← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.059

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.059 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050316.11 Arrest- Rolnummer: 59/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-04 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-07-02 06:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 16 oktober 2003 houdende wijziging van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, ingesteld door M. Tillieut en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummer 2985 Arrest nr. 59/2005 van 16 maart 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 16 oktober 2003 houdende wijziging van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, ingesteld door M. Tillieut en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 april 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 april 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Waalse Gewest van 16 oktober 2003 houdende wijziging van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2003), door M. Tillieut, wonende te 1348 Ottignies-Louvain-la-Neuve, Vieux chemin de Namur 18, W. Grégoire, wonende te 1490 Court-Saint-Etienne, Clos de Profondval 20, A. Paulet, wonende te 1348 Ottignies-Louvain-la-Neuve, place de l’Angélique 45, de v.z.w. L’Epine blanche, met maatschappelijke zetel te 1490 Court-Saint-Etienne, rue du Grand Philippe 3, en de v.z.w. Inter-Environnement Wallonie, met maatschappelijke zetel te 5000 Namen, boulevard du Nord

  1. De Waalse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 22 december 2004 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 26 januari 2005, na de partijen te hebben verzocht - in een uiterlijk op 20 januari 2005 in te dienen aanvullende memorie - te antwoorden op de volgende vraag : « Heeft artikel 20, § 2, vierde lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, zoals het is ingevoegd bij artikel 3, 2, van het decreet van 19 september 2002, een gevolg – en zo ja, welk – voor de aanvragen tot verlenging of wijziging van de exploitatievoorwaarden voor de centra voor technische ingraving zoals in die aanvragen is voorzien in de artikelen 24 tot 26 van het voormeld decreet van 27 juni 1996, en zulks, in het bijzonder voor de centra voor technische ingraving waarop het aangevochten artikel 70, tweede lid, zoals het is gewijzigd bij het decreet van 16 oktober 2003, betrekking heeft ? ». De verzoekende partijen en de Waalse Regering hebben aanvullende memories ingediend. Op de openbare terechtzitting van 26 januari 2005 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sambon, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; . Mr. E. Orban de Xivry, advocaat bij de balie te Marche-en-Famenne, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Verzoekschrift Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.
  2. De eerste twee verzoekende natuurlijke personen zijn rechtstreekse omwonenden van de stortplaats van Mont-Saint-Guibert. De derde verzoeker is één van de inwoners van Louvain-la-Neuve die het dichtst bij de stortplaats woont. A.1.
  3. De v.z.w. L'Epine blanche heeft tot doel in de vallei van de Orne en de Thyle en de omgeving ervan het behoud van het leefmilieu en de kwaliteit van het leven, alsmede de deelname van de bewoners aan het beheer van hun leefomgeving te bevorderen. A.1.
  4. De v.z.w. Inter-Environnement Wallonie is, volgens de verzoekers, een van de belangrijkste verenigingen inzake bescherming van het leefmilieu. Vernietigingsmiddelen A.2.
  5. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen, en uit de schending van dezelfde artikelen van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 4 en 7 van de richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen, met artikel 8 van de richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen en met artikel 3 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, alsmede met de artikelen 1, 24 tot 26 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen. De verzoekende partijen betogen dat de wijziging van het tweede lid van artikel 70 van het voormelde decreet van 27 juni 1996 tot doel heeft af te wijken, enerzijds, van de procedure van totstandkoming van het plan van de centra voor technische ingraving en, anderzijds, van de gevolgen die aan de aanneming van het plan van de genoemde centra verbonden zijn, en zulks voor de centra die reeds vergund waren vóór de inwerkingtreding van het plan van de centra voor technische ingraving of waarvoor een aanvraag om machtiging werd ingediend vóór de inwerkingtreding van dat plan. Die regeling brengt, volgens de verzoekende partijen, tussen de vergunningsaanvragen een onderscheid teweeg dat strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en met de voormelde bepalingen van het Europees recht. De bestuurden die betrokken zijn bij een vergunningsaanvraag voor een centrum voor technische ingraving genieten immers niet de procedurele en materiële waarborgen die worden toegekend aan de bestuurden die betrokken zijn bij een vergunningsaanvraag voor een centrum voor technische ingraving dat is geselecteerd in het plan van de centra voor technische ingraving. A.2.
  6. De verzoekende partijen, die de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in herinnering brengen, betogen dat de in het geding zijnde decreetswijziging een rechtstreekse schending van het Europees recht inhoudt, vermits de wijziging van artikel 70, tweede lid, van het decreet van 27 juni 1996 niet berust op milieucriteria zoals « de geologische en hydrogeologische omstandigheden, de afstand tussen een dergelijke locatie en woongebieden, het verbod op installaties in de nabijheid van gevoelige zones of de aanwezigheid van geschikte infrastructuur » (H.v.J., 1 april 2004, zaken C-53/02 en C-217/02), en de centra voor technische ingraving die onder die bepaling vallen, buiten elk milieucriterium om worden gedefinieerd. Bovendien wordt, volgens de verzoekende partijen, het Europees recht eveneens geschonden, omdat het bestreden decreet geen enkele adequate planning bevat. Daaruit volgt een discriminatie van de derden- omwonenden van een locatie waarvoor een vergunningsaanvraag is ingediend op basis van artikel 70, tweede lid, 4 van het gewijzigde decreet, ten aanzien van de omwonenden die te maken hebben met een gewone aanvraag om vergunning van een centrum voor technische ingraving, in zoverre zij noch de door de totstandkoming van een afvalbeheersplan geboden bescherming, noch de bescherming ingevolge de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's genieten. De verzoekende partijen voegen daaraan toe dat het bestreden decreet een schending vormt van artikel 23 van de Grondwet dat, onverminderd het standstill-effect, een positieve verplichting van de lidstaten inzake de bescherming van het leefmilieu impliceert. A.
  7. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in onderlinge samenhang gelezen, en in samenhang met het beginsel van de wapengelijkheid en met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De verzoekende partijen betogen dat de wijziging in artikel 70, tweede lid, van het voormelde decreet van 26 juni 1996 tot gevolg heeft dat de afloop wordt beïnvloed van de administratieve beroepen tot hervorming en van de jurisdictionele beroepen wegens bevoegdheidsoverschrijding, die zijn ingesteld tegen vergunningen om een centrum voor technische ingraving te vestigen en te exploiteren dat niet is geselecteerd in het plan van de centra voor technische ingraving, vastgesteld door de Waalse Regering op 1 april
  8. Standpunt van de Waalse Regering Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.
  9. De Waalse Regering betwist niet het belang van de eerste twee natuurlijke personen om in rechte te treden. In verband met de derde persoon, A. Paulet, vraagt zij dat zij het Hof meer precieze inlichtingen zou verstrekken over haar hoedanigheid van buurtbewoner van het centrum voor technische ingraving van Mont- Saint-Guibert. Zij neemt tenslotte aan dat de v.z.w. L'Epine blanche en de v.z.w. Inter-Environnement Wallonie doen blijken van hun belang om in rechte te treden. Ten aanzien van de middelen A.5.
  10. In verband met het eerste middel wenst de Waalse Regering te doen opmerken dat het middel onontvankelijk is, doordat het de rechtstreekse schending van twee Europese richtlijnen beoogt : die toetsing behoort niet tot de bevoegdheden van het Hof. A.5.
  11. De Waalse Regering, die zich op de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet baseert, is van mening dat de wijziging van het decreet, die ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel door de afdeling wetgeving van de Raad van State werd bekritiseerd, die kritiek niet doorstaat, in zoverre aan de vermelding van de residuaire capaciteit in hoofdstuk I van titel VII van het plan van de centra voor technische ingraving geen andere waarde moest worden gehecht dan een indicatieve en in zoverre de Regering eraan heeft herinnerd dat, voor de centra voor technische ingraving bedoeld in hoofdstuk II van titel VII van dat plan, dat laatste geen capaciteitslimiet vermeldde. De Waalse Regering toont ook het belang van het leefmilieu aan bij de totstandkoming van een koepelvorm in de eindfase van de exploitatie van een centrum voor technische ingraving, zoals dat het geval is te Mont-Saint-Guibert, en dat « het ontwerp van decreet », volgens de parlementaire voorbereiding, « enkel tot doel heeft een juridisch probleem te regelen dat te maken heeft met een slechte formulering van artikel 70 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen. Het ontwerp van decreet spreekt zich geenszins uit over de beslissing ten gronde die voor Mont-Saint-Guibert moet worden genomen » (Parl. St., Waals Parlement, 2002-2003, nr. 559-2, p. 27). Er dient dus te worden geoordeeld, zo besluit de Waalse Regering, dat het verschil in behandeling, dat het decreet zou teweegbrengen, objectief en redelijkerwijze verantwoord is, vermits het is ingegeven door een zorg om een adequaat regionaal afvalstoffenbeleid te voeren, en vermits het beantwoordt aan precieze en duidelijk geïdentificeerde behoeften. A.5.
  12. Wat de aangevoerde schending van artikel 23 van de Grondwet betreft, doet de Waalse Regering gelden dat de meeste auteurs hebben geoordeeld dat die bepaling geen rechtstreekse werking heeft maar een standstill-beginsel omvat. De Waalse Regering brengt vervolgens de rechtspraak van het Arbitragehof hieromtrent in herinnering, en leidt daaruit af dat het standstill-effect moet worden beoordeeld in het licht van het recht dat van toepassing was op de dag waarop artikel 23 van de Grondwet in werking is getreden en dat de wetgever het vroegere recht kan wijzigen, doch niet op beduidende wijze. Zulks is te dezen het geval voor het bestreden decreet, dat niet een dergelijke wijziging doorvoert. 5 A.
  13. Wat het tweede middel betreft, merkt de Regering op dat het bestreden decreet geen enkele retroactieve werking heeft. Met betrekking tot de beroepen die zijn ingesteld vóór de inwerkingtreding ervan, zijnde 23 oktober 2003, blijft het bestreden decreet zonder invloed, meer in het bijzonder op de vernietigingsprocedure van het ministerieel besluit van 16 december 1998 waarbij toelating werd gegeven voor de exploitatie van het centrum voor technische ingraving te Mont-Saint-Guibert. In verband met het beroep ingesteld tegen de enige vergunning toegekend op 18 december 2003, moet worden geoordeeld dat het bestreden decreet van bij het begin van toepassing was op de lopende administratieve procedure. Memorie van antwoord van de verzoekende partijen A.7.
  14. In verband met de ontvankelijkheid van het beroep van A. Paulet worden aanvullende inlichtingen neergelegd. A.7.
  15. De verzoekende partijen doen opmerken dat het eerste middel, zoals het is verwoord, geenszins impliceert dat het Hof een rechtstreekse toetsing uitoefent van de bestaanbaarheid van het decreet met Europese richtlijnen. De bestaansreden van het decreet – een andere dan diegene die erin bestaat de koepelvorm van de stortplaats van Mont-Saint-Guibert geldig te verklaren -, blijft, volgens de verzoekende partijen, raadselachtig. In het bijzonder weet men nog steeds niet wat nu precies het juridisch probleem is dat te wijten is aan de slechte formulering van artikel 70 van het decreet, die een decreetswijziging zou vergen. Aanvankelijk, zo preciseren de verzoekende partijen, was artikel 70 van het decreet eenvoudigweg een tijdelijke overgangsbepaling die het mogelijk maakte dat de hangende aanvragen het voorwerp konden uitmaken van vergunningen zolang het plan van de centra voor technische ingraving nog niet was aangenomen. Thans vormt artikel 70 een permanente afwijkingsbepaling dankzij welke de toepassing van het plan van de centra voor technische ingraving ter zijde kan worden geschoven voor de centra voor technische ingraving die nog niet werden geselecteerd in het genoemde plan. Met betrekking tot het argument volgens hetwelk het decreet een beslissing inzake een algeheel afvalstoffenbeleid vormt, zijn de verzoekende partijen niet alleen van mening dat het in tegenspraak is met de eerste aangevoerde verantwoording, namelijk een juridisch probleem oplossen, maar bovendien weet men niet welk beleid nu precies een decreetswijziging behoeft. A.7.
  16. In verband met artikel 23 van de Grondwet herhalen de verzoekende partijen dat het tegelijkertijd rechtstreekse werking heeft en een standstill-verplichting bevat. A.
  17. Na de chronologie in herinnering te hebben gebracht van de beroepen die zijn ingesteld tegen de exploitatie van het centrum voor technische ingraving te Mont-Saint-Guibert, en in het bijzonder tegen de exploitatie van een koepelvormige stortplaats bovenop een stortplaats in onderdruk, betogen de verzoekende partijen in verband met het tweede middel dat de omwonenden reeds sinds lang die locatie bekritiseren en dat het dus niet juist is dat het bestreden decreet niet van toepassing was op de lopende administratieve procedure sinds het begin ervan. De aanvraag was reeds ingediend bij de overheid die bevoegd is om uitspraak te doen over de aanvraag van enige vergunning, toen de Waalse Regering – die nochtans onbevoegd is om uitspraak te doen over de genoemde aanvraag van enige vergunning – de principiële beslissing heeft genomen om de koepelvorm toe te staan en artikel 70, tweede lid, van het decreet van 27 juni 1996 heeft laten wijzigen. Volgens de verzoekende partijen beweert de Waalse Regering louter voor de vorm dat de decreetswijziging niet is bedoeld om alleen maar te worden toegepast in het raam van de vestiging en de exploitatie van het centrum voor technische ingraving te Mont-Saint-Guibert. En wanneer men opnieuw de lijst bekijkt van de centra voor technische ingraving waarvoor machtiging is verleend, merkt men op dat vijf van de acht locaties onder de geselecteerde locaties zijn opgenomen, dat voor twee andere de exploitatie teneinde loopt of de stortplaats zelf reeds vol is en dat ten slotte enkel het centrum van Mont-Saint-Guibert niet daarin is vermeld. 6 Memorie van wederantwoord van de Waalse Regering A.9.
  18. In de eerste plaats neemt de Waalse Regering nota van de informatie in verband met de ontvankelijkheid van het beroep dat door de derde verzoekende partij is ingesteld en betwist zij niet langer haar belang om in rechte te treden. A.9.
  19. De Waalse Regering is van mening dat de verzoekende partijen, ofschoon zij het Hof niet verzoeken uitspraak te doen over een rechtstreekse schending van het afgeleide Europees recht, veel waarde hechten aan het antwoord dat door het Europees Hof van Justitie is gegeven op drie prejudiciële vragen die door de Raad van State zijn gesteld vóór de inwerkingtreding van het plan voor de centra voor technische ingraving. Voor het overige oordeelt de Waalse Regering dat de verzoekende partijen veel moeite hebben om uiteen te zetten hoe het bestreden decreet het resultaat dat wordt voorgeschreven in de richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, ernstig in het gedrang brengt. Wat betreft de aangevoerde juridische moeilijkheden verwijst de Waalse Regering naar de parlementaire voorbereiding van het decreet waarin de moeilijkheden worden aangehaald in verband met de handhaving van bepaalde centra voor technische ingraving, en zulks rekening houdend met de rechtspraak van de Raad van State. Aanvullende memorie van de verzoekende partijen A.
  20. In antwoord op de door het Hof gewezen beschikking, doen de verzoekende partijen, na te hebben herinnerd aan de opeenvolgende wijzigingen van artikel 20, § 2, van het decreet van 27 juni 1996, opmerken dat in die bepaling verplichtingen ratione personae worden gesteld in verband met de exploitanten van de centra voor technische ingraving, terwijl in artikel 24, § 2, van hetzelfde decreet – alsmede in artikel 70, tweede lid, dat daarop betrekking heeft –verplichtingen ratione loci worden opgelegd in verband met de sites die geschikt zijn voor de vestiging en de exploitatie van centra voor technische ingraving. Artikel 20, § 2, identificeert dus de actoren voor de exploitatie van centra voor technische ingraving, waarbij de machtiging om die centra te vestigen en te exploiteren aan bepaalde actoren wordt voorbehouden, naar gelang van de aard van de te verwijderen afvalstoffen. Bijgevolg kunnen, volgens de verzoekende partijen, de artikelen 20, § 2, 24, § 2, en 70, tweede lid, van het decreet op de volgende wijze worden geanalyseerd : a. De machtiging voor het vestigen en het exploiteren van een centrum voor technische ingraving kan enkel worden verleend - voor een site die is geselecteerd in het plan van de centra voor technische ingraving (hierna : plan van de C.T.I.'s) (artikel 24, § 2), - aan een exploitant die het voorstel voor die site heeft geformuleerd in het raam van de totstandkoming van het plan van de C.T.I.'s, behoudens afwijking toegekend door de Regering (artikel 20, § 2, tweede en derde lid); b. De machtiging voor het vestigen en het exploiteren van een centrum voor technische ingraving voor een bestaande stortplaats kan worden toegekend - in afwijking van artikel 24, § 2, voor een site die niet is geselecteerd in het plan van de C.T.I.'s (artikel 70, tweede lid) - aan een persoon die het voorstel voor die site niet heeft geformuleerd in het raam van het plan van de C.T.I.'s (artikel 20, § 2, vierde lid). De regeling van artikel 20, § 2, concurreert dus met de regeling vastgesteld in de artikelen 24, § 2, en 70, tweede lid, van het decreet. 7 Aanvullende memorie van de Waalse Regering A.
  21. Nadat de Waalse Regering de wetgevende voorgeschiedenis in herinnering heeft gebracht van de wijzigingen aan artikel 20, § 2, van het decreet van 27 juni 1996, stelt zij dat artikel 70, tweede lid, van het decreet enkel betrekking heeft op de centra voor technische ingraving - die bestonden vóór de inwerkingtreding van het plan van de C.T.I.'s (dit willen zeggen vóór 13 juli 1999), en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een machtiging met toepassing van artikel 70, eerste lid, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen; - die zijn vermeld in titel VII, hoofdstuk I, van het plan van de C.T.I.'s; - andere dan die welke bestemd zijn voor het uitsluitende gebruik van de oorspronkelijke afvalproducent; - die al vergund zijn. De afwijking bedoeld in artikel 20, § 2, vierde lid, van dat decreet betreft de centra voor technische ingraving die reeds bestonden vóór de aanneming van het plan van de C.T.I.'s. De bewoordingen in artikel 20, § 2, vierde lid, verschillen weliswaar, zo vervolgt de Waalse Regering, van welke die zijn gebruikt in artikel 70, tweede lid. In artikel 20, § 2, vierde lid, gebruikt de decreetgever immers de bewoordingen « vóór de goedkeuring van het plan van de C.T.I.'s » (dit wil zeggen vóór 1 april 1999), terwijl in artikel 70, tweede lid, de decreetgever de bewoordingen « vóór de inwerkingtreding van het plan van de C.T.I.'s » (dit wil zeggen vóór 13 juli 1999) gebruikt. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt echter duidelijk dat de bewoordingen « vóór de goedkeuring van het plan van de C.T.I.'s », gebruikt in artikel 20, § 2, vierde lid, zo moeten worden begrepen dat ze betekenen « vóór de inwerkingtreding van het plan van de C.T.I.'s ». Bovendien zou niets verantwoorden dat het voordeel van de afwijking enkel zou worden toegekend aan de centra voor technische ingraving die reeds bestonden vóór de aanneming van het plan van de C.T.I.'s en niet aan diegene die, in voorkomend geval, slechts bestonden ná de goedkeuring van het het plan van de C.T.I.'s, maar vóór de inwerkingtreding ervan. De centra voor technische ingraving bedoeld in artikel 70, tweede lid, van het decreet genieten bijgevolg de afwijking vervat in artikel 20, § 2, vierde lid, van hetzelfde decreet, in tegenstelling tot de nieuwe centra voor technische ingraving bedoeld in de artikelen 20, § 2, eerste tot derde lid. -B– B.
  22. De verzoekende partijen waarvan de eerste drie omwonenden van het centrum voor technische ingraving (hierna : C.T.I.) van Mont-Saint-Guibert zijn en waarvan de twee andere verenigingen zijn die onder meer de bescherming van de leefomgeving van de omwonenden van dat centrum behartigen, vorderen de vernietiging van het tweede lid van artikel 70 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, zoals het is vervangen door artikel 1 van het decreet van 16 oktober
  23. B.2.
  24. Het aangevochten artikel 70, tweede lid, van het decreet van 27 juni 1996, zoals het is vervangen bij artikel 1 van het decreet van 16 oktober 2003, bepaalt : 8 « In afwijking van artikel 24, § 2, kunnen de aanvragen betreffende andere centra voor technische ingraving dan die bestemd voor het uitsluitende gebruik van de oorspronkelijke afvalproducent, die al vergund zijn, vóór de inwerkingtreding van het in artikel 24, § 2, bedoelde plan van de centra voor technische ingraving bestonden of het voorwerp hebben uitgemaakt van een machtiging of vergunning overeenkomstig het eerste lid van dat artikel, ongeacht de datum van indiening van de aanvraag en al naar gelang het geval aanleiding geven tot een milieuvergunning, een enige vergunning of een stedenbouwkundige vergunning in de gebieden van het gewestplan waar ze vroeger vergund waren om er op de percelen die het voorwerp uitmaken van bedoelde machtiging of vergunning, de verlenging van de exploitatie, de wijziging van de exploitatievoorwaarden, met inbegrip van de voorwaarden betreffende het toegelaten volume, of de wijziging van het bodemreliëf toe te laten, afgezien van wat eerder is toegelaten. Dit lid is slechts van toepassing op de vergunde centra voor technische ingraving waarvan sprake in titel VII, hoofdstuk 1, van het op 1 april 1999 goedgekeurde plan van de centra voor technische ingraving ». B.2.
  25. Artikel 24, § 2, van het decreet van 27 juni 1996 bepaalt : « De Regering maakt, aan de hand van de in de artikelen 25 en 26 bedoelde procedure, een plan op met de centra voor technische ingraving. Dat plan bevat de sites die gebruikt zouden kunnen worden voor de vestiging en de exploitatie van centra voor technische ingraving, met uitzondering van de centra voor technische ingraving die uitsluitend bestemd zijn voor oorspronkelijke afvalproducenten. Op bedoelde sites kunnen de andere activiteiten met betrekking tot het afvalstoffenbeheer worden toegestaan, voor zover zij verband houden met de exploitatie van het technisch ondergravingscentrum of zij laatstgenoemde niet in het gedrang brengen. Er kan geen machtiging worden verleend voor andere centra voor technische ingraving dan de centra die uitsluitend bestemd zijn voor oorspronkelijke afvalproducenten, behalve de centra vermeld in het plan waarvan sprake in de vorige paragraaf ». B.2.
  26. Vóór de wijziging ervan bij het aangevochten artikel van het decreet van 16 oktober 2003 bepaalde artikel 70 van het decreet van 27 juni 1996 : « Zolang het in artikel 24, § 2 bedoelde plan voor centra voor technische ingraving niet in werking is getreden, kunnen de aanvragen om [vergunning] tot vestiging en exploitatie in de zin van artikel 11 en de aanvragen om stedebouwkundige vergunning in de zin van artikel 41, § 1 van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedebouw en patrimonium die vóór de goedkeuring van dit decreet door [het Parlement] ontvankelijk zijn verklaard, aanleiding geven tot een milieuvergunning en stedebouwkundige vergunning in de industrie-, landbouw- en ontginningsgebieden, zoals bepaald in de artikelen 172, 176 en 182 van hetzelfde Wetboek. In afwijking van het vorige lid kunnen de bij deze bepaling bedoelde aanvragen betreffende de verlenging van de termijn voor de exploitatie van percelen waarvoor reeds een 9 vergunning is verleend, aanleiding geven tot een milieuvergunning en een stedebouwkundige vergunning in de eerder toegelaten gebieden. Artikel 20, § 2 is niet van toepassing op de vestigings- en exploitatieaanvragen die ingediend worden vóór de goedkeuring van dit decreet door [het Parlement] ». Ten aanzien van het eerste middel B.
  27. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met drie Europese richtlijnen betreffende afvalstoffen. Zij klagen aan dat de voormelde decreetsbepaling tot doel heeft af te wijken van de procedure voor de totstandkoming van het plan van de C.T.I.'s, door het mogelijk te maken dat, voor de centra die vergund waren vóór de goedkeuring van het plan van de C.T.I.'s, de aanvragen tot verlenging of wijziging van de exploitatievoorwaarden, aanleiding kunnen geven tot milieuvergunningen, enige vergunningen of stedenbouwkundige vergunningen op locaties waar die C.T.I.'s voordien vergund waren, terwijl die locaties, zoals dat het geval is voor de site van Mont-Saint-Guibert, niet zijn vermeld in de lijst van de centra die bestemd kunnen worden voor de vestiging en de exploitatie van de C.T.I.'s van het plan dat bij een besluit van de Waalse Regering van 1 april 1999 is aangenomen. Zij zijn van oordeel dat aldus een onverantwoord onderscheid wordt gemaakt tussen de centra die in het plan zijn opgenomen en waarop de in het voormeld decreet van 27 juni 1996 bedoelde selectieprocedure is toegepast, en de andere centra die vergunningen kunnen blijven krijgen die afwijken van de Waalse afvalstoffenwetgeving. De verzoekende partijen zijn van mening dat op discriminerende wijze afbreuk wordt gedaan aan hun recht om een gezond leefmilieu te genieten, des te meer daar, volgens hen, de aangevochten decreetsbepaling een teruggang zou betekenen ten aanzien van de door haar gewijzigde bepaling, aangezien die, enkel bij wijze van overgang en tot aan de aanneming van het plan van de C.T.I.'s, bepaalt dat kan worden afgeweken van de voorschriften van artikel 24, § 2, van het voormeld decreet van 27 juni
  28. B.
  29. Artikel 70 van het decreet van 27 juni 1996 was een overgangsbepaling, die het tijdelijk, tot de aanneming van het plan van de C.T.I.'s, mogelijk maakte dat voor hangende 10 aanvragen machtigingen werden verleend voor de vestiging of de exploitatie, of nog, overeenkomstig het tweede lid ervan, dat aanvragen betreffende de verlenging van de exploitatietermijn aanleiding zouden kunnen geven tot een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning in de eerder toegelaten gebieden. Het plan van de C.T.I.'s werd aangenomen bij een besluit van de Waalse Regering van 1 april 1999, dat is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 juli
  30. Titel VII van dat plan stelt in hoofdstuk I ervan de lijst vast van de « toegestane C.T.I.'s », waarin de toegestane reeds in uitbating zijnde locaties worden vermeld met opgave van diegene waarvoor een aanvraag om vergunning is ingediend overeenkomstig artikel 70 van het voormelde decreet van 27 juni 1996 en, in hoofdstuk II ervan, de lijst van de « nieuwe locaties opgenomen in het plan ». Er dient ervan uit te gaan dat vanaf de inwerkingtreding van het plan van de C.T.I.'s, de vergunde centra voor technische ingraving in de zin van artikel 24, § 2, tweede lid, van het decreet van 27 juni 1996, enkel diegene zijn die zijn geselecteerd overeenkomstig de procedure vastgesteld in de artikelen 25 en 26, § 1, van het voormelde decreet van 27 juni 1996, ongeacht of het gaat om de nieuwe locaties die zijn geselecteerd in hoofdstuk II van titel VII van dat plan of om de locaties waarvoor de vergunningen zijn afgegeven vóór de inwerkingtreding van het plan en die in hoofdstuk I van titel VII van dat plan zijn vermeld. B.
  31. Artikel 1 van het decreet van 16 oktober 2003 kent aan het nieuwe tweede lid van artikel 70 een permanente draagwijdte toe, vermits het, door af te wijken van artikel 24, § 2, van het decreet van 27 juni 1996, zonder enige beperking in de tijd, toestaat de toepassing te weren van de procedures waarin dat decreet voorziet voor de aanvragen tot verlenging van de exploitatie of wijziging van de exploitatievoorwaarden voor centra, zoals dat van Mont-Saint- Guibert, die niet vóór de aanneming van het plan waren ingediend. B.6.
  32. Volgens de memorie van toelichting heeft het decreet tot doel de juridische moeilijkheden uit de weg te ruimen die zijn gerezen in verband met de centra voor technische ingraving die reeds bestonden vóór de inwerkingtreding van het plan : 11 « Die moeilijkheden rijzen op het niveau van de verlenging of de vernieuwing van de exploitatie van de bestaande centra voor technische ingraving, die als dusdanig zijn geïnventariseerd in het plan van de C.T.I.'s, en zulks, rekening houdend met de rechtspraak van de Raad van State. […] Veel van die moeilijkheden zijn ontstaan door een slechte formulering van artikel 70 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen […]. Teneinde die juridische moeilijkheden uit de weg te ruimen wordt dus gepland om artikel 70 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen te wijzigen […] » (Parl. St., Waals Parlement, 2002-2003, nr. 559-1, p. 2). De commentaar die wordt gegeven bij het aangevochten artikel 1 van het decreet van 16 oktober 2003 preciseert : « […] die bepaling strekt ertoe een wijziging mogelijk te maken van de exploitatievoorwaarden, met name in termen van volume, wat de mogelijkheid impliceert om daartoe ad hoc vergunningen af te geven. Voor alle duidelijkheid, de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning, een milieuvergunning of een enige vergunning is mogelijk voor de bestaande C.T.I.'s in de gebieden waar ze vroeger vergund waren maar niet voor de nieuwe gebieden. Een uitbreiding van de exploitatie is dus mogelijk zolang ze betrekking heeft op dezelfde percelen en voor zover het C.T.I. als dusdanig is geïnventariseerd in het plan van de C.T.I.'s » (ibid.). B.6.
  33. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd verder gepreciseerd dat dit decreet in de lijn lag van een strategische beslissing inzake de heroriëntering van het afvalstoffenbeleid die ertoe strekte het storten van huishoudelijk afval tot 5 pct. te verminderen in 2008 en het storten van industrieel restafval te verminderen met 50 pct. Daaraan werd niettemin toegevoegd : « Een dergelijke strategie neemt echter niet weg dat er tegelijkertijd een behoefte op korte termijn én op lange termijn bestaat aan stortplaatsen die goed over Wallonië zijn verspreid teneinde de afvalstoffen die geen nuttige toepassing kunnen vinden, te verwijderen. Tijdens de overgangsfase tot in 2008, in afwachting dat er geleidelijk aan middelen ter beschikking worden gesteld voor selectieve ophalingen en nuttige toepassing van de afvalstoffen, zal er onvermijdelijk een grote behoefte aan stortplaatsen blijven bestaan […] » (Parl. St., Waals Parlement, 2002-2003, nr. 559-2, pp. 6-7). In dezelfde parlementaire voorbereiding wordt verder gepreciseerd dat de behoefte aan stortplaatsen op negen miljoen kubieke meter wordt geraamd voor de periode 2003 tot 2008 12 en op ongeveer achthonderdduizend kubieke meter per jaar vanaf 2008, terwijl de bestaande capaciteit van de stortplaatsen minder dan acht miljoen kubieke meter bedraagt en dat « elke beslissing in verband met de stortplaatsen geen kortetermijnbeslissing mag zijn om reden van de zeer lange termijnen en de enorme moeilijkheden op het vlak van de besluitvorming in de sector van de centra voor technische ingraving » (ibid., p. 7). B.7.
  34. De verzoekende partijen klagen aan dat de in het geding zijnde bepaling aan de personen die betrokken zijn bij een C.T.I., bedoeld in artikel 70, tweede lid, niet de procedurele waarborgen (verantwoord voorstel voor inschrijving in het plan, kwalitatieve selectie door de « SPAQUE », milieueffectrapport van het plan, openbaar onderzoek, overlegvergadering, aanneming van het plan door de Regering) verleent die wel worden toegekend aan de personen die betrokken zijn bij een aanvraag tot exploitatie van een nieuw C.T.I. B.7.
  35. De personen die betrokken zijn bij aanvragen die met toepassing van het bestreden artikel 70, tweede lid, zijn ingediend, worden niet elke procedurele waarborg ontzegd; die aanvragen worden immers overeenkomstig de regels van het gemeen recht onderzocht en de in het decreet betreffende de milieuvergunning geboden procedurele waarborgen zijn, te dezen, vergelijkbaar met diegene die worden geboden bij de procedure van totstandkoming van het plan van de C.T.I.'s. Aldus wordt overeenkomstig artikel 26, § 4, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, de vergunningsaanvraag enkel vrijgesteld van het opstellen van een milieueffectrapport indien een dergelijk rapport werd opgesteld bij de totstandkoming van het plan van de C.T.I.'s. In het tegenovergestelde geval moet de vergunningsaanvraag worden onderworpen aan de procedure bedoeld in het decreet van 11 september 1985 « tot organisatie van de waardering van de weerslagen op het leefmilieu in het Waalse Gewest » dat met name voorziet in de voorafgaande raadpleging van de bevolking (waardoor rekening kan worden gehouden met alternatieven of bijzondere aspecten bij de milieueffectrapportering), het opstellen van een milieueffectrapport en de organisatie van een openbaar onderzoek (artikelen 12 en 14). Die procedure biedt dus niet een bescherming die aanzienlijk verschilt van diegene waarin wordt voorzien in de artikelen 25 en 26, § 1, van het decreet betreffende de afvalstoffen. 13 Zonder dat het Hof zich dient uit te spreken over de vraag of artikel 23 van de Grondwet te dezen een standstill-verplichting impliceert, volgens welke de wetgever het beschermingsniveau dat door de van toepassing zijnde wetgeving geboden wordt, niet in aanzienlijke mate zou kunnen verminderen, bij ontstentenis van redenen die verband houden met het algemeen belang, stelt het Hof vast dat de in artikel 70, tweede lid, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen vervatte maatregel het door de voorheen bestaande wetgeving geboden beschermingsniveau niet in aanzienlijke mate vermindert. Het middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het tweede middel B.8.
  36. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij klagen aan dat de bestreden bepaling tot doel of tot gevolg heeft de afloop te beïnvloeden van de administratieve en jurisdictionele beroepen die zij hebben ingesteld tegen exploitatievergunningen die aan het C.T.I. van Mont- Saint-Guibert zijn toegekend. B.8.
  37. De bestreden bepaling, ofschoon ze momenteel enkel betrekking heeft op het C.T.I. van Mont-Saint-Guibert, kan worden toegepast op alle andere C.T.I.'s vermeld in titel VII, hoofdstuk I, van het plan van de C.T.I.'s en waarvan het aantal 14 bedraagt voor de C.T.I.'s voor niet gevaarlijke huishoudelijke en industriële afvalstoffen en 29 voor de C.T.I.'s voor inerte afvalstoffen. Het bestreden decreet is in werking getreden op 23 oktober 2003, datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Het heeft geen terugwerkende kracht en het kan dus niet de hangende procedures beïnvloeden die betrekking hebben op beslissingen die vóór die datum zijn genomen. De enige vergunning, die op 18 december 2003 is verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Mont-Saint-Guibert, is toegekend met toepassing van het bestreden decreet, onverminderd de mogelijkheid om later een betwistingsprocedure in te leiden. 14 Het middel kan niet worden aangenomen. 15 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 16 maart
  38. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.059 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.