id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 20 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.075 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050420.13 Arrest- Rolnummer: 75/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-13 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-07-02 07:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.2.7, verwerpt het beroep. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 1 (partim ) en 15 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 december 2003 « betreffende de werkgelegenheid in de sociaal-culturele sector en houdende diverse bepalingen », ingesteld door de v.z.w. Fédération interdiocésaine des bibliothécaires et des bibliothèques catholiques. Tekst van de beslissing Rolnummer 3062 Arrest nr. 75/2005 van 20 april 2005 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 1 (partim) en 15 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 december 2003 « betreffende de werkgelegenheid in de sociaal-culturele sector en houdende diverse bepalingen », ingesteld door de v.z.w. Fédération interdiocésaine des bibliothécaires et des bibliothèques catholiques. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 juli 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 juli 2004, heeft de v.z.w. Fédération interdiocésaine des bibliothécaires et des bibliothèques catholiques, met maatschappelijke zetel te 4000 Luik, rue de Joie 68, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 1 (partim) en 15 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 december 2003 « betreffende de werkgelegenheid in de sociaal-culturele sector en houdende diverse bepalingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 januari 2004, tweede editie). De Franse Gemeenschapsregering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 1 maart 2005 : - zijn verschenen : . Mr. D. Drion, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partij; . Mr. E. Jacubowitz loco Mr. M. Uyttendaele en Mr. V. Rigodanzo, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de bestreden bepalingen A.1. De verzoekende partij zet uiteen dat bij een decreet van de Franse Gemeenschap van 28 februari 1978 de openbare dienst voor lectuurvoorziening werd ingesteld. Zij is erkend als professionele vereniging van bibliothecarissen en bibliotheken krachtens de uitvoeringsmaatregelen van dat decreet en geniet als dusdanig forfaitaire subsidies. Zij merkt op dat de decreten van 28 juli 1992, 26 april 1999 en 20 juli 2000, in de sectoren waarop ze betrekking hebben (cultuur, sport, jeugd), voorzien in de erkenning van zowel individuele eenheden (culturele centra, sportfederaties, jeugdhuizen, enz.) als verenigingen of federaties van individuele eenheden. 3 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep en het belang om in rechte te treden A.2.1. De verzoekende partij zet uiteen dat zij een vereniging zonder winstoogmerk is die tot doel heeft :
- a)het belang van haar leden te behartigen, te vertegenwoordigen en te bevorderen ten aanzien van alle overheden en autoriteiten die bevoegd zijn inzake openbare lectuurvoorziening;
- b)te voorzien in de coördinatie en de samenwerking met elke instelling of structuur die de openbare lectuurvoorziening moet bevorderen, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 1978 waarbij ze wordt ingesteld en de bepalingen van het Cultuurpact;
- c)informatie te verstrekken aan, documentatie ter beschikking te stellen van en vormingsstages te organiseren voor bibliothecarissen, animatoren en leden van de inrichtende machten van de bibliotheken;
- d)het publiek voor te lichten inzake lectuurvoorziening, documentaire opzoekingen en informatie- en communicatietechnologie. Zij is van mening dat zij, als erkende federatie van bibliotheken en bibliothecarissen die subsidies geniet krachtens de van toepassing zijnde reglementering, doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van bepalingen die haar die subsidies voortaan ontzeggen. A.2.2. De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat het beroep onontvankelijk is, in zoverre de verzoekende partij niet doet blijken van het belang om in rechte te treden : de door haar in dat verband aangereikte elementen zijn te bondig. De Regering is van oordeel dat de verzoekende partij als professionele vereniging niet in het decreet wordt beoogd, aangezien zij niet een privaatrechtelijke vereniging of stichting is die als een in het decreet bedoelde openbare bibliotheek wordt erkend. Met verwijzing naar het maatschappelijk doel van de verzoekende partij stelt de Franse Gemeenschapsregering dat haar functie niet erin bestaat personeel ter beschikking te stellen van de private bibliotheken, een element dat de verzoekende partij aanvoert in haar verzoekschrift. Zij doet weliswaar gelden dat zij niet langer zou worden gesubsidieerd voor het door haar tewerkgestelde personeel, maar indien dat personeel wordt tewerkgesteld in het raam van een afwijkende opvatting van het maatschappelijk doel, doet de verzoekende partij niet blijken van het vereiste belang. De sector zal nog steeds naar behoren worden gesubsidieerd indien het personeel wordt tewerkgesteld door de in het decreet bedoelde instellingen - en niet door een professionele vereniging die zich onrechtmatig heeft omgevormd tot werkgever voor rekening van derden. A.2.3. De verzoekende partij antwoordt dat bij ontstentenis van rechtsgrond die exceptie moet worden verworpen en merkt in ondergeschikte orde op dat de Franse Gemeenschapsregering heeft aangenomen dat zij in aanzienlijke mate door het decreet werd geraakt. De verzoekende partij verwijst zowel naar het decreet van 28 februari 1978 en naar het besluit van 24 december 1997 als naar de bepaling in haar statuten waarin haar met name tot doel wordt gesteld « te voorzien in de coördinatie en de samenwerking met elke instelling of structuur die de openbare lectuurvoorziening moet bevorderen, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 1978 waarbij ze wordt ingesteld en de bepalingen van het Cultuurpact », en doet gelden dat haar activiteit in overeenstemming is met die bepalingen. A.2.4. De Franse Gemeenschapsregering doet bovendien gelden dat het beroep onontvankelijk is, in zoverre uit de stukken in haar bezit niet blijkt dat de verzoekende partij de lijst van haar leden heeft neergelegd bij de griffie van de burgerlijke rechtbank van de plaats van haar maatschappelijke zetel, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921. A.2.5. De verzoekende partij antwoordt dat de Franse Gemeenschapsregering geen rekening houdt met het feit dat de wet van 27 juni 1921 is gewijzigd bij een wet van 2 mei 2002. Zij wijst erop dat haar statuten het voorwerp hebben uitgemaakt van de door de inwerkingtreding van de nieuwe wet vereiste aanpassingen en is van mening dat de exceptie van onontvankelijkheid in rechte faalt; zij legt een getuigschrift van de Rechtbank van Koophandel te Brussel voor waaruit blijkt dat op 17 september 1996 de lijst van haar leden, die sindsdien ongewijzigd bleef, ter griffie werd neergelegd. A.2.6. In haar memorie van wederantwoord gedraagt de Franse Gemeenschapsregering zich naar de wijsheid van het Hof. 4 Ten aanzien van artikel 1 van het decreet A.3.1. De verzoekende partij zet uiteen dat door de precisering dat het bestreden decreet van toepassing is op de sector van de openbare lectuurvoorziening zoals die in het decreet van 28 februari 1978 is geregeld « voor de privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheken », artikel 1 van het bestreden decreet haar het voordeel ontzegt van de bij het bestreden decreet ingevoerde subsidies. Zij is immers een federatie van privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheken; zij vormt niet op zichzelf een privaatrechtelijke vereniging of stichting erkend als openbare bibliotheek, hoewel zij is erkend als deelnemer aan de activiteitensector die in het decreet betreffende de openbare dienst voor lectuurvoorziening wordt geregeld. A.3.2. Volgens de verzoekende partij wordt in de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet niet de reden aangegeven die verantwoordt dat een federatie van privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheek wordt uitgesloten van de toepassingssfeer van dat decreet, dat nochtans de socio-culturele sectoren beoogt die worden bedoeld in het kaderakkoord voor de non-profitsector van 29 juni 2000 (dat de verzoekende partij rechtstreeks aanbelangt), en die, volgens diezelfde parlementaire voorbereiding, de in het bestreden decreet bedoelde subsidies moeten genieten. Volgens de verzoekende partij bestaat er dus een discriminatie tussen haarzelf en de privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheken, in zoverre laatstgenoemde, die deel uitmaken van de activiteitensector die wordt geregeld bij het decreet van 28 februari 1978, en die worden bedoeld in het voormelde kaderakkoord, de bij het bestreden decreet ingevoerde subsidieregeling genieten, terwijl de verzoekende partij, die eveneens deel uitmaakt van de activiteitensector die wordt geregeld bij het decreet van 28 februari 1978, en die in dat akkoord op dezelfde wijze rechtstreeks wordt beoogd, van de bij het decreet ingevoerde subsidieregeling wordt uitgesloten. A.3.3. Die ontstentenis van verantwoording wordt bevestigd door vergaderingen die door de administratie zijn belegd teneinde het probleem op te lossen dat erin bestaat dat de verzoekende partij van het voordeel van het bestreden decreet wordt uitgesloten. De brieven van de Minister van Kunsten en Letteren en van de Audiovisuele Sector en de bevoegde ambtenaar, als antwoord op brieven van de verzoekende partij, tonen aan dat het decreet een interpretatiemoeilijkheid veroorzaakt (met name in verband met het begrip werkgever en de overgangsbepaling bedoeld in artikel 19), en dat het standpunt van de overheid nog niet is bepaald. A.3.4. De verzoekende partij zet uiteen dat door het woord « werkgever » te gebruiken (in plaats van het woord « inrichtende macht » zoals het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 14 maart 1995 dat deed), artikel 3 van het decreet het de verzoekende partij niet langer mogelijk maakt om 68 werknemers subsidies te laten genieten die het decreet hun nochtans willen garanderen. In de meeste gevallen zijn de « privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheken » geen werkgevers maar beschikken zij over personeelsleden die door de federatie, verzoekende partij, worden tewerkgesteld. Deze kan de in het geding zijnde subsidies echter niet langer genieten. A.3.5. De verzoekende partij merkt verder op dat artikel 1 van het decreet niet de federaties uitsluit die werkzaam zijn in de verschillende erin beoogde activiteitensectoren, behoudens wat de enkele sector van de openbare lectuurvoorziening betreft, vermits dat artikel enkel naar het decreet van 28 februari 1978 verwijst in zoverre het de privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheken beoogt. Die beperking moet worden vernietigd. Ten aanzien van artikel 15 A.4. De verzoekende partij betoogt dat die bepaling discriminerend is in zoverre zij de openbare sector voor lectuurvoorziening niet zoals de andere sectoren (bedoeld in artikel 9, § 2) behandelt wat betreft het aantal aan de werkgever toe te kennen punten. Volgens de memorie van toelichting wil het decreet een gelijke verdeling mogelijk maken van de bedragen die zijn vrijgemaakt ingevolge het kaderakkoord voor de non-profitsector van 29 juni 2000. De bij het decreet ingevoerde discriminerende regeling beantwoordt echter geenszins aan dat akkoord. A.5. In haar memorie van antwoord voegt de verzoekende partij daaraan toe dat, als antwoord op een parlementaire vraag van 29 september 2004, de bevoegde minister gezegd heeft zich bewust te zijn van de in het geding zijnde discriminatie, en dat één van de oplossingen waarbij daaraan een einde kan worden gemaakt erin 5 bestaat de weddetoelagen te verhogen op basis van de acht punten die door de in het geding zijnde sector in aanmerking worden genomen, maar daar meteen aan toevoegde dat die maatregel binnen de sector van de openbare lectuurvoorziening een interne gelijkschakeling betekende maar niet de discriminatie uitvlakte die blijft voortbestaan tussen de openbare lectuurvoorziening en de andere socio-culturele sectoren, waarvoor de in voltijdse equivalenten uitgedrukte bezoldiging op basis van een hoger aantal punten wordt berekend. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.1. De artikelen 1 en 15 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 17 december 2003 betreffende de werkgelegenheid in de sociaal-culturele sector en houdende diverse bepalingen luiden : « Artikel 1. Voor de toepassing van dit decreet, dient verstaan te worden onder : - Sectorregeling : de decreten en besluiten van de Franse Gemeenschap betreffende de activiteitensectoren bedoeld in dit artikel; - Regering : de Regering van de Franse Gemeenschap van België; - Permanente opvoeding : de activiteitensector geregeld bij het decreet van 8 april 1976 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van de organisaties voor permanente opvoeding van de volwassenen in het algemeen en van de organisaties voor de sociaal-culturele bevordering van de arbeiders en het decreet van 17 juli 2003 met betrekking tot de steun aan het verenigingsleven op het gebied van de permanente opvoeding; - Cultureel centrum : de activiteitensector geregeld bij het decreet van 28 juli 1992 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van de culturele centra; - Jeugdcentra : de activiteitensector geregeld bij het decreet van 20 juli 2000 tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van jeugdhuizen, van ontmoetings- en huisvestingscentra, van informatiecentra voor jongeren en van hun federaties; - Jeugdverenigingen : de activiteitensector geregeld bij het decreet van 20 juni 1980 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van de jeugdverenigingen; - Sportfederaties : de activiteitensector geregeld bij het decreet van 26 april 1999 tot organisatie van de sport in de Franse Gemeenschap; - Openbare lectuurvoorziening : de activiteitensector geregeld bij het decreet van 28 februari 1978 tot instelling van de Openbare Dienst voor openbare Lectuurvoorziening, gewijzigd bij de decreten van 21 oktober 1988, 19 juli 1991 en 30 november 1992, voor de privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheken; 6 - Lokale televisiezenders : de activiteitensector geregeld bij artikel 74 van het decreet van 27 februari 2003 betreffende de radio-omroep; - Productie- en gastateliers : de activiteitensector geregeld bij het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 26 juli 1990 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de productieateliers en de gastateliers voor films en videogrammen en bij het besluit van 23 februari 2000 tot erkenning van de V.Z.W. ‘ Atelier de création sonore et radiophonique ’ als onthaalstructuur inzake creatie op radio; - Paritaire commissie nr. 329 : de Paritaire Commissie voor de sociaal-culturele sector, ingesteld door het koninklijk besluit van 28 oktober 1993; - Ambtenclassificatie : het geheel van ambten die aan eenzelfde barema van een barematabel beantwoorden ». « Art. 15. In afwijking van artikel 9, § 2, voor de sector openbare lectuurvoorziening, heeft de werkgever recht op 8 punten voor iedere voltijds equivalente werknemer die voor een tegemoetkoming in aanmerking komt bij toepassing van artikel 6, § 1, voor de ambten die beantwoorden aan wat in artikel 6, § 2 wordt voorgeschreven ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.1.2. De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat het verzoekschrift niet ontvankelijk zou zijn in zoverre de verzoekende v.z.w. niet de lijst van haar leden zou hebben neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg. B.1.3. Artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 bepaalt dat elke vordering ingesteld door een vereniging die de formaliteiten omschreven in de artikelen 10, 23 en 26novies, § 1, tweede lid, 5°, niet in acht heeft genomen, wordt opgeschort. De vordering is slechts onontvankelijk indien de vereniging niet binnen de door de rechter bepaalde termijn aan haar verplichtingen voldoet. De verplichting om een kopie van het register van de leden en de wijzigingen in de lijst van de bestuurders neer te leggen in het verenigingsdossier op de griffie van de rechtbank van koophandel (artikel 26novies, § 1, tweede lid, 3° en 6°) behoort niet tot de in artikel 26 bedoelde formaliteiten. Overigens stelt het Hof vast dat v.z.w.’s die vóór 1 januari 2004 rechtspersoonlijkheid hebben verworven bij wijze van overgangsmaatregel tot eind 2005 de 7 tijd krijgen om zich in overeenstemming te brengen met hun nieuwe verplichtingen (koninklijk besluit van 2 april 2003, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 december 2004). B.1.4. De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat de verzoekende partij geen belang zou hebben bij het beroep tot vernietiging omdat zij niet een in het decreet beoogde privaatrechtelijke vereniging of stichting erkend als openbare bibliotheek is. De omstandigheid dat zij personeel ter beschikking zou stellen van private bibliotheken zou niet relevant zijn, aangezien zulks niet deel uitmaakt van haar maatschappelijk doel. B.1.5. De verzoekende partij is een federatie van bibliotheken en bibliothecarissen die als professionele vereniging is erkend krachtens het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 24 december 1997. Haar statuten stellen dat zij tot doel heeft het belang van haar leden te behartigen, te vertegenwoordigen en te bevorderen ten aanzien van alle overheden en autoriteiten die bevoegd zijn inzake openbare lectuurvoorziening, te voorzien in de coördinatie en de samenwerking met elke instelling of structuur die de openbare lectuurvoorziening moet bevorderen, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 februari 1978 waarbij ze wordt ingesteld en de bepalingen van het Cultuurpact, informatie te verstrekken aan, documentatie ter beschikking te stellen van en vormingsstages te organiseren voor bibliothecarissen, animatoren en leden van de inrichtende machten van de bibliotheken en het publiek voor te lichten inzake lectuurvoorziening, documentaire opzoekingen en informatie- en communicatietechnologie. B.1.6. Haar hoedanigheid van professionele vereniging van bibliotheken en bibliothecarissen verbiedt de verzoekende partij niet de vernietiging te vorderen van bepalingen die aan de privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheken voordelen voorbehouden waarvan zij zich op discriminerende wijze verstoken acht. B.1.7. Aangezien die statutaire bepalingen de verzoekende partij niet verbieden personeel aan te werven om het ter beschikking te stellen van erkende openbare bibliotheken en zij daadwerkelijk personeel te hunner beschikking stelt, doet ze blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van bepalingen die financiële voordelen toekennen aan de werkgevers (uit de socio-culturele sector) die door de Franse Gemeenschap zijn erkend 8 (artikelen 3 en 4 van het bestreden decreet) teneinde hen in staat te stellen « het hoofd te bieden aan de weddeschaalverhoging die voortvloeit uit het akkoord voor de non-profitsector van de Franse Gemeenschap van 29 juni 2000 » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 464/3, p. 3). Ten aanzien van artikel 1 B.2.1. De verzoekende partij betoogt dat artikel 1 van het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het, in het achtste streepje, de enkele privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheken beoogt en bijgevolg de verzoekende partij, die een federatie van bibliotheken en bibliothecarissen is (die erkend is en als dusdanig door de Franse Gemeenschap toegekende subsidies geniet) uitsluit van de toepassingssfeer van het bestreden decreet en haar aldus de subsidies ontzegt waarin het voorziet en die de voormelde privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen daarentegen wel genieten. B.2.2. Het bestreden decreet kent aan de door de Franse Gemeenschap erkende werkgevers uit de socio-culturele sector een subsidie toe (artikelen 3 en 4). De subsidie bevat een variabel gedeelte, dat wordt berekend op basis van het in puntenaantal uitgedrukte aantal werknemers, en een forfaitair gedeelte (artikelen 7, 9, 14 en 18). De socio-culturele sectoren waarop het decreet toepasbaar is gemaakt (artikel 2) bevatten ook de sector van de openbare lectuurvoorziening, gedefinieerd in artikel 1 met verwijzing naar het decreet van 28 februari 1978 tot instelling van de Openbare Dienst voor Lectuurvoorziening « voor de privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheken ». B.2.3. Het decreet van de Franse Gemeenschap van 28 februari 1978 heeft de openbare dienst voor lectuurvoorziening ingesteld. Het bepaalt dat de Gemeenschap de bibliotheken erkent indien zij worden ingericht overeenkomstig de bepalingen van het decreet en de besluiten genomen ter uitvoering ervan (artikel 1). Het voorziet ook in het verlenen van toelagen (artikel 8), met name forfaitaire toelagen waarvan de Regering volgens door haar vastgestelde criteria het bedrag bepaalt dat is bedoeld als tegemoetkoming in de bezoldiging van het technisch of leidend personeel, overeenkomstig de bepalingen van het bestreden decreet (artikel 8, 1°, gewijzigd bij het decreet van 17 december 2003). 9 B.2.4. Dat decreet is uitgevoerd bij het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 14 maart 1995 betreffende de organisatie van de openbare dienst voor lectuurvoorziening, dat onder meer de voorwaarden voor erkenning van de verschillende bibliotheken (artikelen 11 tot 30), de voorwaarden voor aanwerving van het personeel (artikelen 40 en 41) en de voorwaarden voor toekenning van toelagen (artikelen 41 tot 44) vaststelt. B.2.5. Een besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 24 december 1997, dat eveneens is genomen ter uitvoering van het decreet van 28 februari 1978, staat de bevoegde minister toe, overeenkomstig de in het besluit vastgestelde voorwaarden, verenigingen of verbonden van bibliotheken of bibliothecarissen te erkennen « die tot doel hebben acties te voeren inzake gunstige ontwikkeling en promotie van het Boekwezen en de openbare bibliotheken ». Die professionele verenigingen of verbonden dienen tevens informatie te verstrekken en het personeel op te leiden en dienen ook het beroep van bibliothecaris in een gunstig licht te stellen. De erkende verenigingen en verbonden genieten toelagen die de kosten dekken voor het secretariaat, voor de bevordering van de leesactiviteiten, voor het organiseren van vergaderingen, seminaries en colloquia en publicaties die betrekking hebben op de opdrachten van de erkende instelling, alsmede buitengewone toelagen voor uitrusting of voor het organiseren van opleidingsactiviteiten (artikel 5, §§ 1 tot 4). B.2.6. De verzoekende partij is erkend op grond van het in B.2.5 bedoelde besluit en geniet als dusdanig toelagen. B.2.7. Het lijdt geen twijfel dat de professionele verenigingen van bibliothecarissen, erkend op grond van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 24 december 1997, waarvan de verzoekende partij deel uitmaakt, tot de socio-culturele sector behoren. Het kaderakkoord dat het bestreden decreet ten uitvoer wil leggen, strekt ertoe de bezoldigingen van de daar tewerkgestelde personen te verhogen. Zoals de verzoekende partij aangeeft, staat het haar vrij personeel aan te werven om het ter beschikking te stellen van de privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen erkend als openbare bibliotheken op grond van artikel 1 van het decreet van 28 februari 1978 tot 10 instelling van de Openbare Dienst voor Lectuurvoorziening. Dergelijke ambtenaren behoren tot de personen wier geldelijke situatie het voormelde kaderakkoord en het bestreden decreet beogen te verbeteren. Artikel 1 van het bestreden decreet zou derhalve de in het middel aangevoerde bepalingen schenden, indien het in die zin zou worden geïnterpreteerd dat het de in het geding zijnde professionele verenigingen die personeel ter beschikking stellen van de privaatrechtelijke verenigingen en stichtingen bedoeld in het decreet van 28 februari 1978, niet mogelijk zou maken de subsidies te genieten waarin het bestreden decreet voorziet. Een dergelijke interpretatie kan evenwel niet worden gevolgd, aangezien in de parlementaire voorbereiding van het decreet niet wordt aangegeven waarom de voormelde professionele verenigingen zouden moeten worden uitgesloten van het voordeel van de daarin bepaalde subsidies, noch waarom de in het bestreden artikel 1 gekozen formule ertoe zou moeten leiden dat zij van dat voordeel worden uitgesloten. B.2.8. In die interpretatie bestaat het aangevoerde verschil in behandeling niet en kan het middel niet worden aangenomen. Ten aanzien van artikel 15 B.3.1. De verzoekende partij betoogt dat artikel 15 van het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het, voor de sector van de openbare lectuurvoorziening, bepaalt dat de werkgever recht heeft op acht punten voor « iedere voltijds equivalente werknemer » die voor een tegemoetkoming in aanmerking komt, terwijl voor de andere sectoren de werkgevers recht hebben op tien punten. B.3.2. De artikelen 7, § 1, en 9, § 2, van het decreet bepalen dat de subsidie een bedrag omvat dat is berekend in verhouding tot het aantal punten toegekend aan de werkgevers voor de voltijdse betrekkingen; dat aantal is, behoudens gunstigere sectorregelingen, vastgesteld op tien. Artikel 15, waartegen het beroep is gericht, wijkt af van die algemene regel door, voor de sector van de openbare lectuurvoorziening, het aantal punten terug te brengen tot acht. Die 11 maatregel strekt ertoe de aan de verschillende sectoren toegekende middelen op « egalitaire » wijze te verdelen, waarbij rekening wordt gehouden met de subsidies die reeds op basis van vroegere bepalingen zijn toegekend : « In de specifieke begroting van de sectoren van de permanente opvoeding, de jeugdorganisaties, de jeugdcentra en de culturele centra, en dus buiten de begroting voor de akkoorden van de non-profitsector, bedroeg de subsidie per vast personeelslid 21.070,95 euro. In de sector van de privé-bibliotheken werden de vaste personeelsleden gesubsidieerd tegen 16.237,02 euro. Teneinde onder de sectoren een egalitaire verdeling mogelijk te maken van de bedragen die zijn vrijgemaakt naar aanleiding van de akkoorden van de non-profitsector van 29 juni 2000, bepaalt het decreet dat, in die sector, de subsidie per vast personeelslid op 8 punten wordt gebracht. […] De subsidie voor de werkgelegenheid die de Franse Gemeenschap toekent op grond van het onderhavige decreet vormt een tegemoetkoming in de weddeschaalverhoging en geen compensatie voor de subsidies voor de werkgelegenheid waarin de sectorregelingen voorzien » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2003-2004, nr. 464/1, pp. 3 en 5). Het staat aan de wetgever te bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden hij subsidies toekent en of de door hem toegekende verhogingen al dan niet « egalitair » moeten zijn. Het Hof zou een dergelijke keuze van de wetgever alleen kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn. Te dezen had de decreetgever weliswaar, zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, de in het geding zijnde subsidies op zulke wijze kunnen verdelen dat de vroeger toegekende subsidies zouden worden gecompenseerd. Het verschil in behandeling dat hij invoert tussen de sector van de openbare bibliotheken en de andere betrokken sectoren door dat niet te doen, wordt echter verantwoord door de zorg, die eveneens in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel, om de middelen die ter beschikking worden gesteld door de akkoorden die het decreet ten uitvoer legt, op lineaire wijze te verdelen. 12 Om die redenen, het Hof, onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.2.7, verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 20 april 2005, door rechter P. Martens, ter vervanging van voorzitter M. Melchior, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van dit arrest bij te wonen. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.075 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div