← België

ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.093

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.093 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050525.14 Arrest- Rolnummer: 93/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-13 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-07-02 07:14 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag is onontvankelijk. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 12bis, § 1, 2°, van de wet van 28 juni 1984 betreffende sommige aspecten van de toestand van de vreemdelingen en houdende invoering van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Tekst van de beslissing Rolnummer 3030 Arrest nr. 93/2005 van 25 mei 2005 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 12bis, § 1, 2°, van de wet van 28 juni 1984 betreffende sommige aspecten van de toestand van de vreemdelingen en houdende invoering van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Het Arbitragehof, samengesteld uit voorzitter A. Arts en rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 21 juni 2004 in zake Eduardo Andres Osorio Campos, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 28 juni 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 12bis, § 1, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wegens het feit dat artikel 12bis, § 1, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit aan een vreemdeling ouder dan 18 jaar, die in het buitenland geboren is en van wie één ouder de Belgische nationaliteit verworven heeft, de mogelijkheid biedt om de Belgische nationaliteit te verkrijgen middels een nationaliteitsverklaring, zonder aan enige verblijfsvoorwaarde te moeten voldoen, daar waar een vreemdeling, ouder dan 18 jaar, in het buitenland geboren en door een Belg geadopteerd, slechts de Belgische nationaliteit kan verkrijgen middels een nationaliteitskeuze, onder de uitdrukkelijke voorwaarden gesteld in de artikelen 13, 2°, en 14 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, met name : ingediend vóór de leeftijd van 22 jaar, na een hoofdverblijf in België gedurende de twaalf voorafgaande maanden, en daar waar een vreemdeling, ouder dan 18 jaar, in België geboren en van wie één ouder de Belgische nationaliteit verwerft nadat betrokkene 18 jaar werd, slechts de Belgische nationaliteit kan verkrijgen middels een nationaliteitsverklaring, onder de uitdrukkelijke voorwaarden, hetzij van artikel 12bis, § 1, 1°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, met name een hoofdverblijf in België sedert de geboorte, hetzij van de artikelen 13, 1°, en 14 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, met name een nationaliteitskeuze ingediend vóór de leeftijd van 22 jaar, een hoofdverblijf in België gedurende de twaalf voorafgaande maanden en een hoofdverblijf in België vanaf de leeftijd van 14 jaar tot 18 jaar of gedurende ten minste 9 jaar ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 april 2005 : - is verschenen : Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verzoeker voor het verwijzende rechtscollege, die de Chileense nationaliteit heeft en in België verblijft bij zijn moeder, die de Belgische nationaliteit heeft, heeft bij de ambtenaar van de burgerlijke stand op 21 november 2003 met toepassing van artikel 12bis, § 1, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, de verklaring van nationaliteitskeuze gedaan. 3 Het openbaar ministerie heeft een negatief advies verstrekt, waarna de verzoeker zijn zaak aanhangig heeft gemaakt bij de Rechtbank van eerste aanleg. Het negatief advies was gebaseerd op het feit dat de verzoeker niet beschikt over een hoofdverblijfplaats in België, of alvast dat niet kan aantonen. De verzoeker wijst erop dat de in het geding zijnde bepaling, anders dan andere bepalingen, het verblijf in België als grondvoorwaarde niet oplegt in het kader van de door hem gevolgde procedure van verkrijging van de Belgische nationaliteit door nationaliteitsverklaring. Door te vereisen dat hij bewijst dat hij zijn hoofdverblijfplaats heeft, zou een bijkomende voorwaarde worden toegevoegd waarin het Wetboek van de Belgische nationaliteit niet voorziet. Na te hebben vastgesteld dat de beperkte voorwaarden voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit door nationaliteitsverklaring, waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, in de rechtsleer werd bekritiseerd en dat het voor die bepaalde categorie van vreemdelingen blijkbaar gemakkelijker is om de Belgische nationaliteit dan een verblijfs- of vestigingsvergunning te verkrijgen, heeft het verwijzende rechtscollege, op verzoek van het openbaar ministerie, de voormelde prejudiciële vraag gesteld. III. In rechte -A- A.

  1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, om twee redenen. Allereerst merkt de Ministerraad op dat de verzoeker voor het verwijzende rechtscollege aan alle voorwaarden van de in het geding zijnde bepaling voldoet en niet in de voorwaarden of omstandigheden verkeert van de categorieën van personen waarmee hij moet worden vergeleken. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof in de arresten nr. 30/2002 en nr. 12/2003, zou in een dergelijk geval ertoe moeten worden besloten dat het beantwoorden van de gestelde prejudiciële vraag niet dienstig is voor het beslechten van het bodemgeschil. Bovendien vloeit het verschil in behandeling niet voort uit artikel 12bis, § 1, 2°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, maar uit de artikelen 12bis, § 1, 1°, 13, 1° en 2°, en 14 van hetzelfde Wetboek. Verwijzend naar de arresten nr. 16/2004 en nr. 90/2004 besluit de Ministerraad dat op dezelfde gronden ook die prejudiciële vraag geen antwoord behoeft. A.
  2. In ondergeschikte orde betwist de Ministerraad de vergelijkbaarheid van de vreemdeling van wie een biologische ouder Belg is, met de vreemdeling die slechts door middel van de adoptie verbonden is met de nationaliteit van zijn adoptant. A.
  3. In meer ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, indien de in de prejudiciële vraag begrepen categorieën van personen vergelijkbaar zouden zijn, het verschil in behandeling berust op een voldoende objectief en redelijk criterium. De rechtstreekse afstamming van de biologische ouder en de geboorteplaats van de vreemdeling zijn criteria die geen enkele willekeurige beoordeling bij de toepassing van de bepalingen toestaan. De criteria zijn ook redelijk met het oog op de door de wetgever nagestreefde doelstelling. Het onderscheid tussen de vreemdeling die in het buitenland is geboren en van wie één ouder Belg is op het ogenblik van de nationaliteitsverklaring, en die de nationaliteitsverklaring kan afleggen, en de vreemdeling van wie één van de adoptanten Belg is, die een beroep dient te doen op de procedure van nationaliteitskeuze, die een leeftijds- en verblijfsduurvoorwaarde impliceert, is door de wetgever verantwoord vanuit de zorg om, enerzijds, de toegang tot de Belgische nationaliteit te verruimen, maar, anderzijds, misbruiken hierbij te voorkomen. Er kon immers worden gevreesd dat de gewone adoptie van een meerderjarige vreemdeling door een Belg, de geadopteerde de mogelijkheid zou bieden om Belg te worden door nationaliteitsverklaring. 4 Het verschil in behandeling heeft ook geen onevenredige gevolgen, aangezien de opgelegde verblijfsvoorwaarde geenszins leidt tot de onmogelijkheid om de Belgische nationaliteit te verkrijgen, doch enkel kan leiden tot een zeer kort uitstel daarvan. A.
  4. De Ministerraad meent dan ook dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. - B- B.
  5. Artikel 12bis, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalt : « De Belgische nationaliteit kunnen verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig § 2 van dit artikel, indien zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt : 1° de in België geboren vreemdeling, die er sedert zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft; 2° de in het buitenland geboren vreemdeling van wie een ouder op het tijdstip van de verklaring de Belgische nationaliteit bezit; 3° de vreemdeling die sedert ten minste zeven jaar zijn hoofdverblijf in België heeft gevestigd en die, op het tijdstip van de verklaring gemachtigd is of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd om er zich te vestigen ». B.2.
  6. Uit de elementen van het dossier blijkt dat de verzoeker voor de verwijzende rechter voldeed aan de vereisten van het voormelde artikel 12bis, § 1, 2° : hij is in Chili geboren op 30 juni 1972 en zijn moeder bezat de Belgische nationaliteit op het tijdstip van zijn verklaring. B.2.
  7. De procureur des Konings van Antwerpen heeft niettemin een negatief advies uitgebracht omdat de betrokkene op het tijdstip van de verklaring zijn hoofdverblijf niet in België zou hebben gehad, terwijl zulk een vereiste niet is neergeschreven in het voormelde artikel 12bis, § 1, 2°, en, zoals de verwijzende rechter opmerkt, de term « hoofdverblijf » die wordt gebruikt in artikel 12bis, § 2, eerste lid, betrekking heeft op de territoriale bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand, en geen voorwaarde toevoegt aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 12bis, §
  8. B.2.
  9. Aangezien de verzoekende partij voor de verwijzende rechter voldoet aan de wettelijke vereisten, is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk. 5 B.
  10. Weliswaar is de keuze die wordt geboden aan de meerderjarige vreemdeling die in het buitenland is geboren en van wie een ouder op het tijdstip van de verklaring de Belgische nationaliteit bezit, om de Belgische nationaliteit te verkrijgen onder de enige voorwaarden van artikel 12bis, § 1, 2°, niet verantwoord wanneer zijn situatie wordt vergeleken met die van andere categorieën van vreemdelingen, die in de prejudiciële vraag zijn vermeld en waarvoor wel een hoofdverblijf in België is vereist. Het komt echter de wetgever toe een einde te maken aan die discordantie. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag is onontvankelijk. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 25 mei
  11. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.