id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.086 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050504.8 Arrest- Rolnummer: 86/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-12 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-07-02 07:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de artikelen 108 tot 112 van de programmawet van 22 december 2003 (farmaceutische heffing), ingesteld door de c.v.b.a. Centrale Afdeling voor fractionering van het Rode Kruis, door de vennootschap naar Nederlands recht Merck Sharp & Dohme BV en door de n.v. Pfizer. Tekst van de beslissing Rolnummers 3025, 3037 en 3041 Arrest nr. 86/2005 van 4 mei 2005 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 108 tot 112 van de programmawet van 22 december 2003 (farmaceutische heffing), ingesteld door de c.v.b.a. Centrale Afdeling voor fractionering van het Rode Kruis, door de vennootschap naar Nederlands recht Merck Sharp & Dohme BV en door de n.v. Pfizer. Het Arbitragehof, samengesteld uit voorzitter A. Arts en rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 juni 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 juni 2004, heeft de c.v.b.a. Centrale Afdeling voor fractionering van het Rode Kruis, met maatschappelijke zetel te 1120 Brussel, de Tyraslaan 109, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 108, 109 en 110 van de programmawet van 22 december 2003 (farmaceutische heffing) (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2003). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni 2004, heeft de vennootschap naar Nederlands recht Merck Sharp & Dohme BV, die keuze van woonplaats heeft gedaan te 1160 Brussel, Tedescolaan 7, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 108 tot 112 van de programmawet van 22 december 2003 (farmaceutische heffing). c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 juni 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 juli 2004, heeft de n.v. Pfizer, met maatschappelijke zetel te 1050 Brussel, Pleinlaan 17, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 111 van de programmawet van 22 december 2003 (farmaceutische heffing). Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3025, 3037 en 3041 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 16 maart 2005 : - zijn verschenen : . Mr. D. Caestecker, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3025; . Mr. X. Leurquin, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3037; . Mr. P. L’Ecluse, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3041; . Mr. L. Depré en Mr. P. Slegers, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken uitgesteld in voortzetting voor de neerlegging van de door de eerste rechter-verslaggever gevraagde stukken. 3 Op de openbare terechtzitting van 13 april 2005 zijn de zaken in beraad genomen, nadat is vastgesteld dat de gevraagde stukken aan het Hof werden toegezonden. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Zaak nr. 3025 A.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 3025, de c.v.b.a. Centrale afdeling voor fractionering van het Rode Kruis, voert drie middelen aan tegen de artikelen 108, 109 en 110 van de programmawet van 22 december 2003, waarbij artikel 191, eerste lid, 15°, artikel 191, eerste lid, 15°quater, en artikel 191, eerste lid, 15°quinquies, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen worden gewijzigd. A.2.1. Het eerste en het tweede middel zijn afgeleid uit de schending, door de voormelde bepalingen, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat twee verschillende categorieën van geneesmiddelenproducenten door de bestreden maatregel, die een belasting instelt, op dezelfde wijze worden behandeld, namelijk, enerzijds, zij die chemisch vervaardigde of recombinant bereide farmaceutische specialiteiten produceren en, anderzijds, de verzoekende partij, die geneesmiddelen produceert van humane oorsprong, waarvan de productie- en commercialiseringsvoorwaarden zeer specifiek zijn. Die gelijke behandeling kan niet objectief en redelijk worden verantwoord. Anders dan de eerste categorie van producenten produceert de verzoekende partij niet alleen economisch rendabele geneesmiddelen, maar ook geneesmiddelen die slechts voor beperkte patiëntengroepen worden vervaardigd en waarvoor men afhankelijk is van de beperkte beschikbaarheid van humane grondstoffen, zodat de doelstelling van de maatregel, namelijk de toename in het verbruik van de geneesmiddelen terug te dringen, voor haar, als een « not-for-profit » organisatie, niet opgaat. A.2.2. De Ministerraad acht het verantwoord dat de farmaceutische firma’s wier geneesmiddelen worden vergoed, waardoor zij hun inkomsten zien verhogen, bijdragen tot de alternatieve financiering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Nu ook de verzoekende partij een geneesmiddelenproducent is die geneesmiddelen produceert die zijn opgenomen in het vergoedingssysteem, en zij ter zake aan dezelfde voorwaarden en criteria is onderworpen als de andere producenten van terugbetaalbare geneesmiddelen, is er geen verschil met die andere geneesmiddelenproducenten dat een verschil in behandeling zou rechtvaardigen. Het argument dat zij geen winst zou maken - wat overigens niet wordt aangetoond - is, gelet op het aspect van terugbetaalbaarheid van haar producten, niet relevant. De prijsbepaling wordt geregeld door de wetgeving en het in voorkomend geval verliesgevend karakter van de verkoop van vergoede geneesmiddelen kan niet worden toegerekend aan de wetgever. Ongeacht of de heffing een belasting is of niet, verschillen de argumenten van het tweede middel niet van die van het eerste middel. A.3.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 170, § 1, van de Grondwet, doordat de maatregel, die alle kenmerken van een belasting vertoont, niet beantwoordt aan de grondwettelijke voorwaarden die voor de invoering ervan zijn gesteld en hij het aan de uitvoerende macht overlaat om de belastingplichtigen te identificeren. Het is immers niet duidelijk wat met farmaceutische firma’s wordt bedoeld, noch welke de criteria zijn - zoals bijvoorbeeld het winstgevende karakter en het juridisch statuut van de firma of het vergoedbare karakter van de op de Belgische markt gebrachte specialiteiten - om als heffingsplichtige te worden beschouwd. Zij wijst op de verschillende behandeling door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) - waaruit reeds de ongrondwettige delegatie blijkt - ter zake van het verschuldigd zijn van de heffing, van het Belgische Rode Kruis, dat vrijgesteld was, en de verzoekende partij, die, door verzelfstandiging, uit die instelling van openbaar nut is gegroeid en de heffing wel dient te betalen. 4 A.3.2. Zonder dat moet worden nagegaan of de heffing al dan niet een belasting is, acht de Ministerraad het derde middel niet ernstig. Het is immers duidelijk wie wordt bedoeld met « farmaceutische firma », namelijk een firma die geneesmiddelen op de markt brengt, wat overigens blijkt uit verschillende bepalingen van de wet waarop de bestreden bepalingen van de programmawet betrekking hebben. De verzoekende partij moet, als aanvrager van de tegemoetkoming voor haar geneesmiddelen overeenkomstig de vigerende wetgeving, weten dat zij moet worden beschouwd als een onderneming die farmaceutische specialiteiten op de Belgische markt brengt. Zij moet, als vennootschap op basis van artikel 3 van haar statuten, wel degelijk worden beschouwd als een firma die farmaceutische producten verkoopt op de markt van terugbetaalde geneesmiddelen. Nu geen twijfel kan bestaan over het feit dat de bestreden bepalingen op de verzoekende partij van toepassing zijn, heeft zij geen belang bij het aangevoerde middel en is dat middel onontvankelijk. Zaak nr. 3037 A.4. De verzoekende partij in de zaak nr. 3037 voert negen middelen aan tegen de artikelen 108 tot 112 van de programmawet van 22 december 2003. Eerste middel A.5.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk en in samenhang gelezen met het beginsel van de scheiding der machten en de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde beginselen van de onafhankelijkheid van de rechters, van « de voorrang van het recht », van het recht op een eerlijk proces, van het vereiste van de wapengelijkheid en van het recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep, al dan niet in samenhang met artikel 14 van dat Verdrag, doordat de wetgever, met miskenning van de voormelde beginselen en zonder objectieve en redelijke verantwoording, voor de zevende opeenvolgende keer ingrijpt in de aangelegenheid van de heffing op de omzet van farmaceutische bedrijven. De gehanteerde techniek zou aan ieder arrest van het Hof elk nuttig gevolg ontnemen aangezien, wanneer die arresten worden uitgesproken, hoe dan ook een nieuwe rechtsgrond in de plaats is gekomen van die waarop dat arrest betrekking had. Het Hof heeft volgens de verzoekende partij in een vorig arrest niet op die kritiek geantwoord. Zij verwijst naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die toestaat dat in geval van dwingende redenen van algemeen belang in procedures wordt ingegrepen, en in het bijzonder naar het arrest in de zaak Crisan tegen Roemenië van 27 mei 2003, waarin de afschaffing van een vroeger bestaande rechtsgang voor een rechtscollege in strijd werd geacht met het in artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens opgenomen recht van toegang tot de rechter. Dergelijke redenen van dwingend algemeen belang zijn te dezen niet aangetoond. De bevoegde rechtscolleges worden door die techniek steeds verhinderd zich uit te spreken over de vorderingen die zijn gebaseerd op de vervangen bepalingen. A.5.2. De Ministerraad verwijst naar de rechtspraak van het Hof, het laatst in het arrest nr. 73/2004, met betrekking tot de gebezigde techniek en de terugwerkende kracht die de bestreden bepalingen wordt toegeschreven. De in het middel aangevoerde beginselen zijn niet geschonden in zoverre de wetgever zelf een bevoegdheid heeft uitgeoefend die hij aanvankelijk had gedelegeerd. De wetgever heeft slechts in het algemeen belang de juridische basis van de verschillende heffingen versterkt; hij kon daarbij oordelen dat het algemeen belang vereiste dat een sedert 1990 ingestelde heffing kon worden gehandhaafd die onmisbaar was voor het budgettaire evenwicht van de verzekering voor geneeskundige verzorging. Ook het middel afgeleid uit de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is door het Hof reeds beantwoord. De inmenging in lopende rechtszaken, gesteld dat die er is, dient het algemeen belang. Doordat het Hof zich in het verleden reeds over de grond van de zaak heeft kunnen uitspreken, kan niet worden volgehouden dat de verzoekende partij, voor die vroegere bepalingen, ook geen effectieve toegang tot een rechter zou hebben gehad. De uitspraak in de zaak Crisan tegen Roemenië is dan ook niet relevant. 5 Tweede, derde en vierde middel A.6.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk en in samenhang gelezen met het beginsel van de redelijke termijn in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, al dan niet in samenhang met artikel 14 van dat Verdrag, doordat de voor de rechtscolleges, op basis van de vroegere en telkenmale, zonder objectieve en redelijke verantwoording, door gelijkluidende bepalingen vervangen wetgeving, ingeleide procedures niet binnen een redelijke termijn kunnen worden afgehandeld. Het derde en het vierde middel berusten op soortgelijke overwegingen, doch zij zijn uitsluitend gegrond op de schending, ten nadele van de verzoekende partij, van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met het internrechtelijke beginsel van het recht op een eerlijk proces en de beginselen van niet-terugwerkende kracht van de juridische voorschriften en van rechtszekerheid, door de systematische vervanging zowel van een aanvankelijke wettelijke bekrachtiging als van bestaande wetsbepalingen door nieuwe wetsbepalingen met terugwerkende kracht en gelijke inhoud. De « formeel » terugwerkende kracht van de bepalingen werd door het Hof erkend, maar dat begrip werd niet toegelicht. De verwijzing naar de artikelen 133 en 136 van de wet van 22 februari 1998 als rechtsgrond voor later wetgevend optreden wordt niet begrepen. A.6.2. De Ministerraad verwijst ook hier naar de rechtspraak van het Hof in de arresten nrs. 40/2003 en 73/2004. De eventuele ingreep in hangende procedures vloeit overigens voort uit de artikelen 133 en 136 van de wet van 22 februari 1998, waarvan het Hof reeds in het arrest nr. 97/99 heeft vastgesteld dat ze niet ongrondwettig zijn. De Ministerraad ziet niet in waarin het derde en het vierde middel van het eerste middel verschillen. Ook hier verwijst hij naar de gevestigde rechtspraak van het Hof. Vijfde tot en met negende middel A.7. Het vijfde tot en met het negende middel zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van behoorlijke wetgeving, en, wat het zevende middel betreft, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. A.8.1. Het vijfde en het zesde middel zijn gericht tegen artikel 108 van de programmawet van 22 december 2003, doordat de overschrijding van het budget voor de gezondheidszorg, zelfs los van het budget voor de terugbetaalbare geneesmiddelen, buiten elke objectieve en redelijke verantwoording hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend, middels de heffing ten laste van de farmaceutische bedrijven wordt gelegd. Wanneer de wetgever een financiële bijdrage voor de alternatieve financiering van de sociale zekerheid oplegt, dient hij die bijdrage te verdelen over alle actoren overeenkomstig objectieve, controleerbare en pertinente criteria in het licht van de nagestreefde doelstelling. De omvang van de basisheffing, die van jaar tot jaar verschilt, moet volgens die partij ook worden verantwoord, alsook de omvang van de begroting voor de farmaceutische specialiteiten, die stelselmatig onderschat wordt. A.8.2. De Ministerraad herhaalt deels zijn argumentatie en voegt er verder aan toe dat het verschil in behandeling van de farmaceutische sector ten opzichte van de andere actoren berust op een specifieke positie die niet kan worden betwist. De analyse van de parlementaire voorbereiding toont aan dat de twee vergeleken bijdragen niet van verschillende aard zijn en dat de bijdrage bedoeld in het bestreden artikel 108 niet vreemd zou zijn aan de sector van de vergoedbare geneesmiddelen. Het verschil in behandeling vloeit voort uit het feit dat de geneesmiddelenproducenten, door het stelsel van de sociale verzekering, in een zeer comfortabele commerciële stabiliteit verkeren, wat op zich reeds de betwiste heffingen verantwoordt. Het jaarlijkse verschil in omvang van de heffingen vloeit voort uit de verschillende budgettaire ramingen op korte, middellange en lange termijn. De tekorten op de begroting van de farmaceutische specialiteiten toont ook aan dat de bijdrage van de farmaceutische firma’s geenszins voldoende is om de afschaffing van de basisheffing te verantwoorden. A.9.1. Het zevende middel is gericht tegen artikel 109 van de programmawet van 22 december 2003, dat een voorschot vaststelt op een hypothetische aanvullende heffing voor de overschrijding van de uitgaven in de jaren 2002, 2003 en 2004, verschuldigd op een ogenblik dat reeds duidelijk is dat een dergelijke overschrijding niet bestaat, en voorziet in de renteloze terugbetaling ervan na vijftien maanden, indien blijkt dat er geen overschrijding was, terwijl, enerzijds, voor een dergelijke maatregel geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat die het mogelijk maakt een onderscheid te maken met de andere belanghebbenden in de sector en 6 anderzijds, de maatregel neerkomt op het zonder vergoeding ontnemen van de beschikking over goederen in de vorm van een verplichte renteloze lening aan het RIZIV. A.9.2. Ook ten aanzien van dat middel brengt de Ministerraad in herinnering dat het Hof heeft geoordeeld dat het stelsel niet op ongerechtvaardigde wijze afbreuk doet aan de rechten van de partijen met betrekking tot het ongestoord genot van hun eigendom. Hij beklemtoont dat de farmaceutische firma’s niet de enige zijn die dienen te participeren in de wegwerking van het tekort in de sector en dat de terugbetaling van het onverschuldigde zonder intresten, niet als een onevenredige maatregel kan worden beschouwd. A.10.1. Het achtste middel is gericht tegen artikel 110 van de programmawet van 22 december 2003, dat zonder enige relatie tot een eventuele overschrijding van het budget voor farmaceutische specialiteiten, een bijkomende heffing invoert voor de jaren 2002, 2003 en 2004, zonder objectieve en redelijke verantwoording zowel wat betreft het principe als wat betreft het bedrag ervan. A.10.2. Ook op dat middel heeft het Hof volgens de Ministerraad al geantwoord. Het Hof stelde reeds vast dat het totale bedrag van de structurele heffingen (die van artikel 108 en artikel 110) steeds vermindert over de jaren heen. De in artikel 110 bedoelde heffing is een adequate maatregel om de door de wetgever nagestreefde doelstelling te verwezenlijken. A.11.1. Het negende middel is gericht tegen artikel 111 van de programmawet van 22 december 2003 doordat het, voor de recuperatie van de deelbudgetten vastgesteld ter uitvoering van artikel 69, § 5, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, zonder objectieve en redelijke verantwoording een berekeningswijze vaststelt die verschilt van die in artikel 191, eerste lid, 15°quater, van dezelfde wet. De wetgever heeft niet verantwoord waarom het bekritiseerde onderscheid, dat hij in 2001 nog heeft verworpen, thans wordt aanvaard. Dat geldt des te meer aangezien er over de omvang van de deelbudgetten - die, anders dan de Ministerraad beweert, niet losstaan van het totale budget maar er een onderverdeling van zijn - geen overleg moet zijn met de representatieve vertegenwoordigers van de geneesmiddelensector zodat de Koning de begroting gemakkelijk kan onderschatten. A.11.2. De Ministerraad verwerpt die stelling op basis van een toelichting van de regeling. De vermindering met 25 pct. van de eventuele onderschrijding van de algehele jaarlijkse begrotingsdoelstelling ten aanzien van de berekening van het bedrag dat bij de farmaceutische firma’s moet worden gerecupereerd ten gevolge van de overschrijding van het totale budget, werd ingevoerd in 1990. Wanneer in een deelsector van het totale budget besparingen zijn opgetreden, terwijl het totale budget is overschreden, zijn de farmaceutische bedrijven een heffing verschuldigd die wordt berekend op basis van artikel 191, eerste lid, 15quater, verminderd met 25 pct. van de vastgestelde onderschrijding. Het in mindering te brengen bedrag vloeit voort uit een akkoord met de farmaceutische sector, uitgaande van het beginsel dat het onmogelijk is vast te stellen wat de concrete interactie is van een dergelijk geneesmiddel op het budget van de overige sectoren. De op grond van artikel 69, § 5, van de wet van 14 juli 2004 gecreëerde mogelijkheid voor de Koning om deelbudgetten voor bepaalde klassen vast te stellen, leidt ertoe dat die autonoom functioneren, dit wil zeggen dat noch de overschrijdingen noch de onderschrijdingen in het totale budget in rekening worden gebracht. Die regeling is niet nodig voor de deelbudgetten die zuiver autonoom werken. Bij onderschrijding van het deelbudget zullen de farmaceutische firma’s voor dat jaar geen heffing verschuldigd zijn. Wanneer er daarentegen een onderschrijding is van de algehele jaarlijkse begrotingsdoelstelling in het budget van de geneesmiddelen, zal die onderschrijding slechts aan die bedrijven ten goede komen tot beloop van 25 pct. hiervan. Het nieuwe mechanisme is derhalve gunstig voor de farmaceutische firma’s. In hoofdorde merkt de Ministerraad op dat niet artikel 111 van de programmawet van 22 december 2003 de vermindering van 25 pct. doet verdwijnen, maar wel artikel 105, dat niet wordt bestreden met een beroep tot vernietiging, zodat het middel onontvankelijk is. In ondergeschikte orde meent de Ministerraad dat de afschaffing van de 25 pct.-regel wordt verklaard door de wil van de wetgever om voor bepaalde farmacotherapeutische klassen een verschillend stelsel in te voeren vanwege hun specifieke karakter, namelijk hun belang voor de markt van de medicijnen – en bijgevolg voor het budget van de geneesmiddelen en hun therapeutisch belang. De deelname van de farmaceutische sector in geval van overschrijding is niet op forfaitaire wijze vastgesteld op 65 pct., maar wordt op proportionele wijze berekend tot een hoogte van 65 pct. De maatregel is nodig om de budgettaire doelstelling te bereiken en is dus redelijk verantwoord en evenredig. 7 Zaak nr. 3041 A.12. Het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 3041 is uitsluitend gericht tegen artikel 111 van de programmawet van 22 december 2003, dat toestaat dat voor producenten van een specifieke groep van geneesmiddelen een specifiek deelbudget wordt vastgesteld en dat bij overschrijding hiervan volgens de daarin bepaalde criteria een bijdrage wordt ingesteld ten laste van de betrokken farmaceutische firma’s die tijdens het jaar waarin de overschrijding heeft plaatsgevonden, een omzet hebben verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen die zijn ingeschreven op de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten binnen het betrokken deelbudget. De verzoekende partij is registratiehouder van een geneesmiddel dat op een dergelijke lijst is vastgesteld, namelijk de statines, waarvan het vastgestelde budget door de verzoekende partij als absoluut ontoereikend wordt omschreven en derhalve aanleiding zal geven tot de heffing van de betwiste bijdrage. Tegen de bestreden bepaling worden vijf middelen aangevoerd. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.13.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging omdat het in wezen is gericht tegen het koninklijk besluit van 31 maart 2004 tot vaststelling van het globaal budget 2004 van de financiële middelen voor het hele Rijk voor de verstrekkingen inzake de farmaceutische specialiteiten in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, waarbij toepassing wordt gemaakt van de bestreden bepaling, en in het bijzonder tegen artikel 6 van dat besluit, waarbij een deelbudget voor statines wordt vastgesteld. Alle middelen zijn immers gericht tegen de vaststelling van een deelbudget voor statines, en niet voor andere geneesmiddelen, en in het bijzonder tegen het deelbudget voor statines van de door de verzoekende partij geproduceerde soort. De bestreden norm heeft geen betrekking op statines, maar op alle geneesmiddelen die opgenomen zijn in een deelbudget; het feit dat de Koning later enkel de statines in een deelbudget heeft willen opnemen, is vreemd aan de huidige problematiek. De mogelijkheid om deelbudgetten vast te stellen, vloeit trouwens niet voort uit de bestreden bepaling, maar uit artikel 69, § 5, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, dat hier niet in het geding is. In ondergeschikte orde gaat de Ministerraad op elk van de middelen in, na evenwel hierbij telkens de aldus geponeerde onontvankelijkheid in herinnering te hebben gebracht. A.13.2. De verzoekende partij, die tevens de samenvoeging van de zaken betreurt vanwege de verschillende draagwijdte van de beroepen, wijst eerst op het duidelijke verschil tussen de in het geding zijnde heffing en de overige heffingen, waarover het Hof zich reeds heeft uitgesproken en die betrekking hadden op (deel)budgetten van het geneesmiddelenbudget waarvan de omvang uitsluitend na overleg met de sector werd vastgesteld. Zij betwist de onontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging aangezien de bestreden bepaling wel degelijk de grondslag vormt voor de instelling van een deelbudget voor statines en het daarmee gepaard gaande specifieke en discriminerende terugvorderingmechanisme dat afwijkt van datgene waarin artikel 191, eerste lid, 15°quater, van de wet van 14 juli 1994 voorziet voor andere geneesmiddelen. De Ministerraad heeft de bestreden bepaling overigens zelf aangewezen als de grondslag voor de verschillende behandeling van producenten van statines en van andere geneesmiddelen om de ontvankelijkheid van haar beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 31 maart 2004 te betwisten. A.13.3. In de memorie van wederantwoord ontkent de Ministerraad voor de Raad van State en het Arbitragehof tegenstrijdige argumenten aan te wenden in de beroepen tegen respectievelijk artikel 6 van het voormelde koninklijk besluit en de thans bestreden wetsbepaling. De verzoekende partij voert voor de onderscheiden rechtscolleges de verkeerde middelen aan tegen de verschillende rechtsnormen, wat niet aan de Ministerraad mag worden verweten. Eerste middel A.14.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat één subgroep van geneesmiddelenproducenten, namelijk de producenten van statines, verschillend worden behandeld ten aanzien van andere farmaceutische ondernemingen die geen statines produceren, in het algemeen, 8 en ten aanzien van producenten van andere, vaak voorgeschreven geneesmiddelen, in het bijzonder, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. A.14.2. De Ministerraad voert aan dat het verschil in behandeling tussen de producenten van statines en die van andere geneesmiddelen niet discriminerend is. Het gaat immers om een geneesmiddel waarvoor ten gevolge van het verval van het octrooi van één van de meest voorgeschreven statines een sociaal-medische aanpak mogelijk is, die een verschil in behandeling rechtvaardigt om een financieel draagbaar beleid op dat vlak te waarborgen. Tweede middel A.15.1. Het tweede middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de terugvordering geschiedt bij alle producenten van statines en aldus geen rekening wordt gehouden met relevante criteria van onderscheid binnen de groep van statines en bijgevolg geen criteria zijn bepaald voor de vaststelling van individuele bijdragepercentages per geneesmiddel. A.15.2. De bestreden bepaling houdt volgens de Ministerraad geen machtiging aan de Koning in om de Grondwet en de wet te miskennen bij de uitvoering van de mogelijkheid tot het vaststellen van een heffing. Derde middel A.16.1. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het evenredigheidsbeginsel, de beginselen van behoorlijk bestuur en het rechtszekerheidsbeginsel, doordat, enerzijds, ten laste van geneesmiddelenproducenten bij overschrijding van het totale budget voor geneesmiddelen reeds een algemeen terugvorderingsmechanisme bestaat en, anderzijds, het specifieke terugvorderingsmechanisme onvoorspelbaar is bij ontstentenis van voldoende duidelijke criteria (onder meer de percentagebepaling van hun omzetcijfer) op grond waarvan de terugvordering van het bedrag over de producenten zal worden verdeeld. De wijze waarop de producenten van statines als groep worden behandeld, is onvoorspelbaar en discriminatoir, creëert rechtsonzekerheid en is ongrondwettig. Er wordt niet aangetoond waarom een specifiek terugvorderingmechanisme beter bijdraagt tot het vooropgestelde beleid dan het bestaande mechanisme van terugvordering van de overschrijding van het totale geneesmiddelenbudget. A.16.2. Volgens de Ministerraad kan door de ingestelde heffing een specifiek sociaal-medisch beleid worden gevoerd. De mogelijkheid om deelbudgetten vast te leggen werd overigens reeds door de wet van 24 december 1999 houdende sociale en diverse bepalingen ingesteld. Zij werd door het Hof grondwettig beoordeeld in het arrest nr. 159/2001. De toevoeging van andere mechanismen, in de bestreden wetsbepaling, die de overschrijding van een deelbudget moeten helpen tegenwerken, dient om dezelfde redenen grondwettig te worden geacht. Vierde en vijfde middel A.17.1. In het vierde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in het genot van de garanties bepaald in artikel 5 van de richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg, doordat de heffing, ten gevolge van haar onvoorspelbaarheid, een aanzienlijke beperking van de winstmarges inhoudt en doordat bovendien niet is voldaan aan de informatieverplichting in artikel 5 van die richtlijn. Een vijfde middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in het genot van de garanties bepaald in artikel 6, leden 3 en 6, van dezelfde richtlijn, doordat het specifieke terugvorderingsmechanisme ertoe leidt dat een bepaalde categorie van geneesmiddelen (minstens partieel) wordt uitgesloten van de vergoedbaarheid aangezien de terugbetaling ervan tot beloop van het bedrag van de overschrijding wordt ingetrokken. Het op basis van de in het geding zijnde bepaling ingevoerde deelbudget voor statines is dan ook in strijd met het voormelde artikel 6, lid 6, waarin wordt bepaald dat een beslissing tot uitsluiting uit de vergoedbaarheid van een categorie van geneesmiddelen, moet zijn gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria. 9 Er bestaat voldoende Belgische en Europese rechtspraak die de voormelde richtlijn toepasselijk verklaart op de terugbetaling van geneesmiddelen. Zij maakt geen onderscheid tussen prijszetting en terugbetaling van geneesmiddelen, zoals duidelijk blijkt uit de tekst van artikel 5 van de richtlijn. A.17.2. De Ministerraad verantwoordt nogmaals de verschillende behandeling van producenten waarvan de geneesmiddelen opgenomen zijn in een vastgesteld deelbudget en de producenten van andere geneesmiddelen. De 65 pct.-regel is een maximum, de criteria voor de berekening van het (geïndividualiseerde) terugvorderingspercentage zijn nader bepaald (naar gelang van het individuele gedrag van elke betrokken firma) en de verschillende behandeling past in het bredere kader van een proactief beleid van een bijzondere pathologie. Volgens de Ministerraad levert de aangevoerde richtlijn de producenten van geneesmiddelen geenszins een economisch, boekhoudkundig instrument op, dat het mogelijk maakt hun effectieve winstmarges te kennen. Zij garandeert daarentegen wel de doorzichtigheid van maatregelen en criteria die door de overheid worden gebruikt om de prijzen van geneesmiddelen vast te stellen. Zij strekt derhalve ertoe de regels betreffende de prijsstelling openbaar te maken, waarbij rekening wordt gehouden met de winstmarges. De bestreden bepaling heeft geenszins tot doel de prijs of de winstmarge te bepalen of te controleren, doch alleen een overschrijding van het deelbudget te laten opvangen door de producenten van statines en dat op basis van hun omzetcijfer. Wat het vijfde middel betreft, wijst de Ministerraad erop dat de criteria die in aanmerking kunnen komen om een geneesmiddel al dan niet op te nemen op de lijst van de vergoedbare specialiteiten, reeds worden opgesomd in artikel 35bis van de wet van 14 juli 1994 en op 27 april 2001 in herinnering zijn gebracht bij de Europese Commissie. Bovendien worden door de bestreden handeling een aantal geneesmiddelen verschoven van het ene hoofdstuk naar andere hoofdstukken van de lijst van vergoedbare geneesmiddelen, zodat er geen sprake is van een uitsluiting uit een positieve lijst. A.17.3. Met betrekking tot die laatste opmerking verwijt de verzoekende partij de Ministerraad nagelaten te hebben aan te geven hoe de criteria van artikel 35bis van de wet van 14 juli 1994 in het kader van de aangevochten regeling werden toegepast, nu blijkt dat de overheid geen elementen heeft aangevoerd ter staving van een apart deelbudget. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. De beroepen tot vernietiging zijn gericht tegen de artikelen 108 tot 112 van de programmawet van 22 december 2003, die betrekking hebben op de heffing op de omzet van de farmaceutische ondernemingen, die reeds was ingevoerd bij artikel 191 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Die artikelen bepalen : « Art. 108. In artikel 191, eerste lid, 15°, van dezelfde wet [bedoeld wordt: de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen], vervangen bij de wet van 22 februari 1998 en gewijzigd bij de 10 wetten van 2 januari 2001, 10 augustus 2001, 22 augustus 2002 en 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het derde lid wordt vervangen als volgt : ' Voor 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004 worden de bedragen van die heffingen respectievelijk vastgesteld op 2 pct., 3 pct., 4 pct., 4 pct., 4 pct., 4 pct., 3 pct., 2 pct. en 2 pct. van de omzet die respectievelijk in 1994, 1995, 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 is verwezenlijkt. '; 2° in het vijfde lid wordt de laatste zin vervangen als volgt : ' Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004, dienen ze respectievelijk te worden ingediend voor 1 februari 1996, 1 november 1996, 1 maart 1999, 1 april 1999, 1 mei 2000, 1 mei 2001, 1 mei 2002, 1 mei 2003 en 1 mei 2004. '; 3° het zesde lid wordt vervangen als volgt : ' Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004, dient de heffing respectievelijk gestort te worden voor 1 maart 1996, 1 december 1996, 1 april 1999, 1 mei 1999, 1 juni 2000, 1 juni 2001, 1 juni 2002, 1 juni 2003 en 1 juni 2004 op rekening nr. 001- 1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding, volgens het betrokken jaar : " heffing omzet 1994 ", " heffing omzet 1995 ", " heffing omzet 1997 ", " heffing omzet 1998 ", " heffing omzet 1999 ", " heffing omzet 2000 ", " heffing omzet 2001 ", " heffing omzet 2002 " of " heffing omzet 2003 ". '; 4° het laatste lid wordt vervangen als volgt : ' De ontvangsten die voortvloeien uit de voornoemde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 1995 voor de heffing omzet 1994, 1996 voor de heffing omzet 1995, 1998 voor de heffing omzet 1997, 2000 voor de heffing omzet 1999, 2001 voor de heffing omzet 2000, 2002 voor de heffing omzet 2001, 2003 voor de heffing omzet 2002 en 2004 voor de heffing omzet 2003. '. Art. 109. In artikel 191, eerste lid, 15°quater, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wet van 2[2] augustus 2002, wordt aangevuld met het volgende lid : ' Voor het jaar 2003 bedraagt de aanvullende heffing ingesteld ten laste van de farmaceutische firma's op de omzet die is verwezenlijkt gedurende het jaar 2002 0,17 pct. Dit percentage is het aandeel van de overschrijding van het globaal budget 2002, vastgesteld in uitvoering van artikel 69, § 5, beperkt tot 65 pct., zijnde 4 021 duizend euro van de omzet die de farmaceutische firma's hebben verwezenlijkt gedurende het jaar 2002, zijnde 2 433 884 duizend euro. Hogervermelde overschrijding is het verschil tussen de geboekte uitgaven van het jaar 2002, zijnde 2 586 475 duizend euro en hoger vermeld globaal budget 11 2002, zijnde 2 435 300 duizend euro en bedraagt 151 175 duizend euro, verminderd met 25 pct. van de overschrijding van de in artikel 40 bedoelde globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling, zijnde 63 646 duizend euro, en verminderd met de door de Koning bepaalde elementen die hun invloed niet of niet volledig hebben gehad, zijnde 81 343 duizend euro. Aan de betrokken farmaceutische firma's waarvan het voorschot op de aanvullende heffing, zijnde het bedrag van 1,35 pct. op de omzet die in 2001 verwezenlijkt is, groter is dan het bedrag van 0,17 pct. op de omzet die in 2002 verwezenlijkt is, wordt het saldo teruggestort vóór 1 april 2004. De betrokken farmaceutische firma's waarvan het voorschot op de aanvullende heffing, zijnde het bedrag van 1,35 pct. op de omzet die in 2001 verwezenlijkt is, kleiner is dan het bedrag van 0,17 pct. op de omzet die in 2002 verwezenlijkt is, storten het verschil vóór 1 april 2004 op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " bijbetaling aanvullende heffing 2003 ". De betrokken firma's die het voorschot van 1,35 pct. op de omzet die in 2001 verwezenlijkt is niet hebben gestort, storten vóór 1 april 2004 0,17 pct. van de omzet die in 2002 is verwezenlijkt, verhoogd met de wettelijke interestvoet te rekenen vanaf 15 december 2002 op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " laattijdige betaling aanvullende heffing 2003 ". De betrokken firma's die het voorschot van 1,35 pct. op de omzet die in 2001 verwezenlijkt is niet hebben gestort omdat ze in 2001 geen omzet hebben verwezenlijkt, storten vóór 1 april 2004 0,17 pct. van de omzet die in 2002 is verwezenlijkt op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " betaling aanvullende heffing 2003 ". De ontvangsten die voortvloeien uit de hogervermelde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2003. De terugstortingen van de hogervermelde saldi en de ontvangsten die voortvloeien uit het laattijdig betalen zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2004. '; 2° in § 2, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 22 augustus 2002 en 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
- a)de eerste zin van het eerste lid wordt vervangen door de volgende zin : ' In afwachting van de vaststelling van de aanvullende heffing, bedoeld in § 1, eerste lid, met betrekking tot de eventuele overschrijding van de uitgaven van de jaren 2002, 2003 en 2004 is respectievelijk in 2002, 2003 en 2004 door de betrokken farmaceutische firma's een voorschot verschuldigd gelijk aan respectievelijk 1,35 pct., 2,55 pct. en 2,55 pct. van de omzet van respectievelijk het jaar 2001, het jaar 2002 en het jaar 2003. ';
- b)het eerste lid wordt aangevuld als volgt : ' Het voorschot gelijk aan 2,55 % van de omzet van het jaar 2003 wordt op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gestort vóór 1 juli 2004 met de vermelding " voorschot aanvullende heffing dienstjaar 2004 ". ';
- c)het tweede lid wordt vervangen als volgt : ' De schuldenaar die het verschuldigde voorschot en/of de verschuldigde heffing niet binnen de vastgestelde termijn stort, is aan het Instituut een opslag ten belope van 10 pct. van 12 dit voorschot en/of die heffing verschuldigd, alsmede een op dit voorschot en/of die heffing verrekende verwijlinterest die gelijk is aan de wettelijke rentevoet. Een vrijstelling of vermindering van de opslag of van de verwijlinterest kan worden toegestaan onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in 15°. ';
- d)§ 2 wordt aangevuld met het volgende lid : ' Indien op 1 oktober 2005 de aanvullende heffing, bedoeld in § 1, eerste lid, niet werd ingesteld voor het jaar 2004 of lager is dan 2,55 %, stort het Instituut het voorschot of het saldo vóór 31 december 2005 aan de betrokken farmaceutische firma's terug. '; 3° § 3 wordt vervangen als volgt : ' § 3. Indien overeenkomstig de bepalingen van artikel 69, § 5, wordt overgegaan tot het opsplitsen van het globaal budget van de financiële middelen in deelbudgetten voor farmacotherapeutische klassen, gekoppeld aan een terugvordering van de overschrijding van de deelbudgetten zoals bedoeld in 16°bis, worden deze deelbudgetten in mindering gebracht van het globaal budget vastgesteld in uitvoering van artikel 69, § 5, voor de inning van deze aanvullende heffing. '. Art. 110. Artikel 191, eerste lid, 15°quinquies, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002 en gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, wordt vervangen als volgt : ' 15°quinquies. Voor de jaren 2002, 2003 en 2004 wordt een bijkomende heffing van 1,5 pct. van de omzet die respectievelijk in het jaar 2001, 2002 en 2003 is verwezenlijkt, ingesteld onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in 15°. De aangifte bedoeld in 15°, vierde lid, dient respectievelijk te worden ingediend vóór 1 november 2002, vóór 1 oktober 2003 en vóór 1 oktober 2004. De heffing dient respectievelijk te worden gestort vóór 1 december 2002, 1 november 2003 en 1 november 2004 op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding, volgens het betrokken jaar : " bijkomende heffing omzet 2001 ", " bijkomende heffing omzet 2002 " en " bijkomende heffing omzet 2003 ". De ontvangsten die volgen uit deze bijkomende heffing zullen in de rekening van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging opgenomen worden in het boekjaar 2002 voor de bijkomende heffing omzet 2001, in het boekjaar 2003 voor de bijkomende heffing omzet 2002 en in het boekjaar 2004 voor de bijkomende heffing omzet 2003. '. Art. 111. Artikel 191, eerste lid, 16°bis, van dezelfde wet ingevoegd bij de wet van 2 januari 2001, wordt vervangen als volgt : ' Vanaf 2004 wordt, voor zover een deelbudget is vastgesteld door de Koning overeenkomstig de bepalingen van artikel 69, § 5, vóór 30 april van het betrokken jaar, een bijdrage in de overschrijding ten belope van 65 pct. ingesteld ten laste van de betrokken farmaceutische firma's die gedurende het jaar waarin de overschrijding heeft plaatsgevonden een omzet hebben verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen die zijn 13 ingeschreven op de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten binnen het betrokken deelbudget. De in het vorige lid bedoelde overschrijding wordt door de Algemene Raad vastgesteld en kan door de Algemene Raad na advies van de Commissie voor begrotingscontrole worden aangepast teneinde rekening te houden met de door de Koning bepaalde elementen die hun invloed niet of niet volledig hebben gehad. De aldus gecorrigeerde overschrijding wordt uitgedrukt als een percentage van het omzetcijfer van de betrokken farmaceutische firma's binnen het betrokken deelbudget. Bij de vaststelling van het percentage kan rekening worden gehouden met de evolutie van het marktaandeel in het betrokken jaar van de betrokken specialiteiten van de onderscheiden farmaceutische firma's, met het jaar van inschrijving van de betrokken specialiteiten op de lijst bedoeld in artikel 35bis, § 1, met het al dan niet onder octrooi zijn van het voornaamste werkzaam bestanddeel bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°,
- b)en c), en met andere door de Koning te bepalen elementen. '. Art. 112. Artikel 109 treedt in werking op 31 december 2003 ». B.2.1. In de parlementaire voorbereiding die tot de aanneming van de artikelen 108 tot 112 heeft geleid, is het door de wetgever nagestreefde doel als volgt beschreven : « Heffingen De ' klassieke ' heffing van 2 pct. op het omzetcijfer wordt voor het jaar 2004 verdergezet. De aanvullende heffing bij overschrijding van het globaal budget van geneesmiddelen voor het jaar 2003 wordt ingesteld. In toepassing van artikel 191, 15°quater, heeft de Algemene Raad zich op 7 juli 2003 uitgesproken over overschrijding van de doelstelling in 2002, en meer bepaald over de vermindering van de overschrijding, rekening houdend met de door de Koning bepaalde elementen die hun uitwerking niet of niet volledig hebben gehad (koninklijk besluit van 9 maart 2003, Belgisch Staatsblad van 18 maart 2003). Wat betreft de overschrijding van het budget in 2004 wordt opnieuw een provisie ingesteld van 2,55 pct. De bijkomende heffing van 1,5 pct. wordt ook geïnd in 2004 op de omzet die in 2003 verwezenlijkt is. Art. 86 tot 89 Deze artikelen stellen de volgende heffingen in voor het jaar 2004 ten laste van de farmaceutische firma’s : - de heffing van 2 % op het omzetcijfer van de farmaceutische firma’s gerealiseerd in 2003; 14 - een voorschot van 2,55 % op de aanvullende heffing bij overschrijding van het globaal budget van geneesmiddelen in 2004; - een bijkomende heffing van 1,5 % op de omzet die in 2003 verwezenlijkt is. Bovendien wordt de aanvullende heffing bij overschrijding van het globaal budget van geneesmiddelen voor het jaar 2003 definitief ingesteld. Er worden ook bepalingen voorzien die de situatie regelen indien er in uitvoering van artikel 69, § 5, tevens één of meerdere deelbudget(ten) wordt(
- en)vastgesteld door de Koning » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0473/001 en 51-0474/001, p. 54). B.2.2. Uit wat voorafgaat volgt dat de artikelen 108 tot 112 tot doel hebben een regeling te verlengen die sedert verscheidene jaren bestaat en die, naar gelang van het geval, de heffing op de omzet verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen, de bijkomende heffing of het voorschot op de aanvullende heffing verschuldigd door de farmaceutische industrie, regelt; het percentage van de heffing of het voorschot is onveranderd gehouden ten opzichte van het percentage vastgesteld voor het laatste jaar in de regeling die bij de betrokken bepalingen werd gewijzigd. De kwalificatie die in de voormelde parlementaire voorbereiding is gegeven aan de heffing bedoeld in artikel 108 – de « klassieke » heffing genoemd – maakt het mogelijk voor die heffing, zoals voor de zogenaamde bijkomende heffing (artikel 110), die hetzelfde definitieve karakter vertoont, te verwijzen naar de bedoeling van de wetgever wanneer hij artikel 55 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen aannam. Die bedoeling werd als volgt uiteengezet in de parlementaire voorbereiding : « Een van de pijlers van de begroting 2001 voor de verzekering geneeskundige verzorging betreft het geneesmiddelenbeleid. Terzake wordt na overleg met de actoren uit de sector een beleid ontwikkeld dat stoelt op volgende krachtlijnen : - het nastreven van grotere doelmatigheid; - aandacht voor innovatie; - vrijwaring van de toegankelijkheid van de patiënt; - beheersbaarheid van de uitgaven. Dit vertaalt zich in een aantal maatregelen. In de eerste plaats zullen vereenvoudigde structuren en snellere procedures voor aanvaarding en herziening van terugbetaling van 15 geneesmiddelen worden tot stand gebracht, met een betere wetenschappelijke ondersteuning en respect voor de in de Europese richtlijn gestelde tijdslimieten. Deze maatregelen zullen in een afzonderlijk ontwerp van wet worden opgenomen. Verder zullen maatregelen worden genomen met het oog op het bevorderen van een rationeel geneesmiddelenbeleid met aandacht voor de globale visie op de zorg » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-0950/001, pp. 28 en 29). « Een andere maatregel in het kader van het vernieuwd geneesmiddelenbeleid betreft het vaststellen van een realistisch en op objectieve beleidskeuzen gestoeld budget. Hierover wordt met de farmaceutische industrie een overeenkomst afgesloten. Hierin is voorzien dat bij overschrijding van het betrokken budget in 2001 - 94,8 miljard Belgische frank voor het globaal budget geneesmiddelen - de industrie een bedrag aan de verzekering geneeskundige verzorging zal dienen te betalen gelijk aan 65 % van de overschrijding, hetgeen het aandeel van de industrie in de af-fabrieksprijs weerspiegelt. Dit bedrag zal onder de farmaceutische bedrijven worden verdeeld in functie van hun omzet. De artikelen 45 en 46 van dit ontwerp stellen het hiervoor vermelde globaal budget vast en voorzien in de invoering van voornoemd recuperatiemechanisme. Voor hetzelfde jaar 2001 blijft de heffing op het omzetcijfer verschuldigd. Het bedrag hiervan wordt gehandhaafd op 4 % van de omzet die in 2000 werd verwezenlijkt. Artikel 46 [het huidige artikel 55] voert hiertoe de wettelijke basis in. Het is noodzakelijk voor de regering dat de middelen die in het kader van de globale begrotingsdoelstelling 2001 (hetzij 542,8 miljard Belgische frank) a rato van 22,3 miljard Belgische frank worden voorbehouden voor nieuwe prioritaire initiatieven, niet worden aangewend voor de financiering van andere activiteiten. Daartoe zal een nauwgezette budgettaire opvolging worden georganiseerd » (ibid., pp. 29-30). Artikel 55 van de wet van 2 januari 2001 strekte ertoe de heffing op de omzet te verlengen voor 2001 om geen afbreuk te doen aan de nagestreefde begrotingsdoelstelling in de sociale zekerheid, in afwachting dat een nieuw beleid in de geneesmiddelensector het mogelijk zou maken de uitgaven op een andere manier in de hand te houden. B.3.1. Noch uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 januari 2001, noch uit die van de programmawetten van 24 december 2002 en 22 december 2003 blijkt waarom de wetgever de bepalingen betreffende de heffing op de omzet, zelfs voor de voorgaande jaren, heeft vervangen. Een verklaring voor die vervanging is gegeven in de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 december 1999, waaruit blijkt dat de wetgever, met de destijds ontworpen wetswijziging, de bepalingen betreffende de heffingen voor de jaren 1995, 1996, 1998 en 1999 niet wilde herzien, maar uitsluitend een soortgelijke heffing wilde 16 instellen voor het jaar 2000 (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0297/001, p. 54). Evenwel erop wijzende dat « aangezien de rekeningen van deze voorgaande jaren nog niet volledig zijn afgesloten, […] het technisch aangeraden [was] om de verwijzingen naar deze jaren in de wettekst te behouden », heeft hij het wenselijk geacht de bepalingen waarvoor de wijziging door de toevoeging van een heffing voor het jaar 2000 noodzakelijk was, integraal over te nemen - ook in zoverre die bepalingen de heffingen van de voorgaande jaren beoogden - veeleer dan zich te beperken tot de enkele gerichte wijzigingen welke door die toevoeging vereist waren (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0297/004, p. 4). B.3.2. Opgemerkt moet worden dat het door de wetgever gebruikte procédé in zijn jaarlijkse herhaling niet beantwoordt aan een vereiste van wetgevingstechnische aard. Evenwel verplichten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de wetgever, wanneer hij een bepaling wijzigt, niet zulks te doen in een bepaalde formulering veeleer dan in een andere, met dien verstande dat eventuele beroepen tot vernietiging betrekking kunnen hebben op het geheel van de wijzigende bepalingen, met inbegrip van de passages waarin zij vroegere bepalingen overnemen. B.4.1. Artikel 108 van de programmawet is, inzake de heffingen voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002, derhalve inhoudelijk identiek met artikel 19 van de wet van 10 augustus 2001, dat, behoudens voor het jaar 2002, zelf identiek was met artikel 55, § 1, van de wet van 2 januari 2001 en met artikel 10 van de wet van 24 december 1999. Die twee laatstvermelde bepalingen waren zelf, inzake de heffingen voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999 en 2000, inhoudelijk identiek met artikel 147 van de wet van 25 januari 1999, dat zelf, voor de heffingen 1995, 1996 en 1998, inhoudelijk identiek was met artikel 133 van de wet van 22 februari 1998, zoals het Hof heeft opgemerkt in B.5 van zijn arrest nr. 98/2001 van 13 juli 2001, waarin de beroepen tegen artikel 10 van de wet van 24 december 1999 werden verworpen (artikel dat werd aangevochten enkel in zoverre het betrekking had op de heffingen voor de jaren 1995 en 1996). De beroepen ingesteld tegen de overeenkomstige bepalingen van artikel 133 van de wet van 22 februari 1998 werden verworpen in het arrest nr. 97/99 van 15 september 1999 en het beroep ingesteld tegen het voormelde artikel 55 werd verworpen bij het arrest nr. 159/2001 van 19 december 2001. De beroepen ingesteld tegen artikel 19 van de wet van 10 augustus 2001 werden door het Hof verworpen in het arrest nr. 40/2003 van 9 april 2003. Het beroep ingesteld tegen artikel 226 van de programmawet (I) 17 van 24 december 2002, op grond waarvan de heffing ook in 2003 verschuldigd was, werd door het Hof verworpen in het arrest nr. 73/2004 van 5 mei 2004. B.4.2. Artikel 109 wijzigt artikel 191, eerste lid, 15°quater, van de wet van 14 juli 1994, bepaling die een aanvullende heffing instelt die verschuldigd is in geval van overschrijding, alsmede een voorschot daarop, en die was ingevoegd bij artikel 20 van de voormelde wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij artikel 18, 1° en 2°, van de wet van 22 augustus 2002 en bij artikel 227 van de programmawet (I) van 24 december 2002. De beroepen tegen artikel 20 van de wet van 10 augustus 2001 en tegen artikel 227 van de programmawet (I) van 24 december 2002 zijn door het Hof verworpen in de voormelde arresten nr. 40/2003 en nr. 73/2004. Artikel 109 neemt het voorschot over van 1,35 pct. en 2,55 pct. op de omzet van 2001 en 2002, dat op grond van de vroegere bepalingen verschuldigd was voor de jaren 2002 en 2003 en stelt voor het jaar 2004 een voorschot in van 2,55 pct. op de omzet 2003. Tevens legt het artikel de aanvullende heffing voor het jaar 2003 definitief vast. Artikel 112 bepaalt dat artikel 109 in werking treedt op 31 december 2003. B.4.3. Artikel 110 voert een bijkomende heffing in van 1,5 pct. op de omzet die door de farmaceutische ondernemingen in 2001, 2002 en 2003 is verwezenlijkt, heffing die reeds was ingesteld respectievelijk voor 2002, met betrekking tot de omzet verwezenlijkt in 2001, en voor 2002 en 2003, met betrekking tot de omzet verwezenlijkt in 2001 en 2002, door artikel 18, 3°, van de wet van 22 augustus 2002 en artikel 228 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Het beroep tot vernietiging tegen die laatste bepaling is door het Hof verworpen in het reeds vermelde arrest nr. 73/2004. B.4.4. Artikel 111 ten slotte stelt ten laste van de farmaceutische firma’s vanaf 2004 een bijdrage in de overschrijding van een deelbudget ten belope van 65 pct. in, voor zover een deelbudget is vastgesteld, volgens de daarin bepaalde modaliteiten. 18 Ten aanzien van de eerste vier middelen tegen het geheel van de bestreden bepalingen in de zaak nr. 3037 B.5. In die middelen uit de verzoekende partij kritiek op de door de wetgever toegepaste vervangingstechniek, die zij in verschillende opzichten discriminerend acht. Doordat die techniek ertoe zou leiden bepalingen waarover een geschil aanhangig is, met terugwerkende kracht te vervangen door andere met dezelfde inhoud, zou zij een ingrijpen van de wetgever in de rechtsbedeling zijn, met schending van de beginselen van de scheiding der machten, de onafhankelijkheid van de rechters, « de voorrang van het recht », van het recht op een eerlijk proces, van het vereiste van de wapengelijkheid en van het recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep (eerste middel). Daarnaast zou die techniek aan de enige categorie van burgers op wie zij van toepassing is, het recht ontnemen dat hun zaak binnen een redelijke termijn wordt beslecht (tweede middel), alsmede hun recht op een eerlijk proces (derde middel). Tot slot zou zij aan een categorie van belastingplichtigen financiële bijdragen opleggen waarvan de elementen zijn vastgesteld op een datum die aan de aangevochten bepalingen voorafgaat, met schending van onder meer de beginselen van niet-retroactiviteit en van rechtszekerheid (vierde middel). B.6.1. De terugwerkende kracht van wetsbepalingen, die van die aard is dat zij rechtsonzekerheid in het leven kan roepen, kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de goede werking of de continuïteit van de openbare dienst. Indien evenwel blijkt dat de terugwerkende kracht van de wetskrachtige norm tot gevolg heeft dat de afloop van een of meer gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat rechtscolleges verhinderd worden zich uit te spreken, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor dat optreden van de wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden. 19 B.6.2. Weliswaar hebben wetsbepalingen die de inhoud van koninklijke besluiten overnemen welke aan de beoordeling van de Raad van State zijn voorgelegd, tot gevolg de Raad van State te verhinderen zich ten gronde uit te spreken over de eventuele onregelmatigheid van die koninklijke besluiten. De categorie van burgers op wie die besluiten van toepassing waren, wordt op verschillende wijze behandeld ten opzichte van de andere burgers wat de jurisdictionele waarborg betreft die bij artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is toegekend. Daaruit volgt evenwel niet noodzakelijk dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden. B.6.3. Door de aangelegenheid van de heffing op de omzet van de farmaceutische bedrijven in een wet te regelen, heeft de wetgever zelf een bevoegdheid willen uitoefenen die hem toekomt. B.6.4. Het loutere bestaan van beroepen voor de Raad van State verhindert niet dat de onregelmatigheden waarmee de bestreden handelingen zouden kunnen zijn aangetast, zelfs vóór de uitspraak over de genoemde beroepen zouden kunnen worden verholpen. B.6.5. De voor de Raad van State tegen de koninklijke besluiten aangevoerde gebreken zijn het verzuim van formaliteiten die de Koning in acht diende te nemen, een aantasting van het beginsel van de niet-retroactiviteit van de wetten en verordeningen en de vaststelling van de uitvoering van de opgelegde verplichtingen op data voorafgaand aan de inwerkingtreding van de koninklijke besluiten. Die onregelmatigheden, gesteld dat ze zouden zijn aangetoond, hebben ten voordele van de partijen die de koninklijke besluiten voor de Raad van State hebben aangevochten, niet het onaantastbaar recht kunnen doen ontstaan voor altijd te worden vrijgesteld van elke betaling van de betwiste heffing, wanneer de betaling ervan gegrond zou zijn op een nieuwe akte waarvan de grondwettigheid onbetwistbaar zou zijn. Die nieuwe akte zou slechts ongrondwettig zijn indien zij zelf de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met de in de middelen vermelde bepalingen, zou schenden. B.6.6. Het bestaan zelf van het huidige beroep toont aan dat, hoewel het optreden van de wetgever de verzoekende partij weliswaar heeft verhinderd de eventuele onregelmatigheden van de bekrachtigde koninklijke besluiten door de Raad van State te laten censureren, dat optreden haar evenwel niet het recht ontzegt de ongrondwettigheid van de wet waarmee de 20 wetgever de bevoegdheid heeft uitgeoefend die hij oorspronkelijk had gedelegeerd, aan het Hof voor te leggen. De Raad van State heeft in zijn arresten nrs. 105.837 en 105.839 van 24 april 2002 weliswaar de beroepen verworpen die onder meer door de verzoekende partij tegen de bekrachtigde besluiten waren ingesteld, en was daarbij met name van mening dat de partijen geen belang hadden om incidentele middelen op te werpen afgeleid uit de schending van rechtstreeks van toepassing zijnde verdragsrechtelijke bepalingen, tegen bepalingen die het voorwerp uitmaken van arresten die door het Hof op vroegere beroepen zijn gewezen, maar niettemin heeft de verzoekende partij dergelijke middelen kunnen aanvoeren tot staving van zowel de ene als de andere van die beroepen. De verzoekende partij is dus niet beroofd van haar recht op een jurisdictioneel beroep. B.7.1. Artikel 108 heeft, zoals de overeenkomstige bepalingen van de wetten van 2 januari 2001, 10 augustus 2001 en 24 december 2002, tot doel voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004 een heffing in te stellen waartoe de Koning bij artikel 191, eerste lid, 15°, van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet gemachtigd was. Artikel 109 heeft tot doel, zoals de overeenkomstige bepalingen van de wetten van 10 augustus 2001, 22 augustus 2002 en 24 december 2002, voor de jaren 2002, 2003 en 2004 een aanvullende heffing in te stellen, met een voorschot daarop. Tot slot heeft artikel 110 tot doel, zoals de overeenkomstige bepalingen van de wetten van 22 augustus 2002 en 24 december 2002, voor de jaren 2002, 2003 en 2004, een bijkomende heffing op de omzet van de farmaceutische ondernemingen, verwezenlijkt respectievelijk tijdens de jaren 2001, 2002 en 2003, in te stellen. B.7.2. Die onderscheiden heffingen beogen bij te dragen tot de financiering van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, waarbij de sedert 1990 uitgestippelde weg wordt gevolgd om een « alternatieve » financiering van die sector te zoeken. Om de continuïteit van die financiering te verzekeren en om de in B.3.1 vermelde redenen kon de wetgever de aangevochten maatregelen nemen, te meer daar hij, naar gelang van het geval, de bepalingen van de koninklijke besluiten van 22 december 1995 en 28 oktober 1996 geheel of gedeeltelijk 21 overnam, die zelf zijn overgenomen uit de voormelde wetten van 22 februari 1998, 25 januari 1999, 24 december 1999, 2 januari 2001 en 10 augustus 2001 : al heeft de aangevochten wet weliswaar formeel een terugwerkend effect, zij bevat evenwel geen enkele nieuwe bepaling die zou afwijken van de bepalingen die in de voormelde bepalingen, waaronder de bekrachtigde besluiten, voorkwamen, zodat zij niets anders heeft gedaan dan bepalingen consolideren waarvan de adressaten de draagwijdte kenden. B.7.3. Bij de vaststelling, destijds, dat de stijgende winsten van de farmaceutische ondernemingen worden bevorderd door het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, terwijl de uitgaven van het RIZIV blijven toenemen (Parl. St., Senaat, 1997-1998, nr. 1-814/3, p. 66), vermocht de wetgever van oordeel te zijn dat de juridische grondslag van de verschillende heffingen diende te worden verstevigd. Hij kon terecht van mening zijn dat de vereisten van het algemeen belang verantwoordden dat een bijdrage die sedert 1990 is ingesteld en die onontbeerlijk is voor het begrotingsevenwicht van de verzekering voor geneeskundige verzorging, zou worden gehandhaafd (ibid., p. 26). B.7.4. Ten slotte dient met betrekking tot de in B.7.1 vermelde bepalingen te worden opgemerkt dat zij, anders dan de vroegere validatiebepalingen, louter formeel een terugwerkend effect hebben. Weliswaar hebben die bepalingen, waarbij voordien bestaande wetgevende bepalingen worden vervangen of gewijzigd, betrekking op kalenderjaren waarvan sommige op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bestreden wetsbepalingen reeds waren verstreken, maar zij voeren geen normatieve voorschriften in die nog niet van toepassing waren in de periode waarop zij betrekking hebben. Bovendien kunnen zij niet worden geacht een materiële terugwerkende kracht te hebben vermits hun inwerkingtreding niet is vastgesteld op een datum die voorafgaat aan hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. B.8. Doordat in de middelen de schending wordt aangevoerd van de beginselen van de scheiding der machten, de onafhankelijkheid van de rechters en de vereiste van de wapengelijkheid, vallen zij in essentie samen met het eerste middel van het beroep dat werd ingesteld tegen artikel 133 van de voormelde wet van 22 februari 1998 (zie het voormelde arrest nr. 97/99, A.5) en met het eerste middel van het beroep dat werd ingesteld tegen artikel 19 van de wet van 10 augustus 2001 (zie het voormelde arrest nr. 40/2003, A.2.1), en 22 moeten ze worden verworpen om de redenen die zijn vermeld sub B.22 tot B.30 van het arrest nr. 97/99, waarnaar B.8 van het arrest nr. 40/2003 verwijst. B.9.1. In het eerste en het derde middel wordt tevens de schending aangeklaagd van het beginsel van « de voorrang van het recht », alsmede van het recht op een eerlijk proces, waarbij, ten aanzien van het eerste beginsel, de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt aangevoerd. B.9.2. Naast het feit dat niet wordt ingezien volgens welke logica een beginsel van de zogenaamde voorrang van het recht zou leiden tot het vernietigen van een rechtsnorm, kunnen die beginselen, met name in het licht van de rechtspraak met betrekking tot artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, niet in die zin worden geïnterpreteerd dat zij elke inmenging van de overheid in een hangende gerechtelijke procedure verhinderen. Ofschoon de voormelde beginselen, in zoverre zij verankerd zijn in hetzelfde artikel 6, zich bovendien in beginsel verzetten tegen een inmenging van de wetgevende macht in de rechtsbedeling die tot gevolg zou hebben de gerechtelijke ontknoping van het geschil te beïnvloeden, kan nochtans een dergelijke inmenging worden verantwoord door dwingende motieven van algemeen belang (zie, met name, E.H.R.M., Building Societies t. Verenigd Koninkrijk, 23 oktober 1997, § 112, Zielinski en Pradal t. Frankrijk, 28 oktober 1999, § 57, Agoudimos en Cefallonian Sky Shipping Co. t. Griekenland, 28 juni 2001, § 30, en Gorraiz Lizarraga t. Spanje, 27 april 2004, § 64). B.9.3. Om de redenen uiteengezet in B.3.1, B.6 en B.7 blijkt dat de in het geding zijnde bepalingen niet tot doel hadden zich te mengen in hangende rechtsgedingen en dat, zelfs indien zulks het gevolg ervan zou zijn, de motieven die het optreden van de wetgever hebben bepaald en die verband houden met de opvatting die hij over het beleid inzake geneeskundige verzorging heeft, dwingende motieven van algemeen belang zijn. B.10.1. De koninklijke besluiten van 22 december 1995 en 28 oktober 1996, die de verzoekende partij voor de Raad van State heeft bestreden, zijn door artikel 136 van de voormelde wet van 22 februari 1998 ingetrokken. Bovendien is de inhoud van die besluiten, in zoverre zij het tarief en de voorwaarden van de heffingen voor de jaren 1995 en 1996 vaststellen, in essentie overgenomen in artikel 133 van dezelfde wet van 22 februari 1998, waardoor het beginsel van een heffing op de omzet, de verschillende tarieven ervan - volgens 23 het beschouwde jaar - alsmede de voorwaarden ervan voortaan door de wetgever zelf worden geregeld, met name wat de heffingen voor de jaren 1995 en 1996 betreft die te dezen in het geding zijn. Daaruit volgt dat de mogelijke inmenging in de voor de Raad van State ingestelde beroepen tegen de voormelde besluiten niet toe te schrijven is aan de te dezen bestreden bepalingen, maar aan de voormelde artikelen 133 en 136 van de wet van 22 februari 1998, aangezien sommige van die bepalingen immers respectievelijk van die aard zijn dat ze het belang van de verzoekende partij bij de genoemde beroepen raken of ze zonder voorwerp maken. Die bepalingen, die trouwens door het Hof in zijn arrest nr. 97/99 niet ongrondwettig zijn verklaard, zijn te dezen niet in het geding. B.10.2. In zoverre de verzoekende partij zich erover beklaagt dat de door haar ingestelde beroepen voor de Raad van State nog niet zijn beslecht en dat de duur van die procedures daardoor de redelijke termijn overschrijdt, bekritiseert zij in werkelijkheid het feit dat, in het kader van de genoemde procedures, de in herinnering gebrachte elementen nog niet in overweging zijn genomen. Die situatie kan niet worden toegeschreven aan de onderhavige procedure, noch aan de bepalingen die het voorwerp ervan uitmaken. B.11. De eerste vier middelen kunnen niet worden aangenomen. Ten aanzien van het vijfde tot en met het achtste middel tegen afzonderlijke bepalingen in de zaak nr. 3037 B.12. Tot staving van die middelen voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van behoorlijke wetgeving. Wat het vijfde en het zesde middel betreft B.13. Die middelen zijn gericht tegen artikel 108 van de programmawet van 22 december 2003. 24 Enerzijds (vijfde middel), zouden de farmaceutische ondernemingen de enige bij de verzekering voor geneeskundige verzorging betrokken actoren zijn aan wie een bijdrage wordt opgelegd die een automatisch karakter heeft en die bestemd is om de begrotingsbehoeften van de verzekering voor geneeskundige verzorging in haar geheel te financieren. Anderzijds (zesde middel), zou de handhaving, voor 2002, 2003 en 2004, van een hoofdheffing, vermits daarnaast is voorzien in een aanvullende heffing voor diezelfde jaren en een voorschot op een eventuele aanvullende heffing voor 2003 en 2004, ertoe leiden dat aan de farmaceutische sector een bijdrage wordt opgelegd die kennelijk geen verband houdt met de begrotingsoverschrijdingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de sector van de vergoedbare geneesmiddelen. B.14.1. In zoverre de middelen de bestreden bepalingen verwijten dat zij voorzien in een heffing voor de jaren 1995, 1996 en 1998 tot 2004, die reeds bij vroegere wetten was ingevoerd, dienen zij te worden verworpen om de redenen die zijn uiteengezet in de arresten van het Hof nrs. 9/99 van 28 januari 1999 (B.5.1 tot B.5.9), 36/99 van 17 maart 1999 (B.3.1 tot B.3.4), 97/99 van 15 september 1999 (B.44 tot B.46), 103/2000 van 11 oktober 2000 (B.8), 159/2001 van 19 december 2001 (B.25), 40/2003 van 9 april 2003 (B.19) en 73/2004 van 5 mei 2004 (B.14.1). De wetgever vermocht van mening te zijn, zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, dat de vereisten van het algemeen belang de invoering en de verlenging verantwoordden van een maatregel die sedert 1990 wordt toegepast en die onontbeerlijk is voor het begrotingsevenwicht van de verzekering voor geneeskundige verzorging. B.14.2. In zoverre in de middelen het bijzondere lot dat door de in het geding zijnde bepalingen aan de farmaceutische sector wordt voorbehouden, wordt vergeleken ten opzichte van de andere actoren van de verzekering voor geneeskundige verzorging, stelt het Hof vast dat tussen de farmaceutische bedrijven en de andere actoren in de keten van productie tot verbruik van terugbetaalbare geneesmiddelen, objectieve verschillen bestaan die verantwoorden dat zij verschillend kunnen worden behandeld. Door het aanbod van geneesmiddelen dat hij organiseert, door de terugbetaling die hij vraagt of door de winst die hij opstrijkt door het geneesmiddelenverbruik, speelt de farmaceutische sector immers een specifieke rol die niet kan worden betwist. 25 B.14.3. Met betrekking tot de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten betreffende het nuttig effect van de geneesmiddelen, gelet op de kosten van andere therapieën en de weerslag van die sector van de sociale zekerheid op andere sectoren, merkt het Hof op dat de wetgever daaraan aandacht heeft gegeven en dat in dat opzicht een nieuw beleid tot stand wordt gebracht, zoals in B.2.2 is opgemerkt. De parlementaire voorbereiding van de aangevochten wet bevat geen gegevens die tegenstrijdig zijn met de gegevens die vervat zijn in de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 januari 2001 en die het Hof in aanmerking heeft genomen in zijn arresten nr. 159/2001 (B.26), nr. 40/2003 (B.20) en nr. 73/2004 (B.14.3). B.14.4. In zoverre in het zesde middel kritiek wordt geuit op de handhaving van de hoofdheffing bedoeld in artikel 108, terwijl een aanvullende heffing is ingesteld, stelt het Hof vast, zoals het heeft gedaan in zijn arresten nr. 40/2003 (B.22) en nr. 73/2004 (B.14.4), dat de verzoekende partijen uit de vergelijking tussen die twee heffingen een verschil afleiden dat betrekking heeft op het onderwerp of de aard van die twee heffingen. De aanvullende heffing, bedoeld in artikel 109, is ingesteld bij artikel 20 van de wet van 10 augustus 2001; het betreft een heffing op de omzet die afhankelijk is van de mate waarin de uitgaven in de geneesmiddelensector van de ziekte- en invaliditeitsverzekering de budgettaire vooruitzichten overschrijden. Zoals het Hof in de voormelde overwegingen van zijn arresten nr. 40/2003 en nr. 73/2004 heeft opgemerkt, is in de parlementaire voorbereiding van dat artikel 20 vermeld : « Een spreker vraagt of het klopt dat de normale bijdrage die op de omzet wordt betaald in 2002 verlaagd zal worden tot 3 %, terwijl zij de vier voorgaande jaren 4 % bedroeg. Daartegenover staat een heffing van 1 % als voorzorgsmaatregel voor een overschrijding van het budget. In 2002 verandert er dus niets voor de farmaceutische industrie. De minister antwoordt dat de toestand inderdaad niet verandert wat het budget betreft. Maar technisch gesproken is er op termijn wel een verschil : als het budget niet wordt overschreden, wordt de heffing teruggestort, zodat de bijdrage 3 % in plaats van 4 % bedraagt. Vorige spreker besluit dat een dergelijke situatie dus een voordeel oplevert voor de farmaceutische bedrijven, die minder zullen betalen dan de vorige jaren. 26 […] […] Volgens [de minister] […] is het structurele mechanisme dat nu wordt ingevoerd, werkelijk revolutionair. Hij wilde liever tot een akkoord komen over het percentage van de heffing (namelijk 1 %). Toen hij begon te onderhandelen met de farmaceutische industrie dacht hij zelf wel aan 2 %. Vorige spreker vraagt waarom de normale bijdrage van 4 % dan niet is behouden voor 2002. De minister antwoordt dat dergelijke heffingen geen goede reclame zijn voor ons land en zijn economisch beleid. Ons land heeft namelijk een reputatie hoog te houden wat betreft zijn farmaceutische industrie, en trage procedures, belastingen, enz., kunnen die reputatie schaden. Doordachte mechanismen, waarbij de industrie ook een verantwoordelijkheid krijgt, zijn beter dan lineair toegepaste belastingen. De minister is dus niet gekant tegen een vermindering, op termijn, van de heffing op de omzet, op voorwaarde dat er een geloofwaardige regeling komt voor de financiële verantwoordelijkheid op basis van de overschrijdingen. Aan deze overgang wordt thans gewerkt. […] De minister geeft toe dat de industrie op het eerste gezicht misschien een voordeel heeft verkregen. De industrie heeft daarentegen de automatische invordering moeten aanvaarden. Men moet beseffen dat voor 2000 alleen een overschrijding van 65 % zou neerkomen op een som van 3 miljard frank. Bovendien is er het nieuwe mechanisme voor generische geneesmiddelen dat voor de farmaceutische industrie onweerlegbaar een vermindering van de omzet meebrengt. Er is gekozen voor een systeem dat de gemeenschappelijke belangen dient. De farmaceutische industrie hoort voor het eerst duidelijke en klare taal. De algemene belasting is verminderd van 4 tot 3 %, maar er is een provisionele belasting ingesteld op alles wat dit 1 % verlies overschrijdt. Zo is een blind mechanisme vervangen door een belasting van 65 % op hetgeen de enveloppe overschrijdt. Dat was het echte probleem. Een lid is het eens met de opzet, maar gaat ervan uit dat men het systeem van de responsabilisering had kunnen toevoegen. De minister verklaart dat 1 % bij een ruwe berekening al ongeveer 1,5 miljard frank betekent. Wat de industrie nu gaat betalen, zal dat bedrag ruim compenseren. Hij is bereid om dit verder toe te lichten tijdens het debat in de plenaire vergadering » (Parl. St., Senaat, 2000- 2001, nr. 2-860/3, pp. 13, 14 en 30). Nu uit die elementen blijkt dat de in artikel 108 bedoelde heffing, die al een aantal jaren bestaat en automatisch van toepassing is, door de opeenvolgende verminderingen van het 27 percentage ervan van 4 naar 3 pct., daarna naar 2 pct. (tussen 2001 en 2004), gedeeltelijk is vervangen door de aanvullende heffing (tegen de opeenvolgende tarieven van 1 pct., 1,35 pct. en 2,55 pct.) bedoeld in artikel 109, die, in plaats van automatisch van toepassing te zijn, wordt toegepast op basis van de vastgestelde begrotingsoverschrijding, kan niet worden aanvaard dat de twee heffingen van verschillende aard zouden zijn, noch, derhalve, dat de in artikel 108 bedoelde heffing niets zou hebben uit te staan met de sector van de vergoedbare geneesmiddelen, zoals in het zesde middel wordt beweerd. B.15. Het vijfde en het zesde middel kunnen niet worden aangenomen. Wat het achtste middel betreft B.16. Dat middel is gericht tegen artikel 110 van de programmawet van 22 december 2003. Door die bijkomende heffing, die komt bovenop de reeds bestaande andere heffingen en voorschotten, in te stellen, zou artikel 110, dat enkel ten laste van de farmaceutische sector behoeften van het RIZIV financiert die niets uit te staan hebben met die welke voortvloeien uit een overschrijding van de begroting die is vastgesteld voor de farmaceutische specialiteiten, discriminerend zijn zowel wat het beginsel ervan betreft als wat het bedrag ervan betreft, waarvoor tijdens de parlementaire voorbereiding geen enkele verantwoording is gegeven. B.17.1. In zoverre in dat middel kritiek wordt geuit op het feit dat, enerzijds, die bijdrage enkel ten laste van de farmaceutische sector zou worden gelegd en, anderzijds, behoeften zou financieren die niets uit te staan hebben met de sector van de farmaceutische specialiteiten, valt dat middel samen met de aspecten van het vijfde en het zesde middel die hetzelfde onderwerp hebben; om dezelfde redenen als die welke in B.14 zijn uiteengezet, is dat middel in die twee aspecten niet gegrond. B.17.2. In zoverre in het middel daarnaast kritiek wordt geuit op het bedrag van die bijkomende heffing, stelt het Hof vast dat het totale bedrag van de structurele heffingen - namelijk de heffingen bedoeld in de artikelen 108 en 110, die verschuldigd zijn ongeacht het al 28 dan niet bestaan van een overschrijding - vermindert, aangezien de heffingen die verschuldigd zijn voor 2002 worden vergeleken met die welke verschuldigd zijn voor 2003 en 2004; zij dalen immers van een totaal percentage van 4,5 voor 2002 naar een percentage van 3,5 voor 2003 en 2004. In haar hoedanigheid van structurele heffing alsmede in combinatie met de veranderlijke aanvullende heffing bedoeld in artikel 109, is de bijkomende heffing bedoeld in artikel 110 een adequate maatregel in het licht van het nieuwe beleid dat door de wetgever ter zake wordt gevolgd, zoals beschreven in B.2.2; met name rekening houdend met de evolutie van het totale bedrag van de structurele heffingen, uiteengezet in de vorige alinea, lijkt die heffing overigens niet onevenredig ten aanzien van dezelfde doelstelling. B.18. Het achtste middel kan niet worden aangenomen. Wat het zevende middel betreft B.19. Dat middel, dat gericht is tegen artikel 109 van de programmawet van 22 december 2003, is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De verzoekende partij klaagt aan dat artikel 109, naast de drie heffingen (hoofdheffing, aanvullende heffing en bijkomende heffing) voorziet in een « voorschot » op een hypothetische aanvullende heffing wegens overschrijding van de uitgavenbegroting voor de jaren 2002, 2003 en 2004, dat hoe dan ook verschuldigd is op een ogenblik waarop het reeds mogelijk is dat er geen begrotingsoverschrijding is, voorschot dat in voorkomend geval - zonder intrest - wordt terugbetaald indien vijftien maanden later blijkt dat er geen begrotingsoverschrijding is of dat die lager is dan het bedrag van dat voorschot. B.20.1. Zoals in B.14.4 is uiteengezet, heeft artikel 109 tot doel een automatische heffing gedeeltelijk te vervangen door een heffing die afhankelijk is van de in de betrokken sector vastgestelde begrotingsoverschrijding. De motieven op grond waarvan de in artikel 108 bedoelde heffing kan worden verantwoord - de vereisten van het algemeen belang en de in 29 B.7.3 bedoelde stijgende winsten van de farmaceutische ondernemingen - maken het mogelijk de aanvullende heffing die hier wordt aangevochten en die van dezelfde bekommernis uitgaat, te verantwoorden. B.20.2. Zoals is opgemerkt in B.14.4 is inzake de heffing op de omzet een belangrijke wijziging doorgevoerd voor het jaar 2002 en bevestigd voor 2003 en 2004 : het bedrag van de verplichte heffing is op 3 pct. en vervolgens op 2 pct. gebracht terwijl zij voor de jaren 1998 tot 2001 4 pct. bedroeg. De wetgever heeft dus gemeend dat het begrotingsevenwicht normalerwijze moest kunnen worden bereikt door middel van een hoofdheffing die werd beperkt tot 3 pct. (voor 2002) en tot 2 pct. (voor 2003 en 2004). Aangezien de feiten die raming kunnen tegenspreken, heeft hij bepaald dat in geval van een eventuele overschrijding van de begroting vanaf het jaar 2002 (wat redelijkerwijze pas kan worden vastgesteld tijdens het jaar dat volgt op de tenuitvoerlegging van de betrokken begroting, rekening houdend met de wijze van berekening van die eventuele overschrijding, georganiseerd bij artikel 15quater, § 1), een aanvullende heffing verschuldigd zou zijn voor het jaar waarin die overschrijding zich heeft voorgedaan. Om gemakkelijk en zeker over die aanvullende dekking van de uitgaven te kunnen beschikken, is een voorschot ingevoerd van aanvankelijk 1 pct. dat op 2,55 pct. is gebracht voor de jaren 2003 en 2004, dat volledig of gedeeltelijk zou worden terugbetaald volgens de wijze en vervaldata vastgesteld in artikel 191, eerste lid, 15°quater, § 2, derde, vierde en vijfde lid, van de wet van 14 juli 1994. B.20.3. Het argument dat is afgeleid uit de schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kan niet worden aangenomen aangezien, om de in de vorige alinea uiteengezette motieven, de in het geding zijnde heffing niet op onverantwoorde wijze afbreuk doet aan het recht van de verzoekende partij op de eerbied voor haar eigendom. B.21. Het zevende middel kan niet worden aangenomen. 30 Ten aanzien van de middelen tegen de artikelen 108 tot 110 in de zaak nr. 3025 Wat het eerste en het tweede middel betreft B.22. Het eerste en het tweede middel in de zaak nr. 3025, die gericht zijn tegen de artikelen 108 tot 110 van de programmawet van 22 december 2003, zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 (eerste middel) en 172 (tweede middel) van de Grondwet, doordat twee verschillende categorieën van geneesmiddelenproducenten door de bestreden maatregel, die een belasting zou instellen, ten onrechte op dezelfde wijze zouden worden behandeld, namelijk, enerzijds, zij die chemisch vervaardigde of recombinant bereide farmaceutische specialiteiten produceren en, anderzijds, de verzoekende partij, die geneesmiddelen produceert van humane oorsprong, waarvan de productie- en commercialiseringsvoorwaarden zeer specifiek zijn. B.23. De met de bestreden bepalingen ingevoerde heffingen strekken tot alternatieve financiering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, waartoe de farmaceutische firma’s die een omzet verwezenlijken op de Belgische markt van de geneesmiddelen die zijn ingeschreven op de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten moeten bijdragen. Ook de verzoekende partij, die een handelsvennootschap is die winst nastreeft en realiseert, levert farmaceutische specialiteiten die zijn ingeschreven op de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, zoals bepaald in artikel 35bis van de wet van 14 juli 1994. Die vaststelling verantwoordt dat zij op dezelfde wijze wordt behandeld als alle andere producenten die aan de voormelde voorwaarden beantwoorden. De omstandigheid dat zij tevens geneesmiddelen van humane oorsprong produceert die beantwoorden aan een specifiek productieproces en bestemd zijn voor een beperkt marktsegment, en vanuit commercieel oogpunt minder winstgevend zijn dan chemisch vervaardigde of recombinant bereide farmaceutische specialiteiten, is niet van die aard dat de ontstentenis van vrijstelling van de door de bestreden bepalingen ingevoerde heffingen kan worden beschouwd als een maatregel die niet objectief en redelijk is verantwoord. Gelet op het doel van de heffingen, zoals omschreven in overweging B.2.2, kan van de wetgever immers niet worden verwacht dat hij bij het bepalen van de criteria van de heffingsplicht noodzakelijk rekening zou houden met alle verschillende variabelen van de winstmarges op 31 de omzet die de basis vormt voor de heffingen, zelfs niet wanneer die verband houden met de specifieke aard van de farmaceutische specialiteit. Door uitsluitend rekening te houden met de omzet op de Belgische markt en met de inschrijving van de geneesmiddelen op de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, heeft de wetgever een maatregel genomen die niet zonder objectieve en redelijke verantwoording is. Zonder dat het nodig is uit te maken of de heffingen moeten worden beschouwd als belastingen, kan worden besloten dat het middel, afgeleid uit de schending van artikel 172 van de Grondwet, niet tot een andere conclusie zou kunnen leiden. B.24. Het eerste en het tweede middel kunnen niet worden aangenomen. Wat het derde middel betreft B.25. De verzoekende partij voert een derde middel aan dat is afgeleid uit de schending van artikel 170, § 1, van de Grondwet doordat de bestreden bepalingen niet zouden beantwoorden aan de voorwaarden die door dat artikel zijn gesteld voor de invoering van een belasting en zij het aan de uitvoerende macht overlaten de belastingplichtigen te identificeren. B.26. Door te bepalen dat de heffingen verschuldigd zijn door de farmaceutische firma’s die een omzet verwezenlijken op de Belgische markt van de geneesmiddelen die zijn ingeschreven op de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, heeft de wetgever zelf voldoende, duidelijke en ten aanzien van de doelstelling van de maatregel relevante criteria bepaald die het mogelijk maken de heffingsplichtigen te identificeren, zodat het niet aan de uitvoerende macht wordt overgelaten de heffingsplichtigen te definiëren. Zonder dat dient te worden nagegaan of de heffingen dienen te worden beschouwd als een belasting in de zin van artikel 170 van de Grondwet, kan het derde middel niet worden aangenomen. 32 Ten aanzien van de middelen tegen artikel 111 in de zaken nrs. 3037 en 3041 B.27. Het negende middel in de zaak nr. 3037 en de vijf middelen in de zaak nr. 3041 zijn gericht tegen artikel 111 van de programmawet van 22 december 2003, dat vanaf 2004 ten laste van farmaceutische firma’s een bijdrage instelt in de overschrijding van een deelbudget ten belope van 65 pct., voor zover een deelbudget is vastgesteld. Wat de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 3041 betreft B.28. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 3041 omdat het in wezen is gericht tegen het koninklijk besluit van 31 maart 2004 « tot vaststelling van het globaal budget in 2004 van de financiële middelen voor het hele Rijk voor de verstrekkingen inzake de farmaceutische specialiteiten in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging », waarbij toepassing wordt gemaakt van de bestreden bepaling, en in het bijzonder tegen artikel 6 van dat besluit, waarbij een deelbudget voor statines wordt vastgesteld. Alle middelen zouden immers gericht zijn tegen de vaststelling van een deelbudget voor statines, en niet voor andere geneesmiddelen, en in het bijzonder tegen het deelbudget voor statines van de door de verzoekende partij geproduceerde soort. B.29. Uit de ontwikkeling van het verzoekschrift en uit de memorie van antwoord van de verzoekende partij blijkt dat het eerste, het tweede, het vierde en het vijfde middel de wijze bekritiseren waarop de Koning gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid, vervat in artikel 69, § 5, van de wet van 14 juli 1994, om deelbudgetten voor geneesmiddelen vast te stellen waardoor de in de met het beroep bestreden bepaling gevestigde bijdrage door de verzoekende partij verschuldigd zou kunnen zijn. Het komt het Hof evenwel niet toe te oordelen over de wijze waarop de Koning gebruik heeft gemaakt van Zijn bevoegdheid om deelbudgetten vast te stellen. Wat die middelen betreft, is de exceptie van de Ministerraad gegrond. B.30. Het derde middel van die verzoekende partij, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en van het evenredigheidsbeginsel, de beginselen van behoorlijk bestuur en het rechtszekerheidsbeginsel, bekritiseert daarentegen het bestaan zelf, 33 ingevolge de bestreden bepaling, van een specifiek terugvorderingsmechanisme voor de geneesmiddelen waarvoor een deelbudget is vastgesteld. Dat middel valt samen met het negende middel dat werd ontwikkeld door de verzoekende partij in de zaak nr. 3037 en wordt er samen mee behandeld. Wat het derde middel in de zaak nr. 3041 en het negende middel in de zaak nr. 3037 betreft B.31. Artikel 69, § 5, tweede lid, van de wet van 14 juli 1994, zoals toegevoegd bij artikel 8 van de wet van 24 december 1999 en aangevuld bij artikel 105, 1°, van de bestreden programmawet van 22 december 2003, staat de Koning toe, binnen het totale budget voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°,
- b)en c), een splitsing in deelbudgetten vast te stellen voor de farmacotherapeutische klassen die Hij aanwijst, en die in voorkomend geval nog verder op te splitsen naar gelang van de vergoedingsmodaliteiten die gelden binnen de betrokken klassen. Die laatste wetswijziging werd als volgt toegelicht : « Er wordt voorzien dat de deelbudgetten verder kunnen worden opgesplitst in functie van de vergoedingsmodaliteiten binnen de betrokken klassen. Het principe van terugvordering van de overschrijdingen van de deelbudgetten, wordt geconcretiseerd in artikel 191 » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0473/001 en 51-0474/001, p. 53). Het bestreden artikel 111 bepaalt de modaliteiten van die terugvordering (ibid., p. 54). B.32. Het Hof heeft het beginsel en de modaliteiten van de vaststelling van deelbudgetten in de sector van de geneesmiddelen, zoals ingevoerd door artikel 8 van de wet van 24 december 1999, grondwettig geacht om de redenen uiteengezet in B.33 tot B.37 van het arrest nr. 159/2001 van 19 december 2001. Het bij de bestreden bepaling ingevoerde terugvorderingsstelsel wordt verantwoord door de noodzaak om met betrekking tot de farmacotherapeutische klassen die in de deelbudgetten worden opgenomen, een specifiek geneesmiddelenbeleid te voeren ten aanzien van de farmaceutische firma’s die een omzet hebben verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen die zijn ingeschreven op de lijst van de vergoedbare farmaceutische specialiteiten binnen het betrokken deelbudget. Dat stelsel maakt het mogelijk de uitgaven in 34 de betrokken sector optimaal te beheersen en de artsen te begeleiden in het proces van rationeel geneesmiddelengebruik en prijsbewust denken. Door uitsluitend rekening te houden met de begrotingsdoelstelling van het betrokken deelbudget - waardoor niet kan worden overgegaan tot verrekening ten belope van 25 pct. van de eventuele onderschrijding van de algehele jaarlijkse begrotingsdoelstelling van de verzekering voor geneeskundige verzorging - kan tot een dergelijk beleid worden bijgedragen. De ontstentenis van overleg met de vertegenwoordigers van de betrokken geneesmiddelensector bij de bepaling van de omvang van de begroting van de deelbudgetten is niet van die aard dat de evenredigheid van de maatregel erdoor wordt aangetast. Het specifieke terugvorderingsmechanisme en de daartoe strekkende bijdragebepaling in artikel 111 zijn, in het licht van de doelstelling van de vaststelling van deelbudgetten, objectief en redelijk verantwoord. Artikel 111 bepaalt zelf voldoende criteria op grond waarvan de overschrijding kan worden vastgesteld en het percentage van het omzetcijfer van de betrokken farmaceutische firma’s kan worden berekend. De rechtszekerheid wordt niet aangetast door de machtiging die de wetgever aan de Koning heeft verleend om in voorkomend geval daarvoor ook nog andere elementen te bepalen. Op grond van die machtiging, die de Koning niet vermag aan te wenden met miskenning van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, kan Hij immers de modaliteiten van de bijdragebepaling in voorkomend geval verfijnen. B.33. De middelen kunnen niet worden aangenomen. 35 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 4 mei 2005. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.086 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div