hele (immers geconditioneerde) opheffing. Zonder die voorwaarden zou immers van opheffing van de strafbaarheid of van de « onverjaarbaarheid van de stedenbouwmisdrijven » geen sprake zijn geweest. Het Hof kan de strafbaarheid of de onverjaarbaarheid van een misdrijf niet opheffen in de plaats van de decreetgever, laat staan in zijn plaats de voorwaarden of modaliteiten daartoe bepalen. Wat betreft artikel 149, § 1, van het Vlaamse decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 8 van het decreet van 4 juni 2003 Standpunt van de geïntimeerden in de bodemgeschillen A.
  28. In de zaak nr. 2940 vergelijkt het verwijzende rechtscollege, volgens de geïntimeerden, het herstel in natura ten onrechte met de in artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek vastgestelde regel van vergoeding van de schade bij vaststelling van een fout, omdat de herstelmaatregelen in het in het geding zijnde decreet een sui generis karakter hebben. De herstelmaatregel kon, ook onder de vroegere wetgeving, niet ambtshalve door de rechter worden bevolen, maar uitsluitend op vordering van de bevoegde overheid. Bovendien kan de rechter, op grond van artikel 150 van het decreet, nog steeds op vordering van de burgerlijke partij, het herstel in de vorige staat bevelen. De ruimere beoordelingsbevoegdheid van de rechter bestond overigens ook al onder de vroegere wetgeving, zoals moge blijken uit een arrest van het Hof van Cassatie van 4 februari
  29. De in het geding zijnde bepaling zou ook grondwetsconform kunnen worden geïnterpreteerd, namelijk in die zin dat de rechter wél een herstelmaatregel dient te bevelen, maar dat het niet noodzakelijk de gevorderde maatregel moet zijn. Dezelfde partijen merken ter zake op dat het beoordelen van de wijze waarop een schade moet worden hersteld, altijd een gegeven is dat binnen een ruime beoordelingsbevoegdheid van de rechterlijke macht in het algemeen ligt, ook in het kader van vorderingen op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. De derde vraag in de zaak dient dan ook ontkennend te worden beantwoord. A.
  30. Volgens de geïntimeerden voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 3026 is er evenmin een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien de bepaling wordt geïnterpreteerd in de zin voorgestaan door het Hof van Cassatie, zoals in een arrest van 4 februari 2003, namelijk dat de rechter slechts moet nagaan of de vordering niet steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, en ze in voorkomend geval zonder gevolg moet laten. Vooral wanneer het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand wordt gevorderd, moet de rechter nagaan of de vordering niet kennelijk onredelijk is en moet hij afwegen of geen andere herstelmaatregel noodzakelijk is op grond van de aard van de overtreding, de omvang en de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en het voordeel dat voor de ruimtelijke ordening ontstaat door die maatregel, tegenover de last voor de overtreder. Aldus toetst de rechter de maatregel slechts op de interne en externe wettigheid ervan, blijft hij binnen zijn bevoegdheid en begeeft hij zich geenszins op het terrein van de zuivere opportuniteitsafweging, waarbij de administratie zonder meer buitenspel zou worden gezet. Standpunt van de Vlaamse Regering A.
  31. Volgens de Vlaamse Regering mist de prejudiciële vraag over artikel 149, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 grondslag omdat het aan de strafrechter geenszins de opportuniteitsafweging overlaat om voor een bewezen fout die in oorzakelijk verband staat met de schade al dan niet herstel in natura te bevelen. Alleen het vorderen van herstel in de oorspronkelijke toestand door de overheid wordt beperkt indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Het decreet heeft evenwel geen enkele invloed op het herstel dat particuliere benadeelden, op grond van artikel 150 van het decreet in voorkomend geval in rechte kunnen vorderen, ook het herstel in natura, zonder dat de overheid op dat vlak voorrang geniet. De rechter zelf heeft in stedenbouwzaken niets ambtshalve te vorderen, ook niet in strafzaken, hij mag niet ultra petita uitspraak doen en hij mag in voorkomend geval slechts oordelen of het door de burgerlijke partij gevorderde herstel in de oorspronkelijke toestand een passende compensatie uitmaakt van het geleden nadeel. De Vlaamse Regering besluit dan ook dat de regeling in niets afwijkt van de taak die van oudsher toekomt aan de rechter die kennis neemt van een 10 vordering tot herstel in natura van de schade die veroorzaakt wordt door een onrechtmatige daad, ongeacht of die ter beoordeling staat van een strafrechter of een burgerlijke rechter. Zij verwijst ter zake overigens naar een arrest van het Hof van Cassatie van 15 juni 2004, waarin dat Hof uitdrukkelijk stelt dat het niet de rechter toekomt de opportuniteit van de gevorderde maatregel te beoordelen op grond van de in het geding zijnde bepaling. Het Arbitragehof kan niet ingaan op een vraag van de verwijzende rechter die een verkeerde lezing geeft van de in het geding zijnde bepaling. A.
  32. In haar memorie van antwoord wijst de Vlaamse Regering erop dat het Hof zich in het arrest nr. 136/2004 nog niet heeft uitgesproken over bovenstaande aangelegenheid. Zij handhaaft haar oorspronkelijke stelling ter zake. -B- Ten aanzien van de prejudiciële vragen betreffende de toepassing in de tijd van het stelsel van de verjaring in artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering Wat betreft de in het geding zijnde bepaling in de zaken nrs. 2940, 2954, 2989, 2994 en 2998 B.1.
  33. Artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij artikel 3 van de wet van 11 december 1998 « tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering » en gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 4 juli 2001 « tot aanvulling van artikel 447 van het Strafwetboek en tot wijziging van artikel 24, 3°, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering » bepaalt : « De verjaring van de strafvordering is geschorst ten aanzien van alle partijen : 1° vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid. De verjaring begint evenwel opnieuw te lopen : - vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak onbepaald uit te stellen, tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat; - vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat; 11 - vanaf de verklaring van hoger beroep bedoeld in artikel 203, of de betekening van het hoger beroep bedoeld in artikel 205, tot op de dag waarop het hoger beroep op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid, indien het hoger beroep tegen de uitspraak over de strafvordering enkel uitgaat van het openbaar ministerie; - vanaf het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van de dag van de zitting waarop, naar gelang van het geval, de strafvordering bij het vonnisgerecht in eerste aanleg of bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid of dit laatste vonnisgerecht beslist uitspraak te doen over de strafvordering, tot op de dag van de uitspraak over de strafvordering door het desbetreffende vonnisgerecht; 2° in geval van verwijzing tot beslissing van een prejudicieel geschil; 3° in de gevallen bepaald bij artikel 447, derde en vijfde lid, van het Strafwetboek; 4° gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst. » B.1.
  34. Artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen » vervangt dat artikel 24 door de volgende bepaling : « De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert. Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst. » Door die wijziging van artikel 24 heft de wetgever voor de verjaring van de strafvordering enkel de eerste schorsingsgrond op zoals daarin is voorzien in de in B.1.1 vermelde tekst, aangezien de nieuwe tekst nog steeds de drie andere schorsingsgronden beoogt (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1625/002, pp. 2-4). Artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 preciseert dat dat artikel 3 « in werking [treedt] op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ». 12 Ten gevolge van de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad van 5 september 2002, is artikel 3 - en de erin vervatte nieuwe tekst van artikel 24 - in werking getreden op 1 september
  35. B.1.
  36. Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 voegt aan het voormelde artikel 5, 2), na de woorden « in het Belgisch Staatsblad » de woorden « en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum » toe. Het Hof dient zich in deze zaken niet uit te spreken over de draagwijdte van het verschil tussen de Nederlandse versie (« na deze datum ») en de Franse versie (« à partir de cette date ») van deze bepaling. Die wijziging, die in werking is getreden op 1 september 2003 krachtens artikel 34 van de voormelde programmawet, heeft tot gevolg dat de in de wet van 16 juli 2002 vervatte tekst van artikel 24 - eveneens in werking getreden op 1 september 2003 - enkel van toepassing is op de strafvorderingen in verband met misdrijven die - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) die datum zijn gepleegd. De verjaring van de strafvordering in verband met andere misdrijven blijft aldus geregeld door het voormelde artikel 24, dat in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is ingevoegd bij de wet van 11 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 4 juli
  37. B.1.
  38. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen en de motieven van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat het Hof wordt verzocht om, ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het verschil in behandeling te onderzoeken tussen twee categorieën van rechtzoekenden die worden beoordeeld na 1 september 2003 : enerzijds, diegenen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens misdrijven gepleegd tot aan die datum en voor wie de verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag van de terechtzitting waarop die vordering wordt ingeleid voor het vonnisgerecht en, anderzijds, diegenen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens later gepleegde misdrijven en voor wie de verjaring van de strafvordering om die reden niet kan worden geschorst. Daaruit blijkt dat de toetsing van het Hof dient te worden beperkt tot artikel 33 van de programmawet van 5 augustus
  39. 13 Wat betreft de inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet B.
  40. Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 vloeit voort uit een vaststelling die is gedaan op basis van informatie die door verschillende parketten en parketten-generaal aan de bevoegde minister werd bezorgd : de inwerkingtreding van artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 waarbij het systeem van de schorsing van de verjaring van de strafvordering vanaf de inleidingszitting wordt afgeschaft, dreigde, in het rechtsgebied van sommige hoven van beroep, op 1 september 2003 tot de onherroepelijke verjaring te leiden van « een heleboel, vooral zware zaken (drugs, mensenhandel, eco-fin zaken, B.T.W.-carrousels, bankbreuken, enz.) » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0102/001, p. 22; ibid., DOC 51-0102/013, p. 6; Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-137/5, pp. 2-3, 6-7). De in het geding zijnde bepaling wordt gemotiveerd door de bekommernis om met name mensenhandelaars, fraudeurs en drugsbaronnen niet het « nooit geziene cadeau » te geven dat, in die omstandigheden, de onmiddellijke toepasbaarheid van het voormelde artikel 3 zou zijn (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0102/001, p. 22; ibid., DOC 51-0102/013, pp. 3 en 6; Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-137/5, pp. 2-7). B.3.
  41. Met artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 heeft de wetgever zich ertoe beperkt de regeling van de schorsingsgronden voor de verjaring van de strafvordering te wijzigen. Hij heeft geen nieuw misdrijf in het leven geroepen, noch het stelsel van de straffen gewijzigd, noch een nieuwe verjaringstermijn ingevoerd. B.3.
  42. Met de opheffing van de schorsingsgrond bedoeld in artikel 24, 1°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoerd bij de wet van 11 december 1998, heeft de wetgever willen reageren op de moeilijkheden die de toepassing van die regel had doen ontstaan (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1625/002, pp. 2 en 3; ibid., DOC 50-1625/005, p. 10). B.4.
  43. Het komt de wetgever toe de inwerkingtreding van de wet te regelen en al dan niet overgangsmaatregelen aan te nemen. Artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet overigens uitdrukkelijk in de mogelijkheid om af te wijken van de regel volgens welke de 14 wetten op de rechtspleging van toepassing zijn op de hangende rechtsgedingen op het moment van de inwerkingtreding ervan. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden enkel worden geschonden indien de overgangsmaatregelen een verschil in behandeling in het leven zouden roepen waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. B.4.
  44. Door de regel af te schaffen volgens welke de verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de inleiding ervan voor het vonnisgerecht, heeft de wetgever een - voor de beklaagden gunstige - maatregel aangenomen, waarvan hij, met toepassing van het voormelde artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, de inwerkingtreding vermocht vast te stellen op de eerste dag van de twaalfde maand na die van de bekendmaking van de nieuwe bepaling, zoals daarin is voorzien in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli
  45. B.4.
  46. De personen die een misdrijf hadden gepleegd vóór de bekendmaking van artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 vermochten de hoop te koesteren de nieuwe regel te genieten, mits zij na 1 september 2003 zouden worden berecht. Zij hebben echter niet daarvan kunnen profiteren, aangezien de wetgever, met de aanneming van die bepaling, beslist heeft dat de nieuwe regel enkel van toepassing zou zijn op de misdrijven die - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) die datum zijn gepleegd. B.4.
  47. Het staat niet aan het Hof de wijze te beoordelen waarop de wetgever, van 1998 tot 2003, vier opeenvolgende wijzigingen inzake de verjaringsregeling van de strafvordering heeft doorgevoerd. De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen hebben uitsluitend betrekking op de discriminaties die de wijziging van een overgangsmaatregel zou kunnen teweegbrengen. B.4.
  48. De in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 vervatte overgangsmaatregel heeft niet het in B.4.3 aangehaalde verhoopte gevolg gehad wegens de wijziging ervan bij de in het geding zijnde bepaling. De rechtzoekenden, die hadden gehoopt dat gevolg te kunnen genieten, werden door die bepaling misschien teleurgesteld in hun verwachtingen, maar ze heeft niet twee categorieën van personen in het leven geroepen waarop twee opeenvolgende overgangsregelingen van toepassing zouden zijn, aangezien dat gevolg van de eerste overgangsregeling zich nooit heeft voorgedaan. 15 B.
  49. Het Hof dient nog het verschil in behandeling te onderzoeken dat voortvloeit uit de overgangsbepaling vervat in artikel 33 van de programmawet van 5 augustus
  50. B.
  51. Het is eigen aan een overgangsregeling dat ze de gelijktijdige toepassing van een nieuwe wet en een vroegere wet mogelijk maakt. Door te beslissen dat de nieuwe regel enkel van toepassing zal zijn op misdrijven gepleegd - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) 1 september 2003, heeft de wetgever een maatregel genomen die in redelijkheid is verantwoord ten aanzien van het in B.2 beschreven doel. Ofschoon hij, met artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, de overgangsmaatregel heeft gewijzigd die hij had vastgesteld in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002, heeft hij zodoende het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De wetgever kan immers op een eerdere keuze terugkomen. B.
  52. In zoverre de in het geding zijnde maatregel ook strafvorderingen zou beogen in verband met feiten die niets te maken hebben met de criminaliteit waarvan sprake in de parlementaire voorbereiding, kan hij evenmin worden beschouwd als onevenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. Hoewel tijdens de parlementaire voorbereiding vermeld in B.2 sommige vormen van criminaliteit meer in het bijzonder zijn vermeld, had de doelstelling van de wetgever niet uitsluitend daarop betrekking. De gegeven voorbeelden beoogden de aandacht te vestigen op de zwaarste misdrijven die zouden verjaren, maar niet een exhaustieve lijst daarvan te geven. B.
  53. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de wetgever, door de toepassingssfeer van het nieuwe artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering te beperken tot de misdrijven bedoeld in artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, geen onverantwoord verschil in behandeling in het leven heeft geroepen. B.
  54. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 16 Ten aanzien van de prejudiciële vragen over de bepalingen betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft, in de zaken nrs. 2940, 2954 en 3026 B.
  55. De prejudiciële vragen in de zaken nrs. 2940, 2954 en 3026 hebben betrekking op de artikelen 7 en 8 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 juni 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft. Wat betreft artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003 B.
  56. In de zaken nrs. 2940 en 2954 wordt het Hof gevraagd of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het wettigheidsbeginsel in strafzaken (zaak nr. 2940) respectievelijk de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, die betrekking hebben op dat beginsel (zaak nr. 2954), worden geschonden doordat in het derde lid van artikel 146 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, toegevoegd bij artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003, de begrippen « onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder » en « ernstige inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg » als subjectieve criteria ter beoordeling van de strafbaarheid van het in stand houden van stedenbouwinbreuken worden vooropgesteld. B.
  57. Bij het arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 heeft het Hof in artikel 146, derde lid, van het voormelde decreet van 18 mei 1999, zoals toegevoegd bij artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003, de woorden « , voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg » vernietigd wegens schending van de artikelen 12 en 14 (B.45), en bijgevolg ook van de artikelen 10 en 11, van de Grondwet (B.46). B.
  58. Wegens het gevolg van die vernietiging zijn de in onderhavige zaken gestelde prejudiciële vragen betreffende artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003 zonder voorwerp geworden. 17 Wat betreft artikel 8 van het decreet van 4 juni 2003 B.
  59. In de zaken nrs. 2940 en 3026 wordt het Hof gevraagd of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden doordat artikel 149, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals vervangen bij artikel 8, 1°, van het decreet van 4 juni 2003, « aan de strafrechter de opportuniteitsafweging overlaat om voor een bewezen fout die in oorzakelijk verband staat met schade (aan het stedenbouwkundig weefsel) al dan niet het herstel (in natura) te bevelen ». B.15.
  60. Vóór de vervanging bij artikel 8, 1°, van het decreet van 4 juni 2003 bepaalde artikel 149, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening : « Naast de straf beveelt de rechtbank, op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur, of van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd, de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. De meerwaarde kan niet worden gevorderd in de volgende gevallen : 1° bij herhaling van een misdrijf, strafbaar gesteld in dit decreet; 2° bij het niet naleven van een bevel tot staking; 3° indien het misdrijf onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaakt voor de buren; 4° indien het misdrijf een ernstige inbreuk is op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg. De Vlaamse regering kan nadere voorwaarden bepalen voor de gevallen waarin de meerwaarde niet gevorderd kan worden. Indien de vorderingen van de stedenbouwkundige inspecteur en van het college van burgemeester en schepenen niet overeenstemmen, heeft de vordering van de eerstgenoemde voorrang. 18 De rechtbank bepaalt voor de uitvoering van de herstelmaatregelen een termijn die één jaar niet mag overschrijden en na het verstrijken van deze termijn van uitvoering, op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur of van het college van burgemeester of schepenen, een dwangsom per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregel. » B.15.
  61. Artikel 8, 1°, van het decreet van 4 juni 2003 heeft het voormelde artikel 149, § 1, vervangen door de volgende bepaling : « Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van voor 1 mei 2000 is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist. Het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid moet worden verleend binnen 60 dagen na de aangetekende adviesaanvraag. Wanneer de Hoge Raad voor het Herstelbeleid geen eensluidend advies heeft verleend binnen de gestelde termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. Voor de misdrijven waarvan de eigenaar kan aantonen dat ze werden gepleegd voor 1 mei 2000, kan in principe steeds het middel van de meerwaarde worden aangewend, tenzij in één van de volgende gevallen : 1° bij het niet naleven van een bevel tot staking; 2° indien het misdrijf onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaakt voor de omwonenden; 3° indien het misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg. Indien de vorderingen van de stedenbouwkundig inspecteur en van het college van burgemeester en schepenen niet overeenstemmen, heeft de vordering van eerstgenoemde voorrang. De rechtbank bepaalt een termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen en, op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen, een dwangsom per dag vertraging in de tenuitvoerlegging van de herstelmaatregelen. » B.15.
  62. Bij artikel 48 van het decreet van 21 november 2003 wordt in het voormelde artikel 149, § 1, tweede lid, het woord « eensluidend » tweemaal geschrapt. 19 B.15.
  63. Bij het arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 heeft het Hof, in het in B.15.2 vermelde artikel 149, § 1, eerste en derde lid, de woorden « voor 1 mei 2000 » vernietigd wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (B.52-B.55 en B.57-B.60). B.
  64. Op grond van artikel 149, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, kan de rechtbank, naast de straf, bevelen « de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen ». B.
  65. Inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening is het essentieel dat de beoordeling wordt overgelaten aan een overheid die oordeelt op grond van het algemeen belang. De vordering tot het nemen van de in artikel 149, § 1, van het voormelde decreet voorgeschreven herstelmaatregelen is door de decreetgever ingevoerd met het oog op de vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening. Herstelmaatregelen kunnen op die grond slechts worden bevolen op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen. Hun optreden steunt op hun wettelijke opdracht om het algemeen stedenbouwkundig belang te behartigen. B.18.
  66. Het behoort tot de bevoegdheid van de rechter de vordering bedoeld in artikel 149, § 1, op haar externe en interne wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel of ze op machtsoverschrijding of machtsafwending berust. De hoven en rechtbanken moeten in elk geval nagaan of de beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur en/of het college van burgemeester en schepenen om een bepaalde herstelmaatregel te vorderen, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen. Wanneer zou blijken dat de vordering van de overheid steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van de goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, zouden de hoven en rechtbanken die vordering zonder gevolg moeten laten. B.18.
  67. Een dergelijke toetsingsbevoegdheid wijkt niet af van hetgeen in alle geschillen tot de opdracht van de rechter behoort. De toetsingsbevoegdheid reikt niet buiten het gebied van de externe en interne wettigheid van de bestuurshandelingen. Bij de beoordeling ervan 20 mag de rechter zich niet begeven op het terrein van de opportuniteit, omdat dat erop zou neerkomen hem een bevoegdheid toe te kennen die onverenigbaar is met de beginselen die de verhoudingen regelen tussen de administratie en de rechtscolleges. B.
  68. In zoverre de categorie van personen tegen wie een herstelmaatregel wordt gevorderd, wordt vergeleken, zoals uit de motieven van de verwijzingsbeslissingen blijkt, met de categorie van personen die betrokken zijn in een geschil over een bestuurshandeling waarin andere rechten en verplichtingen van burgerlijke aard in het geding zijn, moeten de prejudiciële vragen ontkennend worden beantwoord. 21 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  69. Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
  70. De prejudiciële vragen betreffende artikel 146, derde lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals toegevoegd bij artikel 7 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 juni 2003, hebben geen voorwerp meer.
  71. Artikel 149, § 1, van hetzelfde decreet, zoals vervangen bij artikel 8, 1°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 juni 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de in B.18.1 en B.18.2 gegeven interpretatie, niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 maart
  72. De griffier, De wdn. voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.046 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.171 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.