← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.089

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.089 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050511.8 Arrest- Rolnummer: 89/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-12 Raadplegingen: 262 - laatst gezien 2026-07-02 08:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 10bis van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, zoals vervangen bij de wet van 12 januari 2004, ingesteld door E. Beguin en J.-F. Taymans. Tekst van de beslissing Rolnummer 3024 Arrest nr. 89/2005 van 11 mei 2005 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 10bis van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, zoals vervangen bij de wet van 12 januari 2004, ingesteld door E. Beguin en J.-F. Taymans. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, en voorzitter A. Arts, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 juni 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 juni 2004, hebben E. Beguin, wonende te 5570 Beauraing, rue de Dinant 95, en J.-F. Taymans, wonende te 1000 Brussel, Zuidstraat 146, beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 10bis van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, zoals vervangen bij de wet van 12 januari 2004 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 januari 2004, tweede uitgave). De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 april 2005 : - zijn verschenen : . de verzoekende partijen, in eigen persoon; . Mr. J.-F. Romain, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Ten aanzien van het onderwerp van het beroep tot vernietiging A.1.

  1. De verzoekers vorderen de vernietiging van artikel 18 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs », in zoverre dat artikel de betaling in contanten voor de vereffening van de prijs van de verkoop van een onroerend goed beperkt tot 10 pct. van de prijs van de verkoop, zodat het aldus een discriminatie in het leven roept tussen onroerende verrichtingen en andere verrichtingen, enerzijds, en een discriminatie tussen kleine en grote onroerende verrichtingen, anderzijds, die niet verantwoord zijn ten aanzien van het bij de wet nagestreefde doel - doel waarmee de verzoekers het volkomen eens zijn - en die bijgevolg strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.1.
  2. Als antwoord aan de Ministerraad, die van oordeel is dat de door de verzoekers aangevoerde grief niet kan leiden tot de volledige vernietiging van artikel 10bis van de wet van 11 januari 1993, ingevoerd bij de 3 bestreden wet, erkennen de verzoekers dat hun beroep de gedeeltelijke vernietiging van artikel 10bis beoogt, op een manier die een einde maakt aan de aangeklaagde discriminatie. Ten aanzien van het belang om in rechte te treden A.2.
  3. Teneinde hun belang aan te tonen, beroepen de verzoekers zich in hun verzoekschrift op hun hoedanigheid van notaris, ermee belast de in het geding zijnde wet toe te passen. A.2.
  4. De Ministerraad is van mening dat die hoedanigheid niet volstaat om te doen blijken van hun belang om in rechte te treden. Teneinde het bewijs te leveren van een persoonlijk en rechtstreeks belang, moeten de verzoekers aantonen dat zij tot een rechtscategorie behoren die zou worden benadeeld door de toepassing van de bestreden wet, in zoverre die te hunnen aanzien discriminerend zou zijn. De aan de notaris toebedeelde wettelijke rol van ministerieel ambtenaar impliceert dat hij indirect betrokken is bij de toepassing van de wet, wat niet volstaat. A.2.
  5. De verzoekers antwoorden aan de Ministerraad dat zij rechtstreeks betrokken zijn bij de wet vermits zij hun medewerking moeten weigeren in geval van overtreding van de wet en zij de Cel voor financiële informatieverwerking onmiddellijk op de hoogte moeten brengen. Die bij de wet opgelegde verplichtingen vallen geenszins onder hun opdracht van ministerieel ambtenaar. De actieve en specifieke rol die zij moeten vervullen, verantwoordt hun belang om zich te beklagen over het discriminerende karakter van de wet. Zij worden overigens gediscrimineerd ten aanzien van de verkoper van een onroerend goed die niet aan een dergelijke verplichting wordt onderworpen. A.2.
  6. De Ministerraad repliceert dat de door de notarissen aangevoerde discriminatie geen betrekking heeft op hen vermits ze enkel betrekking zou kunnen hebben op de verkoper van een onroerend goed ten opzichte van de verkoper van een roerend goed. Bovendien doet hij gelden dat de verzoekers geenszins vertegenwoordigers van het notarisberoep zijn en dus geenszins geroepen zijn om de wettekst te bekritiseren vanuit het oogpunt van mogelijke algemene verplichtingen welke die tekst op het beroep doet wegen. De representatieve overheden van de notarissen hebben, hunnerzijds, laten weten dat zij niet de bedoeling hadden om de wetsbepaling te bekritiseren. Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.3.
  7. De Ministerraad is van oordeel dat het verzoekschrift onontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet voldoende precies is en zonder voorwerp is. De verzoekers tonen niet het bestaan van een discriminatie aan in de toepassing van wetsbepalingen met betrekking tot een welbepaalde categorie van rechtssubjecten. De in het verzoekschrift gebruikte bewoordingen maken het niet mogelijk de betrokken categorieën met zekerheid te identificeren, noch het onderwerp van de grieven met de vereiste precisie en zonder risico van vergissing te onderscheiden. Dat geldt in het bijzonder in zoverre het beroep de zogenaamde onroerende verrichtingen beoogt die in het verzoekschrift worden aangemerkt als groot en klein. In werkelijkheid is iets dergelijks onbestaande in het raam van het bestreden artikel 10bis, dat kan worden toegepast op alle verrichtingen van verkoop van een onroerend goed, in het raam van een duidelijke, vaste en eenvormige regeling. A.3.
  8. De verzoekers antwoorden aan de Ministerraad dat de opgeworpen betwisting in verband met de identificering van de gediscrimineerde personen louter formeel is. De gediscrimineerde personen zijn klaarblijkelijk diegenen die de in de wet bedoelde roerende en onroerende verrichtingen uitvoeren en diegenen die de bekritiseerde bepaling moeten toepassen. Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.4.
  9. De Ministerraad doet gelden dat het Hof zeker niet bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tot vernietiging in verband met een bepaling om reden van het bestaan van zogenaamde discriminaties tussen verrichtingen. Het verzoekschrift moet dus als zijnde onontvankelijk worden beschouwd wegens ontstentenis van bevoegdheid. 4 Ten gronde A.5.
  10. In hun verzoekschrift tot vernietiging verwijten de verzoekers de in het geding zijnde bepaling dat ze de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat ze een discriminatie in het leven roept tussen de onroerende verrichtingen en de andere verrichtingen, enerzijds, en een discriminatie tussen de kleine en de grote onroerende verrichtingen, anderzijds, zonder dat die discriminatie wordt verantwoord door het bij de wet nagestreefde doel, waarmee de verzoekende partijen het volkomen eens zijn. Die discriminatie vloeit voort uit het feit dat het vastgestelde plafond voor het gebruik van contanten is bepaald op 10 pct. van de prijs, ook al die prijs zeer laag, terwijl voor alle andere verrichtingen dat maximumbedrag op 15.000 euro is vastgesteld. De risico’s van witwassen zijn echter veel beperkter voor de kleine verrichtingen dan voor de grote en is het dus niet verantwoord te voorzien in een plafond van 10 pct., naast de limiet van 15.000 euro. Dat enige plafond was meer verantwoord geweest, te meer daar er voor onroerende verrichtingen steeds een spoor bestaat en de betaalwijze overigens moet worden gepreciseerd. Die verrichtingen worden bovendien omgeven met talrijke formaliteiten die de risico’s van fraude beperken en ze voor de kleine verrichtingen uitschakelen. De verwijzing naar het plafond van 10 pct. wordt enkel verklaard door het gebruik om een voorschot van 10 pct. te betalen bij aankoop van een onroerend goed, wat geen voldoende verantwoording vormt. A.5.
  11. De Ministerraad is van mening dat het volkomen verantwoord is om, voor de betalingen in contanten bij de verkoop van een onroerend goed, rekening te houden met het maximum van 10 pct., wat overeenstemt met het gebruikelijke bedrag van het voorschot, en het maximum van 15.000 euro, waarbij die beide bedragen cumulatief worden toegepast. Hij preciseert in dat verband dat de in het geding zijn wet voortvloeit uit de noodzakelijke omzetting in het Belgische recht van de inhoud van de richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van een richtlijn van
  12. De bedoeling van die richtlijn bestond erin in de toepassingssfeer ervan bepaalde risicoberoepen op te nemen, zoals het beroep van vastgoedmakelaar of notaris, en het witwassen van geld op een meer doeltreffende wijze te bestrijden, met name bij onroerende verrichtingen en verrichtingen met betrekking tot goederen met een aanzienlijke waarde. Artikel 2bis bepaalt aldus dat de lidstaten erop toezien dat de in de richtlijn vastgestelde verplichtingen worden opgelegd aan een aantal instellingen, waaronder de makelaars in onroerend goed en de notarissen, wanneer zij, door het bijstaan van hun cliënt, deelnemen aan het voorbereiden of uitvoeren van transacties in verband met de aan- en verkoop van onroerend goed. Wanneer het gaat om verrichtingen met betrekking tot goederen van grote waarde, stelt de richtlijn dat de onderwerping aan de nieuwe regeling van toepassing is wanneer in contanten wordt betaald voor een bedrag van 15.000 euro of meer. Wanneer het gaat om verrichtingen die betrekking hebben op de aan- of verkoop van onroerende goederen, voorziet de richtlijn niet expressis verbis in een minimum- of maximumbedrag. De nieuwe regeling kan dus worden toegepast op elke onroerende verrichting, ongeacht het bedrag ervan. Die richtlijn is bindend voor de lidstaten wat het te bereiken resultaat betreft, maar laat hun de keuze in verband met de vorm en de middelen. Met de wet van 12 januari 2004 heeft de wetgever de in de richtlijn vastgestelde doelstellingen willen bereiken maar heeft hij ook een zo volledig mogelijke anti-witwasregeling tot stand willen brengen. Bij gevolg heeft hij, bij wijze van uitzondering, de mogelijkheden om in contanten te betalen strikt willen beperken en ze zelfs willen verbieden boven bepaalde bedragen, naar gelang van de betrokken verrichtingen. De Ministerraad merkt op dat de Franse wet nog verder is gegaan. Om de bestreden bepaling te verantwoorden, preciseert de Ministerraad de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de memorie van toelichting van de wet. Hij doet gelden dat het advies van de betrokken beroepen, namelijk de notarissen en de vastgoedmakelaars, in dezelfde richting gaat en dat de Raad van State evenmin kritiek heeft geuit in verband met de drempel van 10 pct. Hij voert verder nog het tiende activiteitenverslag aan van de Cel voor financiële informatieverwerking (C.F.I.), waarin de ratio legis van de bekritiseerde bepaling wordt uitgelegd. Die bepaling strekt hoofdzakelijk ertoe de mogelijke fraude te verhelpen die erin bestaat de toepassing van het vroegere artikel 10bis te omzeilen door, buiten de aanwezigheid van de notaris of de betrokken vastgoedmakelaar, een onderhandse verkoopovereenkomst af te sluiten die impliceert dat het geheel of een gedeelte van de prijs wordt betaald bij de ondertekening ervan. Teneinde dat soort van fraude te verhelpen en de algemene doelstelling te bereiken die wordt nagestreefd met de nieuwe anti-witwaswetgeving en, via die wetgeving, met de Europese richtlijn, organiseert de wetgever een systeem dat een betaling in contanten buiten de aanwezigheid van de notaris of de vastgoedmakelaar onmogelijk maakt en verbiedt voor bedragen die één van de in de wet vastgestelde maxima overschrijden. De drempel van 10 pct. is gekozen omdat hij overeenstemt met het voorschot dat doorgaans wordt gestort bij de verkoop van onroerende goederen, wat niet wordt betwist door 5 de verzoekers. Door het aantal gevallen te verhogen waarin de notarissen kunnen optreden, verleent de in het geding zijnde bepaling een grotere doeltreffendheid aan de anti-witwaswetgeving. De door de wetgever in aanmerking genomen drempel is verantwoord in het licht van een zorg voor duidelijkheid en overeenstemming met de gebruikelijke praktijk van het voorschot. A.5.
  13. De Ministerraad doet gelden dat het tevens uit zorg voor duidelijkheid is en teneinde tegemoet te komen aan een opmerking van de Raad van State dat de nieuwe wet de verrichtingen die betrekking hebben op een onroerend goed heeft onderscheiden van de verrichtingen die betrekking hebben op een zogenaamd goed van grote waarde. De wetgever wilde een billijk evenwicht vinden via onderscheiden maatregelen voor onderscheiden verrichtingen, in overeenstemming met de richtlijn en met de doelstelling om een systeem op te zetten ter identificatie van de daders van witwaspraktijken. Aan die laatste doelstelling is tegemoet gekomen door het verplicht stellen van de girale betaling boven bepaalde bedragen en door het verbod van betaling in contanten onder bepaalde bedragen. De door de verzoekers aangevoerde argumenten zijn niet gegrond aangezien de bestreden bepaling geen enkel onderscheid invoert tussen de kleine en de grote onroerende verrichtingen maar al die verrichtingen aan dezelfde regeling onderwerpt. Er is dus een onverminderde toepassing van éénzelfde regeling op alle betrokken verrichtingen. Die toepassing is volkomen verantwoord vermits daarbij rekening wordt gehouden met de betaling van een voorschot van 10 pct., wat gebruikelijk is. Bovendien maakt ze het mogelijk de witwasoperaties efficiënter te bestrijden, door de toepassingssfeer van de wet te verruimen ten aanzien van risico-operaties. In dit verband is het verantwoord de onroerende verrichtingen in ruime zin te beogen, zodat witwasoperaties kunnen worden bestreden waarvan de financiële inzet wellicht beperkter is dan voor grote operaties, maar waarbij het wellicht om het grootste aantal gaat. De redenering van de verzoekers in verband met de traceerbaarheid kan niet worden gevolgd aangezien de nieuwe wettelijke regeling ertoe strekte fraude en witwasoperaties op een meer doeltreffende wijze te bestrijden, nadat men had vastgesteld dat de toepassing van het vroegere artikel vaak werd omzeild door praktijken van ondertekening van verkoopovereenkomsten en betaling van voorschotten in contanten, buiten de aanwezigheid van de notarissen, waarbij het om ongeoorloofde witwasoperaties kon gaan. A.5.
  14. Wat betreft het tweede door de verzoekers bekritiseerde verschil in behandeling preciseert de Ministerraad in de eerste plaats dat het Arbitragehof niet bevoegd is om kennis te nemen van verschillen in behandeling tussen verrichtingen, maar wel van verschillen in behandeling tussen rechtssubjecten of categorieën van rechtssubjecten. Hij is hoe dan ook van oordeel dat, aangezien in het verzoekschrift niet wordt aangegeven welke categorieën van rechtssubjecten het voorwerp uitmaken van een verschil in behandeling, het beroep moet worden verworpen, indien niet bij ontstentenis van belang, dan tenminste bij ontstentenis van grondslag. De verschillende regeling is verantwoord omdat de betaling van een voorschot van 10 pct. gebruikelijk is wanneer het gaat om een verkoop die betrekking heeft op een onroerend goed, en zeldzaam is wanneer het gaat om een verkoop die betrekking heeft op een goed van grote waarde. Het verschil is verder verantwoord omdat de betaling van het voorschot van 10 pct. meestal gebeurt bij de ondertekening van een verkoopsovereenkomst en omdat de inaanmerkingneming van de maximumdrempel van 10 pct. meer zekerheid biedt in verband met de rol van de notaris vanaf het stadium van de ondertekening van de verkoopovereenkomst, waardoor de witwasoperaties eveneens met meer doeltreffendheid kunnen worden bestreden. Dat soort van problematiek bestaat niet ten aanzien van de verkopen die betrekking hebben op een goed van waarde waarop de verschillende regeling van artikel 10ter wordt toegepast. Dat alles verantwoordt de specifieke regeling die wordt voorbehouden aan de verkopen die betrekking hebben op een onroerend goed. De overeenstemming met de richtlijn zou wellicht vatbaar zijn geweest voor discussie indien op alle verrichtingen zonder meer de drempel van 15.000 euro was toegepast, terwijl de verrichtingen in verband met goederen van grote waarde in de richtlijn niet worden behandeld als verkopen van onroerende goederen. Bovendien kan, algemeen genomen, een verkoop van onroerende goederen, die het optreden van een notaris (ministerieel ambtenaar) impliceert, klaarblijkelijk niet worden gelijkgesteld met een verkoop van roerende goederen, door een handelaar, zelfs wanneer die betrekking heeft op een goed van grote waarde. De risico’s van witwasoperaties bestaan heel in het bijzonder inzake onroerende goederen, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding. Dat verantwoordt bijgevolg een specifieke regeling die logisch, coherent en evenredig is ten aanzien van het doel van de wet. A.5.
  15. De verzoekende partijen antwoorden aan de Ministerraad dat de bepalingen van de aangevoerde richtlijn geen enkele verantwoording bevatten noch enige allusie op de beperking inzake de verkoop van onroerende goederen en dat daaruit geen enkele lering moet worden getrokken. Bovendien worden in de memorie van toelichting bij de wet niet de redenen uiteengezet waarom de Regering het belangrijk heeft gevonden een bijkomende beperking in te voeren. De beperking van de betaling in contanten tot 10 pct. van de prijs van een onroerend goed, die overeenstemt met het doorgaans gestorte voorschot, is niet verantwoord; de verwijzing naar het gebruik zou een versoepeling van de regel hebben verantwoord en niet een verstrenging. De 6 verzoekers geven cijfervoorbeelden teneinde de absurde gevolgen van de bepaling aan te tonen; die gevolgen hebben een auteur ertoe gebracht een verschillende interpretatie van de wettekst voor te stellen. De verzoekers zijn echter van oordeel dat die interpretatie niet in aanmerking kan worden genomen om reden van de duidelijkheid van de wettekst en zij zijn van mening dat zij hun verzoekschrift moeten handhaven om reden van de zware sancties waarin is voorzien. A.5.
  16. De verzoekers betwisten de verantwoording die door de Ministerraad in zijn memorie wordt gegeven, bij gebrek aan een expliciete uiteenzetting in de memorie van toelichting. Het risico van witwassen is klaarblijkelijk afhankelijk van het bedrag van de in de verrichting geïnvesteerde contanten en niet van het percentage dat die contanten vertegenwoordigen in de totale prijs. Noch de Raad van State, noch de Europees richtlijn spreken zich overigens uit over een beperking tot de betaling in contanten die wordt uitgedrukt in termen van percentage van de algehele prijs. Het was weliswaar verantwoord een onderscheid te maken tussen roerende en onroerende verrichtingen maar niet om te voorzien in een drempel van 10 pct. voor de onroerende verrichtingen. Bovendien kan niet ernstig worden beweerd dat de kleine onroerende verrichtingen een groter risico van witwassen vertonen dan de roerende verrichtingen voor hetzelfde bedrag, terwijl de notariële akte de perfecte traceerbaarheid van de verrichting mogelijk maakt. De verzoekers besluiten dat ofschoon de verkoop van roerende goederen en onroerende goederen een verschillende regeling hebben, de discriminatie hier voortvloeit uit het feit dat de koper van een onroerend goed niet wordt onderworpen aan dezelfde regels als de koper van een roerend goed ten aanzien van de wetgeving op het witwassen van kapitaal terwijl geen enkele verantwoording het mogelijk maakt grondslag te verlenen aan de toepassing van een strengere regeling voor de verkopen die reeds meer gereglementeerd zijn en die makkelijker traceerbaar zijn. A.5.
  17. De Ministerraad antwoordt aan de verzoekers dat de verwijzing naar het gebruik in de parlementaire voorbereiding van de wet geen versoepeling van de regel kon verantwoorden vermits de wetgever een systeem heeft willen uitbouwen voor het bestrijden van witwasoperaties via de betaling van voorschotten, bij het ondertekenen van de verkoopovereenkomst, die de drempel van 10 pct. overschrijden. De wetgever heeft rekening gehouden met dat specifieke kenmerk van de onroerende verrichtingen waarvoor de drempel van 15.000 euro a priori niet kon volstaan. De Ministerraad is niet overtuigd van de door de verzoekers aangehaalde interpretatie in de rechtsleer omdat die indruist tegen de duidelijke tekst van artikel 10bis. De Ministerraad merkt ten slotte op dat de door de verzoekers aangevoerde traceerbaarheid niet volstaat om de risico’s van witwassen te vermijden. Die overwegingen zijn werkelijk te theoretisch en houden geen rekening met de realiteit van mogelijke witwasoperaties die worden gekenmerkt door praktijken van betaling van voorschotten. Men moet overigens ervan uitgaan dat de toekomstige wettelijke regelingen, naar alle waarschijnlijkheid, in de richting zullen gaan van een verlaging van de drempel van 15.000 euro, eveneens inzake roerende verrichtingen, teneinde de witwasoperaties die zich nog kunnen voordoen op meer doeltreffende wijze te bestrijden. Zulks is overigens het geval in het Franse recht. -B– Ten aanzien van de bestreden bepaling B.
  18. Artikel 18 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, 7 de bemiddelaars en beleggingsadviseurs » vervangt artikel 10bis van de wet van 11 januari 1993, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 1998, door de volgende bepaling : « De prijs van de verkoop van een onroerend goed mag enkel vereffend worden door middel van overschrijving of cheque, uitgezonderd voor een bedrag tot 10 % van de prijs van de verkoop, en voor zover dit bedrag niet hoger is dan 15.000 EUR. De verkoopovereenkomst en -akte moeten het nummer van de financiële rekening vermelden waarlangs het bedrag werd of zal worden overdragen. Wanneer de in artikel 2, 17°, en artikel 2bis, 1°, bedoelde personen vaststellen dat voornoemde bepaling niet werd nageleefd, brengen zij dit onmiddellijk ter kennis van de Cel voor financiële informatieverwerking ». Ten aanzien van het onderwerp van het beroep tot vernietiging B.
  19. Het Hof moet de omvang van het beroep tot vernietiging vaststellen op basis van de inhoud van het verzoekschrift. De verzoekers vorderen de vernietiging van de bestreden bepaling, in zoverre zij de betaling in contanten voor de vereffening van de prijs van de verkoop van een onroerend goed beperkt tot 10 pct. van de prijs van de verkoop, zodat het aldus een discriminatie in het leven roept tussen onroerende verrichtingen en andere verrichtingen, enerzijds, en een discriminatie tussen kleine en grote onroerende verrichtingen, anderzijds. Het beroep beoogt bijgevolg de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden bepaling op een manier die een einde maakt aan die discriminatie. B.
  20. De Ministerraad is overigens van oordeel dat het verzoekschrift onontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet voldoende precies en zonder voorwerp is. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden geschonden zijn, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. 8 In het verzoekschrift wordt uiteengezet hoe de bestreden bepaling, wat betreft de regeling die van toepassing is op de onroerende verrichtingen, verschillen in behandeling in het leven roept die de verzoekers discriminerend en niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet achten. Het middel is bijgevolg voldoende precies. De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof B.
  21. De Ministerraad is verder van mening dat het verzoekschrift onontvankelijk is omdat het Hof niet bevoegd is om, met betrekking tot een bepaling, kennis te nemen van het beroep tot vernietiging dat is ingediend omdat er zogenaamde discriminaties tussen verrichtingen zouden bestaan. B.
  22. Uit de inhoud van het verzoekschrift blijkt dat de verzoekers de vernietiging van de bestreden bepaling vorderen omdat zij van mening zijn dat zij, wat betreft de juridische regeling die van toepassing is op de onroerende verrichtingen, verschillen in behandeling in het leven roept die strijdig zouden zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aangezien de aangeklaagde verschillen in behandeling vervat zijn in de bestreden bepaling, is het Hof bevoegd om kennis te nemen van het beroep tot vernietiging, vermits in dat beroep het Hof wordt verzocht na te gaan of een wetsbepaling die voorziet in een specifieke juridische regeling voor onroerende verrichtingen bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van het belang om in rechte te treden B.
  23. Teneinde hun belang aan te tonen, beroepen de verzoekers zich op hun hoedanigheid van notaris, ermee belast de in het geding zijnde wet toe te passen. De Ministerraad is van mening dat het aangevoerde belang niet voldoende persoonlijk en rechtstreeks is. 9 B.
  24. Aangezien de bestreden bepaling de verzoekers ermee belast bij de uitoefening van hun beroep te waken over de inachtneming van de toepassing van een bepaling die zij discriminerend achten, doen zij blijken van een rechtstreeks belang om de vernietiging ervan te vorderen. De bepaling is immers op hen van toepassing. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.8.
  25. De verzoekers verwijten de wetgever dat hij met de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet heeft geschonden, doordat hij aldus een verschil in behandeling in het leven roept tussen de onroerende verrichtingen en de andere verrichtingen, enerzijds, en een verschil in behandeling tussen de kleine en de grote onroerende verrichtingen, anderzijds. B.8.
  26. De bestreden bepaling stelt dat de prijs van de verkoop van een onroerend goed enkel mag worden vereffend door middel van overschrijving of cheque, uitgezonderd voor een bedrag tot 10 pct. van de prijs van de verkoop, en voor zover dat bedrag niet hoger is dan 15.000 euro. Artikel 10ter van de wet van 11 januari 1993, ingevoegd bij artikel 19 van de bestreden wet, bepaalt zijnerzijds dat de prijs van de verkoop door een handelaar van een goed ter waarde van 15.000 euro of meer niet in contanten mag worden vereffend. Ofschoon in de beperking van het bedrag tot 15.000 euro is voorzien zowel voor de verkoop van een onroerend goed als voor de verkoop van een goed waarop artikel 10ter van toepassing is, is de beperking van het bedrag tot 10 pct. van de prijs van de verkoop specifiek voor de verkoop van een onroerend goed. De bestreden bepaling voert bijgevolg een verschil in behandeling in tussen de verkopen van een onroerend goed en de andere verkopen. Zij voert tevens een verschil in behandeling in tussen de verkopen van onroerende goederen naargelang zij minder of meer bedragen dan 10 150.000 euro, vermits het grensbedrag dat overeenstemt met 10 pct. van de prijs van de verkoop in werkelijkheid enkel wordt opgelegd voor de onroerende verrichtingen die betrekking hebben op een goed waarvoor het bedrag lager is dan 150.000 euro. B.
  27. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet blijkt dat de wetgever de bepalingen van de richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, heeft willen omzetten. (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0383/001, p. 7) Voortbouwend op de krachtlijnen van die richtlijn wil de wetgever de preventieve maatregelen die zijn ingevoerd ter bestrijding van het witwassen van geld uitbreiden. De bestreden bepaling past in het raam van de uitbreiding van de toepassingssfeer ratione personae van de met de Europese richtlijn bedoelde preventieve maatregelen : « De feiten toonden inderdaad aan dat de witwasoperaties niet beperkt bleven tot de financiële sector en dat andere niet-financiële beroepen, meer bepaald de juridische beroepen, kwetsbaar waren voor witwasoperaties. Om deze reden breidt de richtlijn haar toepassingsgebied voortaan uit tot bedrijfsrevisoren, externe accountants, belastingadviseurs, vastgoedmakelaars, notarissen en andere onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen wanneer zij bijstand verlenen of deelnemen aan financiële of vastgoedtransacties of deze zelf uitvoeren, handelaren in goederen van grote waarde en casino’s » (ibid., p. 8). Met de bestreden bepaling had de wetgever de bedoeling om de verplichting tot girale betaling, vastgesteld in artikel 10bis van de wet van 11 januari 1993, dat was ingevoegd bij de wet van 10 augustus 1998, te preciseren en uit te breiden : « Zoals men in het 7de en 9de Activiteitenverslag van de Cel voor financiële informatieverwerking kan lezen, heeft de praktische toepassing van artikel 10bis meermaals aanleiding gegeven tot problemen die tot gevolg hadden dat het verbod om dergelijke verrichtingen in contanten te laten gebeuren, werd omzeild » (ibid., p 40). Die toepassing werd immers terzijde geschoven wanneer de ondertekening van de verkoopovereenkomst en de storting van de prijs plaatsvonden buiten de aanwezigheid van de notaris : 11 « De notaris stond dan voor een voldongen feit. Om aan deze tekortkoming te verhelpen wordt de girale betalingsverplichting veralgemeend, en uitdrukkelijk uitgebreid naar de onderhandse verkoopovereenkomsten, die trouwens vaak worden afgesloten in de aanwezigheid van vastgoedmakelaars. Dit zal heel wat problemen vermijden als nadien de partijen voor de notaris verschijnen voor het verlijden van de notariële akte » (ibid.). Ten slotte kwam het voor als zijnde « aangewezen om de betaling in speciën te beperken tot 10 pct. van de prijs van het onroerend goed, wat met het gebruikelijk voorschot overeenstemt. Die betaling zal evenwel nooit de drempel van 15.000 EUR mogen overschrijden » (ibid., pp. 40 en 41). In verband met artikel 19 van de bestreden wet, dat de betaling in contanten verbiedt voor de roerende goederen ter waarde van 15.000 euro of meer, preciseert de wetgever verder dat « het voordeel van betalingen langs girale weg (cheque, overschrijving, kredietkaart, …) is dat ze, in tegenstelling tot betalingen in contanten, een spoor nalaten, zodat een onderzoek achteraf naar de herkomst van het geld niet dreigt vast te lopen » (ibid., p. 41). Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen de verkopen van een onroerend goed en de andere verkopen B.
  28. Het bij de bestreden bepaling ingevoerde verschil in behandeling tussen de verkopen van een onroerend goed en de verkopen van andere goederen berust op een objectief criterium, de aard van het verkochte goed. Het criterium van onderscheid is overigens relevant ten aanzien van het doel dat wordt nagestreefd door de wetgever die, in de strijd tegen het witwassen van geld, ertoe wordt gebracht strengere controles in te voeren teneinde omzeilingspraktijken aan te pakken en tekortkomingen te verhelpen die aan het licht zijn gekomen door bepaalde evoluties die in België en de Europese Unie werden vastgesteld. Immers, doordat de wetgever niet toestaat dat de verkoopprijs wordt vereffend in contanten, uitgezonderd voor een bedrag dat het voormelde gebruikelijke voorschot niet overschrijdt, neemt hij een maatregel waarin evenzeer de notarissen worden beoogd, wanneer zij aanwezig zijn op het ogenblik van de ondertekening van de verkoopovereenkomst, als de makelaars in onroerende goederen, die volgens de Europese richtlijn en de Belgische wetgeving betrokken moeten worden bij de 12 strijd tegen het witwassen. Dankzij die maatregel zal dus een efficiëntere controle van de wet mogelijk worden, vermits de notarissen niet langer voor een voldongen feit zullen worden geplaatst. De maatregel heeft evenmin onevenredige gevolgen. De wetgever neemt immers het specifieke karakter in aanmerking van de verkopen van onroerende goederen waarbij het de gewoonte is dat een voorschot van 10 pct. wordt gestort zodra de verkoopovereenkomst wordt ondertekend, hetgeen in de regel niet het geval is bij de verkoop van roerende goederen. Weliswaar heeft de bestreden maatregel tot gevolg dat de verkoop van een onroerend goed onder de 15.000 euro niet in contanten mag worden vereffend, maar de wetgever kan niet worden verweten de maatregel niet te hebben aangepast aan een dergelijke veeleer uitzonderlijk voorkomende situatie. Het middel kan niet worden aangenomen. Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen de verkopen van onroerende goederen die minder of meer dan 150.000 euro bedragen B.
  29. Het bij de bestreden bepaling ingevoerde verschil in behandeling tussen de verkopen van onroerende goederen die minder bedragen dan 150.000 euro en die door het grensbedrag van 10 pct. van de verkoopprijs worden geraakt, enerzijds, en de verkopen van onroerende goederen die meer bedragen dan 150.000 euro en die niet door dat grensbedrag van 10 pct. worden geraakt, rekening houdend met de limiet van 15.000 euro waarin overigens is voorzien, anderzijds, berust op een objectief criterium, namelijk de prijs van de verkoop. Dat criterium van onderscheid is relevant, rekening houdend met het in B.10 gepreciseerde nagestreefde doel en met het feit dat de wetgever rekening heeft willen houden met het gebruik van de betaling van een voorschot van 10 pct. B.
  30. De bestreden bepaling is evenmin onevenredig ten aanzien van het nagestreefde doel aangezien zij een beperking beoogt van de stortingen in contanten, die witwasoperaties kunnen verdoezelen, waartegen de wetgever de strijd wil aanbinden, ongeacht het bedrag ervan. De wetgever kan overigens bij zijn strijd tegen het witwassen de nagestreefde doelstelling niet bereiken door middel van de formaliteiten waarmee de verkopen van 13 onroerende goederen gepaard gaan, vermits zij het niet mogelijk maken de oorsprong van de in contanten gestorte sommen terug te vinden en dus de traceerbaarheid van de fondsen te garanderen, en verder heeft hij praktijken aan banden willen leggen waarbij de notarissen voor een voldongen feit werden geplaatst en waarbij hun controle dus werd ontweken. Daarenboven dient te worden opgemerkt dat de verkopen van onroerende goederen, ongeacht het bedrag, steeds door de door de wetgever ingevoerde dubbele grens worden geraakt : terwijl voor verkopen van onroerende goederen die minder bedragen dan 150.000 euro de grens van 10 pct. zal gelden, zal voor de verkopen van onroerende goederen die meer bedragen dan 150.000 euro, de grens van 15.000 euro bepalend zijn. B.
  31. Het middel kan niet worden aangenomen. 14 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 11 mei
  32. De griffier, De wnd. voorzitter, L. Potoms P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.089 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.