id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.096 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050601.5 Arrest- Rolnummer: 96/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-18 Raadplegingen: 224 - laatst gezien 2026-07-02 05:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt de artikelen 1 tot 5 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 november 2003 « houdende bijzondere bepalingen betreffende de toekenning van de betrekkingen voor de ambten bepaald bij titel V van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd ». UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 november 2003 « houdende bijzondere bepalingen betreffende de toekenning van de betrekkingen voor de ambten bepaald bij titel V van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd », ingesteld door R. Brankart en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummers 2952, 2969 en 3021 Arrest nr. 96/2005 van 1 juni 2005 In zake : de beroepen tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 november 2003 « houdende bijzondere bepalingen betreffende de toekenning van de betrekkingen voor de ambten bepaald bij titel V van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd », ingesteld door R. Brankart en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 18 en 31 maart 2004 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 19 maart en 1 april 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 november 2003 « houdende bijzondere bepalingen betreffende de toekenning van de betrekkingen voor de ambten bepaald bij titel V van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 december 2003) door R. Brankart, wonende te 1210 Brussel, Wijnheuvelenstraat 24, en door F. Roose, wonende te 3020 Winksele, Dalenstraat 34B. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 juni 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 juni 2004, heeft R. Couturiaux, wonende te 7370 Blaugies, rue Warechaix 4, beroep tot vernietiging ingesteld van hetzelfde decreet. De vordering tot schorsing van hetzelfde decreet, ingediend door dezelfde verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 143/2004 van 22 juli 2004, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 oktober
- Die zaken, ingeschreven onder de nummers 2952, 2969 en 3021 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Franse Gemeenschapsregering heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 april 2005 : - zijn verschenen : . Mr. M. Detry, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 2952; . F. Roose, verzoekende partij in de zaak nr. 2969, in eigen persoon; . R. Couturiaux, verzoekende partij in de zaak nr. 3021, in eigen persoon; . Mr. M. Mareschal loco Mr. M. Uyttendaele, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1.
- R. Brankart verantwoordt zijn belang bij het vorderen van de vernietiging van het decreet doordat dit laatste hem, gedurende talrijke jaren, uitsluit van de mogelijkheid om toe te treden tot de ambten van (adjunct-)adviseur en (adjunct-)directeur bij de hulpverlening aan de jeugd, terwijl hij voldoet aan alle voorwaarden om te kunnen deelnemen aan een wervingsprocedure voor die betrekkingen, zoals die zijn vastgesteld in het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 7 januari 1999 « betreffende de ambtenaren van de Diensten van de Regering belast met de uitoefening van de bevoegdheden van adviseur of directeur bij de hulpverlening aan de jeugd en van adjunct-adviseur of adjunct-directeur bij de hulpverlening aan de jeugd ter uitvoering van Titel V van het decreet van 4 maart 1991 betreffende de hulpverlening aan de jeugd ». De verzoeker onderstreept dat hij beschikt over een behoorlijke ervaring inzake hulpverlening aan de jeugd. Thans is hij lid van het personeel van de Franse Gemeenschap, houder van een graad van eerstaanwezend gegradueerde en oefent hij het ambt van afgevaardigde bij de hulpverlening aan de jeugd uit; hij verklaart sinds 1984 houder te zijn van een diploma van « licencié en travail social », dat toegang geeft tot de betrekkingen van niveau 1 bij de Franse Gemeenschap, en beweert dat hij gedurende vele jaren, vanaf 1976, het ambt van vast afgevaardigde bij de jeugdbescherming heeft uitgeoefend, eerst bij het Ministerie van Justitie en daarna bij de Franse Gemeenschap. R. Brankart is overigens van mening dat het bestreden decreet - waarvan het doel erin bestaat de personen die de in het decreet van 31 januari 1999 beoogde ambten reeds uitoefenden en die nog altijd bekleden in het kader van een arbeidsovereenkomst, ertoe in staat te stellen in die ambten te worden benoemd, zonder oproep tot kandidaatstelling en wervingsexamen door SELOR - tot gevolg heeft dat de « betrekkingen die voor benoeming in aanmerking komen » definitief ingevuld zijn. A.1.
- F. Roose verantwoordt haar belang bij het vorderen van de vernietiging van het decreet doordat dit laatste haar uitsluit van de daarin geregelde aanwervings- en benoemingsregeling, door de kandidaatstelling te beperken tot enkel de in dienst zijnde contractuele ambtenaren, wat haar belet haar loopbaan op normale wijze volgens de geldende procedure voort te zetten. Niettemin heeft zij zich kandidaat gesteld voor de betrekkingen in kwestie. Zij onderstreept dat zij beschikt over een ruime ervaring bij het Bestuur van de hulpverlening aan de jeugd, waartoe de in het decreet beoogde betrekkingen behoren. Thans is zij houder van een graad van eerstaanwezend gegradueerde en bekleedt zij het hogere ambt van hoofdafgevaardigde bij de hulpverlening aan de jeugd; zij verklaart houder te zijn van een universitair diploma dat haar in staat stelt deel te nemen aan de wervingsexamens voor de betrekkingen van adviseur en directeur. Zij voegt eraan toe dat zij zich heeft ingeschreven voor interne examens voor het ambt van adjunct-adviseur en van adjunct-directeur en dat zij reeds drie van de vier brevetten heeft behaald. Zij is van mening dat de bij het decreet ingevoerde procedure, doordat zij leidt tot de benoeming van ambtenaren die niet voldoen aan de diplomavoorwaarden en aan de vereisten om voor examens te slagen, dat examen doet mislukken, waardoor haar kansen om benoemd te worden des te meer worden beperkt. A.1.
- R. Couturiaux, die sinds 1970 in de sector van de jeugdbescherming werkzaam is, verklaart te hebben geantwoord op de oproep tot kandidaatstelling bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juli 1991, waarbij zij opmerkt dat zij in 1991 en 1992 voor geen enkele selectieproef is uitgenodigd. Vervolgens onderstreept zij dat zij, van 1 juli 1997 tot 19 april 2000, het ambt van adjunct-adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd heeft uitgeoefend als opdrachthouder, dat zij, alvorens in april 2000 te zijn aangesteld als adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd, sinds januari 1999 het beheer van die dienst als enige 4 op zich heeft genomen, wegens gezondheidsproblemen van de adviseur, die zij uiteindelijk heeft vervangen, en dat haar ambten regelmatig werden verlengd en dat haar laatste opdracht op 31 december 2004 vervalt. R. Couturiaux preciseert voorts dat haar aanstelling in 1997 niet voortvloeit uit een wervingsprocedure, maar uit de zorg om een ideologisch en filosofisch evenwicht in acht te nemen. De derde verzoekende partij onderstreept dat zij sinds 31 januari 1999 in dienst is, dat zij beschikt over een diploma dat daarmee in verband staat en dat zij heeft geantwoord op de oproep tot kandidaatstelling van 30 juli 1991; zij is van mening dat zij voldoet aan de in het bestreden decreet gestelde benoemingsvoorwaarden. Om die reden heeft zij op 8 maart 2004 op grond daarvan haar vaste benoeming als adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd aangevraagd. In afwachting van de beloofde toelichtingen in verband met haar kandidaatstelling stelt R. Couturiaux vast dat alleen de (adjunct-)directeurs en (adjunct-)adviseurs die bij de besluiten van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 30 april 1993 tot de stage zijn toegelaten, door de commissie zijn beoordeeld en dat drieëntwintig van haar collega’s bij besluit van 16 juni 2004 zijn benoemd. De derde verzoekende partij verklaart voorts dat zij op 57-jarige leeftijd, gelet op het discriminerende karakter van het decreet, het einde van haar loopbaan - die zij als adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd hoopt te beëindigen - bevreesd en verontwaardigd tegemoet ziet. In dat opzicht wijst zij op haar ruime en nuttige ervaring voor dat ambt, onderstreept zij dat zij alle aan haar voorgestelde opleidingen heeft gevolgd en legt zij twee brevetten voor, verkregen in maart 2003 en maart 2004, die haar toelaten tot de door SELOR ingerichte vergelijkende selectie voor de toegang tot niveau
- De verzoekende partij vraagt ten slotte dat het decreet wordt toegepast, waarbij zij erop aandringt dat haar beroep wordt onderscheiden van de twee andere die op de rol zijn ingeschreven. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist in hoofdorde het belang van de drie verzoekende partijen om in rechte te treden, omdat zij van mening is dat het bestreden decreet hun niet belet toegang te hebben tot de daarin beoogde betrekkingen, ongeacht of dat « onmiddellijk » is, zoals voor de eerste twee, dan wel door een vergelijkend toegangsexamen tot het hogere niveau, zoals voor de derde verzoekende partij. In de eerste plaats merkt zij op dat het decreet niet ertoe strekt het statuut te vervangen waarin het voormelde besluit van 7 januari 1999 voorziet, maar dat het een specifieke procedure van statutaire aanwerving voor de mogelijke begunstigden van het decreet regelt, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden waarin zij zijn aangesteld om de voormelde ambten uit te oefenen. Zij merkt op dat het decreet alleen tot doel heeft de situatie te regulariseren van de ambtenaren die op 30 april 1993 tot de stage zijn toegelaten en die deze ambten nog uitoefenen. Zij voegt eraan toe dat het decreet niet tot gevolg heeft dat al die posten worden ingevuld, vermits meerdere personen zijn aangesteld om de ambten in kwestie uit te oefenen tussen 1993 en 1999, en dat die personen door het bestreden decreet niet worden beoogd. A.2.
- R. Brankart antwoordt hierop dat het onmogelijk is de juiste draagwijdte van die regularisatie te bepalen, vermits de Regering niet meedeelt wat de verhouding is tussen het aantal in de personeelsformatie beschikbare betrekkingen en het aantal door de begunstigden van de bestreden maatregelen ingevulde betrekkingen. De eerste verzoeker voert overigens aan dat de betrekkingen die niet door die laatstgenoemden zijn ingevuld, worden ingevuld door personen die ofwel « zijn aangesteld in hogere ambten », ofwel onder arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen. Hij voegt eraan toe dat het onderwerp van de bestreden handeling - regularisatie van onregelmatige situaties - en de motivering ervan - de overheid niet beletten om de ervaring te benutten van de personen die de ambten hebben uitgeoefend - niet uitsluiten dat een soortgelijke procedure in de toekomst wordt gevolgd. Ten slotte merkt hij op dat, vermits de continuïteit van de dienst is verzekerd door de invulling van de betwiste posten, geen enkele openstaande betrekking denkbaar is binnen een redelijke termijn. A.2.
- De Franse Gemeenschapsregering repliceert dat door te verwijzen naar een toekomstige regularisatieprocedure ten behoeve van de personen die niet bij het bestreden decreet zijn betrokken, de verzoekende partij erkent dat dit decreet niet tot gevolg heeft dat alle posten van (adjunct-)adviseur en (adjunct-)directeur worden ingevuld. A.3.
- De Regering merkt in verband met het belang van de eerste twee verzoekende partijen ook op dat hun recht om deel te nemen aan een wervingsprocedure voortvloeit uit de artikelen 2 en 3 van het voormelde besluit van 7 januari 1999, dat een dergelijke procedure nog niet is ingericht en dat de beoordeling bedoeld in artikel 2 van het decreet geen dergelijke aanwerving vormt. 5 A.3.
- R. Brankart antwoordt hierop dat die beoordeling leidt tot de benoeming van personen in betrekkingen die derhalve als definitief ingevuld worden beschouwd, wat uitsluit dat in een nabije toekomst een wervingsprocedure wordt ingericht. Hij onderstreept overigens dat die afhangt van beslissingen van de Franse Gemeenschap, die zelf afhankelijk zijn van de invulling van de betrekkingen, en dat het decreet elke aanwerving belet in een aantal betrekkingen waarvoor hij zich kandidaat zou kunnen stellen. A.
- De Franse Gemeenschapsregering merkt voorts op, ter ondersteuning van de ontstentenis van belang van de tweede verzoekende partij, dat zij niet aantoont dat het bestreden decreet haar de toegang belet tot de betrekkingen waarop zij aanspraak kan maken, gelet op de voorwaarden die zij vervult. In verband met het belang van de derde verzoekende partij merkt de Franse Gemeenschapsregering op dat die partij in maart 1995 is benoemd, door wijziging van graad, tot vast hoofdafgevaardigde bij de jeugdbescherming, en dat zij in november 2003 als opdrachthouder is aangesteld om het ambt van adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd uit te oefenen voor een hernieuwbare periode van een jaar. Zij merkt ten slotte op dat R. Couturiaux, wier situatie door het bestreden decreet geenszins zal zijn gewijzigd, niet eist dat de procedure wordt toegepast waarin het voormelde besluit van 7 januari 1999 voorziet, maar wenst dat het toepassingsgebied van het bestreden decreet in haar voordeel wordt uitgebreid. Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.
- Het eerste middel van R. Brankart en dat van F. Roose zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
- Volgens de eerste verzoekende partij zouden die bepalingen, waarin het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie bij de toegang tot de openbare betrekkingen is verankerd, het iedere persoon die voldoet aan de objectieve voorwaarden om tot die betrekkingen toegang te hebben, mogelijk maken zijn kandidaatstelling zinvol te doen gelden, zodat die volledig en objectief wordt onderzocht en vergeleken met die van de andere kandidaten, zodat de administratieve overheid, volledig onpartijdig en perfect geïnformeerd, een beroep kan doen op de diensten van de ambtenaren die volgens haar het meest geschikt zijn om de ambten uit te oefenen die aan de vacante betrekkingen zijn verbonden. De eerste verzoekende partij merkt op dat de wervingsprocedure vastgesteld in artikel 2 van het bestreden decreet is voorbehouden aan de personen bedoeld in artikel 1 ervan. Zij leidt daaruit af dat de burgers die, zoals zij, gelet op hun diploma en hun ervaring op het gebied van hulpverlening aan de jeugd, voldoen aan de objectieve voorwaarden om te worden toegelaten tot de wervingsprocedure voor de betrekkingen in kwestie, niet in de mogelijkheid verkeren zich kandidaat te stellen, de aanwervings- of selectieproeven af te leggen en hun titels en verdiensten zinvol te laten gelden, zodat de overheid met kennis van zaken een objectieve en met redenen omklede keuze onder de kandidaten kan maken, teneinde diegenen aan te wijzen die het meest geschikt zijn om de ambten uit te oefenen die aan de vacant verklaarde betrekkingen zijn verbonden. De verzoekende partij voegt eraan toe dat het aldus tot stand gebrachte verschil in behandeling niet redelijk kan worden verantwoord, noch door het feit dat de in het decreet bedoelde personen reeds vele jaren in dienst waren en een aanzienlijke ervaring in hun ambt hebben verworven, noch door het gegeven dat de waarde van de kandidaten voor de benoeming, teneinde de geloofwaardigheid ervan te waarborgen, door de bij het bestreden decreet opgerichte commissie wordt beoordeeld volgens de daarin vastgestelde regels. In dat opzicht merkt zij op dat die personen zich niet redelijkerwijze kunnen beroepen op de ervaring die zij op onregelmatige wijze, door middel van « tijdelijke juridische kunstgrepen », hebben verworven. In dat verband verwijst zij naar het arrest nr. 50.338 van de Raad van State van 23 november 1994, dat de voormelde besluiten van 30 april 1993, waardoor tweeëndertig personen zijn toegelaten tot de stage van eerste attaché of attaché bij de hulpverlening aan de jeugd, nietig heeft verklaard wegens de onwettigheid van het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 29 november 1991 « houdende sommige statutaire bepalingen toepasselijk op de personeelsleden die de bevoegdheden van adviseur of van directeur bij de hulpverlening aan de jeugd en van adjunct-adviseur of adjunct-directeur bij de hulpverlening aan de jeugd uitoefenen ter uitvoering van Titel V van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd », waarop die handelingen waren gegrond, naar het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 28 maart 1995 dat het voormelde besluit van 29 november 1991 vervangt, maar dat is ingetrokken op 12 maart 1997, wegens een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State, naar de arbeidsovereenkomsten gesloten door de personen die op 30 april 1993 tot de stage zijn toegelaten, naar de artikelen 1, 7°, en 3, tweede lid, van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 6 16 september 1998 « tot vaststelling van de lijst van de bijkomende en specifieke opdrachten voor het Ministerie van de Franse Gemeenschap », naar het voormelde besluit van 7 januari 1999, dat de aanwerving regelt en het administratief en geldelijk statuut preciseert van de (adjunct-)adviseurs en (adjunct-)directeurs bij de hulpverlening aan de jeugd, naar het arrest nr. 83.570 van de Raad van State van 23 november 1999, dat de afstand toewijst van de verzoekende partij die een beroep tot nietigverklaring van dat laatste besluit had ingesteld, en naar de ontstentenis van een wervingsprocedure die op basis van dat besluit is ingericht. A.
- De tweede verzoekende partij leidt uit artikel 10, tweede lid, en uit de eerste zin van artikel 11 van de Grondwet af dat, enerzijds, alle Belgen die voldoen aan de vastgestelde benoemingsvoorwaarden kunnen worden benoemd in een rijksbestuur en, anderzijds, dat toegangsrecht zonder discriminatie moet worden gewaarborgd. Zij voegt eraan toe dat, volgens de artikelen 1, 2 en 5 van het bestreden decreet, de benoeming als (adjunct-)adviseur of (adjunct-)directeur alleen toegankelijk is voor bepaalde personen wier toelating tot de stage nietig is verklaard door het voormelde arrest van de Raad van State van 23 november
- F. Roose is van mening dat het decreet, door de aanvragen voor een vaste benoeming en derhalve de benoemingen voor te behouden aan in dienst zijnde contractuele ambtenaren, die reeds op « politieke basis » in dienst zijn genomen, wier benoeming nietig is verklaard door de Raad van State, artikel 10 van de Grondwet schendt. A.8.
- De Franse Gemeenschapsregering merkt op dat het beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt en het beginsel volgens hetwelk de benoemingen gebeuren overeenkomstig rechtsregels die vooraf op objectieve en algemene wijze zijn bepaald, een bijzondere toepassing vormen van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.8.2.
- In hoofdorde voert de Regering aan dat de twee categorieën van personen die bij het verschil in behandeling betrokken zijn, niet redelijk met elkaar vergelijkbaar zijn, daar hun situaties fundamenteel verschillend zijn. Zij merkt op dat de personen bedoeld in artikel 1 van het decreet het ambt van (adjunct-)adviseur of dat van (adjunct-)directeur bij de hulpverlening aan de jeugd al meer dan tien jaar lang uitoefenen, waardoor zij over een onbetwistbare ervaring beschikken, dat die personen in dienst zijn getreden na een vergelijkende selectieprocedure die een openbare oproep tot kandidaatstelling en diplomavereisten omvatte, dat zij in 1993 verplichte opleidingen in verband met diverse aspecten van de uitgeoefende ambten hebben gevolgd, en dat die personen, die bij besluiten van 30 april 1993 tot de stage zijn toegelaten, ondanks het arrest van de Raad van State van 23 november 1994 en ondanks een onzekere statutaire situatie in dienst zijn gebleven gedurende verschillende jaren, teneinde de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren en in afwachting van de aanneming van regels die deze van het voormelde besluit van 29 november 1991 zouden vervangen. De Regering merkt daarentegen op dat, hoewel de andere personen voldoen aan de toegangsvoorwaarden vastgesteld bij het besluit van 7 januari 1999, zij die ambten niet onder dergelijke voorwaarden hebben uitgeoefend. A.8.2.
- R. Brankart antwoordt dat dit verschil in situatie tussen de personen die vallen onder het toepassingsgebied van het decreet en de anderen voortvloeit uit onregelmatigheden. A.8.2.
- F. Roose onderstreept dat de categorie van de in het decreet bedoelde personen kunstmatig is, voortvloeit uit tekortkomingen van de Franse Gemeenschap en in het leven is geroepen om, met schending van de basisregels inzake aanwerving, personen te benoemen wier benoeming nietig was verklaard. A.8.3.
- In ondergeschikte orde voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat het betwiste verschil in behandeling berust op een objectief en relevant criterium en redelijk verantwoord is. A.8.3.
- Zij legt in de eerste plaats uit waarom het door de decreetgever nagestreefde doel gewettigd is. De regularisatie ten behoeve van de personen die de voormelde ambten gedurende meer dan tien jaar onder een onzeker sociaal en administratief statuut hebben uitgeoefend, vormt, volgens de Regering, een gewettigde en aanvaardbare afwijking van de voorwaarden inzake de toegang tot die ambten bepaald in het besluit van 7 januari
- 7 Zij is van oordeel dat het niet billijk zou zijn die personen - die het voorwerp hebben uitgemaakt van een vergelijkende selectie na een oproep tot kandidaatstelling en die voldeden aan een diplomavereiste en, door de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren, een onbetwistbare ervaring hebben opgedaan - op dezelfde wijze te behandelen als andere personen die, hoewel zij voldoen aan de toegangsvoorwaarden van het besluit van 7 januari 1999, de beschouwde ambten niet onder dezelfde voorwaarden hebben uitgeoefend. De Regering merkt op dat de wervingsprocedure waarin dat besluit voorziet, bestemd is voor personen die die ambten nooit onder die voorwaarden hebben uitgeoefend. Zij is van mening dat het onrechtvaardig zou zijn die personen de « juridische dwalingen » te doen ondergaan die voortvloeien uit het specifieke karakter van hun ambt. Zij herinnert in dat opzicht eraan dat sommige personen die de voormelde ambten hebben uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst of van een opdracht - zoals de maatschappelijk werkers - geen houder zijn van een universitaire titel. Hun ambten zijn nochtans regelmatig verlengd en hun hiërarchische oversten waren zeer tevreden over de uitoefening ervan. Hun diploma van gegradueerde - dat volstond om zich kandidaat te stellen voor de stage in 1993 - maakt het hun niet langer mogelijk deel te nemen aan de proeven voor de vorming van een wervingsreserve die door SELOR op verzoek van de Franse Gemeenschap zouden worden ingericht. Zonder het decreet zou de sector van de hulpverlening aan de jeugd dus geen beroep meer kunnen doen op ervaren medewerkers en verantwoordelijken die zich dagelijks voor hun taak hebben ingezet, ondanks het toenemende aantal te behandelen dossiers. De Franse Gemeenschapsregering onderstreept ten slotte de beperkingen van de regularisatieprocedure, die zijn vastgesteld om de algemene beginselen van het openbaar ambt in acht te nemen. Zij voert met name aan dat, onder de personen die de voormelde ambten thans invullen, alleen diegenen die voldoen aan de wervingsvoorwaarden vastgesteld door de nieuwe algemene beginselen van het openbaar ambt - « en meer bepaald die welke de gelijke toegang tot de openbare betrekkingen waarborgen, namelijk een openbare oproep tot kandidaatstelling, objectieve selectievoorwaarden en een daadwerkelijke selectie » -, door het decreet worden beoogd. Zij merkt op dat die beperking de instemming heeft gekregen van de « Union des conseillers et directeurs », die hierover is geraadpleegd. A.8.3.
- Volgens R. Brankart kan het bestreden decreet niet worden verantwoord door de onregelmatigheid van de oorspronkelijke wervingsprocedure en de achterstand bij het aannemen van de regelmatige bepalingen, noch door een op onregelmatige wijze opgedane ervaring, tenzij in dat verband wordt aanvaard dat een overheid ongestraft feitelijke situaties op willekeurige wijze tot stand kan brengen en die a posteriori kan regulariseren. De eerste verzoekende partij voert in dat verband aan dat het niet zeker is dat de begunstigden van het decreet geslaagd zouden zijn voor een wervingsexamen en dat niet is aangetoond dat de ervaring die zij hebben opgedaan feilloos en onberispelijk zou zijn, vermits zij niet werden beoordeeld. De Regering repliceert dat de vaste benoeming van de begunstigden van de regularisatiemaatregel afhangt van het resultaat van een bij de artikelen 2, 4 en 5 van het bestreden decreet geregelde beoordeling. R. Brankart is overigens van mening dat het niet redelijk is personen die op onregelmatige wijze zonder het vereiste diploma in dienst zijn getreden, te bevoordelen ten opzichte van andere personen die beschikken over het vereiste diploma en over een behoorlijke en nuttige ervaring op het gebied van de hulpverlening aan de jeugd en de jeugdbescherming. De eerste verzoekende partij stelt ten slotte de waarde van de adviezen van de « Union des conseillers et directeurs » ter discussie, aangezien die vereniging de begunstigden van het decreet zou verenigen. A.8.3.
- F. Roose herinnert eraan dat de benoeming van die personen die geen universitaire titel hebben, nietig is verklaard. Zij is overigens van mening dat, gelet op de decretale verankering en het bijzondere belang ervan, het niet onredelijk is om voor de voormelde ambten een hoger diploma te eisen. Zij merkt op dat de Franse Gemeenschap zelf de aangevoerde problematische situatie heeft gecreëerd door personen in dienst te nemen die niet over het vereiste diploma beschikken en dat zij die nog een kans heeft gegeven als contractuele agenten of opdrachthouders. Volgens de tweede verzoekende partij is het niet relevant om de ervaring of positieve beoordeling van die ambtenaren aan te voeren, vermits de Franse Gemeenschap gedurende dertien jaar heeft getracht hen te benoemen zonder het vereiste diploma te eisen en zonder rekening te houden met de examenregels, en hen op kunstmatige wijze in dienst te houden, ondanks het arrest van de Raad van State van 23 november 1994 en ondanks het besluit van 7 januari
- 8 Zij betwist eveneens dat de zorg voor de continuïteit van de openbare dienst, aangevoerd om te verantwoorden dat de bij dat arrest van de Raad van State betrokken stagiairs in dienst worden gehouden, reëel is. Volgens F. Roose zou de Franse Gemeenschap na dat arrest een nieuwe wervingsprocedure door middel van vergelijkende examens hebben kunnen vaststellen in overeenstemming met de geldende regels, in plaats van in 1995 de regels van het besluit van 29 november 1991 over te nemen, vervolgens inactief te blijven tot de invoering, bij het besluit van 7 januari 1999, van een relevante regeling die zij niet toepast en met het bestreden decreet omzeilt. A.8.4.
- De Franse Gemeenschapsregering merkt vervolgens op dat de criteria van onderscheid, die voortvloeien uit de beperkingen van het toepassingsgebied van het bestreden decreet vastgesteld in artikel 1 ervan, niet alleen objectief, maar ook relevant zijn, in zoverre zij het mogelijk maken rekening te houden met de bijzondere situatie van de personen die de beschouwde ambten thans bekleden, waarbij binnen de grenzen van de voormelde algemene beginselen wordt gebleven. A.8.4.
- De Regering voert ten slotte aan waarom de maatregel redelijk is. Zij voert aan dat hij redelijk evenredig is met het nagestreefde doel, vermits hij geen recht toekent om in de betrokken ambten te worden benoemd, maar een procedure vaststelt tijdens welke de beoogde personen die wensen te worden benoemd, worden beoordeeld « door bemiddeling van SELOR ». Die regularisatie zou zich ertoe beperken « het statuut van de personen die deze sinds meer dan tien jaar uitoefenen om de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren, duurzaam te maken ». De Regering merkt voorts op dat de aangevochten maatregel geen onevenredige beperking inhoudt van de rechten van de betrokkenen, vermits hij de voormelde ambten niet ontoegankelijk maakt, het decreet niet tot gevolg heeft dat alle betrekkingen in kwestie worden ingevuld en iedere persoon die voldoet aan de bij het besluit van 7 januari 1999 vastgestelde toegangsvoorwaarden daartoe zal kunnen toetreden via een vergelijkend wervingsexamen of een bevorderingsprocedure met toepassing van het statuut van de ambtenaren van het Ministerie van de Franse Gemeenschap. A.
- R. Couturiaux voert van haar kant aan dat het bestreden decreet, door de acht personen die in 1996 en 1997 in de voormelde ambten zijn aangesteld om tegemoet te komen aan de behoeften van de grote en middelgrote arrondissementen, van de regularisatie uit te sluiten, discriminerend is. Zij eist een gelijke behandeling en gedraagt zich voor het overige naar de wijsheid van het Hof. A.10.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt in hoofdorde dat de in artikel 1 van het bestreden decreet bedoelde personen niet op relevante wijze kunnen worden vergeleken met diegenen die, hoewel zij het ambt van (adjunct-)adviseur of dat van (adjunct-)directeur bij de hulpverlening aan de jeugd hebben uitgeoefend - als gevolg van een aanstelling na de toelating tot de stage van 30 april 1993 -, niet zijn aangesteld op grond van een procedure die, zelfs gedeeltelijk, de gelijke toegang tot de openbare betrekkingen in acht neemt. Alleen de eerstgenoemden hebben immers, volgens de Regering, het voorwerp uitgemaakt van een vergelijkende selectie na een openbare oproep tot kandidaatstelling, waarbij zij aan diplomavoorwaarden voldeden. En het doel van de decreetgever bestaat erin de regularisatie van die personen mogelijk te maken, waarbij het koninklijk besluit tot bepaling van de algemene principes en het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare betrekkingen in acht worden genomen. A.10.
- De Regering antwoordt in ondergeschikte orde dat het door R. Couturiaux bekritiseerde verschil in behandeling op een objectief en relevant criterium berust en redelijk verantwoord is. De daartoe aangevoerde argumenten zijn soortgelijk aan die welke zijn uiteengezet in verband met het verschil in behandeling dat de eerste twee verzoekende partijen aanklagen (A.8.3 – A.8.4). De Regering preciseert niettemin, in verband met het redelijk verband van evenredigheid, dat de aangenomen maatregel niet de loutere bevestiging van de betwiste benoemingen beoogt, maar veeleer een regularisatie van de toestand van sommige ambtenaren, bestemd om een procedure voor de aanstelling van ambtenaren onder bepaalde voorwaarden retroactief geldig te maken. 9 Zij is van mening dat die retroactiviteit te dezen kan worden verantwoord, aangezien de maatregel de goede werking en de continuïteit van de diensten voor de hulpverlening aan de jeugd en de diensten voor gerechtelijke bescherming beoogt en rekening houdt met de zeer delicate toestand van de betrokken ambtenaren. Zij voegt eraan toe dat de « juridische dwalingen » van het statuut van de adviseurs en directeurs bij de hulpverlening aan de jeugd en de onzekere juridische toestand van de personen die die ambten gedurende tien jaar na hun toelating tot de stage in 1993 hebben uitgeoefend, uitzonderlijke motieven vormen die van dien aard zijn dat die de betwiste maatregel redelijk verantwoorden. A.10.
- R. Couturiaux antwoordt dat zij onder dezelfde voorwaarden en op basis van dezelfde bekwaamheidscriteria is aangesteld als de eerste (adjunct-)adviseurs en (adjunct-)directeurs bij de hulpverlening aan de jeugd, en dat alle (adjunct-)adviseurs en (adjunct-)directeurs zijn aangesteld na eenzelfde procedure die de regels, algemene beginselen en voorwaarden in acht neemt die de gelijke toegang tot de openbare betrekkingen waarborgen. De derde verzoekende partij merkt ten slotte op dat haar collega’s die op 16 juni 2004 zijn benoemd, een rustpensioen aangepast aan hun graad zullen kunnen genieten, wat voor haar niet het geval zal zijn, ondanks haar verdiensten gedurende de laatste acht jaar en ondanks artikel 23 van de Grondwet, waarin het recht op sociale zekerheid vervat is. A.10.
- In haar wederantwoord onderstreept de Franse Gemeenschapsregering dat de derde verzoekende partij, in tegenstelling tot de begunstigden van het decreet, niet is toegelaten tot de stage in 1993 en niet is aangesteld na een procedure die de algemene beginselen en de voorwaarden inzake de gelijke toegang tot de openbare betrekkingen in acht neemt, behalve wat betreft het optreden van SELOR, dat het voorwerp van de betwiste regularisatiemaatregel uitmaakt. Zij leidt hieruit af dat R. Couturiaux zich in een verschillende situatie bevindt en die regularisatie niet kan genieten. Ten aanzien van het middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in het licht van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen A.
- In een tweede middel voert R. Brankart aan dat die bepalingen de gemeenschappen ertoe verplichten het statutair personeel door bemiddeling van SELOR aan te werven, teneinde aan alle burgers te waarborgen dat de wijze van aanwerving voor de openbare betrekkingen in overeenstemming is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Hij leidt hieruit af dat die bepalingen zich ertegen verzetten dat het bestreden decreet een commissie sui generis opricht, en de samenstelling ervan regelt, die ermee belast is de in artikel 1 van het decreet bedoelde kandidaten te beoordelen. De toevoeging, aan die commissie, die hoofdzakelijk is samengesteld uit personeelsleden van de Franse Gemeenschap, van een door SELOR aangewezen ambtenaar - die slechts een bevoegdheid van facultatief advies heeft - maakt het volgens de verzoekende partij niet mogelijk de voormelde verplichting in acht te nemen. A.12.
- De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het bestreden decreet artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in acht neemt en dat het derhalve geen enkel discriminerend verschil in behandeling invoert. In dat opzicht merkt zij op dat de bij het decreet vastgestelde procedure precies tot doel heeft de ontstentenis van optreden van het Vast Wervingssecretariaat (V.W.S.) in 1993 op te vangen, dat artikel 3 van het decreet, om die bepaling in acht te nemen, voorziet in het optreden van SELOR voor de beoordeling van de kandidaten, en dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen enkele opmerking heeft geformuleerd in het advies betreffende het voorontwerp van decreet. A.12.
- De Regering voert vervolgens aan dat het voormelde artikel 87, § 2, de uniformisering van de procedures voor de aanwerving in het openbaar ambt beoogt. Volgens haar leert het arrest nr. 124.935 van de Raad van State van 3 november 2003 dat de federale overheid niet ertoe gehouden is de inrichting van alle stappen van de aanwerving van haar personeel aan SELOR toe te vertrouwen. Zij is dus van mening dat hetzelfde geldt voor de gemeenschappen en de gewesten, die de voormelde bepaling in acht nemen indien SELOR « toeziet » op het proces van de aanwerving van hun personeel. Zij merkt in verband hiermee op dat de rol die artikel 3 van het bestreden decreet aan SELOR toekent, verder gaat dan het uitoefenen van toezicht. A.
- R. Brankart betwist de interpretatie die de Regering geeft aan het arrest van de Raad van State van 3 november
- De verzoeker merkt op dat de laatstgenoemde de rol van toezichthouder van SELOR alleen heeft aanvaard na de toeziende rol ervan te hebben onderstreept, en hij weigert uit het arrest af te leiden dat 10 SELOR geen beslissingsbevoegdheid dient te behouden bij de aanwerving van federale ambtenaren. Hij is van mening dat SELOR integendeel, volgens de Raad van State, de mogelijkheid moet hebben om de beslissingen te herzien van het orgaan dat met het onderzoek van de geschiktheid van de kandidaten is belast. De eerste verzoeker verwijst voor het overige naar het arrest nr. 130.276 van de Raad van State van 13 april 2004, waarin wordt gesteld dat de wervingsprocedure ingevoerd bij het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 27 maart 2003 « tot instelling van een mandatenregeling voor de ambtenaren-generaal van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de instellingen van openbaar nut die onder het Comité van Sector XVII ressorteren », gelet op de rol van SELOR en van de gedelegeerd bestuurder ervan, geen aanwerving « door bemiddeling van » SELOR is in de zin van voormeld artikel 87, §
- R. Brankart merkt tevens op dat de rol van SELOR in de procedure van het bestreden decreet nog beperkter is, vermits die louter adviserend is en de vertegenwoordiger ervan niet kan deelnemen aan de beslissingen van de commissie. A.14.
- In haar wederantwoord onderstreept de Franse Gemeenschapsregering in de eerste plaats dat zij, en niet de beoordelingscommissie - waarvan de rol beperkt is tot het beoordelen van de kandidaten - en nog minder SELOR, bevoegd is om te benoemen. Vervolgens voert zij aan dat de rol van de ambtenaar van SELOR niet louter adviserend is. Zij is van mening dat die persoon kan toezien op de procedure en dat hij die bovendien ter discussie kan stellen. De Regering onderstreept ook dat het schriftelijk advies dat bij het beoordelingsverslag kan worden gevoegd, het de ambtenaar mogelijk maakt de aandacht van de Regering te vestigen op bepaalde aspecten van de gevoerde procedure - zoals het objectieve karakter ervan - of op een mogelijk verschil in beoordeling ten opzichte van de rest van de commissie, en dat iedere betrokkene een kopie van dat advies kan verkrijgen en in voorkomend geval op grond daarvan tegen de uiteindelijke beslissing een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan instellen. A.14.
- De Franse Gemeenschapsregering merkt overigens op dat de gedelegeerd bestuurder van SELOR, krachtens artikel 21 van het besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, de inrichting van vergelijkende selecties geheel of gedeeltelijk kan toevertrouwen aan een federale overheidsdienst. Overwegende dat het optreden van SELOR bij de aanwerving van federale ambtenaren dezelfde doelstelling nastreeft als die welke ten grondslag ligt aan de vereiste van het voormelde artikel 87, § 2, - het objectieve karakter van de aanwerving en hierdoor de gelijke toegang tot het openbare ambt waarborgen -, ziet de Regering niet in waarom de regeringsdiensten van de deelentiteiten de opdracht van vergelijkende selectie die onder de bevoegdheid van SELOR valt, niet zouden kunnen vervullen via een aanpassing van zijn optreden, voor zover het, zoals te dezen, het objectieve karakter van de wervingsprocedure in kwestie op doeltreffende wijze kan waarborgen. A.14.
- In verband met het voormelde arrest nr. 130.276 van de Raad van State van 13 april 2004 merkt de Regering op dat de procedure van het bestreden decreet sterk verschilt van die waarin het voormelde besluit van 27 maart 2003 voorziet. Dat laatste regelt op organieke wijze de toegang tot bepaalde posten, terwijl het bestreden decreet past in een uitzonderlijke context en een procedure vaststelt die niet als algemene procedure bedoeld is. En de enige taak van de bij dat besluit opgerichte commissie bestaat erin de ontvankelijkheid van de kandidaatstellingen te onderzoeken. De Regering merkt ten slotte op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State verschillende bezwaren had geformuleerd ten aanzien van de rol van SELOR in die procedure. Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels A.
- Het derde middel van R. Brankart en het tweede middel van F. Roose zijn afgeleid uit de schending van die regels, en meer bepaald van het voormelde artikel 87, §
- A.16.
- De eerste verzoeker is van mening dat de artikelen 2 tot 5 van het bestreden decreet inbreuk maken op de bevoegdheden van de federale overheid, waaronder SELOR ressorteert, door de wervings- en benoemingsprocedure vast te stellen, zonder van SELOR de « motor » van die procedure te maken. Hij voert aan dat alleen de federale overheid ertoe gemachtigd is de wijze van optreden van die instelling, alsook de bevoegdheden van de vertegenwoordigers ervan in een selectieorgaan te regelen. 11 A.16.
- De Franse Gemeenschapsregering verwijst naar de uiteenzetting in verband met het tweede middel van R. Brankart (A.12 en A.14) en is van mening dat het decreet de in het voormelde artikel 87, § 2, vervatte regel in acht neemt. Zij voegt eraan toe dat die bepaling de deelentiteiten, wanneer zij de aanwerving van hun ambtenaren regelen, niet belet de rol van SELOR te omlijnen. De Regering voert in dat verband aan dat het, volgens het verslag aan de Koning dat aan het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de algemene principes voorafgaat, aan de deelentiteiten toekomt de wervingsprocedures in te voeren en, teneinde het objectieve karakter ervan te waarborgen, de actoren van de verschillende wervingsopdrachten vast te stellen. De Regering verwijst ten slotte naar het advies dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft uitgebracht over het ontwerp dat het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 8 februari 2000 « betreffende de vergelijkende examens georganiseerd voor de werving en de overgang naar het hogere niveau van de ambtenaren van de Franse Gemeenschap » is geworden. Uit dat advies en uit artikel 2 van dat besluit leidt zij af dat de Franse Gemeenschap bevoegd is om de samenstelling van de examencommissies van SELOR te wijzigen en om een regeling aan te nemen die verschilt van die welke door de federale overheid is vastgesteld. A.17.
- In een eerste onderdeel onderstreept F. Roose dat het voormelde artikel 87, § 2, vereist dat SELOR de aanwerving inricht. Zij merkt op dat dit te dezen niet het geval is, vermits de betrokken ambtenaren worden aangeworven door een beoordelingscommissie opgericht door de Franse Gemeenschapsregering volgens een bijzondere procedure. Zij voegt eraan toe dat de toevoeging van een ambtenaar van SELOR waarin artikel 3 van het bestreden decreet voorziet, het met name gelet op de beperkte rol van die ambtenaar niet mogelijk maakt tegemoet te komen aan de vereiste van artikel 87, §
- Zij merkt overigens op dat het arrest van de Raad van State van 3 november 2003 geen betrekking heeft op dat artikel, vermits het niet van toepassing is op de federale politie. Aan de Franse Gemeenschapsregering die aanvoert dat de deelentiteiten niet ertoe kunnen worden verplicht alle stappen van de inrichting van de wervingsprocedure aan SELOR toe te vertrouwen (A.12.2), werpt zij het arrest nr. 78/97 van het Hof tegen, volgens hetwelk de deelentiteiten en hun personeel niet kunnen worden vergeleken met de Staat en zijn personeel. A.17.
- Ten aanzien van het eerste onderdeel van het tweede middel van F. Roose verwijst de Franse Gemeenschapsregering naar het antwoord op het tweede middel van R. Brankart (A.12 en A.14), waarbij zij van mening is dat het voormelde artikel 87, § 2, in acht wordt genomen. Zij voegt eraan toe dat de verzoekende partij niet aantoont hoe het bestreden decreet concreet inbreuk zou maken op de federale bevoegdheden, en dat, ook al mocht dat worden aangetoond, de niet-naleving van een wezenlijke vormvereiste daarom nog niet betekent dat de overheid die daarvoor verantwoordelijk is, inbreuk zou hebben gemaakt op de bevoegdheden van een andere overheid. A.18.
- In een tweede onderdeel voert F. Roose aan dat de exclusieve bevoegdheid om de ambtenaren van de deelentiteiten aan te werven, die door de bijzondere wet aan SELOR is toevertrouwd, ertoe strekt een aanwerving door middel van vergelijkende examens te verzekeren. Zij merkt op dat het bestreden decreet de wervingsexamens vervangt door een beoordelingsprocedure die wordt uitgevoerd door een door de Regering opgerichte beoordelingscommissie. A.18.
- De Franse Gemeenschapsregering antwoordt dat geen enkel element wordt voorgelegd waaruit blijkt dat het voormelde artikel 87, § 2, een vergelijkend examen oplegt, en dat die stelling in strijd is met de autonomie van de deelentiteiten en onverenigbaar is met het voormelde verslag aan de Koning, luidens hetwelk de aanwerving niet meer noodzakelijk moet gebeuren op basis van een vergelijkend examen en van de daaruit voortvloeiende rangschikking. 12 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
- Het bestreden decreet legt een wervingsprocedure vast voor ambtenaren die de ambten uitoefenen van adviseur of directeur bij de hulpverlening aan de jeugd en van adjunct-adviseur of adjunct-directeur bij de hulpverlening aan de jeugd, bepaald bij titel V van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd. B.2.
- Het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 29 november 1991 « houdende sommige statutaire bepalingen toepasselijk op de personeelsleden die de bevoegdheden van adviseur of van directeur bij de hulpverlening aan de jeugd en van adjunct-adviseur of adjunct-directeur bij de hulpverlening aan de jeugd uitoefenen ter uitvoering van Titel V van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd » richtte in de diensten van de Franse Gemeenschapsexecutieve, in rang 11, de graad van « eerste attaché bij de hulpverlening aan de jeugd » op en, in rang 10, die van « attaché bij de hulpverlening aan de jeugd » (artikel 2). Hetzelfde besluit bepaalde dat de titularissen van de eerste graad de bevoegdheden van adviseur of van directeur bij de hulpverlening aan de jeugd uitoefenden, terwijl de titularissen van de andere graad die van adjunct-adviseur of van adjunct-directeur bij de hulpverlening aan de jeugd uitoefenden (artikel 12). Dat besluit machtigde de minister ertoe de kandidaten tot de stage toe te laten, na het advies te hebben ingewonnen van een commissie - die uitsluitend was samengesteld uit ambtenaren van de Franse Gemeenschap - belast met het onderzoek van de bekwaamheidsbewijzen en de geschiktheid van de kandidaten (artikel 7). De benoeming na afloop van de stage - die in beginsel een jaar duurde - was afhankelijk van een met redenen omkleed voorstel van de ambtenaar-generaal van de administratie bevoegd voor de hulpverlening aan de jeugd en de jeugdbescherming (artikelen 8 en 10). B.2.
- De besluiten van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 30 april 1993 waarmee zesentwintig personen tot de stage werden toegelaten voor de graad van eerste attaché en zes 13 personen voor de graad van attaché, werden op 23 november 1994 nietig verklaard wegens de onwettigheid van het voormelde besluit van 29 november 1991 waarop zij gegrond waren (R.v.St., nr. 50.338, 23 november 1994). B.3.
- Het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 7 januari 1999 « betreffende de ambtenaren van de Diensten van de Regering belast met de uitoefening van de bevoegdheden van adviseur of directeur bij de hulpverlening aan de jeugd en van adjunct-adviseur of adjunct-directeur bij de hulpverlening aan de jeugd ter uitvoering van Titel V van het decreet van 4 maart 1991 » heft alle bepalingen van het voormelde besluit van 29 november 1991 betreffende het administratief statuut van die ambtenaren op. Het « streeft het algemene doel van de Regering na dat erin bestaat te verzekeren dat de personeelsleden van de Diensten van de Regering […], ongeacht hun ambten, inzake het beheer van hun loopbaan, worden onderworpen aan gemeenschappelijke beginselen, waaronder hun aanwerving door het V.W.S. en hun benoeming in de bij het besluit van de Regering van 22 juli 1996 opgerichte graden » (Verslag aan de Franse Gemeenschapsregering, Belgisch Staatsblad, 22 januari 1999, p. 1843). B.3.
- Het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 7 januari 1999 - dat op 1 februari 1999 in werking is getreden - bepaalt dat de bevoegdheden van adviseur of directeur bij de hulpverlening aan de jeugd worden uitgeoefend door ambtenaren die titularis zijn van de graad van « directeur (categorie : deskundig) », en dat die van adjunct-adviseur of adjunct-directeur worden uitgeoefend door ambtenaren die titularis zijn van de graad van « attaché of eerstaanwezend attaché (categorie : deskundig) » (artikel 1). De graden van « directeur », van « eerstaanwezend attaché » en van « attaché » zijn, volgens bijlage II van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 22 juli 1996 « houdende het statuut van de ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap », respectievelijk graden van rang 12, 11 en
- B.3.
- Volgens het voormelde besluit van 7 januari 1999 kan de graad van « directeur » « toegekend worden aan de geslaagden bij een vergelijkend wervingsexamen ingericht opdat de […] bevoegdheden [van adviseur of directeur bij de hulpverlening aan de jeugd] uitgeoefend zouden worden » (artikel 2, eerste lid). 14 Dat besluit preciseert voorts dat de graad van « attaché » kan worden toegekend aan de geslaagden voor een dergelijk examen « ingericht opdat de […] bevoegdheden [van adjunct-adviseur of adjunct-directeur] uitgeoefend zouden worden » (artikel 2, tweede lid). Alleen de houders van een van de « diploma’s van het universitair onderwijs of hoger onderwijs van het lange type » die in dat besluit worden opgesomd, kunnen aan die vergelijkende wervingsexamens deelnemen (artikel 2, derde lid). De kandidaten moeten overigens « het bewijs […] leveren van een nuttige ervaring van twaalf jaar in verband met het toe te kennen ambt » voor de graad van « directeur » en van zeven jaar voor die van « attaché » (artikel 2, vierde en vijfde lid). B.
- Uit de verzoekschriften blijkt dat alleen tegen de artikelen 1 tot 5 van het bestreden decreet grieven worden geformuleerd. Zij bepalen : « Artikel
- De personeelsleden van het Ministerie van de Franse Gemeenschap die, op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, sedert minstens 31 januari 1999 de ambten van adviseur of directeur voor hulpverlening aan de jeugd en van adjunct-adviseur of adjunct directeur voor hulpverlening aan de jeugd uitoefenen in toepassing van titel V van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd en van wie de oorspronkelijke aanwerving in een van deze ambten, enerzijds, op criteria waaronder minstens een voorwaarde van diploma in verband met het ambt en, anderzijds, op een selectieprocedure met een oproep tot de kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, berust, kunnen, op hun verzoek, vast benoemd worden in de betrekkingen van de personeelsformatie van het Ministerie van de Franse Gemeenschap die, elk afzonderlijk, overeenstemmen met de ambten die zij op de datum van inwerkingtreding van dit besluit uitoefenen. De personeelsleden benoemd bij toepassing van het vorig lid worden rechtstreeks onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 1 en 3 tot 6 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 7 januari 1999 betreffende de ambtenaren van de Diensten van de Regering belast met de uitoefening van de bevoegdheden van adviseur of directeur bij de hulpverlening aan de jeugd en van adjunct-adviseur of adjunct-directeur bij de hulpverlening aan de jeugd ter uitvoering van titel V van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd alsook aan de gemeenschappelijke statuten van de ambtenaren van de diensten van de Regering. Art.
- Binnen een termijn van zes maanden na hun aanvraag toegezonden aan de Regering ten laatste binnen de drie maanden die volgen op de bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad, worden de personeelsleden bedoeld bij artikel 1 beoordeeld door een commissie samengesteld en voorgezeten door de ambtenaar bedoeld bij artikel 35 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, hierna de Commissie. 15 Naast de voorzitter, bestaat de Commissie uit een of meer ambtenaren van het ministerie van de Franse Gemeenschap aangewezen wegens hun ervaring inzake beoordeling van de personeelsleden die hun ambt uitoefenen in de sector van de hulpverlening aan de jeugd. De beoordeling heeft in ieder geval betrekking op het vermogen van de kandidaten om een antwoord te brengen op de praktische toestanden die voortvloeien uit de uitoefening van het ambt dat overeenstemt met de betrekking waarvoor zij een vaste benoeming aanvragen. Art.
- SELOR vaardigt bij de Commissie een ambtenaar af bevoegd inzake selectie. De aldus door SELOR aangewezen ambtenaar doet elke suggestie die nuttig is voor het goede verloop en de doeltreffendheid van de beoordeling. Hij kan zijn schriftelijke advies voegen bij het verslag over de beoordeling. Art.
- Iedere beoordeling geeft aanleiding tot een met redenen omkleed advies op het einde waarvan een beoordelingsmelding, die ofwel gunstig of ongunstig is, voorkomt. Er wordt ervan kennisgegeven aan het betrokken personeelslid dat op het verslag viseert, dateert en daarna terugbezorgt, desnoods samen met zijn opmerkingen, binnen de veertien dagen van de ontvangst. Er wordt aan het personeelslid, binnen de maand die volgt op het terugbezorgen van het verslag, van de definitieve beslissing tot beoordeling kennisgegeven en het volledige dossier van de procedure wordt aan de Regering overgezonden. Art.
- De Regering benoemt in vast verband de personeelsleden die een gunstige beoordeling genieten met toepassing van artikel 4, laatste lid ». Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.6.
- De Franse Gemeenschapsregering betwist niet dat de verzoekende partijen ambtenaren van haar diensten zijn die, vóór de aanneming van het bestreden decreet, aanspraak konden maken op de benoeming in een van de graden waarop dat decreet betrekking heeft, ofwel via een wervingsprocedure, ofwel via een bevorderingsprocedure. 16 B.6.
- Het gegeven dat het bestreden decreet niet voor alle betrekkingen van adviseur, directeur, adjunct-adviseur of adjunct-directeur bij de hulpverlening aan de jeugd een vaste benoeming mogelijk maakt, is niet van dien aard dat het het belang van de drie verzoekende partijen bij het vorderen van de vernietiging van de voormelde decretale bepalingen in het geding kan brengen. Ten aanzien van de volgorde waarin de middelen worden onderzocht B.
- Ook al wordt daarin een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangevoerd, toch wordt het Hof in het tweede middel van de eerste verzoekende partij - net als in haar derde middel en in het tweede middel van de tweede verzoekende partij - verzocht na te gaan of de artikelen 2 tot 5 van het decreet in overeenstemming zijn met artikel 87, § 2, eerste lid, tweede zin, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. In hun andere middelen klagen de drie verzoekende partijen een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie aan. B.
- Het onderzoek van de overeenstemming van een bestreden bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet dat van de bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voorafgaan. Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van artikel 87, § 2, eerste lid, tweede zin, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen door de artikelen 2 tot 5 van het bestreden decreet B.
- Het eerste lid van het voormelde artikel 87, § 2, bepaalt : « Iedere Regering stelt de personeelsformatie vast van haar administratie en doet de benoemingen. Dit personeel wordt aangeworven door bemiddeling van het Vast Secretariaat voor werving van het Rijkspersoneel ». 17 B.
- De tweede zin van dat lid, die de autonomie van de deelentiteiten beperkt, legt aan elke regering de verplichting op om haar statutair personeel aan te werven door bemiddeling van het Vast Secretariaat voor werving van het Rijkspersoneel, thans « SELOR ». Die bepaling vereist dat SELOR de proeven inricht voor de selectie van de kandidaten die het meest geschikt zijn om de openbare ambten in de diensten van de regeringen van de deelentiteiten in te vullen. B.
- De artikelen 2 tot 5 van het bestreden decreet leggen een bijzondere wijze van aanwerving vast die is voorbehouden aan de personen bedoeld in B.2.2 die de bevoegdheden van (adjunct-)adviseur of (adjunct-)directeur bij de hulpverlening aan de jeugd nog uitoefenen. Uitgaande van de vaststelling dat de aanwerving op grond van het in B.2.1 genoemde besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 29 november 1991 niet heeft plaatsgehad « door bemiddeling van » het Vast Secretariaat voor werving van het Rijkspersoneel, heeft het bestreden decreet in hoofdzaak tot doel tegemoet te komen aan die vereiste die voortvloeit uit de tweede zin van artikel 87, § 2, eerste lid (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2002-2003, nr. 437-2, p. 2). B.12.
- De bij het bestreden decreet opgerichte beoordelingscommissie wordt voorgezeten door de ambtenaar die de leiding van de Administratie voor de hulpverlening aan de jeugd van het Ministerie van de Franse Gemeenschap heeft. Het staat aan die ambtenaar om die commissie samen te stellen door « een of meer ambtenaren » van dat Ministerie aan te wijzen « wegens hun ervaring inzake beoordeling van de personeelsleden die hun ambt uitoefenen in de sector van de hulpverlening aan de jeugd ». Dat decreet bepaalt ook dat de Regering de benoemingsaanvragen ontvangt en preciseert de termijn waarbinnen die aan haar moeten worden gericht, zonder te voorzien in een bijzondere oproep tot kandidaatstelling. Het decreet bepaalt overigens de termijn waarbinnen de commissie uitspraak moet doen over de kandidaatstellingen, bepaalt met welke elementen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de kandidaten, die « wordt uitgevoerd onder het gezag van de 18 [voormelde] ambtenaar » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2002-2003, nr. 437-1, p. 3), regelt de beoordelingsprocedure en preciseert de vorm waarin het tussentijdse resultaat en het eindresultaat dat de Regering bindt, worden meegedeeld. B.12.
- De verplichting ten aanzien van SELOR om een inzake selectie bevoegde ambtenaar aan te wijzen, die belast is met het formuleren van « elke suggestie die nuttig is voor het goede verloop en de doeltreffendheid van de beoordeling » en ertoe gemachtigd is « zijn schriftelijk advies te voegen bij het verslag over de beoordeling », strekt ertoe « SELOR te betrekken bij de beoordelingsprocedure overeenkomstig [het voormelde] artikel 87, § 2, » door dat selectiebureau « ten volle te waarborgen dat het autonoom kan optreden » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2002-2003, nr. 437-1, p. 3). B.12.
- Die samenwerking met een ambtenaar van SELOR neemt niet weg dat de bij het bestreden decreet ingevoerde wervingsprocedure, die SELOR elke inrichtingsbevoegdheid ontneemt, artikel 87, § 2, eerste lid, tweede zin, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet in acht neemt. B.12.
- De middelen op grond waarvan de schending van die bepaling wordt aangeklaagd, zijn gegrond. Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 1 van het bestreden decreet B.
- De eerste twee verzoekende partijen voeren het discriminerende karakter aan van het verschil in behandeling dat het bestreden decreet invoert tussen, enerzijds, de personen bedoeld in artikel 1 van dat decreet en, anderzijds, diegenen die, zonder de ambten van (adjunct-)adviseur of (adjunct-)directeur bij de hulpverlening aan de jeugd ooit te hebben uitgeoefend, voldoen aan de voorwaarden om deel te nemen aan de vergelijkende wervingsexamens bedoeld in artikel 2 van het voormelde besluit van 7 januari
- Alleen de eerstgenoemden kunnen deelnemen aan de wervingsprocedure die bij het bestreden decreet is ingevoerd en die van de regels van dat besluit afwijkt. 19 B.
- De situatie van de begunstigden van een bijzondere wervingsprocedure voor openbare betrekkingen kan worden vergeleken met die van de personen die voldoen aan de wervingsvoorwaarden die vroeger voor die betrekkingen waren vastgesteld. B.
- Het bestreden decreet heeft tot doel de personen die op het ogenblik van de aanneming van dat decreet titularis zijn van de betrokken ambten en voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden van het koninklijk besluit van 22 december 2000 « tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen », de mogelijkheid te bieden rechtstreeks te worden aangeworven in statutair verband voor de betrekkingen die met die ambten overeenstemmen. Met de aanneming van het bestreden decreet wenst de decreetgever rekening te houden met de omstandigheden waarin de toen in dienst zijnde titularissen van die ambten zijn aangesteld, waarbij « de ervaring en de verantwoordelijkheidszin van diegenen die zich dagelijks voor die bijzonder veeleisende ambten hebben ingezet » in aanmerking worden genomen (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2002-2003, nr. 437-1, p. 2). Het nagestreefde doel bestaat meer bepaald in de regularisatie van de situatie van de in 1993 tot de stage toegelaten personen die het ambt van (adjunct-)directeur of van (adjunct-)adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd nog uitoefenen (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2002-2003, nr. 437-2, p. 2). B.
- Het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare dienst en het beginsel volgens hetwelk de benoemingen gebeuren op basis van rechtsregels die vooraf op algemene en objectieve wijze zijn bepaald, vormen een corollarium van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Een afwijking van die algemene regels, zelfs wanneer zij uitgaat van de wetgever, moet berusten op voldoende redenen van algemeen belang om een aantasting van de coherentie van het personeelsstatuut te verantwoorden. B.
- Te dezen is van dergelijke redenen geen sprake. 20 De auteurs van het voormelde besluit van 7 januari 1999 beoogden de inrichting van een vergelijkend wervingsexamen binnen vijf jaar na de aanneming van dat statuut (Verslag aan de Franse Gemeenschapsregering, Belgisch Staatsblad, 22 januari 1999, p. 1843). Gelet op de in B.3.1 aangegeven doelstelling en de betwistingen waartoe de wervingsprocedure voor de voormelde betrekkingen gedurende bijna tien jaar heeft geleid, ziet het Hof niet in hoe het algemeen belang zou vereisen dat, voor personen wier ervaring en bekwaamheid overigens door de decreetgever worden beklemtoond, in een bijzondere wervingsprocedure wordt voorzien waaraan de personen die voldoen aan de bijna vijf jaar eerder vastgestelde statutaire wervingsvoorwaarden, zoals het beschikken over nuttige ervaring met betrekking tot het toe te kennen ambt, niet kunnen deelnemen. De middelen die, in de zaken nrs. 2952 en 2969, zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zijn derhalve gegrond. B.
- De derde verzoekende partij voert het discriminerende karakter aan van het verschil in behandeling dat het bestreden decreet teweegbrengt tussen twee categorieën van personen die, op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, het ambt van (adjunct-)adviseur of dat van (adjunct-)directeur bij de hulpverlening aan de jeugd uitoefenden. Alleen diegenen die zijn aangesteld op grond van een diploma dat verband houdt met het uit te oefenen ambt en naar aanleiding van een oproep tot kandidaatstelling bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, kunnen deelnemen aan de bij het bestreden decreet ingestelde wervingsprocedure. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat alleen de in B.2.2 bedoelde personen aan dat profiel voldoen. Diegenen die, zoals de verzoekende partij, in 1996 of 1997 zijn aangesteld, worden derhalve niet beoogd door die procedure. B.
- Gelet op het gegronde karakter van de andere middelen die zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, dient het Hof het in de zaak nr. 3021 aangevoerde middel niet te onderzoeken, vermits het niet tot een ruimere vernietiging zou kunnen leiden. 21 Om die redenen, het Hof vernietigt de artikelen 1 tot 5 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 19 november 2003 « houdende bijzondere bepalingen betreffende de toekenning van de betrekkingen voor de ambten bepaald bij titel V van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd ». Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 juni
- De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div