id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.068 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050413.9 Arrest- Rolnummer: 68/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-13 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-07-02 07:46 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht :
- - In zoverre het de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges zou opleggen, ofschoon een klager een in België erkend vluchteling is op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, schendt artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet. - In zoverre die bepaling de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges oplegt wanneer de klager een kandidaat-vluchteling is, schendt ze de voormelde artikelen van de Grondwet niet.
- Artikel 10, 1°bis, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 16 van de voormelde wet van 5 augustus 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en artikel 10, 1°bis, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Tekst van de beslissing Rolnummers 3000 en 3008 Arrest nr. 68/2005 van 13 april 2005 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en artikel 10, 1°bis, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij arrest van 5 mei 2004 in zake de n.v. TotalFinaElf en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 14 mei 2004, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, wanneer het zo geïnterpreteerd wordt dat het de onttrekking van de zaak aan het Belgisch gerecht zou vereisen, ook al heeft ten minste één klager als vreemdeling in België het statuut van vluchteling op het ogenblik dat de strafvordering oorspronkelijk werd ingesteld, terwijl het die onttrekking verhindert wanneer er op datzelfde ogenblik ten minste één Belgische klager was ? ». b. Bij arrest van 19 mei 2004 in zake P. Kagame en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 1 juni 2004, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de onttrekking van de zaak aan het Belgisch gerecht oplegt, hoewel minstens één klager een vreemdeling was die wettig in België verbleef op het ogenblik dat de strafvordering ingesteld werd, ook al is hij kandidaat-vluchteling, terwijl het die onttrekking verhindert wanneer minstens één klager op datzelfde ogenblik een Belgisch onderdaan was ? »;
- Schendt artikel 10, 1°bis, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het toestaat de strafvordering uit te oefenen wegens een in het buitenland gepleegde misdaad tegen het internationaal humanitair recht, wanneer het slachtoffer Belg was op het ogenblik van de feiten, maar zulks niet toestaat wanneer het slachtoffer op datzelfde ogenblik een vreemdeling was die sinds [minder dan] drie jaar wettig in België verbleef, ook al is hij kandidaat- vluchteling ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3000 en 3008 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Aung Maw Zin, Aung Thu, Ko Aung en Myint Hlaing, die keuze van woonplaats doen te 1000 Brussel, de Wynantsstraat 23; - de n.v. naar Frans recht Total (voorheen n.v. TotalFinaElf), die keuze van woonplaats doet te 1000 Brussel, Keizerslaan 3; - de Ministerraad. 3 Op de openbare terechtzitting van 1 maart 2005 : - zijn verschenen : . Mr. A. Deswaef, advocaat bij de balie te Brussel, voor de partijen Aung Maw Zin, Aung Thu, Ko Aung en Myint Hlaing, in de zaak nr. 3000; . Mr. A. de Schoutheete en Mr. N. Angelet, advocaten bij de balie te Brussel, voor de n.v. naar Frans recht Total; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Me P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de beide samengevoegde zaken, met rolnummers 3000 en 3008, die aanleiding hebben gegeven tot de twee verwijzingsarresten van het Hof van Cassatie, zijn verscheidene personen opgetreden als klagende partij op grond van de vroegere wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, die onder meer de voormelde wet van 16 juni 1993 opheft, en met toepassing van artikel 29, § 3, tweede tot vierde lid, ervan, heeft de federale procureur aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie een verslag overgezonden in verband met de aanhangige rechtsgedingen waarvoor een gerechtelijk onderzoek loopt en die hem niet in overeenstemming leken te zijn met de criteria bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1°bis, en 12bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering. Met toepassing van artikel 29, § 3, vierde lid, heeft de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges gevorderd, na de federale procureur, de klagers en diegenen die in beschuldiging zijn gesteld te hebben gehoord. In de beide zaken heeft het Hof van Cassatie met name vastgesteld dat zij betrekking hebben op feiten die zijn gepleegd buiten het grondgebied van het Rijk; dat op de datum van inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003, geen enkele vermoedelijke dader zijn hoofdverblijfplaats in België had en dat er geen klager met Belgische nationaliteit was op het ogenblik dat de strafvordering werd ingesteld. Het Hof van Cassatie heeft besloten dat de in artikel 29, § 3, van de wet van 5 augustus 2003 gestelde voorwaarden voor onttrekking waren vervuld. Nadat het Hof van Cassatie een deel van de bezwaren van de klagende partijen had verworpen, stelt het echter vast dat het door die partijen wordt verzocht de hiervoor vermelde prejudiciële vragen te stellen in verband met mogelijke schendingen van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet. 4 III. In rechte -A– Standpunt van de naamloze vennootschap naar Frans recht Total s.a., partij in het geding voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 3000 A.1.
- Na artikel 29, § 3, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht binnen het Belgisch recht en het internationaal recht te hebben gesitueerd, en na in het bijzonder eraan te hebben herinnerd hoe die bepaling tot doel heeft het lot te regelen van de aanhangige rechtsgedingen waarvoor een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek loopt op het ogenblik van de inwerkingtreding van de voormelde wet, zet de naamloze vennootschap naar Frans recht Total s.a. uiteen dat het bij artikel 29, § 3, ingevoerde beginsel van onttrekking niet moet worden toegepast wanneer een dubbele voorwaarde vervuld is, namelijk dat, enerzijds, een onderzoeksprocedure geopend was op de datum van inwerkingtreding van de wet en dat, anderzijds, ten minste één klager de Belgische nationaliteit had op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, of nog, dat ten minste één vermoedelijke dader in België zijn hoofdverblijfplaats heeft. A.1.
- Voor de partij in het geding voor het rechtscollege vloeit het duidelijke karakter van het bij artikel 29, § 3, tweede lid, ingevoerde aanknopingspunt, wat de nationaliteit van de klager betreft, niet uitsluitend voort uit de passieve personele rechtsmacht als dusdanig, maar evenzeer uit het criterium van de Belgische nationaliteit van de klager dat in aanmerking wordt genomen teneinde grondslag te verlenen aan de uitoefening van die rechtsmacht. Het in artikel 29, § 3, tweede lid, verankerde verschil in behandeling tussen de klagers die Belgische onderdanen waren op het ogenblik van het instellen van de strafvordering en de mogelijke klagers die het statuut van in België erkende vluchteling genoten op hetzelfde ogenblik, schendt volgens de s.a. Total de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet niet. In de eerste plaats bevinden de beide categorieën van personen zich in situaties die niet vergelijkbaar zijn. Indien het Hof dat niet zou aannemen, is de s.a. Total, in ondergeschikte orde, van oordeel dat dat verschil adequaat is ten aanzien van het nagestreefde doel dat erin bestaat een overgangssituatie te regelen, namelijk die van de aanhangige rechtsgedingen op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003, door uitsluiting van het risico dat de uitoefening van de Belgische jurisdictionele bevoegdheid op internationaal vlak wordt betwist. Het verschil in behandeling is, volgens de in het geding zijnde partij, evenredig met dat doel : in de meeste Staten die het beginsel van de passieve personele rechtsmacht kennen, wordt daaraan enkel op grond van de nationaliteit van het slachtoffer concreet gestalte gegeven. Ten overvloede wordt de betwiste differentiatie verantwoord ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling, namelijk een einde maken aan de misbruiken waartoe de vroegere wet aanleiding had gegeven. Het bestaan van het aanknopingspunt is gesitueerd op het ogenblik van de feiten, wat uitsluit dat het door de klager tot stand kan worden gebracht met de bedoeling om grondslag te verlenen aan de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken. De prejudiciële vraag in de zaak nr. 3000 dient, zo besluit de in het geding zijnde partij, ontkennend te worden beantwoord. Standpunt van de klagende partijen voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 3000 A.2.
- De klagende partijen in de zaak nr. 3000 vorderen in de eerste plaats dat de prejudiciële vraag zou worden geherformuleerd door te beklemtonen dat artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 afbreuk zou doen aan het recht op rechtsingang. A.2.
- Ten gronde verwijten zij het voormelde artikel dat het, ten voordele van de klager die op het ogenblik van de feiten de hoedanigheid van erkend vluchteling had, niet heeft voorzien in een uitzonderingsregeling die soortgelijk is met die waarin is voorzien ten gunste van de klager met Belgische nationaliteit. Ten minste één van de klagers is erkend als vluchteling bij een beslissing van 12 september 2001 met rechtsgevolg vanaf het ogenblik van zijn aankomst op Belgisch grondgebied, zijnde sinds december
- 5 Volgens de klagende partijen is het aldus gemaakte verschil in behandeling strijdig met artikel 16 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, luidens hetwelk een vluchteling in de Verdragsluitende Staat dezelfde behandeling geniet als een onderdaan, wat betreft rechtsingang. Bovendien hebben de artikelen 10 en 11 van de Grondwet een algemene draagwijdte en impliceren zij dat de rechtsingang zonder discriminatie wordt toegekend aan eenieder, Belgen en vreemdelingen. Standpunt van de Ministerraad in de zaken nrs. 3000 en 3008 A.3.
- De Ministerraad geeft in de eerste plaats toe dat het niet eenvoudig is de betrokken personen met elkaar te vergelijken. De wetgever heeft zich immers niet beperkt tot het klassieke onderscheid tussen eigen onderdanen en vreemdelingen, aangezien, in het raam van artikel 10, 1°bis, hij de personen die op het ogenblik van de feiten sedert minstens drie jaar effectief, gewoonlijk en wettelijk in België verblijven, gelijkstelt met de eigen onderdanen. Na in herinnering te hebben gebracht dat in strafzaken de territorialiteit het basisbeginsel is, leidt de Ministerraad daaruit af dat de uitzonderingen op dat beginsel strikt moeten worden geïnterpreteerd en de normen van het internationaal recht in acht moeten nemen. Vanwege het territorialiteitsbeginsel vormen de ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en de misdrijven van gemeen recht categorieën van misdrijven die niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Terwijl de Belgische rechtscolleges bevoegd zijn om, ongeacht de ernst van het misdrijf of de nationaliteit van de dader of het slachtoffer, kennis te nemen van misdrijven van gemeen recht, wat betreft de inbreuken op het internationaal humanitair recht, is er voorzien in uitzonderingen die worden gerangschikt volgens vier criteria : het beginsel van de werkelijke rechtsmacht van de Staat, het actieve personaliteitsbeginsel (Belgische nationaliteit van de dader van het misdrijf), het passieve personaliteitsbeginsel (Belgische nationaliteit van het slachtoffer van het misdrijf), en het beginsel van de universele rechtsmacht. Bovendien kunnen niet alle misdrijven die door vreemdelingen buiten het Belgische grondgebied zijn gepleegd, met elkaar worden vergeleken : daaronder zijn er de schendingen van het internationaal humanitair recht, de enige waartegen vervolging kan worden ingesteld wanneer de dader niet wordt gevonden in België. De Ministerraad is van mening dat een gelijkstelling van de vreemdelingen die reeds drie jaar in België verblijven met de eigen onderdanen reeds zeer gunstig is. Nog een stap verder gaan door dat onderscheid af te schaffen lijkt hem niet mogelijk. A.3.
- In de veronderstelling dat het Hof van oordeel is dat de beide categorieën van personen vergelijkbaar zijn, is de Ministerraad van mening dat het onderscheid tussen die twee categorieën op objectieve criteria berust. De doelstelling van de wetgever is bovendien wettig, vermits uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de betwiste wet is aangenomen om een einde te maken aan manifeste politieke misbruiken van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Ten slotte is het middel ook evenredig. De Ministerraad besluit dus dat de beide prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. Memorie van antwoord van de s.a. Total, partij in het geding voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 3000 A.
- In de eerste plaats is de s.a. Total van mening dat de inhoud van de prejudiciële vraag niet moet worden gewijzigd. Ten gronde is zij het eens met de memorie die Ministerraad heeft ingediend. De vennootschap merkt op dat de klagende partijen volgens haar enkel hebben geconcludeerd in verband met het recht op rechtsingang, dat niet wordt gewijzigd door het betwiste artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus
- Bijgevolg is artikel 16 van het Verdrag van Genève, dat door diezelfde partijen–slachtoffers wordt aangevoerd, te dezen niet toepasbaar, vermits het het recht op rechtsingang tot voorwerp heeft. De in het geding zijnde partij verwerpt eveneens de door de klagende partijen gemaakte verwijzing naar artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en is verder van oordeel dat, in tegenstelling tot wat de in het geding zijnde klagende partijen in de zaak nr. 3000 aanvoeren, de betwiste bepaling volkomen in 6 overeenstemming is met de beginselen die in de aanbeveling van het Comité voor de Rechten van de Mens zijn geformuleerd. Memorie van antwoord van de klagende partijen voor het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. 3000 A.
- De klagende partijen zijn van oordeel dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, de vluchtelingen een categorie vormen die vergelijkbaar is met die van de eigen onderdanen wat betreft de mogelijkheid om klacht te kunnen indienen. Zij zijn eveneens van oordeel dat de Ministerraad de overgangsbepaling van artikel 29, § 3, tweede lid, de enige die hier in het geding is, en de bepalingen van de wet van 5 augustus 2003 die voor de toekomst gelden, door elkaar haalt. Ofschoon het passieve personaliteitsbeginsel is voorbehouden aan de enkele zaken waarin sprake is van een duidelijke verbondenheid met België, moet worden aangenomen dat het individu aan wie door de Belgische Staat het statuut van vluchteling is toegekend vóór het instellen van de strafvordering en dat in België verblijft, een aanknopingspunt met die Staat vertoont, dat vergelijkbaar is met dat van het individu dat de Belgische nationaliteit geniet. Aangezien de eigen onderdanen en de vluchtelingen zich in analoge situaties bevinden, zal het in artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 vastgestelde verschil in behandeling het volgens de klagende partijen bijgevolg niet mogelijk maken de nagestreefde doelstelling te bereiken, namelijk een einde maken aan onrechtmatige klachten, en kan het ertoe leiden dat een einde wordt gemaakt aan niet onrechtmatige klachten. Bovendien maakt dat verschil een onevenredige inbreuk op de rechten van verdediging van de klagende partijen die een klacht hebben ingediend op grond van de wet van
- Memorie van antwoord van de Ministerraad A.
- De Ministerraad is in de eerste plaats van oordeel dat het Arbitragehof niet - zoals de klagende partijen erom verzoeken - de prejudiciële vragen kan wijzigen die het Hof van Cassatie duidelijk heeft willen beperken. Artikel 29, § 3, van de wet van 5 augustus 2003 heeft niet tot doel het recht op toegang tot de hoven en rechtbanken te regelen : dat artikel vormt een overgangsbepaling in verband met de rechtsmacht van de Belgische strafgerechten om kennis te nemen van de strafvordering op grond van ernstige schendingen van het humanitair recht die in het buitenland zijn gepleegd. De nationaliteit van het slachtoffer heeft enkel een weerslag op de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken. Met andere woorden, de wet verbiedt de buitenlandse slachtoffers niet om het herstel van hun nadeel voor de Belgische strafgerechten te vorderen; zij stelt eenvoudigweg vast dat een dergelijke vordering niet volstaat als grondslag voor de rechtsmacht van de Belgische strafgerechten om kennis te nemen van de strafvordering op grond van een misdrijf dat geen aanknopingspunt met België vertoont. Voor de Ministerraad is artikel 29, § 3, van de wet van 5 augustus 2003 geen bepaling die ertoe strekt een verschil in behandeling in het leven te roepen tussen de eigen onderdanen en de vreemdelingen. Het is enkel een overgangsbepaling die het lot regelt van de aanhangige rechtsgedingen, rekening houdend met de wijzigingen in de regeling inzake rechtsmacht van de Belgische strafgerechten ten aanzien van bepaalde misdrijven die in het buitenland zijn gepleegd. Na te hebben bevestigd dat de beide prejudiciële vragen ontkennend dienen te worden beantwoord, vraagt de Ministerraad zich af of het antwoord op die vragen zelfs enig belang heeft voor de klagende partijen in zoverre, indien het Hof een bevestigend antwoord zou geven, volgens hem, geconcludeerd zou moeten worden tot de onmiddellijke en volledige toepasbaarheid van de nieuwe wet op alle hangende rechtsplegingen, wat, zo meent hij, niet van dien aard zou zijn dat de situatie van de klagende partijen voor het Hof van Cassatie zou verbeteren. 7 -B– Ten aanzien van de draagwijdte van de in het geding zijnde bepalingen B.1.
- Artikel 29, § 3, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht bepaalt : « De aanhangige rechtsgedingen waarvoor een opsporingsonderzoek loopt op datum van de inwerkingtreding van deze wet en die betrekking hebben op misdrijven zoals omschreven in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek, worden geseponeerd door de federale procureur binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van deze wet wanneer ze niet beantwoorden aan de criteria als bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1°bis en 12bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering. De aanhangige rechtsgedingen waarvoor een gerechtelijk onderzoek loopt op datum van de inwerkingtreding van deze wet en die betrekking hebben op misdrijven zoals omschreven in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek, worden binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van deze wet door de federale procureur overgezonden aan de procureur- generaal bij het Hof van Cassatie, met uitzondering van de zaken waarvoor een onderzoeksdaad was gesteld op datum van de inwerkingtreding van deze wet, op voorwaarde dat er ofwel tenminste één Belgische klager was op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, ofwel tenminste één vermoedelijke dader in België zijn hoofdverblijfplaats heeft op datum van de inwerkingtreding van deze wet. Binnen dezelfde termijn zendt de federale procureur een verslag over betreffende ieder van de overgezonden zaken, waarin hij hun non-conformiteit aangeeft met de criteria als bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1°bis en 12bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering. Binnen vijftien dagen na deze overdracht, vordert de procureur-generaal het Hof van Cassatie de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges uit te spreken binnen de dertig dagen, na de federale procureur en, op hun vraag, de klagers en diegenen die in beschuldiging zijn gesteld door de in de zaak geadieerde onderzoeksrechter te hebben gehoord. Het Hof van Cassatie doet uitspraak op grond van de criteria als bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1°bis en 12bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering. De Belgische rechtscolleges blijven bevoegd voor de zaken die niet zijn geseponeerd op grond van § 3, eerste lid, van dit artikel, of waarvan de onttrekking niet werd uitgesproken op grond van het vorige lid ». Het tweede lid van de voormelde bepaling maakt het voorwerp uit van de prejudiciële vraag in de zaak nr. 3000 en van de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr.
- 8 B.1.
- Artikel 10, 1°bis, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, dat het voorwerp uitmaakt van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 3008, bepaalt : « Een vreemdeling, behoudens deze genoemd in de artikelen 6 en 7, § 1, kan in België vervolgd worden wanneer hij zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt : […] 1°bis. aan een ernstige schending van het internationaal humanitair recht, in boek II, titel Ibis van het Strafwetboek omschreven, gepleegd tegen een persoon die, op het moment van de feiten, een Belgische onderdaan is of een persoon die sedert minstens drie jaar effectief, gewoonlijk en wettelijk in België verblijft. […] ». B.2.
- Bij wijze van overgangsregeling bepaalt artikel 29, § 3, tweede lid, van de voormelde wet van 5 augustus 2003 dat de aanhangige rechtsgedingen waarvoor een gerechtelijk onderzoek loopt en die betrekking hebben op ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, door de federale procureur worden overgezonden aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie. Die bepaling is evenwel niet van toepassing op de zaken waarvoor een onderzoeksdaad was gesteld op datum van de inwerkingtreding van de wet, op voorwaarde dat er ofwel ten minste één Belgische klager was op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, ofwel ten minste één vermoedelijke dader in België zijn hoofdverblijfplaats heeft op datum van de inwerkingtreding van de wet. B.2.
- Het voormelde artikel 10, 1°bis, is ingevoegd bij artikel 16, 2°, van de wet van 5 augustus
- Die bepaling is, in tegenstelling tot artikel 29, § 3, van dezelfde wet, geen overgangsmaatregel. Wanneer bij het Hof van Cassatie echter een vordering tot onttrekking aanhangig wordt gemaakt overeenkomstig artikel 29, § 3, moet het, na te hebben onderzocht of de ontvankelijkheidsvoorwaarden van die vordering zijn vervuld met toepassing van artikel 29, § 3, tweede lid, zich uitspreken op grond van de criteria waarin met name is voorzien in artikel 10, 1°bis, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en zulks overeenkomstig artikel 29, § 3, vierde lid. Het Hof van Cassatie spreekt de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges uit indien de ontvankelijkheidsvoorwaarden en de grondvereisten van die vordering zijn vervuld. 9 Ten aanzien van de prejudiciële vraag in de zaak nr. 3000 en van de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 3008 B.
- Het Hof van Cassatie vraagt allereerst het Hof of artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in zoverre die bepaling de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges zou opleggen « ook al heeft ten minste één klager als vreemdeling in België het statuut van vluchteling op het ogenblik dat de strafvordering oorspronkelijk werd ingesteld » (zaak nr. 3000) of « hoewel minstens één klager een vreemdeling was die wettig in België verbleef op het ogenblik dat de strafvordering ingesteld werd, ook al is hij kandidaat-vluchteling » (zaak nr. 3008), « terwijl het die onttrekking verhindert wanneer minstens één klager op datzelfde ogenblik een Belgisch onderdaan was ». B.4.
- De overgangsregeling vastgesteld bij artikel 29, § 3, waarvan het tweede lid het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt, werd als volgt verantwoord : « Op de lopende zaken wordt een nauwkeurig omschreven regeling van toepassing : de algemene filosofie hierbij bestaat erin dat de hangende zaken waarin de nieuwe territoriale of extraterritoriale bevoegdheidsregels in acht worden genomen, behouden blijven (strafbaar feit gepleegd in België, of door een Belg of een persoon met hoofdverblijfplaats in België of tegen een persoon die op het tijdstip van de feiten de Belgische nationaliteit draagt, of nog tegen een persoon die op het tijdstip van de feiten sedert drie jaar effectief, gewoonlijk of legaal in België verblijft of in alle gevallen waarin België krachtens het internationale recht bevoegd is). In dit kader moet geen rekening worden gehouden met het gegeven dat de mogelijkheid zich burgerlijke partij te stellen in verhouding tot het vroegere rechtsstelsel is ingeperkt. Wanneer voor de hangende zaken reeds een strafvordering is ingesteld en ingevolge de objectieve band die sedertdien tussen die zaak en België is ontstaan, blijven bepaalde zaken die niet beantwoorden aan de bevoegdheidsvoorwaarden die in de toekomst gelden maar die op geldige wijze bij de Belgische rechtbanken aanhangig zijn gemaakt, bovendien bij het Belgische gerecht aanhangig. In het stelsel dat aldus is ingevoerd voor de zaken waarvoor een strafvordering is ingesteld, wordt – zoals de Raad van State heeft voorgesteld – erop toegezien dat de zaak die bij de Belgische gerechten aanhangig is gemaakt, niet wordt onttrokken op grond van de werking van de wet maar bij de gerechtelijke beslissing, in dit geval bij beslissing van het Hof van Cassatie » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0103/003, pp. 10-11). 10 B.4.
- Wat betreft de uitzondering waarin is voorzien in de overgangsregeling van onttrekking die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, namelijk dat de procedure tot onttrekking niet wordt toegepast wanneer er ten minste één Belgische klager was op het ogenblik van het instellen van de strafvordering in een zaak waarvoor een onderzoeksdaad is gesteld vóór de datum van inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003, stelt de memorie van toelichting dat de wetgever de draagwijdte van de afwijking heeft willen beperken tot uitsluitend die zaken die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet « een duidelijk aanknopingspunt met België » vertoonden (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0103/001, p. 10). B.
- Wanneer de wetgever de in het geding zijnde bepalingen van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering heeft ingevoerd omdat een ruim beroep werd gedaan op de wet van 16 juni 1993 om redenen die vreemd zijn aan een goede rechtsbedeling en aan de doelstellingen van die wet door personen die geen enkel aanknopingspunt hadden met België, kon hij een overgangsmaatregel nemen ten voordele van personen die met België verbonden zijn door de juridische band van de nationaliteit. Een dergelijke overgangsmaatregel is pertinent ten opzichte van de doelstelling van de wetgever. Die maatregel is echter onevenredig doordat hij, in strijd met artikel 16.2 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, ook de in België erkende vluchteling uitsluit. Die bepaling luidt immers : « Een vluchteling geniet in de Verdragsluitende Staat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, dezelfde behandeling als een onderdaan, wat betreft rechtsingang, […] ». Daarentegen, nu die bepaling niet van toepassing is op de kandidaat-vluchtelingen, vermocht de wetgever hen anders te behandelen dan Belgen. B.
- De prejudiciële vraag in de zaak nr. 3000 dient bevestigend te worden beantwoord en de eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 3008 dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 3008 B.
- Het Hof van Cassatie stelt de vraag of artikel 10, 1°bis, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, « in zoverre het toestaat de strafvordering uit te oefenen wegens een in het buitenland gepleegde misdaad tegen het internationaal humanitair recht, wanneer het slachtoffer Belg was op het ogenblik van de feiten, maar zulks niet toestaat wanneer het slachtoffer op datzelfde ogenblik een vreemdeling was die sinds [minder dan] drie jaar wettig in België verbleef, ook al is hij kandidaat-vluchteling ». B.8.
- De wet van 5 augustus 2003 heeft tot doel een einde te maken aan de problemen die zijn gerezen door de toepassing van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, met name « manifeste politieke misbruiken van deze wet » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0103/001, p. 3). B.8.
- Ten aanzien van het persoonlijke aanknopingspunt met het land, heeft de wetgever het noodzakelijk geacht bepaalde grenzen te stellen aan het passieve personaliteitsbeginsel : op het ogenblik van de feiten moet het slachtoffer de Belgische nationaliteit hebben of sedert minstens drie jaar effectief, gewoonlijk en wettelijk in België verblijven. B.
- Door te bepalen dat de strafvordering enkel kan worden uitgeoefend voor misdrijven gepleegd tegen een persoon die, op het moment van de feiten, een Belgische onderdaan is of een persoon die sedert minstens drie jaar effectief, gewoonlijk en wettelijk in België verblijft, heeft de wetgever een maatregel genomen die redelijkerwijze verantwoord is. Bovendien is het verschil in behandeling niet kennelijk onevenredig ten aanzien van het nagestreefde doel om klachten te vermijden van personen die zich in België zouden vestigen om de enkele reden om, zoals dit het geval was onder de gelding van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en van artikel 144ter van het Gerechtelijk Wetboek, er de mogelijkheid in te vinden om de Belgische rechtscolleges bevoegd te maken voor de misdrijven waarvan die personen beweren het slachtoffer te zijn. B.
- De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
- - In zoverre het de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges zou opleggen, ofschoon een klager een in België erkend vluchteling is op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, schendt artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet. - In zoverre die bepaling de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges oplegt wanneer de klager een kandidaat-vluchteling is, schendt ze de voormelde artikelen van de Grondwet niet.
- Artikel 10, 1°bis, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij artikel 16 van de voormelde wet van 5 augustus 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 april 2005, door rechter P. Martens, ter vervanging van voorzitter M. Melchior, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van dit arrest bij te wonen. De griffier, De wnd. voorzitter, L. Potoms P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.068 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.