id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.047 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050301.6 Arrest- Rolnummer: 47/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-10 Raadplegingen: 710 - laatst gezien 2026-07-04 13:30 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht :
- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.
- Artikel 3, 2°, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 mei 1999, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het bepaalt dat de wet niet van toepassing is op de door de kredietinstellingen met hun agenten afgesloten overeenkomsten.
- Artikel 29 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 4 van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst en de artikelen 3, 2° (vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 mei 1999), en 29 van voormelde wet van 13 april 1995, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Tekst van de beslissing Rolnummer 2966 Arrest nr. 47/2005 van 1 maart 2005 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 4 van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst en de artikelen 3, 2° (vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 mei 1999), en 29 van voormelde wet van 13 april 1995, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 24 maart 2004 in zake de n.v. Dexia Bank België tegen P. Lagrange en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 1 april 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 4 van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het bepaalt dat de wet niet van toepassing is op de verbintenissen waarvan de uitvoering in rechte is gevorderd voor de inwerkingtreding ervan op 12 juni 1999 ? »
- « Schendt artikel 3, 2°, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, voor de opheffing ervan bij de wet van 4 mei 1999, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het bepaalt dat die wet van 13 april 1995, meer in het bijzonder de artikelen 24 en 26, niet van toepassing is op de door de kredietinstellingen met hun agenten afgesloten overeenkomsten ? »
- « Schendt artikel 29 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat dit wetsartikel niet de draagwijdte heeft dat de geldigheid van een niet- concurrentiebeding zou mogen beoordeeld worden volgens de later in werking getreden wet ? » Memories zijn ingediend door : - de n.v. Dexia Bank België, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Pachecolaan 44; - P. Lagrange, wonende te 9870 Zulte, Herderstraat 16; - de Ministerraad. De n.v. Dexia Bank België en de Ministerraad hebben ieder een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 18 januari 2005 : - zijn verschenen : . Mr. D. Van Renne loco Mr. L. Balcaen, advocaten bij de balie te Gent, voor de n.v. Dexia Bank België; . Mr. A. Erauw, advocaat bij de balie te Gent, voor P. Lagrange; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en P. Martens verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil P. Lagrange was tot 31 december 1991 agent-mandataris van het Gemeentekrediet van België aan wie het beheer was toevertrouwd van het agentschap te Olsene. Bij onderhandse akte van 4 november 1991 werd door P. Lagrange en K. De Volder een burgerlijke vennootschap in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma opgericht. De vennootschap had tot doel « de uitvoering van het mandaat dat haar zal worden verleend door het Gemeentekrediet van België ». In een beding van niet-concurrentie werd voorzien lastens de vennoten voor een periode van één jaar na het beëindigen van het contract van mandaat afgesloten tussen de vennootschap en het Gemeentekrediet van België. Op 1 januari 1992 werd tussen het Gemeentekrediet van België en de vennootschap onder firma Lagrange- De Volder een contract van mandaat voor onbepaalde tijd afgesloten. De vennootschap en zijn vennoten verbonden zich ertoe noch rechtstreeks, noch via een derde, « enig bemiddeling te verlenen en verrichtingen af te sluiten voor om het even welke andere financiële instelling », tijdens de uitvoering van het mandaat en gedurende één jaar na het einde van het mandaat of na een eventuele overdracht van aandelen. Op 1 juli 1994 werd tussen het Gemeentekrediet van België en de vennootschap een nieuw contract van mandaat voor onbepaalde duur afgesloten, waarin evenwel een beding van niet-concurrentie voor drie jaar werd opgenomen. Bij brief van 19 december 1995 deelden P. Lagrange en M. Van Acker, die ingevolge de beslissing van een buitengewone algemene vergadering van 31 maart 1995 de plaats van K. De Volder als vennoot had ingenomen, aan het Gemeentekrediet van België mee dat de algemene vergadering van de vennootschap onder firma Lagrange-Van Acker besloten had de vennootschap vrijwillig te ontbinden op 31 december 1995 en dat het contract van mandaat op diezelfde datum een einde zou nemen. Bij brief van 29 december 1995 is het Gemeentekrediet van België hiermee akkoord gegaan. Het niet-concurrentiebeding werd bevestigd in een afzonderlijke overeenkomst afgesloten tussen de vennootschap onder firma Lagrange-Van Acker in vereffening en M. Van Acker zelf. Op 21 februari en 16 december 1996 werd een overeenkomst van « zelfstandige medewerkster » afgesloten tussen M. De Bels (een vroegere medewerkster en echtgenote van P. Lagrange) en de n.v. Spaarkrediet. Bij brief van 29 maart 1996 deelt het Gemeentekrediet van België aan de n.v. Spaarkrediet mee dat het vernomen heeft dat P. Lagrange of M. De Bels de n.v. Spaarkrediet zou vertegenwoordigen en in die hoedanigheid zijn vroegere cliënteel in de sector Olsene zou contacteren. De aandacht wordt gevestigd op het niet-concurrentiebeding. Op 2 en 8 april 1997 dagvaardt het Gemeentekrediet van België P. Lagrange, M. De Bels, de n.v. Spaarkrediet en de vennootschap onder firma Lagrange-Van Acker (in vereffening) voor de Rechtbank van eerste aanleg te Gent teneinde herstel te verkrijgen voor alle schade geleden naar aanleiding van de aangevoerde schending van het voormelde niet-concurrentiebeding. Voor de Rechtbank van eerste aanleg doet P. Lagrange gelden dat de vordering is verjaard krachtens artikel 26 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst. De Rechtbank van eerste aanleg komt tot het besluit dat krachtens artikel 3, 2°, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst - vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 mei 1999, die in casu niet van toepassing zou zijn - die wet niet van toepassing is op de door de kredietinstellingen met hun agenten afgesloten overeenkomsten. De Rechtbank stelt evenwel vast dat het Hof, bij zijn arrest nr. 161/2001, voor recht heeft gezegd dat voormelde bepaling ongrondwettig is, doordat ze erin voorziet dat de wet niet van toepassing is op de door de kredietinstellingen met hun agenten afgesloten overeenkomsten. 4 Rekening houdend met voormeld arrest, alsook met het arrest nr. 6/2004, en het arrest van 28 februari 2003 van het Hof van Cassatie, komt de Rechtbank vervolgens tot het besluit dat de hierboven vermelde prejudiciële vragen aan het Hof dienen te worden gesteld. III. In rechte -A- A.1.
- Allereerst werpt de eisende partij voor de verwijzende rechter op dat de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst ratione personae niet van toepassing is. Immers, onder die wet werden tussenpersonen uit de financiële sector uitdrukkelijk uit het toepassingsgebied gesloten. De reden hiervoor lag in het feit dat er reeds een regeling bestond voor die categorie van personen, overeenkomstig de pretoriaanse rechtspraak van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen. Bijgevolg vallen noch het contract van mandaat van 1 juli 1994, noch het contract van 3 juni 1996 onder het toepassingsgebied van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst. Derhalve kunnen die overeenkomsten de voormelde wet dan ook niet schenden. Daarnaast treedt de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst pas in werking op 12 juni
- Die wet breidt het toepassingsgebied ervan uit tot tussenpersonen uit de financiële sector. Het bevat slechts één overgangsbepaling die identiek is aan de overgangsbepaling van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, waardoor de problemen van het overgangsrecht moeten worden opgelost aan de hand van de algemene beginselen van het overgangsrecht. Zo stelt artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek dat de wet alleen voor het toekomende beschikt en dat zij geen terugwerkende kracht heeft. Inzake overeenkomsten is de eerbiedigende werking van de wet de regel; met andere woorden op overeenkomsten die nog uitwerking hebben, blijft de wet die van kracht was op de dag van hun totstandkoming van toepassing, ook ten aanzien van de toekomstige gevolgen van die overeenkomsten. Aan dwingende wetteksten betreffende overeenkomsten echter komt geen eerbiedigende maar wel een onmiddellijke werking toe, waarbij onmiddellijke werking van dwingende bepalingen uiteraard niet betekent dat de nieuwe wet van toepassing is op de overeenkomsten die niet alleen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn gesloten maar ook vóór die datum hebben opgehouden van kracht te zijn. De eisende partij dagvaardde op 2 april 1997 en vorderde op die datum de uitvoering in rechte van verbintenissen voortvloeiende uit de overeenkomst van 1 juli 1994 en de overeenkomst van 3 juni
- Beide overeenkomsten kunnen bijgevolg ten tijde van de dagvaarding niet meer als lopende overeenkomsten worden beschouwd. De wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst is op die overeenkomsten nooit van toepassing geweest, daar de verhouding tussen de partijen in het huidige geschil ratione personae uit het toepassingsgebied van die wet gesloten was. Op het moment dat de wet van 4 mei 1999 in werking trad, op 12 juni 1999, was de uitvoering in rechte van voormelde overeenkomsten reeds gevorderd conform de overgangsbepaling van artikel 4, dat stelt dat de wet van 4 mei 1999 in dat geval niet van toepassing is. Zelfs de dwingende bepalingen van de voormelde wet zijn niet van toepassing geworden. De onmiddellijke werking van de dwingende bepalingen van de voormelde wet kan immers niet tot gevolg hebben dat die bepalingen van toepassing worden op overeenkomsten die niet alleen vóór de inwerkingtreding van die nieuwe wet werden gesloten maar ook vóór die datum opgehouden hadden van kracht te zijn. Enkel verbintenissen die na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling nog uit dergelijke overeenkomsten zouden voortvloeien, met andere verbintenissen die pas dan ontstaan, zouden door de nieuwe wet worden beheerst. A.1.2.
- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag meent de eisende partij voor de verwijzende rechter dat er een objectieve en redelijke verantwoording bestaat waarom artikel 4 van de wet van 4 mei 1999 bepaalt dat zij niet van toepassing is op verbintenissen waarvan de uitvoering in rechte is gevorderd vóór de datum waarop zij in werking treedt. De verantwoording is gelegen in de rechtszekerheid die bij wetswijzigingen redelijkerwijze en noodzakelijkerwijze aan rechtsonderhorigen dient te worden gewaarborgd, en die het bepalen van een datum van inwerkingtreding noodzakelijk maakt. Vóór die datum is de oude wet van toepassing, nadien de nieuwe wet. Die noodzaak speelt des te meer voor rechtsonderhorigen die reeds een vordering hebben ingeleid vóór die datum van inwerkingtreding en wier wettelijke vorderingsgrond niet zomaar kan worden gewijzigd hangende een procedure. 5 A.1.2.
- In antwoord op de stelling van de Ministerraad als zou de eerste prejudiciële vraag ook een positief antwoord vergen, meent de eisende partij voor de verwijzende rechter dat de prejudiciële vraag zoals beantwoord in het arrest nr. 161/2001 in geen geval hetzelfde voorwerp heeft als de voorliggende prejudiciële vraag. A.1.3.
- Aangaande de tweede prejudiciële vraag stelt de eisende partij voor de verwijzende rechter vast dat het Hof in zijn arrest nr. 161/2001 enkel heeft geoordeeld over de bepalingen inzake de minimumopzegtermijn en de uitwinningsvergoeding, maar nog geen uitspraak heeft gedaan over het al dan niet discriminatoir karakter van de uitsluiting van de kortere duurtijd van het niet-concurrentiebeding en de kortere verjaringstermijn. Zij meent dat met betrekking tot die bepalingen het verschil in behandeling tussen agenten van kredietinstellingen en andere handelsagenten verantwoord is en op een objectief criterium berust. Immers, het feit dat agenten van kredietinstellingen een financiële dienstverlening verschaffen, verleent aan hen een bijkomende specificiteit. Het kan niet worden ontkend dat een financiële dienstverlening staat of valt met de tussen de financiële agent en de kredietinstelling, enerzijds, en de tussen de kredietinstelling en haar cliënteel, anderzijds, bestaande noodzakelijke bijzondere vertrouwensband. Die vertrouwensband vertaalt zich onder meer in het bestaande beroeps- en bankgeheim. In het licht hiervan is de uitsluiting van agenten van financiële instellingen van de bepalingen van niet-concurrentiebedingen en van een verjaringstermijn voor vorderingen in rechte in de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst gebaseerd op een objectief en redelijk criterium. Een niet in de tijd beperkte termijn van niet-concurrentiebedingen en een minder beperkte verjaringstermijn bevorderen immers indirect en direct de voormelde noodzakelijke en maatschappelijke essentiële vertrouwensband. A.1.3.
- Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter zijn de verwijzingen in de memorie van de eerste verwerende partij voor de verwijzende rechter en in die van de Ministerraad naar het arrest nr. 161/2001 ter zake niet dienend en niet pertinent, omdat de situatie niet vergelijkbaar is. Thans bestaat er wel een objectieve en redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling. A.1.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter wijst ten aanzien van de laatste prejudiciële vraag erop dat artikel 29 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst niet ongrondwettig is. Artikel 29 betreft eveneens een overgangsbepaling die overigens identiek is aan artikel 4 van de wet van 4 mei
- Net als elke overgangsbepaling moet ook artikel 29 de rechtszekerheid beogen. In een lezing waarin artikel 29 wel de draagwijdte zou hebben om een niet-concurrentiebeding te kunnen beoordelen volgens een later in werking getreden wet, zou onbetwistbaar discriminerend zijn, nu in elk geval rechtsonzekerheid aan de orde zou zijn. In de lezing echter waarin artikel 29 niet de draagwijdte heeft dat de geldigheid van een niet-concurrentiebeding zou mogen worden beoordeeld volgens de later in werking getreden wet blijft een verschillende behandeling mogelijk tussen situaties waarin al dan niet vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 de uitvoering van verbintenissen in rechte zou worden gevorderd. Evenwel wordt dat verschil in behandeling objectief en redelijk verantwoord door de door de overgangsbepaling beoogde rechtszekerheid. A.2.
- De eerste verwerende partij voor de verwijzende rechter meent ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag te moeten vaststellen dat door de wet van 4 mei 1999 de wetgever het oorspronkelijke artikel 3, 2°, van de wet van 13 april 1995 heeft opgeheven. Die bepaling was vóór de opheffing ervan strijdig bevonden met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door het Hof in zijn arresten nrs. 161/2001 en 6/
- De wet van 4 mei 1999 verhindert echter niet dat de uitsluiting van artikel 3, 2°, van de wet van 13 april 1995 sinds de inwerkingtreding ervan in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. Vanzelfsprekend is het niet toekennen van terugwerkende kracht aan een norm die een einde maakt aan een regeling die zelf discrimineerde strijdig met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. Door in de wet van 4 mei 1999 de opheffing van de discriminatie niet toepasselijk te maken op de verbintenissen waarvan de uitvoering in rechte is gevorderd vóór de datum waarop zij in werking treedt, schendt de wetgever opnieuw het gelijkheidsbeginsel. A.2.
- Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag is de eerste verwerende partij voor de verwijzende rechter van oordeel dat artikel 3, 2°, van de wet van 13 april 1995, vóór de opheffing ervan, discriminerend is, doordat het onder meer de door de kredietinstellingen met hun agenten afgesloten overeenkomsten uitsloot van het toepassingsgebied van de wet. 6 Het Hof heeft in zijn arresten nrs. 161/2001 en 6/2004 de uitsluiting in haar geheel discriminatoir geacht en niet beperkt tot specifieke bepalingen. De ongelijkheid strekt zich bijgevolg ook uit tot de artikelen 24 en 26 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst. A.2.
- Nopens de derde prejudiciële vraag merkt de eerste verwerende partij voor de verwijzende rechter allereerst op dat de vraag irrelevant is nu de Rechtbank van eerste aanleg het door haar geciteerde arrest van het Hof van Cassatie verkeerd interpreteert. In dat arrest heeft het Hof van Cassatie enkel gezegd dat artikel 29 niet afwijkt van de gemeenrechtelijke overgangsbepalingen. Conform die bepalingen is een nieuwe wet niet alleen van toepassing op toestanden die na de inwerkingtreding ervan zijn ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand, die zich voordoen of voortduren onder de werking van de nieuwe wet voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Inzake overeenkomsten blijft de oude wet van toepassing op een dergelijk beding, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of uitdrukkelijk de toepassing ervan oplegt op de lopende overeenkomsten. Volgens het Hof van Cassatie kan dus, op grond van artikel 29 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, de geldigheid van een niet-concurrentiebeding niet op basis van een later in werking getreden wet worden beoordeeld. Het Hof heeft daarentegen niet gezegd dat dat niet zou kunnen op basis van het gemeenrechtelijke overgangsrecht. Derhalve is de derde prejudiciële vraag niet dienend. Subsidiair meent de eerste verwerende partij voor de verwijzende rechter dat in een andere interpretatie, namelijk dat de geldigheid van het niet-concurrentiebeding niet zou mogen worden beoordeeld aan de hand van de nieuwe wetgeving, het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. De voorwaarden voor de geldigheid en uitwerking van een niet-concurrentiebeding zijn immers van openbare orde en die voormelde interpretatie belet de onmiddellijke toepassing van bepalingen van openbare orde zonder dat daarvoor enige redelijke verantwoording bestaat. A.3.1.
- De Ministerraad betoogt, aangaande de eerste prejudiciële vraag, dat er naar aanleiding van de wet van 4 mei 1999 een onderscheid ontstond tussen handelsagentuurovereenkomsten afgesloten tussen een kredietinstelling en haar agenten waarvan de uitvoering in rechte werd gevorderd vóór 12 juni 1999 en handelsagentuurovereenkomsten afgesloten tussen een kredietinstelling en haar agenten waarvan de uitvoering in rechte werd gevorderd na 12 juni
- In het eerste geval was de wet van 4 mei 1999 niet van toepassing en bijgevolg ook niet de wet van 13 april
- In het tweede geval is de wet van 4 mei 1999 wel van toepassing en dienvolgens ook de wet van 13 april
- In het arrest nr. 161/2001 heeft het Hof geoordeeld dat dit onderscheid in behandeling zonder redelijke verantwoording was. Naar aanleiding van het voormelde arrest van het Hof verdwijnt, volgens de Ministerraad, dan ook het geschetste verschil in behandeling. In het eerste geval heeft het Hof immers een schending vastgesteld en in het tweede geval is de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst wel van toepassing. Bijgevolg bestaat er geen onderscheiden behandeling meer en had de verwijzende rechter eenvoudig kunnen vaststellen dat de wet van 13 april 1995 van toepassing is op handelsagentuurovereenkomsten afgesloten tussen een kredietinstelling en haar agenten, minstens dat de niet-toepasselijkheid ervan ongrondwettig is. Bijgevolg behoeft de eerste prejudiciële vraag geen antwoord. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad evenwel aan dat artikel 4 van de wet van 4 mei 1999 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt omdat, enerzijds, een wet slechts retroactieve werking mag hebben voor zover daartoe bijzondere omstandigheden bestaan en die bijzondere omstandigheden in casu niet aanwezig zijn, en, anderzijds, een discriminatie vooralsnog niet kan voortvloeien louter uit een verschil van toepassing van de wet in de tijd. De loutere vergelijking tussen de situatie van eenzelfde agent vóór en na de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 is dan ook niet pertinent. A.3.1.
- Met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag meent de Ministerraad dat de stelling van de eerste verwerende partij voor de verwijzende rechter, als zou het niet toekennen van terugwerkende kracht aan een norm die een einde maakt aan een discriminatie vanzelfsprekend strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, toch enigszins moet worden genuanceerd. In tegenstelling tot wat de eerste verwerende partij voor de verwijzende rechter beweert, volgt niet uit de arresten nrs. 18/91 en 83/93 dat het niet toekennen van terugwerkende kracht onvermijdelijk ongrondwettig is. Voormelde arresten laten, integendeel, uitschijnen dat de wetgever naar een evenwichtige oplossing, die de beginselen van rechtszekerheid en gelijkheid verenigbaar maakt, moet streven. 7 Met de wet van 4 mei 1999 heeft de wetgever het opportuun geacht het toepassingsgebied van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst te verruimen om alle handelsagenten op dezelfde wijze te behandelen en zodoende de sociale bescherming van velen in de betrokken sectoren gevoelig te verbeteren. Anders dan met de wet van 31 maart 1987 tot wijziging van artikel 756 van het Burgerlijk Wetboek, waarvan sprake is in de arresten nrs. 18/91 en 83/93, was het dus niet de bedoeling een door de rechtspraak aan de dag gelegde discriminatie weg te werken. Het arrest nr. 161/2001 dateert immers pas van twee en een half jaar na de wetswijziging. Daarnaast merkt de Ministerraad ook nog op dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat een wet, ongeacht of ze al dan niet retroactief is, door het bepalen van het tijdstip waarop ze uitwerking heeft, steeds een onderscheid invoert tussen de rechtsverhoudingen die onder de toepassing van de wet vallen en de rechtsverhoudingen die er niet onder vallen, zonder dat dit onderscheid, op zich, een schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel inhoudt. Er is, volgens het Hof, geen aantasting van het rechtszekerheidsbeginsel wanneer de wetgever in een retroactieve inwerkingtreding voorziet met inachtneming van het noodzakelijke onderscheid tussen beëindigde rechtsgeschillen en hangende rechtsgeschillen (arrest nr. 25/90). A.3.
- Voor wat de tweede prejudiciële vraag betreft, merkt de Ministerraad op dat het arrest nr. 161/2001 een algemene draagwijdte heeft, zodat, niettegenstaande het Hof voornamelijk oog had voor die bepalingen waarbij een minimumopzegtermijn wordt opgelegd en die welke betrekking hebben op het recht op een uitwinningsvergoeding, in casu door het Hof een positief antwoord moet worden gegeven op de tweede prejudiciële vraag. A.3.
- Aangaande de derde prejudiciële vraag merkt de Ministerraad op dat de verwijzende rechter, rekening houdend met het arrest van het Hof van Cassatie van 28 februari 2003, tot het besluit komt dat zelfs in de veronderstelling dat hij de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst zou mogen toepassen, hij desondanks de geldigheid van het betwiste niet-concurrentiebeding niet in het licht van artikel 24, § 1, van die wet zou mogen beoordelen. Hij vraagt derhalve aan het Hof of die interpretatie van het Hof van Cassatie al dan niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Allereerst voert de Ministerraad aan dat de verwijzende rechter geenszins verduidelijkt op welke wijze of om welke reden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden. Daarnaast meent de Ministerraad dat, rekening houdend met de motieven van het verwijzingsvonnis, de prejudiciële vraag niet anders kan worden begrepen dan als een vraag naar de ongrondwettigheid van een verschil van toepassing van de wet in de tijd. Derhalve verschilt de derde vraag inhoudelijk niet van de eerste. Om redenen uiteengezet in A.3.1 is de Ministerraad dan ook van oordeel dat er geenszins sprake is van enige schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 29 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.
- De wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst heeft voor dat soort overeenkomst in het Belgische recht een regeling ingevoerd voor onder andere de duur ervan (artikel 4), de verplichtingen van de handelsagent (artikel 6) en van de principaal (artikel 8), de vergoeding van de handelsagent, meer bepaald zijn recht op commissies (artikelen 9 tot 17), de opzegging van de overeenkomst, meer bepaald de verplichting om een opzeggingstermijn in acht te nemen of een compenserende vergoeding te betalen (artikel 18) en de mogelijkheid om de overeenkomst zonder opzegging te beëindigen wanneer 8 uitzonderlijke omstandigheden verdere samenwerking onmogelijk maken (artikel 19). De wet voorziet eveneens in een uitwinningsvergoeding (artikelen 20 tot 23), een concurrentiebeding (artikel 24), een beding van delcredere (artikel 25) en de verjaring van de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst zijn ontstaan (artikel 26). B.
- Artikel 1 van de wet bepaalt : « De handelsagentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal. De handelsagent deelt zijn werkzaamheden naar eigen goeddunken in en beschikt zelfstandig over zijn tijd. » B.
- In zijn oorspronkelijke versie bepaalde artikel 3 : « Deze wet is niet van toepassing op : 1° de overeenkomsten gesloten met handelsagenten die hun werkzaamheid van tussenpersoon niet met regelmaat uitoefenen; 2° de door de verzekeraars, kredietinstellingen en beursvennootschappen met hun respectieve agenten afgesloten overeenkomsten; 3° de door de handelsagenten gesloten overeenkomsten voor zover zij werkzaam zijn op een effectenbeurs, op andere markten voor effecten en andere financiële instrumenten of op de beurzen voor de termijnhandel in goederen en waren. » B.
- Bij de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 13 april 1995, werden het 2° en het 3° van artikel 3 opgeheven, zodat de wet voortaan onder meer van toepassing is op de door de kredietinstellingen met hun agenten afgesloten overeenkomsten. Artikel 4, eerste lid, van de wet van 4 mei 1999 bepaalt echter dat de wet niet van toepassing is op de verbintenissen waarvan de uitvoering in rechte is gevorderd vóór de inwerkingtreding ervan op 12 juni
- De eisende partij voor de verwijzende rechter, van wie de overeenkomst met de eerste verwerende partij op 31 december 1995 door deze laatste is opgezegd, heeft op 2 april 1997 9 voor de Rechtbank van eerste aanleg te Gent haar rechtsvordering ingesteld. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de nieuwe wet, gelet op de feitelijke omstandigheden, niet van toepassing is, en merkt op dat « […] de vraag [zich] op[dringt] of wegens de uitsluiting van de door de kredietinstellingen met hun agenten afgesloten overeenkomsten van de werkingssfeer van de wet, artikel 3, 2° van de wet van 13 april 1995, voor de opheffing ervan bij de wet van 4 mei 1999, discriminatoir is ». De Rechtbank toont aan kennis te hebben van de arresten nrs. 161/2001 en 6/2004 van het Hof, maar merkt tevens op dat het al dan niet discriminatoir karakter zich toespitst op de uitsluiting van die bepalingen van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst die betrekking hebben op de verjaring (artikel 26), het concurrentiebeding (artikel 24) en, gelet op het arrest van 28 februari 2003 van het Hof van Cassatie, op de overgangsbepaling in artikel
- Volgens de Rechtbank heeft het Hof in zijn arresten nrs. 161/2001 en 6/2004 dat onderzoek niet gedaan. B.
- Het is aangewezen allereerst de tweede prejudiciële vraag te onderzoeken, gelet op het feit dat het antwoord op die vraag bepalend is voor het antwoord dat moet worden gegeven op de eerste en de derde prejudiciële vraag. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- De verwijzende rechter beoogt met de tweede prejudiciële vraag van het Hof te vernemen of artikel 3, 2°, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 mei 1999, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het bepaalt dat de wet van 13 april 1995, meer in het bijzonder de artikelen 24 en 26, niet van toepassing is op de door de kredietinstellingen met hun agenten afgesloten overeenkomsten. B.
- Het Hof heeft, in antwoord op een soortgelijke prejudiciële vraag, in zijn arrest nr. 161/2001 geoordeeld : « B.
- In de memorie van toelichting bij de ontworpen wet van 13 april 1995 werd de uitsluiting van de handelsagenten van de kredietinstellingen als volgt verantwoord : ‘ Voor het rechtstreeks contact met de cliënten doen kredietinstellingen dikwijls een beroep op gevolmachtigde agenten. Hieronder worden personen verstaan die beroepshalve, 10 maar niet op grond van een arbeidsovereenkomst, bevoegd zijn om in naam en voor rekening van een kredietinstelling verrichtingen uit te voeren die behoren tot haar normaal financieel bedrijf. Zij zijn te onderscheiden zowel van aangestelden die wel op grond van een arbeidsovereenkomst optreden in naam en voor rekening van een kredietinstelling, als van tussenpersonen-makelaars die zonder vertegenwoordigingsbevoegdheid alleen partijen samen brengen. Reeds in 1968 had de Bankcommissie in een rondschrijven aan de banken een beperkt aantal regels voorgeschreven in verband met de werking via gevolmachtigde agenten. De commissie heeft het nodig geoordeeld dit rondschrijven bij te werken en heeft in het rondschrijven van 28 juli 1987 een algemeen kader uitgewerkt dat, zowel in het belang van de kredietinstelling als in het belang van de spaarder, de veiligheid beoogt van de financiële verrichtingen die via gevolmachtigde agenten worden gerealiseerd. Gezien deze bijzondere toestand, acht de Regering het opportuun ook hier een uitzondering te voorzien. ’ (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 355/1, p. 8) In antwoord op een vraag van een lid van de Commissie voor de Justitie van de Senaat over de reden van die uitsluiting, heeft de Minister van Justitie naar die memorie van toelichting verwezen (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 355/3, p. 98). B.
- Alleen het feit dat zij hun activiteit in de banksector uitoefenen, volstaat niet om ervan uit te gaan dat de agenten die voor kredietinstellingen werken, niet met de andere handelsagenten kunnen worden vergeleken. Beide worden belast met het bemiddelen en eventueel afsluiten van zaken namens en voor rekening van hun principaal. De agenten van de kredietinstellingen zouden overigens onder de definitie van artikel 1 van de wet vallen indien artikel 3, 2°, ze niet had uitgesloten. B.
- Tussen de agenten van de kredietinstellingen en de andere handelsagenten bestaat een verschil dat op een objectief criterium berust : de eerstgenoemden oefenen hun activiteit uit in een specifieke sector en binnen een algemeen kader dat door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen is vastgelegd. Wanneer de wetgever bij de wet van 4 mei 1999 een einde maakt aan de uitsluiting van de agenten van de kredietinstellingen, heeft hij overigens artikel 15 gewijzigd opdat, in de drie sectoren die oorspronkelijk bij artikel 3, 2°, waren uitgesloten, via een in een paritair overlegorgaan gesloten overeenkomst, van de wet zou kunnen worden afgeweken voor wat het bedrag van de commissies en de berekeningswijze ervan betreft (artikel 3 van de wet van 4 mei 1999). Hij heeft het eveneens mogelijk gemaakt dat in de sector van de kredietinstellingen, voor de handelsagent wiens hoofdactiviteit erin bestaat zaken te doen waarvoor hij zichzelf borg stelt, het bedrag waarvoor hij zich aansprakelijk stelt, de commissie kan overstijgen, zonder evenwel hoger te zijn dan het bedrag dat effectief verschuldigd is door de derde aan de principaal, waarbij de wetgever aldus is afgeweken van de regel van artikel 25 van de wet, dat betrekking heeft op het beding van delcredere (artikel 25, gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 1 juni 1999). B.
- Er dient echter nog te worden onderzocht of het op grond van dat verschil verantwoord was de agenten van de kredietinstellingen van alle bepalingen van de wet uit te sluiten, meer bepaald van die bepalingen waarbij een minimumopzegtermijn wordt opgelegd en die welke betrekking hebben op het recht op een uitwinningsvergoeding. 11 B.
- Het blijkt niet dat de omzendbrieven van de Bankcommissie waarnaar tijdens de parlementaire voorbereiding werd verwezen, hebben voorzien in specifieke waarborgen voor de agent. Uit het citaat in B.5 blijkt daarentegen dat die omzendbrieven tot doel hadden de belangen van de kredietinstelling en die van de spaarders te vrijwaren. Bovendien zou een omzendbrief geen afbreuk kunnen doen aan een wettelijke regeling. De Ministerraad en de verwerende partij voor de verwijzende rechter geven overigens niet aan in hoeverre die omzendbrieven dwingende bepalingen zouden bevatten die de handelsagent een bescherming bieden die de bescherming die bij de wet van 13 april 1995 aan de handelsagenten is toegekend overbodig of ongeschikt zou maken. De collectieve overeenkomsten waarnaar de wet van 4 mei 1999 zal verwijzen, zijn juridische instrumenten die de wetgever niet in de hand heeft en die niet als verantwoording kunnen dienen voor de weigering, aan de agenten in de kredietsector, van de wettelijke beschermingsregeling die voor de andere handelsagenten geldt. B.
- De wetten van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet en van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet leggen wellicht verplichtingen op die de agenten in de kredietsector moeten nakomen. Dat betekent echter niet dat die wetten onverenigbaar zouden zijn met de invoering van een juridisch kader zoals dat van de wet van 13 april
- B.
- Het Hof stelt overigens vast dat, hoewel de vertegenwoordigers van de banksector tijdens de hoorzittingen ter voorbereiding van de wet van 4 mei 1999 hebben verklaard dat de wet van 13 april 1995 niet moest noch zou kunnen worden toegepast op de agenten van de banksector, de voorzitter van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen daarentegen bevestigd heeft dat de omzendbrieven van de Bankcommissie niet tot doel hadden het statuut van de handelsagent te regelen en dat, indien de wet van 13 april 1995 op hen van toepassing zou worden verklaard, die omzendbrieven zouden moeten worden bijgestuurd (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1423/3, pp. 8 en 3). B.
- Het kan niet worden ontkend dat de wet van 13 april 1995 tot doel had de Belgische wetgeving aan te passen aan de richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986, dat die richtlijn alleen betrekking heeft op de zelfstandige agent die permanent belast is met het tot stand brengen van ‘ de verkoop of de aankoop van goederen ’ (artikel 1, lid 2) en dat de wetgever aan de Belgische wet een grotere werkingssfeer heeft toegekend door ze uit te breiden tot alle personen die ‘ zaken ’ - wat eveneens diensten impliceert - bemiddelen en eventueel afsluiten. Hieruit volgt echter niet dat de wetgever de werkingssfeer van de wet willekeurig zou kunnen beperken onder het voorwendsel dat hij ze eerder had uitgebreid. B.
- Uit wat voorafgaat volgt dat wegens de uitsluiting van de door de kredietinstellingen met hun agenten afgesloten overeenkomsten van de werkingssfeer van de wet, artikel 3, 2°, van de wet van 13 april 1995, vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 mei 1999, discriminatoir is. » B.
- In het arrest nr. 6/2004 kwam het Hof tot eenzelfde beoordeling wat betreft de uitsluiting uit de werkingssfeer van de wet van 13 april 1995 van de door de beursvennootschappen met hun agenten gesloten overeenkomsten. 12 B.
- Er zijn geen redenen om anders te oordelen wat betreft inzonderheid de uitsluiting van de agenten van kredietinstellingen van de toepassing van artikel 24 (verjaringstermijn) en van artikel 26 (niet-concurrentiebeding) van voormelde wet. B.
- De tweede prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- De verwijzende rechter beoogt met de eerste prejudiciële vraag van het Hof te vernemen of artikel 4 van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het bepaalt dat de wet niet van toepassing is op verbintenissen waarvan de uitvoering in rechte is gevorderd vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 op 12 juni
- B.
- Artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt : « Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, moeten voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Arbitragehof. » B.
- Uit het antwoord op de tweede prejudiciële vraag volgt derhalve dat de verwijzende rechter, evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak moet doen, artikel 3, 2°, van de wet van 13 april 1995 buiten toepassing moet laten in de zaak waarin die vraag is gesteld. Daaruit volgt dat de artikelen 24 en 26 van die wet op dezelfde wijze moeten worden toegepast op de in het geding zijnde handelsagentuurovereenkomst als zij zouden worden toegepast op de andere handelsagentuurovereenkomsten bedoeld in die wet. B.
- Een antwoord op de eerste prejudiciële vraag kan bijgevolg niet bijdragen tot de oplossing van het bodemgeschil en behoeft derhalve geen antwoord. 13 Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag B.
- De verwijzende rechter beoogt met de derde prejudiciële vraag van het Hof te vernemen of artikel 29 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in die zin geïnterpreteerd dat dit wetsartikel niet de draagwijdte heeft dat de geldigheid van een niet-concurrentiebeding zou mogen worden beoordeeld volgens de later in werking getreden wet. B.
- Artikel 29 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst luidt : « Deze wet is niet toepasselijk op de verbintenissen waarvan de uitvoering in rechte is gevorderd voor de datum waarop zij in werking treedt. » B.17.
- Artikel 29 van de wet van 13 april 1995 bevestigt de algemene principes van het overgangsrecht inzake overeenkomsten volgens welke de oude wet van toepassing blijft op overeenkomsten gesloten vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet, tenzij de nieuwe wet van openbare orde of dwingend recht is of uitdrukkelijk de toepassing voorschrijft op de lopende overeenkomsten. B.17.
- De onmiddellijke werking van een aantal bepalingen van de nieuwe wet van 13 april 1995 betekent, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie : « Dat uit [artikel 29] niet volgt dat die wet onbeperkt toepasselijk is op verbintenissen waarvan de uitvoering in rechte is gevorderd nadat zij in werking is getreden; Dat […] aan de geldigheid van de bedingen van de overeenkomst gesloten onder de oude wet door artikel 29 geen afbreuk wordt gedaan; Dat het niet de bedoeling was van de wetgever de geldigheid van vroegere agentuurovereenkomsten te laten beoordelen volgens de nieuwe normen; dat de wetgever alleen heeft gewild dat de nieuwe norm de uitvoering van bestaande overeenkomsten zou beheersen; […] dat de nieuwe wet niet de draagwijdte heeft dat de geldigheid van een concurrentiebeding zou mogen beoordeeld worden volgens de later in werking getreden wet; […] » (Cass., 28 februari 2003, A.R. C000603N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030228.5). 14 B.17.
- Uit artikel 29 van voormelde wet van 13 april 1995 volgt derhalve dat de geldigheid van de overeenkomst moet worden beoordeeld overeenkomstig de op het moment van het sluiten ervan toepasselijke wetgeving, terwijl de uitvoering ervan, meer bepaald de verbintenis van niet-concurrentie, dient te worden beoordeeld overeenkomstig de op het moment van de uitvoering toepasselijke wetgeving. B.
- Uit hetgeen voorafgaat vloeit voort dat concurrentiebedingen die opgenomen zijn in overeenkomsten welke gesloten zijn vóór de inwerkingtreding van de wet op 12 juni 1995, niet nietig zijn omdat zij niet zouden beantwoorden aan de eisen gesteld in artikel 24 van de wet. De verbintenis die uit een zodanig beding voortvloeit om gedurende een bepaalde periode niet te concurreren met de principaal, moet, wanneer de uitvoering ervan niet is gevorderd vóór de datum van inwerkingtreding van de wet, evenwel op haar overeenstemming met artikel 24 - bepaling van dwingend recht - worden beoordeeld. In voorkomend geval zal de uitwerking van het concurrentiebeding moeten worden beperkt tot de grenzen bepaald in het voormelde artikel
- B.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen niet dat een wijziging van wetgeving steeds met een bijzonder, van het gemeen recht afwijkend overgangsstelsel gepaard zou gaan. Het is daarenboven inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vallen en personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Een dergelijk onderscheid maakt op zich geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uit. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden, indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling die grondwetsartikelen zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvereisten van de vroegere regeling wijzigt. B.
- Ook al is de invoering van de handelsagentuurovereenkomst nieuw en worden daardoor de rechten van bepaalde categorieën van handelsagenten beter beschermd, toch is zulk een wijziging niet van die aard dat zij de wetgever ertoe zou verplichten af te wijken van de normale regels van het overgangsrecht inzake overeenkomsten. 15 B.
- De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 16 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.
- Artikel 3, 2°, van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, vóór de opheffing ervan bij de wet van 4 mei 1999, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het bepaalt dat de wet niet van toepassing is op de door de kredietinstellingen met hun agenten afgesloten overeenkomsten.
- Artikel 29 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.047 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030228.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.