id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 juni 2005 ECLI nr: E
§ 7
bedoelde externe maximale geluidsniveau »; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot 31 december
- UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 1bis, § 5, eerste lid, 2°, van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 29 april 2004, ingesteld door P. Thiry en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummer 3075 Arrest nr. 101/2005 van 1 juni 2005 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 1bis, § 5, eerste lid, 2°, van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 29 april 2004, ingesteld door P. Thiry en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 2 september 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 september 2004, hebben P. Thiry, wonende te 4400 Flémalle, rue des Béguines 34, P. Deneye, wonende te 4470 Saint-Georges-sur-Meuse, rue Vingt Ponts 59/A, en Y. Oly, wonende te 4400 Flémalle, rue de la Reine 48/6, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 1bis, § 5, eerste lid, 2°, van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 29 april 2004 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 juni 2004, tweede uitgave). De vordering tot gedeeltelijke schorsing van dezelfde wetsbepaling, ingediend door dezelfde verzoekende partijen, is verworpen bij het arrest nr. 172/2004 van 28 oktober 2004, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 december
- De Waalse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 april 2005 : - zijn verschenen : . Mr. X. Close, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partijen; . Mr. F. Guerenne, advocaat bij de balie te Nijvel, en Mr. C. Neirynck, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. F. Haumont, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Standpunt van de verzoekende partijen A.
- Volgens de verzoekende partijen moest het decreet van 29 april 2004 tot wijziging van artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, waarvan zij de gedeeltelijke vernietiging vorderen, door het Waalse Gewest worden aangenomen teneinde zich te gedragen naar de lering van het arrest nr. 51/2003 van 30 april 2003 van het Hof. Zij voeren aan dat zulks niet het enige doel van het bestreden decreet was, dat voor het eerst in de Waalse wetgeving betreffende de bestrijding van de geluidshinder 3 het beginsel van de wettigheid van tien overschrijdingen van de drempel van 45 decibel (dB) tijdens de nacht in geïsoleerde ruimten heeft opgenomen. Terwijl het Hof de kritiek op een afbakening van zones op basis van de gemiddelde geluidsindicator LDN niet in aanmerking had genomen, wijzigt het bestreden decreet van 29 april 2004 de gehanteerde geluidsindicator en legt het nieuwe zones vast die het naast elkaar laat bestaan, namelijk het plan met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder (P.B.G.) en het ontwikkelingsplan op lange termijn (O.L.T.) volgens de gemiddelde geluidsindicator Lden. De verzoekende partijen preciseren aldus dat de verschillende zones van het P.B.G. voortaan zijn vastgesteld volgens een strikt theoretische geluidshinder (op basis van een theoretische luchtvloot en een theoretisch aantal bewegingen) die de omwonenden in 2013 zouden ondergaan. De zones van het O.L.T. zijn daarentegen vastgesteld « op grond van de zones m.b.t. de blootstelling aan geluidshinder overeenstemmend met de maximale ontwikkelingsgrenzen van de luchthavens en vliegvelden in het Waalse Gewest ». A.2.
- Ter ondersteuning van hun beroep leiden de verzoekende partijen een enig middel af uit de schending van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet. Zij zijn van mening dat het deel van het decreet waarvan zij de vernietiging vorderen, in strijd is met het standstill-beginsel inzake de bescherming van de gezondheid en van het leefmilieu, dat het het recht op de bescherming van de gezondheid en het recht op de bescherming van het leefmilieu van de omwonenden van de Waalse luchthavens niet waarborgt en dat het het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de omwonenden van de Waalse luchthavens op onevenredige wijze aantast. A.2.
- Ten aanzien van de schending van het standstill-beginsel onderstrepen de verzoekende partijen dat het decreet van 8 juni 2001, dat door het bestreden decreet wordt gewijzigd, niet voorzag in een overschrijding van de voor de verschillende zones opgelegde externe geluidsdrempels en dat het een isolatie van de slaapkamers, op kosten van het Waalse Gewest, waarborgde, op zodanige wijze dat de geluidspieken 's nachts binnen de slaapkamers de drempel van 45 dB Lmax nooit overschrijden. Het bestreden decreet voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van tien overschrijdingen van de drempel van 45 dB Lmax tijdens de nacht, binnen de slaapkamers, die te wijten zijn aan de overschrijdingen buiten. De verzoekende partijen leiden hieruit logischerwijze af dat het decreet tien overschrijdingen van de externe geluidsdrempels toestaat. Terwijl het decreet van 8 juni 2001 werd verantwoord door de wil om de omwonenden te verzekeren dat de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie (W.G.O.) worden nageleefd en dat zij dus tijdens hun slaap, in hun slaapkamer, niet zouden worden onderworpen aan geluidspieken van meer dan 45 dB, verwijst de memorie van toelichting bij het bestreden decreet naar een uittreksel uit het rapport van de W.G.O. en verantwoordt het de bekritiseerde overschrijdingen in de volgende bewoordingen : « In haar rapport Guidelines for Community Noise pleit de W.G.O. voor een geluidsniveau, binnen de woningen, tijdens de nacht, van minder dan 30 dB (A) LAeq voor continue geluidshinder. Voor tijdelijke of alleenstaande geluidshinder wijst de W.G.O. erop dat geluidsniveaus van meer dan 45 dB (A) Lmax zouden moeten worden vermeden. In hoofdstuk III (Sleep disturbance) van datzelfde rapport preciseert de W.G.O. echter dat dit geluidsniveau van 45 dB (A) Lmax niet meer dan tien tot vijftien keer per nacht zou mogen worden overschreden » (Parl. St., Waals Parlement, 2003-2004, nr. 661-1, p. 3). De verzoekende partijen betwisten, na de gegevens van dat rapport van de W.G.O. te hebben geanalyseerd, de interpretatie die de auteurs van het ontwerp van het bestreden decreet eraan hebben gegeven. A.2.
- Om hun bewijsvoering te staven, voeren de verzoekende partijen voorts aan dat het decreet van 29 april 2004 het algemeen evenwicht waarover het Hof zich in zijn arrest nr. 51/2003 heeft uitgesproken, tenietdoet; zij verwijzen in het bijzonder naar de overwegingen B.5.12 tot B.5.14, waaruit blijkt dat het Hof de wettigheid van het hanteren van een gemiddeld geluidscriterium, zoals de LDN of de Lden, heeft erkend, maar dat het bij zijn beoordeling rekening heeft gehouden met de vaststelling van de aan de luchtvaartmaatschappijen opgelegde maximale geluidsdrempels. A.2.
- Los van de schending van het in die bepaling vervatte standstill-beginsel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 23 van de Grondwet eveneens is geschonden, in zoverre de bestreden norm het recht op 4 de bescherming van de gezondheid en het recht op de bescherming van het leefmilieu op onevenredige wijze zou aantasten. A.2.
- De bestreden norm zou kennelijk ook artikel 22 van de Grondwet schenden, geïnterpreteerd in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre hij geen billijk evenwicht tot stand zou brengen tussen het recht van de omwonenden van de Waalse luchthavens op de bescherming van het privé- en gezinsleven, en het economisch belang van de Staat. Memorie van de Waalse Regering A.3.
- Na te hebben herinnerd aan de voorgeschiedenis van het bestreden decreet op wettelijk en reglementair vlak voert de Waalse Regering aan dat het middel niet gegrond is. A.3.
- In de eerste plaats kent artikel 23 van de Grondwet, waarvan de schending door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, geen enkel subjectief recht toe. Het heeft volgens de Waalse Regering geen rechtstreekse werking. Wat de standstill-verplichting betreft, die kan niet in die zin worden geïnterpreteerd dat zij aan de wetgever een status-quo oplegt. De Waalse Regering citeert uit verschillende arresten van het Hof waarin het zich, volgens haar, in die zin uitspreekt. A.3.
- Met betrekking tot artikel 22 van de Grondwet, geïnterpreteerd in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is de Waalse Regering van mening dat het Hof, in zijn arrest nr. 51/2003, heeft vastgesteld dat uit geen enkel van door de deskundigen opgestelde verslagen kon worden afgeleid dat de omwonenden van de luchthaven Luik-Bierset in hun woning zouden kunnen leven zonder dat hun recht op privé-leven op buitensporige wijze zou worden aangetast, wanneer zij worden blootgesteld aan geluidshinder die tussen 65 en 70 dB (A) ligt. Het Hof heeft dus aanvaard dat de isolatiewerkzaamheden het mogelijk maken om aan de doelstelling van volksgezondheid tegemoet te komen. Het feit dat zij in hun woningen met gesloten deuren en ramen moeten leven, brengt evenwel hinder met zich mee. De Waalse Regering is van mening dat het Hof echter op geen enkel ogenblik de schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in aanmerking heeft genomen. Het heeft evenmin erkend dat artikel 22 van de Grondwet zou zijn geschonden. A.3.
- Na te hebben herinnerd aan de betekenis van het wetgevend optreden door middel van het decreet van 29 april 2004, is de Waalse Regering van mening dat de bestreden paragraaf 5 bepaalt dat, in de hypothese dat isolatiewerkzaamheden een geluidsniveau van 45 dB (A) Lmax binnen de slaapkamers en van 55 dB (A) Lmax binnen de dagvertrekken van de woningen buiten zone A van het O.L.T. garanderen, die geluidsniveaus niet meer dan tien keer zullen mogen worden overschreden gedurende een periode van 24 uur en op voorwaarde dat die overschrijdingen te wijten zijn aan een overschrijding van het maximale geluidsniveau bedoeld in paragraaf
- Die paragraaf machtigt de Regering ertoe maximale geluidsdrempels vast te stellen, uitgedrukt in Lmax, die tussen 23 uur en 7 uur en tussen 7 uur en 23 uur niet mogen worden overschreden. Die drempels, zo preciseert de Regering, waren reeds gekozen in het kader van de wet van 18 juli 1973, vóór de wijziging ervan bij het decreet. De Waalse Regering vervolgt dat de overschrijdingen beantwoorden aan de wetenschappelijke studies over het niveau van het akoestisch comfort dat binnen de woningen moet worden bereikt. A.3.
- Wat betreft de W.G.O.-normen, die in het debat centraal staan, aangezien zij zowel bij de aanneming van het decreet van 8 juni 2001 als bij die van het decreet van 29 april 2004 als referentie hebben gediend, is de Waalse Regering van mening dat het oorspronkelijke rapport van de W.G.O., opgesteld in het Engels, genuanceerder is dan de in het Frans opgestelde oriënterende samenvatting van dezelfde organisatie. Terwijl die laatste zou kunnen laten doorschemeren dat geen enkele overschrijding van de drempel van 45 dB (A) Lmax zou kunnen worden toegestaan, blijkt volgens de Waalse Regering uit het rapport van de W.G.O. duidelijk dat een goede slaap kan worden verzekerd indien een geluidsniveau van 45 dB (A) Lmax met een maximum van tien tot vijftien overschrijdingen van dat niveau per nacht in acht wordt genomen. A.3.
- Door die beginselen toe te passen, wil de Waalse Regering aantonen dat het decreet van 29 april 2004 de omwonenden in het algemeen beter beschermt en dat het geen beduidende achteruitgang zou kunnen vormen ten opzichte van de vroegere wetgeving. Zou er van achteruitgang sprake kunnen zijn, in zoverre het Waalse Gewest thans 45 decibel in de nachtruimten en 55 decibel in de dagvertrekken waarborgt, zonder dat die 5 niveaus meer dan tien keer mogen worden overschreden gedurende een periode van 24 uur ? Die vraag dient beslist ontkennend te worden beantwoord, indien wordt verwezen naar de W.G.O.-normen, naar het verslag A-tech en naar het verslag van Muzet–Vallet, die alle melding maken van de tien overschrijdingen (of zelfs meer) van wat voor hen de norm is. In werkelijkheid tracht het decreet van 29 april 2004 tegemoet te komen aan het arrest nr. 51/2003 van het Hof van 30 april
- In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen schrijven, staat het decreet noch uitdrukkelijk, noch impliciet toe dat de luchtvaartuigen die drempels overschrijden. Vervolgens zou het decreet de bescherming van de omwonenden op het vlak van de isolatie niet kunnen verminderen, onder het voorwendsel dat het tien overschrijdingen van de drempel van 45 dB (A) in de nachtruimten zou toestaan. De wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, zoals gewijzigd bij het decreet van 29 april 2004, legt niet langer de waarde van een index van geluidsvermindering vast, maar heeft het over een voldoende geluidsvermindering om een geluidsniveau van 45 dB (A) in de nachtruimten te waarborgen. Samen met de verzoekende partijen betwist de Waalse Regering niet dat uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 8 juni 2001 blijkt dat de toenmalige wetgever isolatiemaatregelen wilde nemen om tegemoet te komen aan de door de W.G.O. voorgeschreven normen, die, in tegenstelling tot wat wordt aangevoerd, minder beperkend zijn dan wat de wetgever in 2004 heeft bepaald. Het standpunt van de verzoekende partijen kan echter niet worden gevolgd, wanneer zij aanvoeren dat die normen geen enkele overschrijding van de daarin vastgestelde waarden zouden toestaan. A.3.
- Wat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens betreft, verklaart het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest Hatton van 8 juli 2003 opnieuw dat de Staat een ruime beoordelingsvrijheid geniet en dat het zich niet in de plaats van de overheid kan stellen om te oordelen wat de reglementering van overdreven geluidshinder door luchtvaartuigen en de rechtsmiddelen die in de interne rechtsorde aan het individu moeten worden geboden, zouden moeten inhouden. Te dezen tonen de verzoekende partijen geenszins aan op welke wijze het Waalse Gewest dat billijke evenwicht zou hebben verstoord. Integendeel, het heeft het algemeen belang en het individueel belang afgewogen. Daartoe heeft het zich op heel veel studies beroepen. Memorie van antwoord A.4.
- De verzoekende partijen willen aantonen dat het niet juist is dat het bestreden decreet geen afbreuk doet aan de standstill-verplichting. In dat verband wensen zij een voorafgaande opmerking te formuleren : alleen de maatregelen die ertoe strekken bijvoorbeeld de geluidshinder, de luchtvervuiling of de bodemvervuiling te beperken, kunnen als milieubeschermende maatregelen worden beschouwd. De omwonenden de mogelijkheid bieden hun woningen te isoleren, verbetert daarentegen de kwaliteit van het leefmilieu niet : die maatregel draagt gewoon ertoe bij de omwonenden te beschermen tegen een voor hun gezondheid gevaarlijke omgeving. De verzoekende partijen betogen voorts dat in die context dient te worden vastgesteld dat het toestaan van tien overschrijdingen van de externe geluidsdrempels - wat de Waalse Regering niet betwist - in de eerste plaats de bescherming van het leefmilieu aantast. De verbeteringen van het niveau van bescherming van de omwonenden die volgens de Waalse Regering in het decreet van 29 april 2004 vervat zouden zijn, verbeteren daarentegen, in de veronderstelling dat ze zijn aangetoond, in elk geval niet de kwaliteit van het leefmilieu. A.4.
- Na die principiële opmerking trachten de verzoekende partijen vervolgens de verschillende gebieden te weerleggen waarop volgens de Waalse Regering beter tegemoet wordt gekomen aan de hinder die de omwonenden lijden, teneinde aan te tonen dat het ofwel geenszins om een vooruitgang gaat, maar om de te late verwezenlijking van verplichtingen opgelegd aan het Waalse Gewest vóór de aanneming van het bestreden decreet (verplichtingen die met name worden bevestigd in het arrest nr. 51/2003), ofwel het discours van het Gewest is gewijzigd, waarbij het verwijst naar andere parameters dan die welke het onlangs beoogde. A.4.
- De verzoekende partijen onderzoeken vervolgens de parlementaire voorbereiding die het Waalse Gewest over meerdere jaren heeft gewijd aan de wetgeving op de bestrijding van de geluidshinder, en leiden hieruit af dat het discours met betrekking tot het bestreden decreet volgens hen radicaal is veranderd : vóór het reeds vermelde arrest van het Arbitragehof beweerde iedereen vastberaden de omwonenden een geluidsdrempel van 45 dB te willen waarborgen als resultaatsverbintenis, waarbij die drempel niet mocht worden overschreden. 6 Uit de parlementaire debatten blijkt dat de Waalse wetgever zelf oordeelde zowel artikel 23 van de Grondwet als het standstill-beginsel te moeten eerbiedigen. Na het door het Hof gewezen arrest worden de overschrijdingen overwogen vooraleer daarover een beslissing is genomen. Memorie van wederantwoord van de Waalse Regering A.
- De Waalse Regering repliceert puntsgewijs op de bezwaren van de verzoekende partijen om te trachten aan te tonen dat, in tegenstelling tot wat zij beweren, de aangenomen maatregelen ofwel maatregelen zijn die de kwaliteit van het leefmilieu moeten verbeteren, ofwel begeleidingsmaatregelen zijn die ertoe strekken het recht op de gezondheid van de omwonenden te beschermen. Vervolgens weerlegt de Waalse Regering de stelling van de verzoekende partijen volgens welke hoe dan ook overschrijdingen van de externe en interne geluidsdrempels zullen plaatshebben. Volgens haar maakt niets het mogelijk dat te beweren. Ten slotte, na opnieuw de interpretatie van de W.G.O.-normen te hebben besproken, voert de Waalse Regering aan dat de Waalse wetgever niet is teruggekomen op het evenwicht, dat het Hof in zijn arrest nr. 51/2003 van 30 april 2003 heeft vastgesteld, tussen het privé- en gezinsleven van de onwonenden van de Waalse luchthavens en het economisch belang van het Gewest. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en het onderwerp van het beroep B.
- De verzoekende partijen vorderen de gedeeltelijke vernietiging van artikel 1bis, § 5, eerste lid, 2°, van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 29 april
- Artikel 1 van het voormelde decreet bepaalt : « Artikel 1bis van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder wordt gewijzigd als volgt : […]
- Tussen § 3, die § 4 wordt, en § 4, die § 7 wordt, wordt een § 5 ingevoegd, luidend als volgt : ' §
- In de zones A', B' en C' van het plan m.b.t. de blootstelling aan geluidshinder van de luchthaven van Luik-Bierset zijn de volgende principes van toepassing : 1° wanneer de isolatiewerken in de voornaamste nachtruimte(n) van de woningen gelegen binnen zone A van het ontwikkelingsplan op lange termijn worden uitgevoerd, wordt via geschikte technieken gezorgd voor een geluidsvermindering van minimum 42 dB (A); 7 2° wanneer de isolatiewerken in de voornaamste nachtruimte(n) van de woningen gelegen buiten zone A van het ontwikkelingsplan op lange termijn worden uitgevoerd, wordt via geschikte technieken gezorgd voor een voldoende geluidsvermindering om een geluidsniveau van hoogstens 45 dB (A) te waarborgen zonder dat deze maximale geluidsniveaus meer dan tien keer gedurende een periode van 24 uur worden overschreden voor zover deze overschrijdingen te wijten zijn
§ 7bedoelde externe maximale geluidsniveau.
[…] ' […] ». De verzoekende partijen vorderen meer in het bijzonder de vernietiging van het zinsdeel « zonder dat deze maximale geluidsniveaus meer dan tien keer gedurende een periode van 24 uur worden overschreden voor zover deze overschrijdingen te wijten zijn
§ 7bedoelde externe maximale geluidsniveau ».
Het Hof beperkt het onderzoek van het beroep tot dat gedeelte van de bepaling. Ten gronde B.2.
- Het enig middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 22 en 23 van de Grondwet. Die artikelen bepalen : « Art.
- Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». « Art.
- Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : 1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen; 8 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand; 3° het recht op een behoorlijke huisvesting; 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; 5° het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing ». B.2.
- In de uiteenzetting van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat beide bepalingen dienen te worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, wat de eerste betreft, en van artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, wat de tweede betreft. In verband met die laatste bepaling leggen zij de nadruk op het standstill-beginsel verbonden aan alle bepalingen van het Verdrag, waarbij België aan die bepalingen uitdrukkelijk een dergelijk effect heeft toegekend. Op grond van artikel 1, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, is het Hof bevoegd om wetsnormen te toetsen aan de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten » en aan de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.2.
- Wanneer evenwel een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een of meer van de voormelde grondwetsbepalingen, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. De schending van een grondrecht houdt overigens ipso facto een schending in van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel. B.2.
- Daaruit volgt dat, wanneer een schending wordt aangevoerd van een bepaling van titel II of van de artikelen 170, 172 of 191 van de Grondwet, het Hof bij zijn onderzoek rekening houdt met de internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt bovendien dat de Grondwetgever een zo groot mogelijke concordantie heeft willen nastreven « met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele 9 vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk artikel 8 EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1993-1994, nr. 997/5, p. 2). B.
- Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.4.
- Het decreet van 8 juni 2001 bepaalde dat in de voornaamste nachtruimten van de woningen gelegen in de zones B, C en D van het plan met betrekking tot de blootstelling aan geluidshinder van de luchthaven Luik-Bierset op kosten van het Waalse Gewest isolatiewerken worden uitgevoerd waarbij via geschikte technieken gezorgd wordt voor een geluidshindervermindering van – 42 dB (A) voor de woningen van zone B, van - 37 dB (A) voor de woningen van zone C en van - 32 dB (A) voor de woningen van zone D (artikel 1bis, § 6, van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder). De mate van geluidsvermindering in de onderscheiden zones werd vastgesteld rekening houdend met de voor de diverse zones vastgestelde drempels voor het op de grond voortgebrachte geluid, die, uitgedrukt in Lmax, vastgesteld werden op respectievelijk 87 dB (A) in zone B, 82 dB (A) in zone C en 77 dB (A) in zone D (§ 4 van voormeld artikel). Het decreet voorzag niet in de mogelijkheid van overschrijding van die geluidsdrempels; de Regering kon wel lagere drempels vaststellen dan die bepaald bij het decreet (§ 9 van voormeld artikel). B.4.
- In het aangevochten onderdeel van paragraaf 5 van artikel 1bis van de wet, zoals gewijzigd bij het decreet van 29 april 2004, is bepaald dat wanneer isolatiewerken worden uitgevoerd in de voornaamste nachtruimten van de woningen gelegen buiten zone A van het ontwikkelingsplan op lange termijn, via geschikte technieken wordt gezorgd voor een voldoende geluidsvermindering om een geluidsniveau van hoogstens 45 dB (A) te waarborgen « zonder dat deze maximale geluidsniveaus meer dan tien keer gedurende een periode van 24 uur worden overschreden voor zover deze overschrijdingen te wijten zijn
§ 7bedoelde externe maximale geluidsniveau ».
In artikel 1bis, 10 § 7, zijn voor de zones B, C en D, voor wat de nacht betreft, geluidsdrempels bepaald van respectievelijk 87 dB (A), 82 dB (A) en 77 dB (A) Lmax en, voor wat de dag betreft, van respectievelijk 93 dB (A), 88 dB (A) en 83 dB (A) Lmax. B.
- De bij het decreet van 29 april 2004 ingevoerde bestreden maatregel gaat ervan uit dat de in paragraaf 7 bepaalde geluidsdrempels tot tien keer gedurende een periode van 24 uur kunnen worden overschreden en dat in die omstandigheden het maximale geluidsniveau in de voornaamste nachtruimten niet zou moeten worden gewaarborgd. De bestreden maatregel waarborgt niet dat de uitgevoerde isolatie bescherming zal bieden tegen geluidsoverschrijdingen waarvan de intensiteit niet bepaald is, zelfs wanneer die alle tijdens de nacht zouden zijn geconcentreerd. Een dergelijke maatregel kan van die aard zijn dat hij onevenredige gevolgen heeft die een ernstige inbreuk inhouden op het recht van de bewoners van de woningen gelegen in de zones B, C en D op eerbiediging van hun privé-leven en hun gezinsleven, gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet. Het middel, afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, is gegrond, zodat het middel, in zoverre het tevens is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, niet meer dient te worden onderzocht. B.
- Teneinde de decreetgever ertoe in staat te stellen alle hierbij betrokken belangen opnieuw af te wegen, dienen, met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de gevolgen van de vernietigde bepaling te worden gehandhaafd tot 31 december
- 11 Om die redenen, het Hof - vernietigt in artikel 1bis, § 5, eerste lid, 2°, van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, zoals zij is gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 29 april 2004, de woorden « zonder dat deze maximale geluidsniveaus meer dan tien keer gedurende een periode van 24 uur worden overschreden voor zover deze overschrijdingen te wijten zijn
§ 7
bedoelde externe maximale geluidsniveau »; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot 31 december
- Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 juni
- De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div