id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.104 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.20050615.30 Arrest- Rolnummer: 104/2005 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-03-19 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-07-02 08:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De artikelen 29, § 1, en 45 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer zij worden geïnterpreteerd in die zin dat, ingevolge die artikelen, de voetganger die veroordeeld is voor een zware overtreding van de derde graad, niet kan verkrijgen dat het verval van het recht tot sturen niet geldt voor een of meer categorieën van voertuigen. - De artikelen 29, § 1, en 45 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet wanneer zij worden geïnterpreteerd in die zin dat, ingevolge die artikelen, de voetganger die veroordeeld is voor een zware overtreding van de derde graad, kan verkrijgen dat het verval van het recht tot sturen niet geldt voor een of meer categorieën van voertuigen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 29, § 1, en 45 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals gewijzigd bij de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, gesteld door de Politierechtbank te Brussel. Tekst van de beslissing Rolnummer 3088 Arrest nr. 104/2005 van 1 juni 2005 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 29, § 1, en 45 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals gewijzigd bij de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, gesteld door de Politierechtbank te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter R. Henneuse, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter R. Henneuse, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 27 september 2004 in zake het openbaar ministerie tegen E. Cleenewerck de Crayencour, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 30 september 2004, heeft de Politierechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 29, § 1, en 45 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die zin dat, ingevolge die artikelen, de voetgangers en de andere weggebruikers die niet over een rijbewijs moeten beschikken en die een zware overtreding van de derde graad hebben begaan, niet erom kunnen verzoeken dat het verval van het recht tot sturen dat tegenover hen is uitgesproken, geen betrekking heeft op alle categorieën van voertuigen waarmee de overtreding niet werd begaan, terwijl die mogelijkheid wel bestaat voor de bestuurders van voertuigen waarvoor een rijbewijs verplicht is, die een zware overtreding van de derde graad hebben begaan ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 april 2005 : - is verschenen : Mr. A. Daout loco Mr. F. Libert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verweerder voor de verwijzende rechter wordt ervan beschuldigd als voetganger een zware verkeersovertreding te hebben begaan, door te weigeren gevolg te geven aan de bevelen van een bevoegd persoon. De rechter stelt vast dat die overtreding onder andere een verval van het recht tot sturen met zich meebrengt voor een duur van ten minste acht dagen (artikel 29, § 1, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968) en dat hij het verplichte verval van het recht tot sturen kan beperken tot bepaalde categorieën van voertuigen op voorwaarde dat de categorie van voertuigen waartoe het voertuig behoort dat werd gebruikt op het ogenblik van de overtreding die het verval van het recht tot sturen met zich meebrengt, daarvan deel uitmaakt (artikel 45 van dezelfde wetten), wat impliceert dat de bestuurder de rechter kan verzoeken het verval van het recht tot sturen op die manier te beperken. De rechter is echter van mening dat die mogelijkheid - per definitie - niet wordt geboden aan de voetganger die een zware overtreding van de derde graad begaat, rekening houdend met het feit dat hij niet binnen een « categorie van voertuigen » valt waarvoor een rijbewijs verplicht is, zodat, om in overeenstemming te zijn met de wet die 3 de verplichting oplegt om tegenover hem een verval van het recht tot sturen uit te spreken, dat verval noodzakelijkerwijs betrekking zal hebben op een categorie van voertuigen waarmee hij de overtreding niet heeft begaan. Hij beslist dan ook het Hof een vraag te stellen over de ongelijke behandeling die hij uit die elementen afleidt. III. In rechte -A- A.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.