← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.050

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.050 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050301.7 Arrest- Rolnummer: 50/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-11 Raadplegingen: 226 - laatst gezien 2026-07-02 07:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen » (wijziging, in het bijzonder, van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering), zoals gewijzigd bij artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen, door het Hof van Beroep te Antwerpen en door het Hof van Cassatie. Tekst van de beslissing Rolnummers 3005, 3012, 3013, 3014, 3016 en 3044 Arrest nr. 50/2005 van 1 maart 2005 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet- correctionaliseerbare misdaden te verlengen » (wijziging, in het bijzonder, van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering), zoals gewijzigd bij artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen, door het Hof van Beroep te Antwerpen en door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 26 april 2004 in zake het openbaar ministerie en de n.v. Créations E.D.M. in faillissement tegen E.M., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 19 mei 2004, heeft de Correctionele Rechtbank te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden door artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 dat het artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijn voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, en waarbij de schorsingstermijn van één jaar vanaf de inleidingszitting ten gronde werd afgeschaft, slechts van toepassing verklaart op misdrijven begaan na 1 september 2003 en derhalve voor gevolg heeft dat het artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002, dat aanvankelijk voor iedereen gold, thans enkel van toepassing is op personen die feiten pleegden na 1 september 2003, en er derhalve voor personen die feiten pleegden voor 1 september 2003 een langere verjaringstermijn geldt terwijl de maatschappelijke orde precies minder gediend is met een vervolging van of veroordeling voor oude feiten, en des te meer met vervolging en bestraffing van recente feiten ? » b. Bij arrest van 28 mei 2004 in zake het openbaar ministerie, de vennootschap naar Zwitsers recht Richemont International en de vennootschap naar Frans recht s.a. Cartier tegen J.I., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 4 juni 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waar het artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, aanvult met de woorden ‘ en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat het leidt tot het gelijktijdig bestaan van twee verschillende verjaringstermijnen van de strafvordering voor dezelfde misdrijven terwijl ze bij het plegen ervan de maatschappelijke orde op dezelfde wijze verstoren en in de mate dat het leidt tot een langere verjaringstermijn van de strafvordering voor misdrijven begaan tot en met 1 september 2003 tegenover misdrijven begaan vanaf 2 september 2003 terwijl de bestaansreden van de verjaring van de strafvordering juist hierin ligt dat met het voortschrijden van de jaren, de bewijsvoering van de misdrijven steeds moeilijker wordt en de maatschappelijke orde er steeds minder baat bij heeft ? » c. Bij arrest van 2 juni 2004 in zake het openbaar ministerie en J.V. tegen R.V., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 7 juni 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 33 en 34 van de programmawet van 5 augustus 2003, waar het artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, aanvult met de bewoordingen ‘ en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat het op een zelfde ogenblik voor gelijkaardige misdrijven een andere verjaringsregeling oplegt naargelang betrokken misdrijven gepleegd zijn vóór dan wel na 2 september 2003 ? » 3 d. Bij arrest van 2 juni 2004 in zake het openbaar ministerie en de Minister van Financiën tegen N. D.J., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 8 juni 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 3 en 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 (zoals gewijzigd bij artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003), waarbij artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering werd gewijzigd en waarbij de schorsing van de verjaring vanaf de inleidingszitting, zoals ingevoerd bij wet van 11 december 1998, werd afgeschaft, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre deze artikelen een verjaringsregime instellen zonder onderscheid van toepassing zijnde op, enerzijds, de categorie van vervolgden voor een nog niet verjaard misdrijf (wanbedrijf of gecorrectionaliseerde misdaad), gepleegd zijnde voor 1 september 2003, en, anderzijds, de categorie van vervolgden voor een nog niet verjaard misdrijf (wanbedrijf of gecorrectionaliseerde misdaad) gepleegd zijnde na 1 september 2003, waarbij de verjaring van de strafvordering jegens de eerste categorie wordt beoordeeld overeenkomstig het regime van de wet van 11 december 1998 en ten aanzien van wie de verjaring derhalve wordt geschorst vanaf de inleidingszitting voor het vonnisgerecht, terwijl de desbetreffende schorsingsgronden wat de verjaring van de strafvordering betreft niet gelden ten aanzien van de tweede categorie ? » e. Bij arrest van 1 juni 2004 in zake de n.v. Demonstrate, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 juni 2004, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 3 en 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijn voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, zoals aangevuld door artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre deze bepalingen inhouden dat de verjaring van de strafvordering wegens een misdrijf dat gepleegd werd voor 1 september 2003 geschorst wordt vanaf de inleidingszitting ingevolge het oude artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, terwijl de verjaring van de strafvordering wegens eenzelfde misdrijf dat gepleegd werd na 1 september 2003 niet wordt geschorst vanaf de inleidingszitting ? » f. Bij arrest van 25 juni 2004 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen P.M. en D.L., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 1 juli 2004, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, waar het artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen, aanvult met de woorden ‘ en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat het leidt tot het gelijktijdig bestaan van twee verschillende verjaringstermijnen van de strafvordering voor dezelfde misdrijven terwijl ze bij het plegen ervan de maatschappelijke orde op dezelfde wijze verstoren en in de mate dat het leidt tot een langere verjaringstermijn van de strafvordering voor misdrijven begaan tot en met 1 september 2003 tegenover misdrijven begaan vanaf 2 september 2003 terwijl de bestaansreden van de verjaring van de strafvordering juist hierin ligt dat met het 4 voortschrijden van de jaren, de bewijsvoering van de misdrijven steeds moeilijker wordt en de maatschappelijke orde er steeds minder baat bij heeft ? » Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3005, 3012, 3013, 3014, 3016 en 3044 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - E.M.; - de b.v.b.a. Beldior, met maatschappelijke zetel te 2018 Antwerpen, Vestingstraat 59- 63; - J.V.; - E. D.J.; - de n.v. Demonstrate, met maatschappelijke zetel te 8300 Knokke-Heist, Parmentierlaan 247, bus 1; - de Ministerraad. De b.v.b.a. Beldior, J.V. en de Ministerraad hebben ieder een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 26 januari 2005 : - zijn verschenen : . Mr. V. Schalenbourg loco Mr. S. Butenaerts, advocaten bij de balie te Brussel, voor de b.v.b.a. Beldior; . Mr. J. Troch en Mr. A. Denecker loco Mr. P. Engels, advocaten bij de balie te Antwerpen, voor J.V.; . Mr. W. Smet, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. H. Rieder, advocaat bij de balie te Gent, voor E. D.J.; . Mr. N. van der Eecken loco Mr. H. Van Bavel, advocaten bij de balie te Brussel, voor de n.v. Demonstrate; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. 5 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De bodemgeschillen betreffen strafprocedures voor de Correctionele Rechtbank te Antwerpen (zaak nr. 3005) en voor het Hof van Beroep te Antwerpen (zaken nrs. 3012 tot 3014 en 3044), alsmede een procedure voor het Hof van Cassatie (zaak nr. 3016), met betrekking tot personen die ervan worden verdacht vóór 1 september 2003 misdrijven te hebben gepleegd. Op die misdrijven zou het verjaringsstelsel van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals het gold vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2002, van toepassing zijn ingevolge de artikelen 33 en 34 van de programmawet van 5 augustus

  1. Beklaagden voeren aan dat een verschil in behandeling ontstaat tussen personen die worden vervolgd en berecht voor identieke feiten na de inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2002, naargelang de feiten waarvan zij worden verdacht, zijn gepleegd vóór of vanaf 1 september 2003, een verschil in behandeling dat in strijd zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De voormelde rechtscolleges hebben gemeend de bodemgeschillen slechts te kunnen beslechten na het antwoord van het Hof op de door de partijen gesuggereerde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Standpunt van partijen in de bodemgeschillen A.
  2. Eiseres tot cassatie in de zaak nr. 3016 verwijst naar de ratio legis van de vervanging, bij de wet van 16 juli 2002, van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, dat onduidelijk was, aanleiding gaf tot toepassingsproblemen en haaks stond op de bestaansreden van de schorsing van de verjaring van de strafvordering. De in het geding zijnde bepaling beoogde de gevolgen van een consequente toepassing van die afschaffing voor de uiterlijk op 1 september 2003 gepleegde misdrijven te verdoezelen, wat in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, zoals het door het Hof in het verleden werd gedefinieerd. De eiseres meent dat het Hof van Cassatie ten onrechte stelt dat een wet vóór haar inwerkingtreding geen rechten verleent en bijgevolg niet als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid geldt die bij de burger gerechtvaardigde verwachtingen kan opwekken. Gelet op de doelstelling van de wetswijziging van 16 juli 2002 is het een manifest onevenredige maatregel de vroegere schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering te handhaven voor misdrijven gepleegd tot 1 september 2003, gelet op het feit dat er reeds een overgangsperiode was ingebouwd teneinde de verjaring van gevoelige dossiers te vermijden. A.
  3. De geïntimeerde in de zaak nr. 3014 wijst eveneens op het verschil in behandeling van pertinent vergelijkbare categorieën van vervolgden, ondanks het feit dat reeds was voorzien in een overgangsregeling teneinde parketten en rechtbanken ertoe in staat te stellen zich aan te passen aan het nieuwe verjaringsstelsel. Voor het verschil in behandeling bestaat geen objectieve en redelijke verantwoording, omdat de maatregel gevolgen sorteert voor vervolgden van alle misdrijven gepleegd tot 1 september 2003, en niet uitsluitend voor de geviseerde zwaarste feiten. Er is evenmin een redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling als men rekening houdt met het minimale verschil in datum waarop de feiten werden gepleegd, namelijk net vóór of net na 1 september 2003, terwijl de gevolgen onredelijk verschillend zijn. A.
  4. Een haast identiek standpunt wordt ingenomen door de beklaagde in de zaak nr. 3005, die tevens meent dat de regeling in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. 6 A.
  5. De tweede geïntimeerde in de tweede zaak voor het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld in de zaak nr. 3012 verwijst naar de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling om aan te tonen dat de wetgever op arbitraire wijze een overgangsstelsel heeft ingevoerd, dat uitsluitend gebaseerd is op een datum, namelijk die waarop de feiten waartoe de strafvordering aanleiding geeft, zijn gepleegd. Zij herinnert eraan dat het verjaringsstelsel van artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, dat in 1998 werd ingevoerd, niet voorzag in een overgangsregeling, zodat de nieuwe bepaling op alle niet-verjaarde misdrijven zonder onderscheid van toepassing was. Zij verwerpt in ieder geval het op grond van het arrest van het Hof nr. 91/99 verdedigde standpunt van niet- vergelijkbaarheid van de voorgelegde situaties en van de mogelijkheid van de wetgever om het beleid te wijzigen. Het gaat te dezen, anders dan in voormeld arrest, niet om twee verjaringsstelsels die op verschillende ogenblikken maar wel op eenzelfde ogenblik worden toegepast. De aangehaalde argumenten om te besluiten tot gegrondheid van het verschil in behandeling zijn niet pertinent en de maatregel is minstens onevenredig met het beoogde doel. A.
  6. De burgerlijke partij in de zaak nr. 3013 is dan weer van oordeel dat er geen schending is van het gelijkheidsbeginsel. Zij verwijst naar de lering van het arrest nr. 7/2000 van het Hof. De in het geding zijnde maatregel is ingegeven door de zorg te vermijden dat, ondanks de verlate inwerkingtreding van de wet van 16 juli 2002 op 1 september 2003, toch nog heel wat zaken onherroepelijk zouden verjaren. De maatregel is in overeenstemming met de algemene bedoeling van de wet en ook met die van de wet van 16 juli 2002, namelijk de verjaring van zware misdrijven tegen te gaan. Uit het arrest nr. 7/2000 vloeit voort dat de regeling waardoor bepaalde misdrijven gepleegd vóór de wetswijziging, onderworpen waren aan één soort van verjaringsregeling, terwijl misdrijven die na het invoeren van de wet aan de nieuwe verjaringsregeling waren onderworpen, niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verwijzend naar het arrest van het Hof van Cassatie van 30 maart 2004 besluit die partij dat het rechtszekerheidsbeginsel evenmin is geschonden. Standpunt van de Ministerraad A.
  7. Volgens de Ministerraad kan de wetgever afwijken van het in artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek opgenomen beginsel van de onmiddellijke toepassing van procedureregels. Die bepaling voorziet overigens uitdrukkelijk in de mogelijkheid daartoe. De in het geding zijnde maatregel waardoor de oude schorsingsgronden nog gelden voor misdrijven gepleegd tot 1 september 2003 (datum vermeld in artikel 34 van de voormelde programmawet), is ingegeven door de zorg te vermijden dat het nieuwe verbeterde stelsel van de verjaring van de strafvordering ongewenste negatieve effecten zou hebben op de lopende zaken. De Ministerraad verwijst naar de arresten van het Hof nr. 91/99 en nr. 7/2000 over de onmiddellijke toepassing van de verjaringsregeling ingevoerd door de wet van 11 december
  8. Het verschil in behandeling dat hier in het geding is, vloeit, net als toen, louter voort uit een wijziging van de wet in de tijd. De verwijzende rechtscolleges vergelijken louter en alleen de situatie van twee identieke categorieën van rechtsonderhorigen naargelang zij onder toepassing van de oude, dan wel de nieuwe wet vallen. De stelling die erin bestaat dat twee personen die eenzelfde misdrijf op verschillende tijdstippen hebben gepleegd, niet verschillend zouden mogen worden behandeld, is van dien aard dat iedere wetswijziging wordt tegengehouden. De situaties zijn bijgevolg niet vergelijkbaar. Voor het geval dat het Hof toch tot toetsing zou overgaan, laat de Ministerraad het volgende gelden. A.
  9. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het ogenblik waarop het misdrijf is gepleegd. Het doel dat de wetgever zich stelde bij de wet van 16 juli 2002 waardoor de oorzaak van schorsing van de verjaring werd afgeschaft, namelijk te komen tot een meer coherent verjaringsstelsel, was rechtmatig, doch de wetgever had alle gevolgen van die afschaffing moeten inzien. Het uitstel van de inwerkingtreding bij de in het geding zijnde bepaling, ter vermijding van het plotse verjaren van misdrijven, is perfect samenhangend met het geheel van de recente hervormingen inzake de verjaring van de strafvordering. De ongelukkige woordkeuze bij het beschrijven van de doelstelling van de in het geding zijnde wet (« om dit probleem te verdoezelen ») doet geen afbreuk aan het legitiem karakter van de doelstelling. A.
  10. Bij de beoordeling van de pertinentie van het onderscheid doet het er niet toe of het al dan niet om een voortdurend misdrijf gaat, omdat ook dan slechts één datum bestaat die geldt als aanvang van de verjaringstermijn, namelijk die waarop het laatste misdrijf is gepleegd. Het criterium van de datum is derhalve objectief en redelijk verantwoord en staat in rechtstreeks verband met het doel van de wetgever. 7 A.
  11. Er is geen sprake van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel, zoals sommige partijen beweren, doordat de wet van 16 juli 2002 bij hen de verwachting van een verjaring zou hebben opgewekt, die thans zou worden gedwarsboomd door het tijdelijke behoud van het oude verjaringsstelsel ingevolge de in het geding zijnde bepaling. In een arrest van 30 maart 2004 heeft het Hof van Cassatie reeds gesteld dat een wet vóór haar inwerkingtreding geen rechten verleent en niet als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid geldt die bij de burger gerechtvaardigde verwachtingen zou opwekken. Ook het Hof heeft reeds gesteld dat de onzekerheid die te maken heeft met het feit dat een misdrijf dat reeds strafbaar was op het ogenblik dat het werd begaan, nog met dezelfde straffen zou kunnen worden gestraft na het verstrijken van de verwachte termijn van verjaring, wel voor verantwoording vatbaar is (arrest nr. 7/2000, B.12.3). Door de in het geding zijnde bepaling wordt bovendien niet ipso facto de redelijke termijn van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens overschreden, vermits dat in concreto door de rechter moet worden beoordeeld. De maatregel is dan ook niet onevenredig. Overigens merkt de Ministerraad op dat die verwachtingen slechts ontstaan na het plegen van de strafbare feiten, en daarmee geen rekening dient te worden gehouden. A.
  12. De Ministerraad verzet zich eveneens tegen de stelling dat de in het geding zijnde bepaling de doelstellingen van de wet van 16 juli 2002 teniet zou doen. Het louter uitstellen - eerst voor een bepaalde periode, vervolgens voor feiten gepleegd vóór een bepaalde datum - is niet van dien aard dat de afgeschafte maatregel opnieuw wordt ingevoerd. Evenmin was het noodzakelijk dat de wetgever de overgangsmaatregel zou beperken tot bepaalde misdrijven. Het bestaan van een andere mogelijkheid maakt de maatregel daarom nog niet ongrondwettig, terwijl die andere maatregel ook niet a fortiori in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel. De opsomming van misdrijven, ter verantwoording van de betwiste maatregel, is niet limitatief. Niets stond de verruiming van de overgangsmaatregel in de weg. De Ministerraad ziet ook niet in waarom de oorspronkelijke overgangsmaatregel het gelijkheidsbeginsel niet schendt, zoals blijkt uit het arrest nr. 7/2000, en de nieuwe overgangsmaatregel wel. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt trouwens dat de schorsing van de verjaring geenszins gelijkstaat met de verlenging van de verjaringstermijn. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.1.
  13. Artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij artikel 3 van de wet van 11 december 1998 « tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering » en gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 4 juli 2001 « tot aanvulling van artikel 447 van het Strafwetboek en tot wijziging van artikel 24, 3°, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering » bepaalde : « De verjaring van de strafvordering is geschorst ten aanzien van alle partijen : 1° vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid. De verjaring begint evenwel opnieuw te lopen : 8 - vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak onbepaald uit te stellen, tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat; - vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat; - vanaf de verklaring van hoger beroep bedoeld in artikel 203, of de betekening van het hoger beroep bedoeld in artikel 205, tot op de dag waarop het hoger beroep op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid, indien het hoger beroep tegen de uitspraak over de strafvordering enkel uitgaat van het openbaar ministerie; - vanaf het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van de dag van de zitting waarop, naar gelang van het geval, de strafvordering bij het vonnisgerecht in eerste aanleg of bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid of dit laatste vonnisgerecht beslist uitspraak te doen over de strafvordering, tot op de dag van de uitspraak over de strafvordering door het desbetreffende vonnisgerecht; 2° in geval van verwijzing tot beslissing van een prejudicieel geschil; 3° in de gevallen bepaald bij artikel 447, derde en vijfde lid, van het Strafwetboek; 4° gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst. » B.1.
  14. Artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 « tot wijziging van verschillende bepalingen teneinde inzonderheid de verjaringstermijnen voor de niet-correctionaliseerbare misdaden te verlengen » vervangt dat artikel 24 door de volgende bepaling : « De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert. Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst. » Door die wijziging van artikel 24 heft de wetgever voor de verjaring van de strafvordering enkel de eerste schorsingsgrond op zoals daarin is voorzien in de in B.1.1 9 vermelde tekst, aangezien de nieuwe tekst nog steeds de drie andere schorsingsgronden beoogt (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1625/002, pp. 2-4). Artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 preciseert dat dat artikel 3 « in werking [treedt] op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ». Ten gevolge van de bekendmaking van die wet in het Belgisch Staatsblad van 5 september 2002, is artikel 3 - en de erin vervatte nieuwe tekst van artikel 24 - in werking getreden op 1 september
  15. B.1.
  16. Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 voegt aan het voormelde artikel 5, 2), na de woorden « in het Belgisch Staatsblad » de woorden « en is van toepassing op de misdrijven begaan na deze datum » toe. Het Hof dient zich in deze zaken niet uit te spreken over de draagwijdte van het verschil tussen de Nederlandse versie (« na deze datum ») en de Franse versie (« à partir de cette date ») van deze bepaling. Die wijziging, die in werking is getreden op 1 september 2003 krachtens artikel 34 van de voormelde programmawet, heeft tot gevolg dat de in de wet van 16 juli 2002 vervatte tekst van artikel 24 - eveneens in werking getreden op 1 september 2003 - enkel van toepassing is op de strafvorderingen in verband met misdrijven die - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) die datum zijn gepleegd. De verjaring van de strafvordering in verband met andere misdrijven blijft aldus geregeld door het voormelde artikel 24, dat in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is ingevoegd bij de wet van 11 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 4 juli
  17. B.1.
  18. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen en de motieven van de verwijzingsbeslissingen blijkt dat het Hof wordt verzocht om, ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het verschil in behandeling te onderzoeken tussen twee categorieën van rechtzoekenden die worden beoordeeld na 1 september 2003 : enerzijds, diegenen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens misdrijven gepleegd tot aan die datum en voor wie de verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag van de terechtzitting waarop die 10 vordering wordt ingeleid voor het vonnisgerecht en, anderzijds, diegenen die strafrechtelijk worden vervolgd wegens later gepleegde misdrijven en voor wie de verjaring van de strafvordering om die reden niet kan worden geschorst. Daaruit blijkt dat de toetsing van het Hof dient te worden beperkt tot artikel 33 van de programmawet van 5 augustus
  19. Ten aanzien van de inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet B.
  20. Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 vloeit voort uit een vaststelling die is gedaan op basis van informatie die door verschillende parketten en parketten-generaal aan de bevoegde minister werd bezorgd : de inwerkingtreding van artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 waarbij het systeem van de schorsing van de verjaring van de strafvordering vanaf de inleidingszitting wordt afgeschaft, dreigde, in het rechtsgebied van sommige hoven van beroep, op 1 september 2003 tot de onherroepelijke verjaring te leiden van « een heleboel, vooral zware zaken (drugs, mensenhandel, eco-fin zaken, B.T.W.-carrousels, bankbreuken, enz.) » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0102/001, p. 22; ibid., DOC 51-0102/013, p. 6; Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-137/5, pp. 2-3, 6-7). De in het geding zijnde bepaling wordt gemotiveerd door de bekommernis om met name mensenhandelaars, fraudeurs en drugsbaronnen niet het « nooit geziene cadeau » te geven dat, in die omstandigheden, de onmiddellijke toepasbaarheid van het voormelde artikel 3 zou zijn (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0102/001, p. 22; ibid., DOC 51-0102/013, pp. 3 en 6; Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-137/5, pp. 2-7). B.3.
  21. Met artikel 3 van de wet van 16 juli 2002 heeft de wetgever zich ertoe beperkt de regeling van de schorsingsgronden voor de verjaring van de strafvordering te wijzigen. Hij heeft geen nieuw misdrijf in het leven geroepen, noch het stelsel van de straffen gewijzigd, noch een nieuwe verjaringstermijn ingevoerd. B.3.
  22. Met de opheffing van de schorsingsgrond bedoeld in artikel 24, 1°, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoerd bij de wet van 11 december 1998, heeft de wetgever willen reageren op de moeilijkheden die de toepassing 11 van die regel had doen ontstaan (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1625/002, pp. 2 en 3; ibid., DOC 50-1625/005, p. 10). B.4.
  23. Het komt de wetgever toe de inwerkingtreding van de wet te regelen en al dan niet overgangsmaatregelen aan te nemen. Artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet overigens uitdrukkelijk in de mogelijkheid om af te wijken van de regel volgens welke de wetten op de rechtspleging van toepassing zijn op de hangende rechtsgedingen op het moment van de inwerkingtreding ervan. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden enkel worden geschonden indien de overgangsmaatregelen een verschil in behandeling in het leven zouden roepen waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. B.4.
  24. Door de regel af te schaffen volgens welke de verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de inleiding ervan voor het vonnisgerecht, heeft de wetgever een - voor de beklaagden gunstige - maatregel aangenomen, waarvan hij, met toepassing van het voormelde artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek, de inwerkingtreding vermocht vast te stellen op de eerste dag van de twaalfde maand na die van de bekendmaking van de nieuwe bepaling, zoals daarin is voorzien in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli
  25. B.4.
  26. De personen die een misdrijf hadden gepleegd vóór de bekendmaking van artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 vermochten de hoop te koesteren de nieuwe regel te genieten, mits zij na 1 september 2003 zouden worden berecht. Zij hebben echter niet daarvan kunnen profiteren, aangezien de wetgever, met de aanneming van die bepaling, beslist heeft dat de nieuwe regel enkel van toepassing zou zijn op de misdrijven die - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) die datum zijn gepleegd. B.4.
  27. Het staat niet aan het Hof de wijze te beoordelen waarop de wetgever, van 1998 tot 2003, vier opeenvolgende wijzigingen inzake de verjaringsregeling van de strafvordering heeft doorgevoerd. De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen hebben uitsluitend betrekking op de discriminaties die de wijziging van een overgangsmaatregel zou kunnen teweegbrengen. 12 B.4.
  28. De in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002 vervatte overgangsmaatregel heeft niet het in B.4.3 aangehaalde verhoopte gevolg gehad wegens de wijziging ervan bij de in het geding zijnde bepaling. De rechtzoekenden, die hadden gehoopt dat gevolg te kunnen genieten, werden door die bepaling misschien teleurgesteld in hun verwachtingen, maar ze heeft niet twee categorieën van personen in het leven geroepen waarop twee opeenvolgende overgangsregelingen van toepassing zouden zijn, aangezien dat gevolg van de eerste overgangsregeling zich nooit heeft voorgedaan. B.
  29. Het Hof dient nog het verschil in behandeling te onderzoeken dat voortvloeit uit de overgangsbepaling vervat in artikel 33 van de programmawet van 5 augustus
  30. B.
  31. Het is eigen aan een overgangsregeling dat ze de gelijktijdige toepassing van een nieuwe wet en een vroegere wet mogelijk maakt. Door te beslissen dat de nieuwe regel enkel van toepassing zal zijn op misdrijven gepleegd - volgens de Nederlandse tekst - « na » of - volgens de Franse tekst - « à partir de » (vanaf) 1 september 2003, heeft de wetgever een maatregel genomen die in redelijkheid is verantwoord ten aanzien van het in B.2 beschreven doel. Ofschoon hij, met artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, de overgangsmaatregel heeft gewijzigd die hij had vastgesteld in artikel 5, 2), van de wet van 16 juli 2002, heeft hij zodoende het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. De wetgever kan immers op een eerdere keuze terugkomen. B.
  32. In zoverre de in het geding zijnde maatregel ook strafvorderingen zou beogen in verband met feiten die niets te maken hebben met de criminaliteit waarvan sprake in de parlementaire voorbereiding, kan hij evenmin worden beschouwd als onevenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstelling. Hoewel tijdens de parlementaire voorbereiding vermeld in B.2 sommige vormen van criminaliteit meer in het bijzonder zijn vermeld, had de doelstelling van de wetgever niet uitsluitend daarop betrekking. De gegeven voorbeelden beoogden de aandacht te vestigen op de zwaarste misdrijven die zouden verjaren, maar niet een exhaustieve lijst daarvan te geven. 13 B.
  33. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de wetgever, door de toepassingssfeer van het nieuwe artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering te beperken tot de misdrijven bedoeld in artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003, geen onverantwoord verschil in behandeling in het leven heeft geroepen. B.
  34. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht: Artikel 33 van de programmawet van 5 augustus 2003 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 maart
  35. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.050 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.