id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.100 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050601.8 Arrest- Rolnummer: 100/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-19 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-07-02 07:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 39, § 2, tweede lid, van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Tekst van de beslissing Rolnummers 3047 en 3048 Arrest nr. 100/2005 van 1 juni 2005 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 39, § 2, tweede lid, van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Het Arbitragehof, samengesteld uit voorzitter A. Arts, rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, en de rechters M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnissen van 29 juni 2004 in zake de n.v. Immofos en de n.v. B.H.N. tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 2 juli 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 39, § 2, tweede lid, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu dat artikel aldus moet geïnterpreteerd worden dat artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk is op de voorziening in rechte tegen een beslissing van de gemachtigde ambtenaar inzake de vestiging van de leegstandsheffing, waardoor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (plaats van de inning van de belasting) territoriaal bevoegd is, terwijl artikel 40, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet uitdrukkelijk afwijkt van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek in geval van verzet tegen een dwangbevel inzake de leegstandsheffing en de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het onroerend goed gelegen is aanwijst als territoriaal bevoegde rechtbank ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3047 en 3048 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de n.v. Immofos, met maatschappelijke zetel te 8000 Brugge, O.L. Vrouwkerkhof Zuid 14; - de n.v. B.H.N., met maatschappelijke zetel te 8300 Knokke-Heist, Noordzeelaan 29; - de Vlaamse Regering; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 13 april 2005 : - zijn verschenen : . Mr. J. De Busscher, advocaat bij de balie te Brugge, voor de n.v. Immofos en de n.v. B.H.N.; . Mr. I. Vanden Bon loco Mr. B. Staelens, advocaten bij de balie te Brugge, voor de Vlaamse Regering; . Mr. P. Peeters, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; 3 - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In beide zaken zijn de vorderingen van de eisende partijen gericht tegen de te hunnen name gevestigde aanslagen in de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en woningen. Het Vlaamse Gewest betwist in beide zaken de territoriale bevoegdheid van de Rechtbank te Brugge, die dienaangaande vaststelt dat niet artikel 40, § 2, tweede lid, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, maar wel artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is, zodat de Rechtbank te Brussel bevoegd zou zijn. Het bedoelde artikel 40, § 2, tweede lid, is immers slechts toepasselijk in geval van verzet tegen een dwangbevel, en niet in geval van een vordering tegen een aanslag. In navolging van de eisende partijen, meent de rechter dat er sprake is van een verschil in behandeling : terwijl de rechtbank van de plaats waar het onroerend goed is gelegen, bevoegd is wanneer een heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en woningen wordt betwist naar aanleiding van een dwangbevel, is de rechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd, bevoegd wanneer die heffing wordt betwist naar aanleiding van de aanslag. In beide zaken achtte de verwijzende rechter het aangewezen daarover aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- Ten aanzien van het onderwerp van de prejudiciële vraag A.1.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is, vermits ze gestoeld is op een verkeerde lezing van artikel 39, § 2, tweede lid, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
- Dat artikel bepaalt enkel op welke wijze de beslissing over het beroep aan de belastingplichtige ter kennis moet worden gebracht en bijgevolg niet bij welke rechtbank een vordering kan worden ingesteld. De Vlaamse Regering is bovendien van oordeel dat de prejudiciële vraag niet in aanmerking komt voor herformulering, aangezien ze daardoor wezenlijk zou worden gewijzigd. Een herformulering zou de toetsing immers uitbreiden tot bepalingen waarover de verwijzende rechter geen vraag heeft gesteld. A.1.
- Ook de Ministerraad is van oordeel dat artikel 39, § 2, tweede lid, van het decreet van 22 december 1995 geen regel bevat met betrekking tot de territoriale bevoegdheid van de rechtbanken, zodat die bepaling op dat punt ook geen onderscheid kan creëren. A.
- De Ministerraad voert eveneens aan dat het Hof manifest onbevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden, in zoverre ze in die zin zou worden uitgelegd, zoals de n.v. Immofos en de n.v. B.H.N. lijken te doen, dat het Hof wordt uitgenodigd te beoordelen of uit de artikelen 39, § 2, tweede lid, en 40, § 2, tweede lid, van het decreet van 22 december 1995 voortvloeit dat de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het onroerend goed is gelegen de territoriaal bevoegde rechtbank is om kennis te nemen van alle geschillen over de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en woningen. Die beoordeling behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de bodemrechter. 4 Ten aanzien van de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.3.
- In subsidiaire orde betoogt de Vlaamse Regering dat noch artikel 39, § 2, tweede lid, noch artikel 40, § 2, van het decreet van 22 december 1995 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. A.3.
- De Vlaamse Regering verwijst naar de arresten nrs. 58/2003 en 126/2003, waarin het Hof het voormelde artikel 40, § 2, in overeenstemming heeft geacht met de bevoegdheidverdelende regels, onder meer op basis van de overweging dat de aangelegenheid van de territoriale bevoegdheid van het rechtscollege waarbij verzet tegen een dwangbevel aanhangig kan worden gemaakt, zich leent tot een gedifferentieerde regeling. Volgens de Vlaamse Regering is het dan ook logisch dat die « gedifferentieerde regeling » moet worden beschouwd als zijnde bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De Vlaamse Regering wijst nog erop dat ook in het Gerechtelijk Wetboek afzonderlijke regels zijn uitgewerkt voor de betwisting van, enerzijds, fiscale heffingen ten gronde en, anderzijds, de tenuitvoerlegging ervan. A.4.
- In zoverre de prejudiciële vraag betrekking zou hebben op de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het onderscheid tussen, enerzijds, belastingplichtigen die een dwangbevel aanvechten met toepassing van artikel 40, § 2, tweede lid, van het decreet van 22 december 1995 en, anderzijds, belastingplichtigen die een vordering instellen met toepassing van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, moet die vraag, volgens de Ministerraad, ontkennend worden beantwoord, vermits het onderscheid objectief en redelijk verantwoord is. A.4.
- De Ministerraad voert aan dat artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek bij de wet van 23 maart 1999 werd gewijzigd met het oog op een centralisatie van de fiscale geschillen bij de vijf rechtbanken van eerste aanleg die zitting houden ter zetel van een hof van beroep. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt echter dat de wetgever het bestaan van afwijkende regelingen, onder meer vanwege de aard van de geschillen, mogelijk heeft geacht. Bij het aannemen van artikel 40, § 2, tweede lid, van het decreet van 22 december 1995, heeft de decreetgever van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Volgens de Ministerraad vermocht de decreetgever in redelijkheid te oordelen dat het voor de bedoelde procedure aangewezen is dat de rechter bevoegd is die plaatselijk het best de situatie kan inschatten. De Ministerraad wijst erop dat ook voor andere procedures het criterium van de plaats waar het onroerend goed is gelegen, wordt gehanteerd. A.4.
- Ten slotte betoogt de Ministerraad dat de in artikel 40, § 2, tweede lid, van het decreet van 22 december 1995 vervatte regel op geen enkele wijze afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter of aan enig ander grondrecht. A.5.
- De n.v. B.H.N en de n.v. Immofos, eisende partijen voor de verwijzende rechter, stellen dat er geen reden is om aan te nemen dat de decreetgever enkel voor geschillen over de inning van de heffing heeft willen afwijken van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek. De decreetgever heeft dit ook willen doen voor de geschillen over de aanslag, zij het dat hij heeft nagelaten dit expliciet te vermelden in artikel 39, § 2, tweede lid, van het decreet van 22 december
- De Vlaamse Regering antwoordt dat het onjuist is dat de decreetgever geen onderscheid heeft willen maken. Bovendien heeft de verwijzende rechter uitdrukkelijk vastgesteld dat artikel 40, § 2, van het decreet slechts toepasselijk is op de gevallen waarin door de belastingplichtige verzet wordt gedaan tegen een dwangbevel. A.5.
- De interpretatie die inhoudt dat de decreetgever enkel heeft willen afwijken van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre het gaat om geschillen over de inning van de heffing, leidt ertoe, volgens de n.v. B.H.N. en de n.v. Immofos, dat artikel 39, § 2, tweede lid, van het decreet van 22 december 1995 discriminerend is. Er is immers geen objectief aanwijsbare reden voor het door de verwijzende rechter aangehaalde onderscheid inzake de territoriale bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. A.5.
- De n.v. B.H.N. en de n.v. Immofos wijzen nog erop dat het Hof in de door de Vlaamse Regering aangehaalde arresten niet was verzocht zich uit te spreken over het discriminatoir karakter van artikel 39, § 2, van het decreet van 22 december
- De argumentatie die de Vlaamse Regering op basis van die arresten heeft ontwikkeld, is bijgevolg niet ter zake. 5 Ook de argumentatie van de Ministerraad wordt als niet ter zake afgedaan, omdat ze betrekking heeft op artikel 40, § 2, tweede lid, en niet op de in het geding zijnde bepaling, namelijk artikel 39, § 2, tweede lid. Ten slotte wordt ook betwist dat artikel 39, § 2, tweede lid, geen regel zou bevatten met betrekking tot de mogelijkheid voor de belastingplichtige om een vordering in rechte in te stellen. In dat artikel wordt immers uitdrukkelijk gesteld dat « tegen deze beslissing in rechte kan getreden worden ». -B- B.
- De prejudiciële vraag betreft artikel 39, § 2, tweede lid, van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, in de redactie ervan vóór de wijziging bij het decreet van 7 mei
- De artikelen 39 en 40 van dat decreet bepaalden : « Art.
- §
- Het bedrag van de heffing en de opcentiemen, verschuldigd overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, zijn te betalen uiterlijk op het einde van de tweede maand die volgt op de datum van de toezending van het aanslagbiljet of, wanneer beroep werd ingesteld overeenkomstig § 2, van de beslissing van de Vlaamse regering waarbij het beroep geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen. […] §
- De belastingplichtige kan binnen dertig kalenderdagen na de verzending van de aanslag met een gemotiveerd verzoekschrift in beroep gaan bij de Vlaamse regering. Dit verzoekschrift moet op straffe van verval, binnen een maand na de datum van verzending van de aanslag, bij aangetekende brief worden ingediend. De belastingplichtige voegt bij het verzoekschrift de nodige bewijskrachtige stukken om zijn bezwaren te staven. Aan de belastingplichtige wordt onverwijld bij aangetekend schrijven een ontvangstmelding van het beroep bezorgd. De Vlaamse regering kan bij de belastingplichtige alle onderzoekingen verrichten en hem verzoeken alle stukken voor te leggen of te verstrekken die nuttig kunnen zijn om over het beroep te beslissen. De beslissing over het beroep wordt per aangetekend schrijven aan de belastingplichtige ter kennis gebracht en zij vermeldt de wijze waarop tegen deze beslissing in rechte kan getreden worden. Wordt het beroep ingewilligd, dan beslist de Vlaamse regering of de heffing geheel of gedeeltelijk moet betaald worden, dan wel of het gebouw en/of de woning wordt geschrapt van de lijst. De beslissing kan gesteund zijn op bewezen overmacht. […] Art.
- §
- Bij ontduiking van de heffing wordt door de Vlaamse regering of de door haar gemachtigde ambtenaar een administratieve geldboete opgelegd die gelijk is aan het dubbele van de ontdoken heffing. 6 §
- Als de betaling van de heffing, interesten en administratieve geldboete niet gebeurt, vaardigt de ambtenaar die belast is met de invordering een dwangbevel uit, waarvan na uitvoerbaarverklaring kennis wordt gegeven via een aangetekende brief of bij deurwaardersexploot. Op het dwangbevel zijn de bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing. Binnen dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de belastingplichtige bij deurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. De ambtenaren die met de invordering zijn belast, kunnen vóór de definitieve beslechting van het geschil, bedoeld in het vorige lid, een procedure in kortgeding inleiden bij de voorzitter van de rechtbank waar het geschil in eerste aanleg aanhangig wordt gemaakt, teneinde de belastingplichtige te doen veroordelen tot betaling van een provisie op het bij het dwangbevel gevorderde bedrag. […] ». Artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek luidt : « Ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet staat ter kennisneming van de rechter die zitting houdt ter zetel van het Hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd. De Koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van beroep aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is ». B.
- Volgens de verwijzende rechter zou artikel 39, § 2, tweede lid, van het voormelde decreet een verschil in behandeling teweegbrengen tussen de belastingplichtigen van de « heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en woningen » naargelang zij een beslissing van de gemachtigde ambtenaar daaromtrent zouden betwisten of verzet zouden aantekenen tegen een dwangbevel inzake die heffing : in het eerste geval zou de in het geding zijnde bepaling, in samenhang gelezen met artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, inhouden dat de rechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd, de territoriaal bevoegde rechter is, terwijl in het tweede geval de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het onroerend goed gelegen is, krachtens artikel 40, § 2, tweede lid, territoriaal bevoegd is. 7 B.
- De Ministerraad en de Vlaamse Regering voeren aan dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp is, vermits de in het geding zijnde bepaling niet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat ze een regel zou bevatten betreffende de territoriale bevoegdheid van de rechtbanken. B.
- Het Hof stelt vast dat het in het geding zijnde artikel 39, § 2, tweede lid, op geen enkele wijze de bevoegdheid ratione loci van de rechtbank van eerste aanleg regelt. B.
- Vermits de in het geding zijnde bepaling geen betrekking heeft op het onderwerp van de prejudiciële vraag, behoeft die geen antwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div